V. BENO, DE STUWVLOED

De gouverneur van de Oostkust van Sumatra had ditmaal zijn reis naar de

Kampar-rivier zoo geregeld, dat hij den benô zou kunnen zien, den

stuwvloed, welke deze rivier ongeschikt maakt voor geregeld

bootverkeer.

Het woord „stuwvloed” geeft beter dan „vloedgolf” aan, wat men te

zeggen heeft. Er is geen beter woord om een denkbeeld te geven van het

brok water, dat, op twee of drie achtereenvolgende dagen, telkens bij

volle en bij nieuwe maan, door den vloed uit zee wordt opgestuwd, en

dat op verschillende punten in de honderden meters breede rivier soms

een hoogte heeft van drie meter en meer, waar het met een snelheid van

tien tot dertig kilometer per uur de bedding wordt binnen geschoven.

Dat ontzaglijke brok water heeft een aaneengesloten front, een

kokenden, brullenden muur. Het is, of een nieuwe rivier, van enkele

meters hoogeren waterstand, heenschiet over de bestaande, die door de

eb is leeg gezogen; en niet geleidelijk, maar inééns, zonder overgang.

Een geweldige bandjir, maar in averechtsche richting.

Verschillende rivieren ter wereld vertoonen een verschijnsel, dat in

meer of mindere mate met den beno overeenkomt. In Nederlandsch-Indië

zijn het alleen de Kampar- en de Rokan-rivier, welke beide in de Straat

van Malaka uitmonden, waar de beno heerscht. Op de Rokan is hij nimmer

zoo hoog en zoo gevaarlijk als op de Kampar; doch men kan zich een

begrip vormen van de massa water, welke bij vloed de kilometers-breede

monden inschuift, wanneer men bij laag water de hoogte ziet van den

„boom”, de steiger van het Chineezen-centrum Bagan Si Api-Api, de

tweede visschersplaats ter wereld, aan den Rokan-mond.

Er zijn maar enkele Europeanen, die hier dit overweldigend natuurwonder

gezien hebben, omdat deze afgelegen streken zeer weinig worden bezocht.

Beide rivieren stroomen in haar benedenloop door de lage landen van

Sumatra’s oostkust, welke hier niet de belangstelling hebben van het

kapitaal; de bodem is niet vruchtbaar genoeg voor den grooten landbouw,

en hier en daar strekken zich moerassen uit, ontstaan door

overstroomingen of wanneer de machtige rivieren haar bedding verlegden.

Er zijn dan ook slechts sporadisch kleine nederzettingen der inheemsche

bevolking. De Hindoe’s hebben, misschien tien eeuwen geleden, op enkele

hoogere plekken aan de oevers hun rustpunten gebouwd, waarvan nog

resten van gebakken steenen zijn overgebleven, maar talrijk zal de

bevolking er wel nooit geweest zijn.

Voor de beide Sumatra-rivieren zal het ontstaan van den beno samen

hangen met de vernauwing van de Straat van Malaka, veroorzaakt door de

eilandenreeks ten oosten van midden- en zuid-Sumatra. Of, om het

geologisch zuiver te zeggen: die eilanden zijn het overblijfsel van den

band, welke Sumatra aan Malaka, aan het vasteland van Azië, heeft

verbonden. Toen na den ijstijd het smeltwater aan de polen en in de

gletschergebieden vrij kwam, grepen groote veranderingen plaats in den

Indonesischen archipel. Eerst namen de Philippijnen afscheid van

Borneo, en Bali van Java; daarna werd de band verbroken tusschen Java

en Sumatra, en eindelijk maakten Borneo en Sumatra zich van elkaar los.

Nu waren alleen Sumatra en Malaka nog aan elkaar verbonden, en ook het

lage deel van deze verbinding dompelde ten slotte onder. Zoo ontstond

de sleuf tusschen het vasteland van Azië en Sumatra, de wereldstraat

van Malaka. Hoe lang het geleden is, dat deze laatste scheiding tot

stand kwam, zal wel onbekend blijven. De geoloog zal het niet kunnen

aanvaarden, doch op grond van gegevens in 163 A.D. door Ptolemaeus

vastgelegd, beschouwd in verband met ethnologische aanwijzingen, is er

plaats voor de veronderstelling, dat in het begin van onze jaartelling

nog een smalle, lage landengte bestond tusschen Malaka en een gedeelte

van Sumatra ten zuiden van de Rokan-monding.

Hoe het ook zij, er is hier een drempel in de Straat, het hoogere deel

der oude verbinding, welke van invloed moet zijn op de wijze, waarop

het bij vloed opkomende water juist de twee breede monden van Kampar en

Rokan binnen schuift.

Aan deskundigen de beoordeling, ook omtrent de juiste oorzaak van de

werking van den beno op de rivieren. Er zijn verschillende theorieën

over, maar een wonder blijft het voor een ieder, wien het gegeven is

het oogenblik te doorleven, waarop het kokende waterfront bulderend

voorbij schuift, verder, steeds verder de breede rivier op.

Men had voor den bestuurder dezer gewesten een plek aan den linkeroever

uitgezocht, vanwaar hij het schouwspel in de grootste kracht en van

nabij zou kunnen zien. Benedenstrooms lag een zacht krommende

rivierbocht met iets hoogeren rand, welke bij elken beno werd

afgebrokkeld; was deze bocht gepasseerd, dan ging de stuwvloed met

groote snelheid een recht rivierstuk op, en hier vertoonde de beno zich

op zijn best.

Het was midden December, de moesson-regens hadden de rivier rijk

gemaakt, en het was springvloed, twee factoren welke een hoogen

stuwvloed deden verwachten. In dezen tijd van het jaar ging vrijwel

geen dag voorbij zonder regen, daarom hadden rappe handen aan den oever

een eenvoudig hutje gemaakt, een afdak van bladeren boven enkele banken

van twijgen en takken, waarop de gouverneur, de plaatselijk besturend

ambtenaar en eenige hoofden der bevolking zich in afwachting van de

komende dingen hadden neergezet. Ook de oude Kampar-loods was met hen.

Hij had den vorigen avond het Gouvernements-vaartuig „Diana”, waarmee

de gouverneur de reizen in deze streken maakte, veilig ten anker

gebracht achter het eiland Ketam, waar de beno nimmer gevaarlijk is; en

in den vroegen morgen was het gezelschap in een lichte prauw stroomop

geroeid.

Het was tien uur. De rivier, welke op deze plek meer dan drie honderd

meter breed is, stroomde rustig langs den tien voet hoogen, steilen

oeverrand. Het was nog eb, eerst over een uur werd de beno verwacht.

Loodkleurig onder den zwaar betrokken hemel strekte het stille

watervlak zich uit, dat men, van dit punt uit, kilometers ver naar

boven- en naar benedenstrooms kan overzien.

„Is dit nu de plek, waar de beno voor de vaart het gevaarlijkst is?”

vroeg de gouverneur.

„Neen, meneer,” antwoordde de loods, „het gevaarlijkste punt is bij

Tandjoeng Poelai. De beno loopt den Kamparmond in van drie kanten,

tusschen de zandbanken door, en vormt zich bij Ketam; daar is hij al

merkbaar, maar niet gevaarlijk. Dan begint hij te zwellen en wordt al

sterker en sneller; en op den drempel bij Poelai is hij het hoogst, wel

tien voet en meer; daar spookt hij geweldig; maar ik heb u daar niet

gebracht, omdat men daar niet zoo ver naar alle kanten kan zien en

omdat er geen veilige plek aan den kant is als hier, waar wij nu zijn;

hier komt hij ook wel eens drie meter hoog, maar heel zelden.”

„En waar is de „Madjoe” vergaan, en hoe kwam dat?”

„Dat gebeurde twaalf jaar geleden bij Tandjoeng Niboeng. Het was een

kleine stoomboot, de bemanning wist niets van de kracht en de werking

van den beno af en dacht het wel klaar te zullen spelen. Ze ging

rechtop staan, sloeg om en liep dadelijk vol zand, alles was in één

oogenblik vernield. De „Madjoe” spookt nog wel eens, maar bij Poelau

Lawan, en de heele kampoeng loopt dan uit om het te zien.”

„En wat ziet men dan?”

De loods keek eens langs de rij hoofden en gaf een hunner een teeken om

op de vraag te antwoorden.

Een oud, waardig man kuchte even, dat is zoo de gewoonte. Met spanning

keken alle anderen naar hem. Dit was een man, die veel wist te

vertellen.

„Niet iedereen kan dat zien, meneer, daar moet men de ilmoe voor

hebben, er zijn maar enkelen, wien dat gegeven is; zij zien de „Madjoe”

midden in de rivier. Bij Tandjoeng Semajang is ’t heel anders, dat heb

ik zelf gezien.”

„Wat hebt ge daar gezien?”

De oude man kuchte nog eens. „Ja, meneer, ik zal ’t u vertellen, maar

ik weet niet, of u ’t gelooft. Wij menschen aan de rivier zien die

dingen, en onze voorvaderen hebben ’t ook gezien. Bij Tandjoeng

Semajang, dat vroeger Si Bajang-Bajang heette, woonde heel vroeger een

vrouw van den stam Singô Bônô. Wij noemen den beno hier bônô, of hij

naar den stamnaam genoemd is, weten wij niet, maar men zegt, dat er

toen nog geen beno was. Die vrouw had bovenaardsche macht, en dikwijls

kwamen menschen in haar huisje aan den rivierkant om raad te vragen als

er thuis zieken waren. Toen zij heel oud was geworden en niet goed meer

loopen kon, zei ze op ’n dag tegen de menschen, die haar kwamen

bezoeken, dat zij alleen wilde zijn om te bidden. Al die menschen

hebben toen gezien, dat ’t huisje èn de oude vrouw plotseling verdwenen

waren. Bij die plek is nu een kramat, een heilige plek waar men

geloften doet. En als de beno op komt zetten, ziet men van daar, op de

rivier, maar heel ver en in een mist, een schip met volle zeilen, of

een prauw, die geroeid wordt met veel riemen, maar menschen ziet men

nooit. Dikwijls zien wij die boot, ikzelf heb het ook gezien. En wij

vinden het prettig als iemand de spookboot ziet, dat brengt geluk over

de heele streek.”

Het was of de rivier te luisteren lag, zoo sloom, al langzamer, bewoog

zij zich.

„Hoe lang zou dit al geleden zijn?”

„Dat weten wij niet; ’t was in den tijd, dat Toek Engok leefde. Die had

ook bovenaardsche macht, hij kon elk willekeurig stuk hout gebruiken om

er de rivier mee over te drijven, zelfs in den sterksten stroom. Soms

bleef hij wel ’n week achter zijn klamboe. Een nieuwsgierige vrouw

gluurde eens in de klamboe en zag, dat Toek Engok niet op zijn

slaapplaats lag. Toen hij na eenige dagen uit de klamboe kwam, bekende

de vrouw wat zij gedaan en gezien had; en nu vertelde de oude man, dat

hij met een djin-vrouw getrouwd was en telkens naar haar toe ging. Hij

had kinderen bij die vrouw, ook een zoon, die Radja Alam heette, maar

niemand heeft ooit die vrouw en de kinderen gezien,”

Al donkerder werd de lucht. Alleen ver benedenstrooms streepte een

zandbank fel wit in een zonnestraal. In een boom aan den oever had een

groote, grauwgroene vliegenvanger een dooden tak uitgekozen als station

voor zijn cirkelvluchtjes. Even loerde hij, dan schoot hij weg, hapte

met duidelijk hoorbaar snappen van den snavel een argeloos insect beet,

en keerde in een sierlijke bocht terug op precies hetzelfde plekje op

zijn tak. En telkens weer cirkelde hij rond en steeds weer knapte de

vangende snavel; het was al een kwartierlang het eenige geluid geweest

buiten het hutje, waar de mannen stil luisterden naar de oude verhalen.

Toen het elf uur was, verdween de vliegenvanger; nu was alles stil, de

natuur wachtte. Maar een kwartier later joeg een wilde windstoot door

het bosch achter het hutje, en even later ratelde een hagelbui op het

bladerendakje. Nog scheen de zon op de witte zandbank in de verte, en

ze begon nu ook aan den overkant der rivier te schijnen, de looden

hemel had zich ontlast en tusschen zware wolken grijsden lichtere

vlekken. De rivier bleef donker, maar de wilde wind schoor over het

water en bracht er schichtige schuimvlokken.

Twintig minuten vóór twaalf brak plotseling de zon breed door, en nu

werd, misschien twee kilometer benedenstrooms, een witte streep dwars

over de rivier zichtbaar.

„Dáár is-ie!” riepen de mannen, „hoort u dat bruisen, meneer?”

Nu hij zichtbaar was, hoorde men ook een zacht geruisch over het water

komen. De rivier lag nu doodstil, de menschen zwegen. Snel aangroeiend

kwam het bruisend geluid de rivier op en breeder werd de streep. Het

was, of een raderboot zich de Kampar opwerkte. Nu brak de witte streep

op de daareven verlichte zandbank, en duidelijk waren wild klotsende

golven te zien, die hier en daar over de bank sprongen, alsof daar

groote dieren renden, opsprongen en weer neerploften. Dan stak een

sissende waterdam over naar de flauwe bocht, de hooge wal verdween voor

een groot deel en doffe, dreunende schoten klonken, groote brokken van

den steilen oever ploften in de kokende branding.

De zon bescheen nu de rivier helder, en duidelijk was te zien, hoe het

waterfront zich opstelde voor het rechte rivierstuk, dat nu vermeesterd

moest worden. In één rechte lijn kwam de schuimende, razende dam

opzetten, verrassend snel nu, als een donderende artillerie-charge,

maar paard aan paard, nek aan nek, één aaneengesloten front; hier en

daar steigerden woeste golven, als wilde paarden. In grommend gebrul

stortte de twee meter hooge, kokende vloed zich op het doodstille

water, aan den oever spoten moddergolven op, enkele boomen werden van

den oever meegesleurd.

De grond trilde, de huiverende mannen deden onwillekeurig eenige

stappen achteruit, en vóór men het goed besefte, stoof het brullend

geweld voorbij; de rivier was plotseling twee meter hooger geworden en

er kookte een bruin brouwsel, waar stammen en takken en brokken

drijfhout draaiden en wentelden en rechtop gingen staan en weer neer

smakten, fel bewogen door geweldige kolken, die elkaar bevochten. In

één moment was alles voorbij, ziedend, brullend, en de mannen juichten

en brulden mee, met koude ruggegraat...

„Hebt u de paarden goed gezien, meneer?” vroeg het oude volkshoofd

opgewonden.

„Bedoelt ge die springende koppen?”

„Ja, die noemen wij de paarden. Men zegt, dat er vroeger zeven wilde

paarden waren, die den beno de rivier op trokken. Een opperhoofd van

den stam Singo Bono, een groot „gagah” man, heeft er één uit geschoten,

en toen is de beno vier malen weg gebleven. Hij is zwaar ziek geworden

en heeft nimmer meer kunnen loopen; het is niet goed, zulke dingen te

doen, wij menschen moeten voorzichtig zijn”...

Dien namiddag vertrok de gouverneur per „Diana” naar Médan, en in den

laten avond zat hij in een makkelijken rotan-stoel op het bovendekje

van het schip, en dacht terug aan het wonderlijk gebeuren van dien dag.

De volle maan spiegelde zich in het rimpelloos water van een der

zeestraten in de groep der Bengkalis-eilanden, waar de „Diana” zacht

door heen gleed. In den inktzwarten rand van het vloedbosch, tusschen

den maannacht en het water, tjirpten de krekels. In enkele struiken aan

den kant dansten duizende vuurvliegjes en zij maakten van de struiken

rijk bekaarste kerstboompjes, maar de vlammetjes waren zwak

fosforiseerende lichtjes, één seconde schenen zij en doofden dan alle

even lang weer uit, als op commando, onwezenlijk, spookachtig in den

zachten nevel van fosforglans.

Was het mogelijk, dat die spokendans van insecten gehoorzaamde aan een

regelende macht? Vaste wetten heerschten ook hier, ongetwijfeld, even

goed als ginds op die nu weer zoo stille, daareven kokende, ziedende

rivier.

Een zachte kuch klonk op de trap naar het dekje. De oude loods van de

Kampar had verlof gekregen mee te gaan naar Médan, daar woonde een

getrouwde dochter, hij had zijn jongste kleinkind nog niet gezien.

Zwijgend zette hij zich neer, met den rug tegen de railing. Voelde hij,

waarom die eenzame man nog niet tot slapen kon komen in den wonderen

maannacht? en dat die man—mensch als hij—behoefte had om nog eens met

hem te spreken over het saam doorleefde?

„Ik ben blij, dat gij ook nog niet slaapt, loods; gij hebt den beno al

zoo dikwijls gezien, maar ik had iets dergelijks nog niet meegemaakt.

En nog telkens denk ik aan de verhalen, welke gijlieden mij verteld

hebt.”

„Ja, meneer, ik heb gezien, hoc u naar ons luisterde; dat doet ons

goed, wij zijn gehecht aan die overleveringen. Maar niemand heeft u

durven vertellen, wat volgens onze voorvaderen de eigenlijke oorsprong

moet zijn van den beno. Het is een vreemd verhaal, en onze godsdienst

verbiedt ons aan zulke dingen te gelooven. Maar al waren onze

voorvaderen nog niet „orang islam”, zij wisten veel. En al schamen

velen zich er openlijk aan te gelooven, in ons hart... Ik zal u het

verhaal vertellen.

„In oude, oude tijden leefde in het midden-stroomgebied van de Kampar

een groot opperhoofd, die een beeldschoone dochter had Men zegt, dat

zij wonderlijk geschapen was, haar boezem was half vrouwelijk, half als

van ’n man. Maar ze was zóó mooi, dat alle mannen gek op haar waren.

Zij trok zich daar niets van aan, ze wilde niets van haar aanbidders

weten, en dit gaf het opperhoofd veel zorg. Hij was verbaasd te zien,

dat het meisje blijkbaar maar één vriend op de wereld had, haar hond.

Maar de vader wist niet, dat die hond de man van zijn dochter was; hij

wist dit eerst, toen zij hem kwam bekennen, dat zij spoedig moeder zou

zijn... en toen zeven kinderen werden geboren, bleken ze allen hondjes

te zijn. Doodbeschaamd gooide het opperhoofd alle hondjes in de rivier,

om elk spoor van deze vreeselijke schande te doen verdwijnen.

„Maar ziet! de vloed uit zee, die tot aan het land van het groote

opperhoofd aan de oevers merkbaar was, begon zich langzamerhand te

rimpelen, de rimpels werden kabbelingen, de kabbelingen groeiden tot

golfjes, en zóó werd de beweging in het water al sterker en sterker.

Eerst was het ruischen, toen grommen en brullen, en eindelijk was de

beno volgroeid. En nu zag men hier en daar, midden in den bruisenden

dam, zeven koppen, die de leiding hadden. Dit waren de volwassen

geworden honden, die hun moeder zochten. En tot nu toe komen zij

telkens weer uit zee, waar zij wonen, en ze rijden op den vloed de

Kampar op; en zij springen en grommen, en vernielen alles war zij tegen

komen. In woeste vaart razen zij voort, schouder aan schouder; maar

telkens weer raken zij eindelijk uitgeput, en zij zakken maar weer af

naar zee, waar zij wonen, en den volgenden keer en nog eens, en nòg

eens, probeeren zij het weer, maar nimmer vinden zij hun moeder.

„Zoo moet de beno ontstaan zijn, dat is van geslacht op geslacht op ons

overgegaan. Ik weet niet, of het eigenlijk wel mogelijk is, maar onze

voorvaderen wisten zooveel, dat wij nu niet meer begrijpen.”

De loods zweeg en keek op naar den stillen man in zijn stoel. Hij zag

hem opstaan en naar de railing loopen, waar hij stil bleef turen in den

nacht van zilver en zwart. Hoog in de lucht, juist langs de volle maan,

stippelden zich enkele kalong’s af, die reusachtige vleermuizen, die ’s

avonds met loggen, loomen vleugelslag het oneindige ingaan, met een

doel, dat men slechts gissen kan. Nu waren zij misschien op weg naar

rijpe boomvruchten ergens op een eiland, dat twintig kilometer uit de

kust lag. En ’s morgens zouden zij weer den terugweg aanvaarden, naar

de kaal vernielde boomen, waar zij bij honderden hun kolonies hebben.

Heen en weer, op en neer, de eeuwen door; als de razende beno en als de

dansende vuurvliegjes.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 23 / 34 题