De gouverneur van de Oostkust van Sumatra had ditmaal zijn reis naar de
Kampar-rivier zoo geregeld, dat hij den benô zou kunnen zien, den
stuwvloed, welke deze rivier ongeschikt maakt voor geregeld
bootverkeer.
Het woord „stuwvloed” geeft beter dan „vloedgolf” aan, wat men te
zeggen heeft. Er is geen beter woord om een denkbeeld te geven van het
brok water, dat, op twee of drie achtereenvolgende dagen, telkens bij
volle en bij nieuwe maan, door den vloed uit zee wordt opgestuwd, en
dat op verschillende punten in de honderden meters breede rivier soms
een hoogte heeft van drie meter en meer, waar het met een snelheid van
tien tot dertig kilometer per uur de bedding wordt binnen geschoven.
Dat ontzaglijke brok water heeft een aaneengesloten front, een
kokenden, brullenden muur. Het is, of een nieuwe rivier, van enkele
meters hoogeren waterstand, heenschiet over de bestaande, die door de
eb is leeg gezogen; en niet geleidelijk, maar inééns, zonder overgang.
Een geweldige bandjir, maar in averechtsche richting.
Verschillende rivieren ter wereld vertoonen een verschijnsel, dat in
meer of mindere mate met den beno overeenkomt. In Nederlandsch-Indië
zijn het alleen de Kampar- en de Rokan-rivier, welke beide in de Straat
van Malaka uitmonden, waar de beno heerscht. Op de Rokan is hij nimmer
zoo hoog en zoo gevaarlijk als op de Kampar; doch men kan zich een
begrip vormen van de massa water, welke bij vloed de kilometers-breede
monden inschuift, wanneer men bij laag water de hoogte ziet van den
„boom”, de steiger van het Chineezen-centrum Bagan Si Api-Api, de
tweede visschersplaats ter wereld, aan den Rokan-mond.
Er zijn maar enkele Europeanen, die hier dit overweldigend natuurwonder
gezien hebben, omdat deze afgelegen streken zeer weinig worden bezocht.
Beide rivieren stroomen in haar benedenloop door de lage landen van
Sumatra’s oostkust, welke hier niet de belangstelling hebben van het
kapitaal; de bodem is niet vruchtbaar genoeg voor den grooten landbouw,
en hier en daar strekken zich moerassen uit, ontstaan door
overstroomingen of wanneer de machtige rivieren haar bedding verlegden.
Er zijn dan ook slechts sporadisch kleine nederzettingen der inheemsche
bevolking. De Hindoe’s hebben, misschien tien eeuwen geleden, op enkele
hoogere plekken aan de oevers hun rustpunten gebouwd, waarvan nog
resten van gebakken steenen zijn overgebleven, maar talrijk zal de
bevolking er wel nooit geweest zijn.
Voor de beide Sumatra-rivieren zal het ontstaan van den beno samen
hangen met de vernauwing van de Straat van Malaka, veroorzaakt door de
eilandenreeks ten oosten van midden- en zuid-Sumatra. Of, om het
geologisch zuiver te zeggen: die eilanden zijn het overblijfsel van den
band, welke Sumatra aan Malaka, aan het vasteland van Azië, heeft
verbonden. Toen na den ijstijd het smeltwater aan de polen en in de
gletschergebieden vrij kwam, grepen groote veranderingen plaats in den
Indonesischen archipel. Eerst namen de Philippijnen afscheid van
Borneo, en Bali van Java; daarna werd de band verbroken tusschen Java
en Sumatra, en eindelijk maakten Borneo en Sumatra zich van elkaar los.
Nu waren alleen Sumatra en Malaka nog aan elkaar verbonden, en ook het
lage deel van deze verbinding dompelde ten slotte onder. Zoo ontstond
de sleuf tusschen het vasteland van Azië en Sumatra, de wereldstraat
van Malaka. Hoe lang het geleden is, dat deze laatste scheiding tot
stand kwam, zal wel onbekend blijven. De geoloog zal het niet kunnen
aanvaarden, doch op grond van gegevens in 163 A.D. door Ptolemaeus
vastgelegd, beschouwd in verband met ethnologische aanwijzingen, is er
plaats voor de veronderstelling, dat in het begin van onze jaartelling
nog een smalle, lage landengte bestond tusschen Malaka en een gedeelte
van Sumatra ten zuiden van de Rokan-monding.
Hoe het ook zij, er is hier een drempel in de Straat, het hoogere deel
der oude verbinding, welke van invloed moet zijn op de wijze, waarop
het bij vloed opkomende water juist de twee breede monden van Kampar en
Rokan binnen schuift.
Aan deskundigen de beoordeling, ook omtrent de juiste oorzaak van de
werking van den beno op de rivieren. Er zijn verschillende theorieën
over, maar een wonder blijft het voor een ieder, wien het gegeven is
het oogenblik te doorleven, waarop het kokende waterfront bulderend
voorbij schuift, verder, steeds verder de breede rivier op.
Men had voor den bestuurder dezer gewesten een plek aan den linkeroever
uitgezocht, vanwaar hij het schouwspel in de grootste kracht en van
nabij zou kunnen zien. Benedenstrooms lag een zacht krommende
rivierbocht met iets hoogeren rand, welke bij elken beno werd
afgebrokkeld; was deze bocht gepasseerd, dan ging de stuwvloed met
groote snelheid een recht rivierstuk op, en hier vertoonde de beno zich
op zijn best.
Het was midden December, de moesson-regens hadden de rivier rijk
gemaakt, en het was springvloed, twee factoren welke een hoogen
stuwvloed deden verwachten. In dezen tijd van het jaar ging vrijwel
geen dag voorbij zonder regen, daarom hadden rappe handen aan den oever
een eenvoudig hutje gemaakt, een afdak van bladeren boven enkele banken
van twijgen en takken, waarop de gouverneur, de plaatselijk besturend
ambtenaar en eenige hoofden der bevolking zich in afwachting van de
komende dingen hadden neergezet. Ook de oude Kampar-loods was met hen.
Hij had den vorigen avond het Gouvernements-vaartuig „Diana”, waarmee
de gouverneur de reizen in deze streken maakte, veilig ten anker
gebracht achter het eiland Ketam, waar de beno nimmer gevaarlijk is; en
in den vroegen morgen was het gezelschap in een lichte prauw stroomop
geroeid.
Het was tien uur. De rivier, welke op deze plek meer dan drie honderd
meter breed is, stroomde rustig langs den tien voet hoogen, steilen
oeverrand. Het was nog eb, eerst over een uur werd de beno verwacht.
Loodkleurig onder den zwaar betrokken hemel strekte het stille
watervlak zich uit, dat men, van dit punt uit, kilometers ver naar
boven- en naar benedenstrooms kan overzien.
„Is dit nu de plek, waar de beno voor de vaart het gevaarlijkst is?”
vroeg de gouverneur.
„Neen, meneer,” antwoordde de loods, „het gevaarlijkste punt is bij
Tandjoeng Poelai. De beno loopt den Kamparmond in van drie kanten,
tusschen de zandbanken door, en vormt zich bij Ketam; daar is hij al
merkbaar, maar niet gevaarlijk. Dan begint hij te zwellen en wordt al
sterker en sneller; en op den drempel bij Poelai is hij het hoogst, wel
tien voet en meer; daar spookt hij geweldig; maar ik heb u daar niet
gebracht, omdat men daar niet zoo ver naar alle kanten kan zien en
omdat er geen veilige plek aan den kant is als hier, waar wij nu zijn;
hier komt hij ook wel eens drie meter hoog, maar heel zelden.”
„En waar is de „Madjoe” vergaan, en hoe kwam dat?”
„Dat gebeurde twaalf jaar geleden bij Tandjoeng Niboeng. Het was een
kleine stoomboot, de bemanning wist niets van de kracht en de werking
van den beno af en dacht het wel klaar te zullen spelen. Ze ging
rechtop staan, sloeg om en liep dadelijk vol zand, alles was in één
oogenblik vernield. De „Madjoe” spookt nog wel eens, maar bij Poelau
Lawan, en de heele kampoeng loopt dan uit om het te zien.”
„En wat ziet men dan?”
De loods keek eens langs de rij hoofden en gaf een hunner een teeken om
op de vraag te antwoorden.
Een oud, waardig man kuchte even, dat is zoo de gewoonte. Met spanning
keken alle anderen naar hem. Dit was een man, die veel wist te
vertellen.
„Niet iedereen kan dat zien, meneer, daar moet men de ilmoe voor
hebben, er zijn maar enkelen, wien dat gegeven is; zij zien de „Madjoe”
midden in de rivier. Bij Tandjoeng Semajang is ’t heel anders, dat heb
ik zelf gezien.”
„Wat hebt ge daar gezien?”
De oude man kuchte nog eens. „Ja, meneer, ik zal ’t u vertellen, maar
ik weet niet, of u ’t gelooft. Wij menschen aan de rivier zien die
dingen, en onze voorvaderen hebben ’t ook gezien. Bij Tandjoeng
Semajang, dat vroeger Si Bajang-Bajang heette, woonde heel vroeger een
vrouw van den stam Singô Bônô. Wij noemen den beno hier bônô, of hij
naar den stamnaam genoemd is, weten wij niet, maar men zegt, dat er
toen nog geen beno was. Die vrouw had bovenaardsche macht, en dikwijls
kwamen menschen in haar huisje aan den rivierkant om raad te vragen als
er thuis zieken waren. Toen zij heel oud was geworden en niet goed meer
loopen kon, zei ze op ’n dag tegen de menschen, die haar kwamen
bezoeken, dat zij alleen wilde zijn om te bidden. Al die menschen
hebben toen gezien, dat ’t huisje èn de oude vrouw plotseling verdwenen
waren. Bij die plek is nu een kramat, een heilige plek waar men
geloften doet. En als de beno op komt zetten, ziet men van daar, op de
rivier, maar heel ver en in een mist, een schip met volle zeilen, of
een prauw, die geroeid wordt met veel riemen, maar menschen ziet men
nooit. Dikwijls zien wij die boot, ikzelf heb het ook gezien. En wij
vinden het prettig als iemand de spookboot ziet, dat brengt geluk over
de heele streek.”
Het was of de rivier te luisteren lag, zoo sloom, al langzamer, bewoog
zij zich.
„Hoe lang zou dit al geleden zijn?”
„Dat weten wij niet; ’t was in den tijd, dat Toek Engok leefde. Die had
ook bovenaardsche macht, hij kon elk willekeurig stuk hout gebruiken om
er de rivier mee over te drijven, zelfs in den sterksten stroom. Soms
bleef hij wel ’n week achter zijn klamboe. Een nieuwsgierige vrouw
gluurde eens in de klamboe en zag, dat Toek Engok niet op zijn
slaapplaats lag. Toen hij na eenige dagen uit de klamboe kwam, bekende
de vrouw wat zij gedaan en gezien had; en nu vertelde de oude man, dat
hij met een djin-vrouw getrouwd was en telkens naar haar toe ging. Hij
had kinderen bij die vrouw, ook een zoon, die Radja Alam heette, maar
niemand heeft ooit die vrouw en de kinderen gezien,”
Al donkerder werd de lucht. Alleen ver benedenstrooms streepte een
zandbank fel wit in een zonnestraal. In een boom aan den oever had een
groote, grauwgroene vliegenvanger een dooden tak uitgekozen als station
voor zijn cirkelvluchtjes. Even loerde hij, dan schoot hij weg, hapte
met duidelijk hoorbaar snappen van den snavel een argeloos insect beet,
en keerde in een sierlijke bocht terug op precies hetzelfde plekje op
zijn tak. En telkens weer cirkelde hij rond en steeds weer knapte de
vangende snavel; het was al een kwartierlang het eenige geluid geweest
buiten het hutje, waar de mannen stil luisterden naar de oude verhalen.
Toen het elf uur was, verdween de vliegenvanger; nu was alles stil, de
natuur wachtte. Maar een kwartier later joeg een wilde windstoot door
het bosch achter het hutje, en even later ratelde een hagelbui op het
bladerendakje. Nog scheen de zon op de witte zandbank in de verte, en
ze begon nu ook aan den overkant der rivier te schijnen, de looden
hemel had zich ontlast en tusschen zware wolken grijsden lichtere
vlekken. De rivier bleef donker, maar de wilde wind schoor over het
water en bracht er schichtige schuimvlokken.
Twintig minuten vóór twaalf brak plotseling de zon breed door, en nu
werd, misschien twee kilometer benedenstrooms, een witte streep dwars
over de rivier zichtbaar.
„Dáár is-ie!” riepen de mannen, „hoort u dat bruisen, meneer?”
Nu hij zichtbaar was, hoorde men ook een zacht geruisch over het water
komen. De rivier lag nu doodstil, de menschen zwegen. Snel aangroeiend
kwam het bruisend geluid de rivier op en breeder werd de streep. Het
was, of een raderboot zich de Kampar opwerkte. Nu brak de witte streep
op de daareven verlichte zandbank, en duidelijk waren wild klotsende
golven te zien, die hier en daar over de bank sprongen, alsof daar
groote dieren renden, opsprongen en weer neerploften. Dan stak een
sissende waterdam over naar de flauwe bocht, de hooge wal verdween voor
een groot deel en doffe, dreunende schoten klonken, groote brokken van
den steilen oever ploften in de kokende branding.
De zon bescheen nu de rivier helder, en duidelijk was te zien, hoe het
waterfront zich opstelde voor het rechte rivierstuk, dat nu vermeesterd
moest worden. In één rechte lijn kwam de schuimende, razende dam
opzetten, verrassend snel nu, als een donderende artillerie-charge,
maar paard aan paard, nek aan nek, één aaneengesloten front; hier en
daar steigerden woeste golven, als wilde paarden. In grommend gebrul
stortte de twee meter hooge, kokende vloed zich op het doodstille
water, aan den oever spoten moddergolven op, enkele boomen werden van
den oever meegesleurd.
De grond trilde, de huiverende mannen deden onwillekeurig eenige
stappen achteruit, en vóór men het goed besefte, stoof het brullend
geweld voorbij; de rivier was plotseling twee meter hooger geworden en
er kookte een bruin brouwsel, waar stammen en takken en brokken
drijfhout draaiden en wentelden en rechtop gingen staan en weer neer
smakten, fel bewogen door geweldige kolken, die elkaar bevochten. In
één moment was alles voorbij, ziedend, brullend, en de mannen juichten
en brulden mee, met koude ruggegraat...
„Hebt u de paarden goed gezien, meneer?” vroeg het oude volkshoofd
opgewonden.
„Bedoelt ge die springende koppen?”
„Ja, die noemen wij de paarden. Men zegt, dat er vroeger zeven wilde
paarden waren, die den beno de rivier op trokken. Een opperhoofd van
den stam Singo Bono, een groot „gagah” man, heeft er één uit geschoten,
en toen is de beno vier malen weg gebleven. Hij is zwaar ziek geworden
en heeft nimmer meer kunnen loopen; het is niet goed, zulke dingen te
doen, wij menschen moeten voorzichtig zijn”...
Dien namiddag vertrok de gouverneur per „Diana” naar Médan, en in den
laten avond zat hij in een makkelijken rotan-stoel op het bovendekje
van het schip, en dacht terug aan het wonderlijk gebeuren van dien dag.
De volle maan spiegelde zich in het rimpelloos water van een der
zeestraten in de groep der Bengkalis-eilanden, waar de „Diana” zacht
door heen gleed. In den inktzwarten rand van het vloedbosch, tusschen
den maannacht en het water, tjirpten de krekels. In enkele struiken aan
den kant dansten duizende vuurvliegjes en zij maakten van de struiken
rijk bekaarste kerstboompjes, maar de vlammetjes waren zwak
fosforiseerende lichtjes, één seconde schenen zij en doofden dan alle
even lang weer uit, als op commando, onwezenlijk, spookachtig in den
zachten nevel van fosforglans.
Was het mogelijk, dat die spokendans van insecten gehoorzaamde aan een
regelende macht? Vaste wetten heerschten ook hier, ongetwijfeld, even
goed als ginds op die nu weer zoo stille, daareven kokende, ziedende
rivier.
Een zachte kuch klonk op de trap naar het dekje. De oude loods van de
Kampar had verlof gekregen mee te gaan naar Médan, daar woonde een
getrouwde dochter, hij had zijn jongste kleinkind nog niet gezien.
Zwijgend zette hij zich neer, met den rug tegen de railing. Voelde hij,
waarom die eenzame man nog niet tot slapen kon komen in den wonderen
maannacht? en dat die man—mensch als hij—behoefte had om nog eens met
hem te spreken over het saam doorleefde?
„Ik ben blij, dat gij ook nog niet slaapt, loods; gij hebt den beno al
zoo dikwijls gezien, maar ik had iets dergelijks nog niet meegemaakt.
En nog telkens denk ik aan de verhalen, welke gijlieden mij verteld
hebt.”
„Ja, meneer, ik heb gezien, hoc u naar ons luisterde; dat doet ons
goed, wij zijn gehecht aan die overleveringen. Maar niemand heeft u
durven vertellen, wat volgens onze voorvaderen de eigenlijke oorsprong
moet zijn van den beno. Het is een vreemd verhaal, en onze godsdienst
verbiedt ons aan zulke dingen te gelooven. Maar al waren onze
voorvaderen nog niet „orang islam”, zij wisten veel. En al schamen
velen zich er openlijk aan te gelooven, in ons hart... Ik zal u het
verhaal vertellen.
„In oude, oude tijden leefde in het midden-stroomgebied van de Kampar
een groot opperhoofd, die een beeldschoone dochter had Men zegt, dat
zij wonderlijk geschapen was, haar boezem was half vrouwelijk, half als
van ’n man. Maar ze was zóó mooi, dat alle mannen gek op haar waren.
Zij trok zich daar niets van aan, ze wilde niets van haar aanbidders
weten, en dit gaf het opperhoofd veel zorg. Hij was verbaasd te zien,
dat het meisje blijkbaar maar één vriend op de wereld had, haar hond.
Maar de vader wist niet, dat die hond de man van zijn dochter was; hij
wist dit eerst, toen zij hem kwam bekennen, dat zij spoedig moeder zou
zijn... en toen zeven kinderen werden geboren, bleken ze allen hondjes
te zijn. Doodbeschaamd gooide het opperhoofd alle hondjes in de rivier,
om elk spoor van deze vreeselijke schande te doen verdwijnen.
„Maar ziet! de vloed uit zee, die tot aan het land van het groote
opperhoofd aan de oevers merkbaar was, begon zich langzamerhand te
rimpelen, de rimpels werden kabbelingen, de kabbelingen groeiden tot
golfjes, en zóó werd de beweging in het water al sterker en sterker.
Eerst was het ruischen, toen grommen en brullen, en eindelijk was de
beno volgroeid. En nu zag men hier en daar, midden in den bruisenden
dam, zeven koppen, die de leiding hadden. Dit waren de volwassen
geworden honden, die hun moeder zochten. En tot nu toe komen zij
telkens weer uit zee, waar zij wonen, en ze rijden op den vloed de
Kampar op; en zij springen en grommen, en vernielen alles war zij tegen
komen. In woeste vaart razen zij voort, schouder aan schouder; maar
telkens weer raken zij eindelijk uitgeput, en zij zakken maar weer af
naar zee, waar zij wonen, en den volgenden keer en nog eens, en nòg
eens, probeeren zij het weer, maar nimmer vinden zij hun moeder.
„Zoo moet de beno ontstaan zijn, dat is van geslacht op geslacht op ons
overgegaan. Ik weet niet, of het eigenlijk wel mogelijk is, maar onze
voorvaderen wisten zooveel, dat wij nu niet meer begrijpen.”
De loods zweeg en keek op naar den stillen man in zijn stoel. Hij zag
hem opstaan en naar de railing loopen, waar hij stil bleef turen in den
nacht van zilver en zwart. Hoog in de lucht, juist langs de volle maan,
stippelden zich enkele kalong’s af, die reusachtige vleermuizen, die ’s
avonds met loggen, loomen vleugelslag het oneindige ingaan, met een
doel, dat men slechts gissen kan. Nu waren zij misschien op weg naar
rijpe boomvruchten ergens op een eiland, dat twintig kilometer uit de
kust lag. En ’s morgens zouden zij weer den terugweg aanvaarden, naar
de kaal vernielde boomen, waar zij bij honderden hun kolonies hebben.
Heen en weer, op en neer, de eeuwen door; als de razende beno en als de
dansende vuurvliegjes.