De oude man, een voornaam volkshoofd in Zuid-Sumatra, meende wel
honderd jaar te zijn, en hij kon dit bewijzen: hij was immers al vader
van een paar flinke jongens, toen de Groote Uitbarsting plaats had,
toen het dagen achtereen vrijwel donker was, de hemel een-en-al donder
en bliksem leek en de zee vol dreef van puimsteen... en ik deed geen
moeite hem voor te rekenen, dat Krakatau eerst 35 jaar geleden
doodelijken angst verspreidde in heel Zuid-Sumatra en in West-Java. Hij
was nu eenmaal een erkend honderdjarige, en er was geen reden hem deze
illusie te ontnemen. De brave, eerwaardige man voelde zich gelukkig in
den weliswaar overschatten ouderdom, en voldaan en gelukkig keek hij
achterom, zonder het voor ons westerlingen onmisbaar perspectief in
dien terugblik te leggen.
Hij was een goed adat-kenner en hij vertelde met trots en smaak van de
oude gebruiken van zijn stam.
Voor mij was hij een waardevol vriend, omdat hij nog steeds goeden
invloed had op zijn volk en doordat hij mij kostelijke overleveringen
vertelde, als ik op mijn dienstreizen dat woeste gedeelte van
Zuid-Sumatra bezocht; en telkens was ik verheugd de trouwe hand te
kunnen drukken. In die rustige binnenlanden gelden de overleveringen
als onomstootelijke geschiedenis, en zeer zeker ontbreekt in vele de
zuiver geschiedkundige kern niet, al heeft de Islam ook veel leelijke
franje geweven aan de legenden van deze „heidenen”, die eerst in den
laatsten tijd, ja in het begin van deze eeuw, tot den Mohammedaanschen
godsdienst zijn overgegaan.
Een vorige maal had de oude man mij verhaald, dat in vroegere tijden
enkele kwaadaardige roovers de macht hadden zich te doen beschermen
door krokodillen. Ik had hem toen verteld dit wel meer te hebben
gehoord, en dat door de Minangkabauers van Midden-Sumatra aangenomen
wordt, dat het landschapshoofd van Loeboek Oelang Aling, een berucht
rooverhoofdman, die ten slotte door de politie moest worden afgemaakt,
een volg-krokodil had, die hem overal op zijn riviertochten vergezelde.
Daarop had de oude man mij beloofd de volgende maal zijn kleinzoon
Radoe te zullen meebrengen, op wien hij al zijn kennis zou overdragen,
Radoe, die de schermkunst van een koningstijger had geleerd.
„Radoe, je kunt aan dezen Hollander gerust alles vertellen. Of meneer
het gelooft, weet ik niet, maar meneer schrijft graag allerlei dingen
op, en hij lacht ons niet uit, ons domme menschen!”
Maar nu lachte ik wel even. „Wij, domme menschen,” dit is zoo de gewone
uiting van bescheidenheid, van voorzichtigheid vooral. Er zijn
misschien menschen, die dit de juiste zelfschatting achten, maar niet
zij, die in nauwe aanraking zijn gekomen met die oude, waardige mannen,
die, zonder schoolsche wijsheid, gekomen zijn tot beschouwingen, waarin
de rust van eeuwen ligt; een evenwicht, vastgelegd in de „adat”, het
gewoonterecht, dat regelen stelt evengoed tot basis van familierecht en
rechtspraak als tot het aangeven van goede gebruiken en vormen, en dat,
met de overleveringen, als erfgoed overgaat van geslacht op geslacht,
totdat... en hier spreken diezelfde oude wijze mannen, totdat al het
oude door de wielen van spoortreinen en automobielen, door de
voortschrijdende „beschaving”, zal overreden zijn.
Ik lachte dus even, en de wijze man begreep dien glimlach en lachte
vergenoegd mee.
„Veel kan ik u niet vertellen, meneer,” zei Radoe. „Mijn grootvader van
moederskant had vele ilmoe’s en hij leerde mij wat ik doen moest, als
ik ooit een tijger zou tegen komen van een soort, zooals hij mij
beschreef. Ik hoop, dat u het mij niet kwalijk zal nemen, meneer, maar
ik kan u dat niet precies uitleggen, u begrijpt dat zeker wel; maar
zoo’n tijger is meer een mensch dan een dier. Eens op een middag heb ik
aan den rand van het bosch zoo’n tijger ontmoet. Ik ben dadelijk naar
het eerste het beste huis gegaan en ik heb de menschen gevraagd mij te
helpen om een offerande voor hem te maken, een „sedekah” bestaande uit
rauwe eieren en kleefrijst. De Oude aanvaardde die offerande, want,
juist zooals grootvader mij gezegd had, de eieren waren den volgenden
dag leeg, maar de schalen waren niet gebroken. Ik wist nu, dat de
tijger mij goedgezind was en dat hij mij verschillende dingen zou
leeren als ik hem weer ontmoette.
„En zoo heb ik schermen van hem geleerd, het silat en het koentau. Ik
verzeker u, dat ik alleen maar een mensch in hem kon zien als hij met
mij schermde. Hij heeft het mij goed geleerd, men zegt, dat ik de beste
schermer in deze landen ben, en dat is ook wel zoo; ik heb dat alles
aan hem te danken.
„Maar u moet niet denken, dat ik de eenige ben, die zoo bevriend is met
een tijger. Ik heb dikwijls van menschen uit de Boven-Kampar gehoord,
dat enkelen gewoon zijn zich midden tusschen de tijgers te begeven, dat
zij haast doof worden van het schreeuwen en brullen van de dieren. En
ik ken iemand uit de Boven-Rokan, die op den rug van zijn kameraad
reizen maakt”...
„U weet zeker wel,” zei nu de oude man, „dat wij Maleiers, die in de
wildernis wonen, allen gelooven, dat er steeds tijgers om en in onze
kampoeng’s zijn, die ons geen kwaad doen als zij nog geen menscheneter
zijn. Slechts enkelen, als Radoe, krijgen van vader of grootvader het
geheim over, hoe zij persoonlijk aanraking met hen kunnen krijgen, en
dan leeren zij allerlei knappe dingen. Anderen weer zien de dieren
overdag in de kampoeng’s, tusschen de huizen, en zij geven de dieren
eten. Ik zelf kan ze niet zien, maar als ik ’s nachts een tijger hoor,
dan weet ik ook heel goed of het een van onze gewone tijgers is, of dat
het een vreemdeling is, of een menscheneter. Wij gelooven allen, dat,
wat Radoe en andere kameraden ons van tijgers vertellen, waar is. Wij
zien toch ook bij het zoeken van boschprodukten, in de diepste
bosschen, hoe die soort menschen bepaald beschermd worden tegen
ongelukken.”
Radoe knikte zijn grootvader toe, wij zwegen allen; met een kuchje brak
de oude man de stilte.
„Het is al avond geworden, meneer, u wilt misschien wel gaan slapen. En
als u wilt, zal ik u een anderen keer vertellen, hoe de kleinzoon van
Bittertong tijger werd.”
Daar gingen zij, den zwart-en-zilveren maannacht in, langs het strand
met de eeuwige branding.
Scherp teekenden zich de elegante cocoskronen tegen den hemel af, en de
harde bladnerven streken prevelend langs elkaar in den nachtwind.
Van het strand klonk nog even het kuchje van den ouden man. In de
kampoeng sloot knarsend de laatste deur, zacht kreunde een ontwakend
kind in het donkere huis.
Na dit uur is alles des menschen stil. Maar de cocosbladeren prevelen
in den nachtwind, en de witte woelige strook in de donkere zee bromt,
gromt, de eeuwen door.