1. DE VOLGTIJGER

Het is meer dan twintig jaar geleden, dat de luitenant P. mij als

besturend ambtenaar te Koeta Radja opzocht om mij iets bijzonders te

vertellen, en hij deed mij een van de wonderlijkste verhalen, welke ik

ooit gehoord heb.

„U is zelf jager, anders zou ik het haast niet durven vertellen! Ik was

gistermiddag even op snippen uitgegaan, het was kwart vóór vijf, toen

ik, op de fiets, bij de sawah’s kwam. Ik had mijn jaszakken vol

hagelpatronen, kaliber 9, maar geen enkele snip vloog van de nog niet

beplante rijstvelden op; en zoo wandelde ik al zoekend door, langs de

sawahdijkjes, tot aan dat boschje struiken, dat u wel kent en dat er

ligt als een eilandje in zee, er staat één afgestorven hooge cocos-palm

midden in, ’t heele ding is niet grooter dan het grondoppervlak van een

inlandsche woning.

„Er was geen zuchtje wind, de sawahwerkers hadden de velden al

verlaten, het was nog gloeiend heet, en stil, plechtig stil.

„Toen ik op ’n meter of twintig van het boschje kwam en er met een

bocht op toeliep, keek ik er pas goed naar... en het was of mijn

nekharen stijfop bevroren! Aan den zijkant van het boschje, den kop

afgewend en starend over de geweldige sawahvlakte van kilometers

rondom, stond een volwassen koningstijger, roerloos, als ’n standbeeld.

Ofschoon het niet de eerste tijger was, dien ik voor ’t geweer kreeg,

was ik een oogenblik volslagen verlamd. Maar toen mij als ’n pijnlijke

zweepslag door de hersens ging, dat ik alleen maar snippen-patronen bij

me had, kon ik weer denken en ik herinnerde me plotseling, dat ik

toevallig één patroon met zware loopers in mijn broekzak gestopt had,

en ik besloot de kans te wagen... wat moest ik trouwens anders doen,

wegloopen zou waanzin zijn geweest. Mijn vingers trilden, maar ik

verwisselde gauw een hagelpatroon tegen de loopers. Nog stond hij in

zijn majesteit rustig te staren. Ik beefde niet meer toen ik aanlegde,

en juist toen het prachtige dier kalm den kop naar mij toe draaide, zat

mijn schot in z’n hart, en zonder eenig geluid zakte hij in elkaar.”

„Maar... hier een tijger?! men kan nog eerder ’n wilden ijsbeer op het

Plein in den Haag verwachten!”

„Ja, ik begrijp, dat het verhaal zelfs u te machtig is, maar ik heb de

huid meegebracht, en ook de Atjehers, die op mijn schot dadelijk uit

den kampoengrand kwamen. Al zagen zij met eigen oog den nog warmen

tijger, zij denken geloof ik nòg aan tooverij. Trouwens, ik weet zelf

niet, wat ik ervan denken moet... vanwaar kwam deze tijger, die hier

overdag, vlak bij Koeta Radja, in die gloeiende sawah-zee stond te

staren, uitkijkend alsof hij iets wachtte, iets zocht?”

Terwijl hij sprak, zag ik de stille, gloeiende vlakte, de bekende 1000

meter-strook om Koeta Radja, vroeger geheel van huizen en bosch

gezuiverd ter beveiliging van de hoofdplaats tegen onverhoedsche

overvallen; en naast het boschje lage struiken met den afgeknakten

klapperboom, zag ik het wondere prachtige dier, starend, op den

uitkijk, wachtend en al maar starend, de zacht zwaaiende staart het

eenig teeken van leven. De mysterie uit de koele bosschen in de

stovende, boomlooze moddervlakte, waar den ganschen dag de menschen uit

de rondom gelegen dorpen hadden gewerkt; en overal moest de

menschenlucht nog zwaar hangen, in de velden, aan de dijkjes, de lucht

die hem zoo tegenstond...

Eenige maanden later openden wij de kleine renbaan achter Peutjoet, het

kerkhof bij Koeta Radja, waar zoovele kranige Hollandsche jongens

rusten. De rennen zouden zoo dadelijk beginnen.

„Komt de Kedjoeroehan van Lhong niet?” vroeg ik aan een der meest

bekende Atjehsche hoofden. Ik miste den paardenliefhebber uit het

zuiden, die mocht hier niet ontbreken.

Teukoe Radja Itam glimlachte verlegen.

„Och, toean, jullie gelooft zulke dingen toch niet, en ik weet zelf

niet meer wat ik er van denken moet. Maar u bent bestuursambtenaar, ik

zal het u toch maar zeggen.”

Hij keek even rond, niemand kon ons gesprek hooren, een lichte huiver

trok om zijn mondhoeken.

„Is het waar, dat enkele maanden geleden een officier op de groote

sawahvlakte bij Koeta Radja een tijger heeft geschoten? Ja? dus dat is

toch werkelijk waar?!...

„De Kedjoeroehan van Lhong had een volgtijger, die overal bij hem was,

onzichtbaar, maar hij beschermde mijn vriend tegen allerlei gevaar. Een

paar maanden geleden werd de Kedjoeroehan opgeroepen door den

gouverneur, den generaal van Heutsz, voor die zaak waar u wel van weet.

Toen hij goed en wel in Koeta Radja was, wist mijn vriend, dat zijn

kameraad niet meer bij hem was; hij had de wijsheid, de ilmoe, dit te

weten, al zag hij hem gewoonlijk ook niet. Hij begreep, dat het dier op

een of andere manier verdwaald was, bang geworden misschien voor de

menschen en de drukte; maar hij was ervan overtuigd hem thuis te zullen

vinden, zoo iets was wel meer gebeurd.

„Hij kwam thuis, maar de tijger was er niet, en zonder hem durft de

Kedjoeroehan nog geen verre reizen te doen.

„Niemand van ons begrijpt, hoe en waarom het dier daar midden in de

sawah’s zichtbaar en daardoor kwetsbaar is geworden. Maar wij weten,

dat het de volgtijger van den Kedjoeroehan is, die door dien luitenant

is doodgeschoten...”

Wij keken elkaar ontroerd aan.

De bel ging voor den eersten ren.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 20 / 34 题