2. ZIJ, DIE NIET GELOOFDEN

In den 15den der 1001 Nachten verhaalt Sheherazade aan Sultan Shahryar

de geschiedenis van den sheik Shahabeddin:

De sultan van Egypte verzamelde op zekeren dag alle geleerden uit zijn

rijk en behandelde met hen het volgende onderwerp. De Moslims zeggen,

dat de engel Djabraïl (Gabriël) den profeet Mohammad uit zijn bed

lichtte en hem alles toonde, wat in de zeven hemelen, in het paradijs

en in de hel te zien is. Daarna voerde de profeet nog 90.000 gesprekken

met Allah, en toen hij door den engel in zijn bed werd terug gebracht,

had hij nog juist den tijd om een kruik, die bij zijn vertrek

omgevallen was, op te zetten vóór al het water er uit was gestroomd...

„Wie kan zulke belachelijke verhaaltjes gelooven!” had de sultan

gezegd. Doch de geleerden antwoordden hem: „Voor Allah’s almacht is

niets onmogelijk”... en nu ontstond een strijd, die de grootste

tweespalt in Egypte veroorzaakte.

De mare hiervan drong ook door tot sheik Shabeddin. Hij begaf zich

dadelijk op weg naar den sultan, die hem met eerbied ontving. Zij

zetten zich in een vertrek neer met vier vensters, welke op verzoek van

den sheik gesloten werden. Nadat zij over verschillende zaken gesproken

hadden, stootte de geleerde sheik één voor één de vensters open, en de

sultan zag tot zijn ontzetting achtereenvolgens, dat een ontelbaar

leger tegen zijn paleis optrok, toen, dat heel Kaïro in vlammen opging;

daarna, dat een geweldige vloed zijn paleis bedreigde. Maar deze

tafereelen werden door den sheik te niet gedaan, zoo deed hij ook weer

verdwijnen het heerlijke landschap, dat de sultan door het vierde

venster aanschouwde, terwijl hij wist, dat zich tot aan den horizont

een onvruchtbare woestijnvlakte uitstrekte.

Daarop liet de sheik een groote kuip water brengen, en hij verzocht den

sultan zich daarin neer te zetten en het hoofd even onder te dompelen.

De sultan deed dit... en hij bevond zich aan den oever van een groot,

onbekend water, tusschen rotsen en bergen. Hij leefde zeven jaar in dit

vreemde land, had er onnoemelijk veel leed, huwde er en kreeg zeven

zoons en zeven dochters. Hij kwam, zonder dit te weten, op een goeden

dag terug op de plek, waar hij het vreemde land was binnen gekomen, nam

er een bad in de rivier, en toen hij het hoofd boven water stak, bevond

hij zich... in zijn paleis, omringd door zijn hovelingen, en zij en de

sheik verklaarden, dat hij zoo even zijn hoofd had ondergedompeld en

dadelijk weer boven water gekomen was...

Ook op Sumatra moest Allah, eeuwen geleden, een man straffen, die het

nieuwe geloof niet wilde aanvaarden.

Hij en zijn vrouw waren goede menschen. Zij woonden diep in het bosch,

aan den bovenloop van een der rivieren, die in Straat Malaka uitmonden;

in een wereldje op zichzelf, waar slechts geruchten doordrongen van het

bestaan van een grootere wereld. Zij kregen kinderen en hadden het

goed. Maar zoo nu en dan, als de vrouw merkte hoe ongeloovig haar man

was, kibbelden zij heftig, en zijn ongeloof was voor de vrouw het

eenige verdriet, dat zij kende.

Eens, dat hij voor een feestelijken maaltijd een kip had geslacht en

die begon te plukken, kwam zijn vrouw terug op een twistgesprek, dat

zij hadden gehad, omdat de man niet geloofde aan de almacht van Allah.

Driftig stond hij op en riep uit: „Nou krijg ik genoeg van die nonsens,

ik ga een bad nemen; pluk jij nu zelf de kip ook maar!” en hij wierp

haar het half-kale dier voor de voeten. Toen daalde hij den oever af,

in wrevel en ergernis. Dat eeuwige gezeur! zij hadden het samen zoo

goed, maar als dat ééne kwam, dat hem zoo onbeduidend leek, dan was

alles mis.

Hij dompelde in de rivier onder, maar toen hij weer boven kwam, was hij

in een vreemd land met onbekende menschen. Hij trouwde er en kreeg

kinderen, maar geluk kon hij niet vinden, al doolde hij overal rond om

het te zoeken. Zoo kwam hij, na zeven jaar, aan een rivier, en nam er

een bad. Maar toen hij het hoofd weer boven water stak, zag hij zijn

eigen badplaats, en boven aan den hoogen oever zijn eigen huisje! Hij

herinnerde zich plotseling, wat zeven jaar geleden gebeurd was en hij

kromp ineen van verdriet. Hij rende den wal op... wat zou er van zijn

goede vrouw geworden zijn!

„Dàt is vlug!” riep ze vroolijk, blij toen ze zijn berouwvol maar toch

zoo gelukkig gezicht zag. Hoe heerlijk, dat hij zoo dadelijk zijn fout

had ingezien... de kip was nog niet geheel geplukt!

Nu geloofde de man. En de kinderen, in het vreemde land achtergelaten,

waren de eerste Boenian’s.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 17 / 34 题