3. SPOKEN-NACHT

Middernacht.

Wild drijft Si Dòlak Dòlai, de Kwade Wind, door de diepe ravijnen van

den Marápi.

Hij kwam van over het meer van Singkárak, waar woeste, korte golfjes

nòg zijn spoor teekenen. Jagend was hij den Vuurberg opgegaan,

wegvagend de stoompluim boven den krater, ros van weerkaatsten

vuurgloed, en nu wielt hij neer den berg af, de vlakte in van Agam.

Zwiependen regen drijft hij voor zich uit, de woesteling, die de

wortels van den ficus afbreekt als draad, die het nederigste kruid

loswoelt, die de rijstschuren der menschen aflicht van de neuten...

In diepen, donkeren nacht slaapt roerloos, stil, de kampoeng,

In bamboebosch en palmkroon verscholen.

Maar zwiepend, geeselend, wilde jacht, komt bulderend wind èn regen,

En plotseling flikkert door het zwart een bliksemflits

Die àl verlicht het donker van zoo even.

De bamboe buigt en kreunt, dof vallen oude klapperblâren,

In ’t donker huis was alles rust, maar akelig kraait de haan,

Die ’t bliksemlicht zich zonnegloren dacht.

Bang kreunt ontwakend meisje

En dringt zich tegen moeder aan...

„O, moeder, moeder, hoor dan toch, wat vreeslijke geluiden...

„Hoor, moeder, lieve moeder toch, waarom kraait onze haan?”

„Stil kindje, slaap maar vast, en tegen moeder aan;

„En wees niet bang van wat je hoort,

„In onze kintjir [11] stampt men rijst... de Orang Boenian...”

Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind,

In dürren Blättern säuselt der Wind...

„O, moeder, hoor! dat diep geluid, wat kan ’t toch zijn,

„Dat boven joelt en neergiert in ’t ravijn?”

„Wees rustig toch, mijn lieve schat, en druk je tegen moeder aan...

„Ginds viert men feest en dreunt de gong... de Orang Boenian”.

Mein Vater, mein Vater, und hörest du nicht?

Sei ruhig, bleibe ruhig, mein Kind...

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 18 / 34 题