1. DE „ORANG BOENIAN”

De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn

alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is.

Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is.

Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om

zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem

aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij

op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar

man te worden.

De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen

ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij

Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden

uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men

heeft er nooit een karbouw gezien.

In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in

Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in

grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in

dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en

luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe

oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt

wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een

dikke laag bedekken.

In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er hun rijst

te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den

storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de

groote gong.

En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van

Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende

kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het

tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten,

rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe

donker... de „gamelan” der Orang Boenian.

Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te

motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een

mistig waas verscholen.

De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij

Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het

huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over

een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de

dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten

voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk

de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke,

knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.

Zij keken naar buiten in den grauwen dag.

Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist

trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en

zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de

rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem

noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe

aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen

voorzette.

Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij

toch?... wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?

En plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken

en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen. Hij was zeer

verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd,

dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”.

Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai [9] floot

de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig

vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug...

„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek

kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.

„Ja...” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw

dochter trouwen.”

En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over

den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling

verdwenen was.

„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe

huilde.

Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij

tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem

riepen en stond op.

Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit

niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen

waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en

smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had

opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si

Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.

Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad

aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den

eersten schep water over zich gestort had... zie! daar stond hij zich

te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij

terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij

slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s

huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij

moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de

slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden... en nu wisten zij, dat de

datoek door spookmenschen was weggevoerd.

In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het

gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het

gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer

voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.

Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer

denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou,

maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij

hem.

Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij:

„ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen,

hoe je den weg naar ons kunt vinden.”

„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je

werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten

steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch

citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen,

en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere

menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen

moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je

kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”

Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van

Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een

grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje

bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen

ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie

stengels.

Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef,

lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der

spookmenschen.

Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen

gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar

stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche

menschen.

In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee

zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm

huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er

Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en

eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!

„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men

missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het

bosch ingaan en halal [10] wild schieten; dan kunnen wij ook een

feestmaal hebben en bidden om zegen.”

Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen

doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te

zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop

een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn

blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het

wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.

Maar... soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het

feest moest doorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging

aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af,

en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de

specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad

den profeet.

De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was

gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij

hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.

O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van

katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld... de arme man had de

lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend,

sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te

voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de

sporen en de kleuren der verschillende specerijen.

Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar

de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den

profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch

uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en

smeekten om genade.

De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor

die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der

menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten

zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf

geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene

gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te

bewijzen.

In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden

onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste

Orang Boenian... voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 16 / 34 题