De Orang Boenian zijn wezens aan den mensch gelijk, maar zij zijn
alleen zichtbaar voor hem, die met een Boenianmeisje getrouwd is.
Braver zijn zij dan de mensch, omdat de leugen bij hen onbekend is.
Toch griezelt het den jongen man, die ergens op het lage dammetje om
zijn sawah onverwachts lekkernij vindt, op kleurige bladeren hem
aangeboden door een spookmeisje, dat hem heeft gadegeslagen terwijl hij
op zijn rijstveld werkte, en dat hem op deze manier komt vragen haar
man te worden.
De Boenian’s leven en sterven als gewone menschenkinderen, zij bouwen
ook huizen, en zij houden kippen en vee. De bevolking van Tilatang bij
Fort de Kock weet heel goed, dat vroeger tal van buffelsporen voerden
uit de grot in den Boekit Boenian, den Berg der Verborgenen, maar men
heeft er nooit een karbouw gezien.
In bijna alle streken van Sumatra komen zij voor, de meesten in
Minangkabau, de Padangsche bovenlanden. Zij wonen gewoonlijk in
grotten, of zij bouwen hun voor den mensch onzichtbare huizen ergens in
dichte bamboe-stoelen, in den ontoegankelijken wirwar van takken en
luchtwortels van een reusachtigen ficusboom, en in de rimba, het diepe
oerwoud; soms op den top van hooge bergen, waar elk geluid gedempt
wordt door de zware mossen, welke stammen, takken en lianen met een
dikke laag bedekken.
In wilde nachten komen zij in de pelmolens der menschen om er hun rijst
te stampen, of zij vieren feest, en in de onbestemde geluiden van den
storm hoort het Maleische oor duidelijk het zingend dreunen van de
groote gong.
En luistert men lang, heel lang, in de grotten van het kalkgebergte van
Kamang, waar de spookachtige onrust der vleermuizen en hun krassende
kreetjes de grafstilte niet kunnen breken, dan hoort men eerst het
tikken van eeuwig druppend water, maar het gaat over in een zachten,
rillenden toon van koperen instrumenten, heel ver in het diepe
donker... de „gamelan” der Orang Boenian.
Het was den vorigen dag in den grauwen morgenschemer al beginnen te
motregenen, en nòg druilden de boomen aan den boschrand en waren in een
mistig waas verscholen.
De datoek, volkshoofd in zijn kampoeng, woonde nu al eenigen tijd bij
Matoe, zijn oudste vrouw. Zij zaten voor een der open vensters van het
huis, en zij spraken over de padi, die juist uitgeloopen was, en over
een troep brutale apen, die uit het bosch waren gekomen. Twee van de
dieren hadden zij betrapt, toen zij bezig waren de jonge rijstscheuten
voorzichtig uit te trekken om den korrel te hebben; het was ondoenlijk
de apen uit de ladang te houden, toch lachten zij om hun menschelijke,
knijpende vingertjes, om den diepen ernst bij hun werk.
Zij keken naar buiten in den grauwen dag.
Hij zag het eerst den kleinen zwarten man, die plotseling uit den mist
trad, ergens tusschen de boomen, en die nu het erf kwam oploopen en
zijn zwarten knapzak ophing aan een uitstekenden balk van de
rijstschuur. En toen die man vroeg of de datoek thuis was en deze hem
noodigde boven te komen, kwam hij de trap op, ging op de hem door Matoe
aangeboden mat zitten en dronk zwijgend de koffie, welke zij den mannen
voorzette.
Ook de datoek zweeg, het was hem wonderlijk te moede. Wat voelde hij
toch?... wat was het toch weer, wat wist hij van dezen zwarten man?
En plotseling doorleefde hij een droom. Een vrouw had met hem gesproken
en hem gevraagd, of hij met haar dochter wilde trouwen. Hij was zeer
verrast geweest en had bedenktijd gevraagd; daarop had zij hem gezegd,
dat hij de beslissing maar zeggen moest aan „den zwarten toeankoe”.
Verbaasd was hij wakker geworden, het schemerde al, de moerai [9] floot
de menschen wakker met zijn jubelend lied en de droom was spoedig
vergeten. Maar nu kwam alles met beklemmende duidelijkheid terug...
„Ik kom het antwoord halen,” zei slechts de oude, zwarte man. De datoek
kon niet goed meer denken, hij was geheel in de war.
„Ja...” hoorde hij zichzelf bedremmeld zeggen, „ik wil wel met uw
dochter trouwen.”
En toen de oude dadelijk daarop wegging en zijn zwarten knapzak over
den schouder sloeg, zagen Matoe en haar man, dat hij plotseling
verdwenen was.
„Hai!” rilde de datoek, „dat moet wel een Boenian zijn!” en Matoe
huilde.
Midden in den nacht voelde de datoek, dat iemand hem wakker maakte; hij
tastte rond, maar voelde niets. Hij begreep, dat de Verborgenen hem
riepen en stond op.
Hij was in een huis, zoo mooi als hij nooit gezien had; het bestond uit
niet minder dan dertien roeang’s, de ruimten tusschen de rijen palen
waarop het dak rust. Het huis was geheel met planken omwand en
smetteloos wit. Er waren veel menschen; ook de oude man, die hem had
opgezocht, en nu werd het feest gevierd van zijn huwelijk met Si
Boengo, de Bloem, de mooie dochter van den zwarten toeankoe.
Vroeg in den morgen stond de datoek op en ging naar buiten, om een bad
aan den put te nemen en het morgengebed te doen. Maar toen hij den
eersten schep water over zich gestort had... zie! daar stond hij zich
te baden aan den eigen put, naast den eigen rijstpelmolen, en toen hij
terug wilde gaan naar de mooie Boengo in het witte huis, zag hij
slechts de gewone dagelijksche omgeving. Nu stond hij voor Matoe’s
huis, binnen sliep iedereen nog rustig, de deur was gesloten en hij
moest Matoe wakker maken om binnen te komen. Zelfs de deur van de
slaapkamer had Matoe nog op slot gevonden... en nu wisten zij, dat de
datoek door spookmenschen was weggevoerd.
In den avond van den volgenden dag liep de datoek naar de soerau, het
gebedehuis waar hij zijn avondgebed zou doen. Hij dacht over het
gebeurde, was het werkelijkheid? Hij zag de mooie, jonge vrouw weer
voor zich en verlangde intens bij haar te zijn.
Plotseling stond de zwarte toeankoe voor hem en hij kon niet meer
denken. Hij wilde trachten te onthouden, wat er met hem gebeuren zou,
maar vóór hij het wist stond hij in het witte huis, en Boengo was bij
hem.
Vier malen bracht de oude man hem bij zich thuis, maar toen zei hij:
„ik kan je niet altijd komen halen, je moet nu maar aan Boengo vragen,
hoe je den weg naar ons kunt vinden.”
„Als je hart sterk naar mij trekt,” antwoordde de Bloem hem, „als je
werkelijk naar mij verlangt, ga dan naar den Batoe Gadang, den grooten
steen bij de brug van Loendang. Ziet ge op dien steen een versch
citroenblad liggen, neem het dan op en wrijf het over je dichte oogen,
en je zult den weg naar ons huis zien. Maar kom nimmer met andere
menschen, en als er geen citroenblad ligt op den steen, doe dan geen
moeite om den weg te zoeken in de dorenbamboe bij dien steen. Je
kleeren zullen aan flarden scheuren en je zult doodziek worden.”
Op enkele tientallen meters van dien steen loopt de ijzeren baan van
Fort de Kock naar Paja Koemboeh, en uit den trein zien de reizigers een
grooten rolsteen in de bedding der beek. Vlak ernaast ligt een boschje
bamboe doeri, voor menschen en grootere dieren volslagen
ontoegankelijk, een muur, gevlochten door scherp gedoornde, taaie
stengels.
Maar telkens als de datoek het geurige blad over de dichte oogen wreef,
lag daar in dat boschje een wit pad, en het voerde naar de woning der
spookmenschen.
Toen het huwelijk van den datoek en de mooie spookvrouw met kinderen
gezegend was, eerst toen wilde Boengo hem de overleveringen van haar
stam verhalen, ook, hoe de Verborgenen voortkomen uit aardsche
menschen.
In den tijd, dat Mohammad de profeet nog op aarde ging, leefden er twee
zusters; de eene was met een rijk man getrouwd, de andere had een arm
huwelijk gedaan. De rijke gaf eens een groot feest en noodigde er
Mohammad, den profeet. De arme wilde hem ook zoo gaarne beleefdheid en
eerbied bewijzen, maar hoe konden zij het van hun armoedje doen!
„Weet je wat,” zei de arme man, „ga jij de dorpen af en vraag wat men
missen kan, daar kun je rijst en specerijen van koopen. Ik zal het
bosch ingaan en halal [10] wild schieten; dan kunnen wij ook een
feestmaal hebben en bidden om zegen.”
Zij gingen. De vrouw werd hier en daar geholpen en kon haar inkoopen
doen. Maar hij jaagde heel het bosch af zonder een enkel stuk wild te
zien. Verdrietig ging hij naar huis, maar dicht bij zijn woning sloop
een dier door de struiken, en snel had hij het met een pijl uit zijn
blaasroer neergelegd. Maar hoe beschaamd was hij, toen hij zag, dat het
wild een groote kat was, spierwit, zooals toen alle katten nog waren.
Maar... soedahlah, dan maar een kat, niemand zou het immers merken, het
feest moest doorgaan, de profeet had nu eenmaal de uitnoodiging
aangenomen. Hij vilde snel het dier, sneed er den kop en de pooten af,
en bracht het bij zijn vrouw; en zij maakte van het vleesch en de
specerijen allerlei heerlijke gerechten, voor het feest aan Mohammad
den profeet.
De gasten kwamen, ook de profeet, en zij zetten zich neer. Hij was
gewend bij het maal zijn lievelingskat bij zich te hebben, en toen hij
hem niet zag, vroeg hij ernaar en riep toen het dier met luide stem.
O! rechtvaardige Allah, daar sprongen uit alle gerechten tal van
katten, gekleurd, gestreept, gespikkeld... de arme man had de
lievelingskat van den profeet gedood, en, in tientallen herlevend,
sprong het dier uit de gerechten, van zijn vleesch gemaakt, te
voorschijn, de witte vacht in bonte afwisseling geteekend door de
sporen en de kleuren der verschillende specerijen.
Doodelijk verschrikt en beschaamd vluchtte het arme menschenpaar naar
de donkere bosschen, en zij verscholen zich daar voor den toorn van den
profeet, voor den spot der menschen. Maar honger dreef hen het bosch
uit, en zij gingen naar den profeet, vernederden zich voor hem en
smeekten om genade.
De profeet toornde niet, hij had immers zoo vele en mooie katten voor
die eene witte terug gekregen. Maar de arme lieden bleven den spot der
menschen vreezen, zij wisten dit niet te kunnen dragen, en nu smeekten
zij Mohammad hen te verbergen voor die anderen. Zij waren altijd braaf
geweest en geloovig, zij hadden nooit iets kwaads gedaan vóór dit eene
gebeurd was, wat zij bedoeld hadden alleen om den profeet eerbied te
bewijzen.
In groot medelijden bad de profeet tot God om de arme lieden
onzichtbaar te maken voor hun medemenschen, en zóó ontstonden de eerste
Orang Boenian... voor Allah’s almacht is niets onmogelijk!