Het was niet het voor hem zélf pleizierige, het genot áls genot er van,
dat de herinnering aan dit kinderlijk lieven later tot het heiligste in
Paul’s leven maakte; het was het absoluut zuivere, het puur intieme,
zonder één smetje volmaakt-reine. De wereld één groot mooi, om met
vriendelijk lachen aan te zien, de menschen goed en vertrouwd, alles
één voortdurend geluk van dag aan dag, en gezien door de groote
verrukking, die het Meisje in hem deed gloeien.
Elke nieuwe dag bracht nieuw geluk, en altijd werd het grooter. Hij
kwam nu héélemaal in haar leventje. Hij wist hoe laat ze opstond, wat
ze alzoo thuis deed, wat ze leerde, waar ze van hield, wat ze graag at,
wat ze verdrietig vond. Hij kende al haar japonnetjes, met de kanten en
figuren er op, en haar ringetjes en broches en armbanden, en ook de
lintjes in haar mooie haar. Dat waren allen heel gewichtige dingen voor
hem.
Er was een onrust in hem als hij niet bij haar was, een gevoel van
leegheid en honger. Maar als zij er was werd het stil en rustig in hem.
Het liefste was nog ergens kalm bij haar zitten, op een mooi plekje,
zonder veel spreken. Dan was het of hij grooter en grooter werd, en
alles zich uitspreidde in een eindeloos zalige atmosfeer. En dit
ondergaan zonder denken, zonder vragen van waarom, natuurlijk en
vanzelf.
Zoo’n heel klein Jongetje nog, en zoo’n klein Meisje!
Maar daarom juist zoo zuiver en rein.
Ze zullen dit niet begrijpen, en er misschien om lachen. En ik kan het
ook niet meer goed zeggen, nu de kinderen allebei dood zijn. Ik houd
het ook telkens weer in, omdat ik niet durf. Want is het niet ál te
teêr en ál te natuurlijk in dit groote leven van schijn en ruwheid? Hoe
het Jongetje wel eens aan haar dacht, hoe ze sliep:
Een meisje in een wit bedje, zoo wit, wit, wit. Hoe ze daar heel stil
met het hoofdje in het kussen lag, en in sluimer lachte. Hoe haar
gezichtje dan rustig en lief, o liéf, liéf zou zijn, met de oogen
dicht, en een blank handje op het laken ... En ánders niet in dit
zuiver denken van het Jongetje, dan éven heel zacht te mogen aankomen,
een kus geven op het mooie, blonde haar en dan weer wèggaan, zalig,
dólgelukkig.....
Of wel: het wachten bij het station in Scheveningen, van de stoomtrem,
of ze nog niet zou komen. Het kloppen van zijn hart als er een trem
aankwam, en de menschen stapten uit, of ze er bij zou zijn, of ze wel
zou komen, o! ze moést komen, want ze had het beloofd!.....
En als ze er dan wàs, hoe vertrouwelijk hij dan naar haar mama ging,
die vriendelijke dame, hoe deftig hij groette, hoe trotsch hij dan
naast zijn lief meisje voortstapte, in het zachte, warme, blije
zomerlicht. En hoe blauw de zee, hoe frisch en goed en weldadig de
menschen in hun lichte pakken, het blanke strand, de witte zeilen op
het water, en over alles het gouden zonlicht. En in dit groote, àlom
vertrouwde, híj met háár zoo intiem één, ál zijn woorden één liefdoen
en streelen; wat moet hij vroolijk en blij hebben gekeken, wat moet
alles ééns goed en heerlijk zijn geweest! Niet wijs en welbewust, en
niet artistiek, o neen, vooral niet, maar zuiver als niet één sentiment
van nu.
Hoe kregen alle dingen van haar voor hem een wondere, diepe beteekenis!
Een arm, verlept bloemetje van haar borst, een programma, dat in haar
handen was geweest op een concert, een stukje lint uit het mooie haar,
een zakdoekje dat ze hem had gegeven, hoe blij en trotsch maakten ze
hem, hoe voorzichtig kon hij zoo iets kussen vóór hij naar bed ging,
als hij alleen was in zijn kamertje, en als hij al die schatten te
voorschijn haalde! Hoe lief en intiem werd elk plekje, waar hij met
haar had geloopen, het was of overal een fijne essence van haar bleef
ronddroomen, waar ze éénmaal haar teêr, lucht lichaampje had bewogen.
Het lag op alle wegen, die hij met haar gegaan was, het beefde in de
lucht, het lichtte over de groote, groote zee.
Hoe blij gingen nu de dagen van dien zomer voorbij!
Het staat allemaal in een oud, geel geworden dagboekje dat het Jongetje
toen aanhield. lederen dag schreef hij in heel korte zinnetjes heel
vluchtig op, wat hij gedaan had. Als hij op een dag Corrie niet gezien
had schreef hij niets dan „Vandaag Corrie niet gezien.” Dat was
gelukkig maar heel zelden. Wat waren het blije, prettige dagen, de
meeste! Op Scheveningen met haar gespeeld, met haar alleen naar huis
gewandeld langs den Nieuwen Weg, haar Woendagsavonds ontmoet in de tent
in het Bosch, of in den Dierentuin, Maandags en Vrijdags of ook wel ’s
middags in den Dierentuin, tusschen drie en vijf. Die mooie geurige
tuin vol bloemen! Hoe prettig, het wachten voor het hek bij den ingang!
Hij was er altijd veel eerder dan zij. Zij moest van den kant van het
Bosch komen, en hij stond dan in zoo’n gespannen verwachting. En wat
een emotie, als ze dan eindelijk aantrippelde op de brug, in een licht
zomerponnetje! Het liefst zag hij haar in ’t roze, de kleur die zij
aanhad, toen hij haar voor het eerst had gezien. Ze had daar een
groote, witte stroohoed bij op, met een roze lint, en wat keek haar
lichte gezichtje daar lief onder uit! En ze had een mooi mandje bij
zich, van binnen met rood gevoerd, vol brood en klontjes en koekjes.
Wat deed ze dan lief met alle beesten! De papegaaien, die in de laan
voor den ingang buiten onder de boomen hingen, kenden haar allen, en
als ze aankwam waren er die van pret de dolste bewegingen maakten, en
eindelijk schreeuwend met den kop naar beneden aan hun ketting gingen
hangen tot ze dichtbij was. En dan begon haar hooge stemmetje weer te
vleien en te zingen, net als toen den eersten keer bij het hertje.
„Koppie krauwen?..... koppie krauwen, mooi witje, mooi roodbekje?....”
En dan haar rozige handje in het sneeuwige wit van zoo’n donzig
lorrekoppetje, dat zich lief voor haar boog.
En dan bij den grooten vijver, met de eenden, en ganzen, en pelikanen.
Die kwamen allemaal aanwandelen, zoo gauw zij konden, als ze met haar
mandje over het hek lag en ze begon te roepen. Alle beesten kenden dat
fijne, hooge sopraantje. Ze kwamen tot vlak bij haar, en ze gooide de
stukjes brood in hun bek.
En Bets, de olifant! Dat was al een heel bizonder groote vriendin van
haar. Die groote, hooge lobbes met haar wijde flapooren hield ook al
van dat kleine, lichte wezentje in het roze. Die maakte complimentjes
voor haar en viel op de dikke knieën zonder dat de knecht het behoefde
te zeggen, zoodra haar melodieuze vleistemmetje het maar vroeg. Als
Corrie aankwam stak Bets haar langen snuit dadelijk door de tralies en
legde hem op haar fijne schoudertjes. Dan begon Corrie haar zacht te
aaien, en wat keek Bets haar verstandig aan met haar kleine slimme
oogjes!
„Dag Bets!.... dag dikke, groote Bets!.... daar is ’t vrouwtje weêr....
hoe maak je ’t, Bets, hoe maak je ’t, dikkertje?.... wat zoek je met je
langen snuit?..... wat reik je daar over mijn schouders?.... zoek je ’t
mandje weer, snoepert, zoek je de suikertjes?.....
En dan kwamen de klontjes voor den dag, één voor één. Dan werd het
suikertje in ’t rozige neusgaatje gestoken en het ging in den
kolossalen bek. Na ieder klontje moest Bets haar compliment maken. En
dan riep het meisje: „Mooi zoo! mooi zoo! wat ben je beleefd, wat ben
je een deftige, dikke dame!”
Als Corrie dan eindelijk wegging, rekte de olifant haar snuit zoo ver
mogelijk achter haar na, en liet een zacht klagend gebrom hooren.
Maar in het Aquarium, daar was het pas gezellig! Dat was een grot, met
neerhangende rotspunten, in allerlei grillige vormen. En wat was het
daar donker!—Alleen het water achter de glazen was van boven helder
verlicht, en daar zwommen zulke mooie, vreemde visschen!—Het prettigste
er van was, dat er maar zelden menschen kwamen, en hij er heel alleen
met haar was. Dat was een uitgezochte gelegenheid voor kusjes. Als hij
dan zoo vlak naast haar naar de visschen stond te staren, legde hij
zijn arm over haar schoudertjes, en gaf haar heel, heel voorzichtig een
zoen op haar wang. Haar zoete, fluweelige, rozige wangetje, dat zoo
zacht, heerlijk aanvoelde. Hoe zalig, als haar innige, warme leventje
dan even onder zijn lippen gloeide! Dan voelde het Jongetje alsof er
iets van haar in hem vervloeide, met zachte, golvende strooming door
zijn lijf.—En hij gaf haar zooveel kusjes tot ze zeide, dat het nu
heusch mooi was, en hij haar kraagje in de war maakte, en hij veel te
zoenerig was voor zoo’n grooten jongen. Maar ze vond het toch eigenlijk
ook wel aardig, zoo’n vrijerijtje in de donkere grot.
In hetzelfde gebouw, naast het Aquarium, was de groote vogelzaal. En
daar waren twee heel speciale lievelingen van Paul en Corrie. De twee
parkietjes. De inséparabeltjes. Twee heel kleine, groene vogeltjes op
een stokje, in een kleine kooi. Ze waren altijd dicht tegen elkaar
aangekropen, met de vlerkjes in elkaar. Ze zaten heel zacht iets te
mummelen tegen elkaar, met een teer, zwak gepiep, of het geheimpjes
waren, die niemand mocht hooren. Ze keken elkaar zoo verliefd van ter
zijde aan, en tusschenbeide gaven ze elkaar bekjes. Nooit waren ze van
elkaar af. Soms ging er wel eens een aan een einde van den stok zitten,
alleen om eens te kijken wat de andere zou doen. Die bleef dan wel eens
even trotsch zitten of het hem niet kon schelen. Maar dat duurde niet
lang. Trip, trip, trip, daar schoof hij met vlugge stapjes weer op,
vlak tegen de ander aan, heel dicht en warmpjes tegen haar aan
geknuffeld, en bleef dan weer verliefd zitten genieten en geheimpjes
vertellen.
Corrie had zelf óók eens twee van die beestjes gehad, vertelde zij. Die
zaten ook altijd precies eender bij elkaar. Het wijfje was doodgegaan,
en was plechtig in den tuin begraven, in een sigarenkistje van papa. En
het mannetje was alleen midden op het stokje blijven zitten. Hij had
niets meer willen eten of drinken. Hij had maar heel stil voor zich uit
zitten kijken. En op een morgen, kort nadat ’t vrouwtje was begraven,
was het mannetje ineens van het stokje gerold, en dood blijven liggen.
Toen had hij naast zijn wijfje een grafje gekregen, in net zoo’n
kistje.
En Paul zei dadelijk, dat die twee vogeltjes daar voor hen ook zulke
echte lievelingen waren. De eene was Corrie, en de ander was hij. Hij
zou ook wel zoo’n vogeltje willen wezen, en altijd zoo warmpjes bij
haar kruipen. Wat moet dat gezellig zijn, altijd zoo samen op een
stokje, en zoo zachtjes fluisteren, en kusjes geven!—Altijd, altijd bij
elkaar en als de een dood ging de ander ook!
En Corrie zei, dat ze het ook wel zou willen. Maar niet in zoo’n kooi.
Ergens in een groot bosch met bloemen. En ze beloofden elkaar dat ze
altijd evenveel van elkaar zouden houën als de parkietjes, en net zoo
trouw zouden zijn.—En dat meenden ze toen allebei even heusch als
groote menschen die een eed doen.—
Na de parkietjes was het liefste beest uit den Dierentuin het
hertje.—Het was nu al gewend, en niet zoo schuw meer. Als het in de
verte het heldere sopraantje hoorde kwam het al op zijn fijne dunne
pootjes aanhuppelen, en stak de goedige kop door de tralies, de wijde
ooren gespitst.—En dan was het precies als den eersten keer, toen Paul
het Meisje had zien aankomen. Hetzelfde zangerige gevlei van het hooge
stemmetje, dat tot diep in zijn ziel neêrzong. En de zachte ree kon het
Meisje zoo vertrouwelijk aanzien, met haar groote, goedige oogen, of ze
een liefste vriendin van haar was.—En het was telkens een groot
evenement in het leven van het Jongetje, om daar weer het Meisje te
zien, zoo mooi in haar licht roze japonnetje, met haar armen om den
hals van de fijne, zachte ree geslagen, en allerlei vriendelijke, zoete
woordjes kweelend met haar melodieuze stem.
En daaromheen die lichte, zonnige tuin vol groene boomen, en overal
perken vol bloeiende bloemen.—Hoe licht en zalig leek dan wel het leven
voor het Jongetje, hoe om te zingen van lief geluk! Niemand, die hem
kwaad wilde, en tegen zijn liefde inging. Paul was nu in genade
aangenomen als Corrie’s kleine cavalier, en de familie had er schik in.
Ze waren nog zulke kinderen! Mevrouw van Meeden had altijd pleizier,
als zij haar Corrie zag thuiskomen, en zij zag Paul zijn hoed afnemen
en diep voor zijn grazieuze dametje buigen, alsof hij al een deftige,
geëngageerde meneer was. Maar wat in de fijne ziel van het Jongetje
voor wonderlijk teeders gebeurde, en de groote heilige ernst van dat
schijnbaar kleine jonge lieven, dat zag mevrouw van Meeden niet, en ook
niet de familie.
Het leek van buiten zoo wat lief-gespeel, en kinderlijk geflirt, en
zacht aanvallig koozen van een kleinen jongen en een klein meisje, erg
aardig om te zien voor heusche groote menschen, die het Leven zoo goed
kennen, en heelemaal van begin tot einde door de Liefde der conventie
zijn gegaan, en toen zoo wijs en zoo verstandig werden.
Maar het essentieele van dien lieven schijn, het hoog ernstige
voor-héél-het-Leven, zooals het voor het Jongetje was, het gansche
geven van zijn zieltje aan de schoonheid, zooals hij die het innigst
aanschouwde in de heerlijk reine openbaring van het Meisje, dit weten
gij en ik alleen, niet waar, mijn jongen?