Na het eten—het was Woensdag, en een Kurhaus was er nog niet—ging Paul
met zijn ouders naar de tent in het Haagsche bosch, waar dien avond
muziek was. Die concerten waren altijd heel heerlijk voor hem.
Er naar toe gaan, in een mooi pak, ’s avonds tegen zeven uur, en onder
hooge boomen loopen, die ruischten boven zijn hoofd! Op den grooten weg
allemaal andere menschen, óók blij en plezierig. En overal ook meisjes
in blauw, en wit, en roze, zoo mooi om te zien. De groene bladeren, de
lichte gezichten, het lachen van meisjes, wat kon dat alles het
Jongetje blij maken! En dan de muziek. Het eerste stuk was altijd een
Marsch, dat klonk zoo vroolijk, en het was zoo prettig op de maat te
stappen.
Dien avond keek Paul bij het binnenkomen naar al de tafeltjes, die hij
voorbijkwam, of Corrie er niet was. En hij zag ze heel gauw, ze zat met
haar mama, haar grootmama en een ouden heer met bakkebaarden—haar papa
zeker—vóór onder de galerij van het gebouw over de muziektent.—Hij
voelde een schokje van geluk, want hij zag dat ze zijn roosje van
vanmiddag op haar borst had. Hij nam heel diep zijn hoedje af en ze
knikte lief terug! In een licht roze japonnetje was ze, met een ander
wit strooien hoedje op dan op Scheveningen.—Toen zijn ouders een
tafeltje hadden uitgekozen vertelde hij aan moê dat ze er was, en of ze
in de pauze goed wou kijken, als ze voorbijkwam. Hoe zat hij te wachten
tot de vier stukken voor de pauze uit waren!—
Het was toen al heel donker geworden. Het societeitsterrein was helder
verlicht door de witte balonnen van de lantarens. Maar buiten was alles
heel duister. De hooge boomen stonden ontzachelijk opgerezen in den
avond, met breede zwaar-zwarte kruinen. Daar leek het heel
geheimzinnig, en zoo veilig voelde Paul zich als hij dat zwarte,
sombere zag daar overal in het rond, en híj in het licht bij al de
menschen, zijn moeder naast zich, en ook ergens het Meisje, waar hij
straks naar toe zou gaan. Dan voelde hij zich stil gelukkig, en zoo
vertrouwd, in zijn zondagsche pak, met een schoon boordje en witte
manchetten, een deftig meneertje onder allemaal deftige menschen.
Na het laatste accoord voor de pauze was Paul al van zijn plaats om
Corrie te zoeken. Voor de muziektent kwam hij haar al tegen. O! hoe ze
daar aankwam, op haar luchte, zwevende pasjes, zoo wonderteêr roze, een
wezentje van rythmus en glans, zoo frêle en lieftallig, met dat innig
vriendelijke lachje, hoe apart en bizonder leek ze onder al die
menschen, en wat klopte zijn hart, wat een vreugde, wat een groote,
zalige heerlijkheid in hem, hoe absoluut rein en zuiver was het! En die
oprechte, zich heelemaal gevende blijdschap in zijn stem!
„Dag Corrie!”
„Dag Paul!”
„Waar ga je naar toe?”
„Ik ga Wies halen om te loopen.”
—„Hè toe, ga met mij mee,”—vleiend dit, om een héél groote gunst.
—„Nou goed, maar als Wies dan maar niet boos is.”—
—„—Wat lief van je, om mijn roosje te bewaren. Ik ben er zoo blij mee.”
—„Ja, ik heb het maar meêgenomen, ik dacht eigenlijk wel dat je er zijn
zou.” Een blosje bij die bekentenis, een glans over het fijne wit van
haar halsje, en de oogen een beetje verlegen neêr.
En hij ineens, heel zacht, dat niemand van al de menschen om hen het
hooren kon, heel aangedaan, met een gevoel van tranen, of dit hoog
blije bijna droef was: „Ik ben toch zoo blij, Corrie, ik ben toch zoo
héél blij dat je gekomen bent, ik hoû zoo van je.”
Zulke heel eenvoudige woordjes! En zoo’n heel groot geluk! Hij liep met
haar uit het gedrang om het vierkant van tafeltjes in het midden, naar
de paadjes bij den ingang, langs het hek, waar het stiller was, en waar
geen menschen zaten.—Aldoor vriendelijk pratende, aldoor, met liever en
liever woordjes, en aldoor gelukkiger en gelukkiger. Telkens golven van
geluk van binnen opkomend, en dan zacht-gloeiend uitvloeiende over zijn
lijf, in ongekende zaligheid. Zoo mooi was ze, zoo mooi! Hoe heerlijk
om te zien, hoe blij voor zijn oogen! Ze was een lief matroosje in
licht roze, met een lange kraag, en ankertjes van wit op de mouwen. Als
ze liep ruischte het somtijds om haar, want het was een wijd
japonnetje, en het waaide wat. En haar lange haren los, zonder strik,
ze vielen in gouden stralen ver over haar rug. Een pracht van
schittering maakte het om haar heen.—En zoo vertrouwelijk als ze hem
aanzag kwam het over hem van haar gezicht, zoo zuiver en oprecht kwam
al haar meisjesheid naar hem toe, het zachte, gevende, streelende, met
lachjes en warm-vriendelijken gloed.—
En dit teêre Meisje in den zachten avondnacht. In het liefdroomende
schemerduister met vagen afglans van ver lantarenlicht, en buiten de
donkere, immense boomen-massa’s, met trotsche, zwartende kruinen
langzaam-wuivende in het hooge, en op open plekken daarboven stille,
sereen lichtende sterren.—En het plechtige woudgeruisch, ernstig als
een zwaar gebed.....
Zoo simpel alles, en zoo eindeloos groot. Het teere Meisje in roze, in
schemerend licht. Het gouden haar voor hem glanzend. De donkere boomen
buiten, in sombere majesteit. En zijn zieltje, dat onbewust openbrak in
adoratie voor dien reinen, zéér bizonderen vrouwenvorm,—de opperste
manifestatie van al het goddelijk schoone op de aarde.
Maar dit wist het Jongetje niet, omdat hij enkel voelde. Hij wist niet
van wat gebeurde het diepe, diviene wezen, hij voelde alleen die
wondere, in hem gloeiende zaligheid van toen hij haar voor het eerst
zag, en die aldoor met grooter golven in hem opsloeg en weer zacht
vervloeide. Iedere liefheid die hij in haar zag deed het ópwerken in
sterker rythmus. O! haar oogen, hoe licht, o! haar blonde haar! Het
leek wel zonnestralen van puur goud, een bundel van fijne, aparte,
weeke stralen, tintelend en fonkelend van haar hoofd en schouders.—Dit
had alleen ook de Madonna op een prentje in moe’s gebedenboek, maar dat
had zóó’n wonderen glans niet.
Paul was een beetje een dichter. Hij had al heel wat verzen gemaakt; ze
lagen in een boek opgesloten in zijn kastje, en ze waren over heel wat
meisjes, en er kwam van liefde en wanhoop in voor. Maar hij had nog
nooit zoo sterk gevoeld. Want wat hij nu voelde was als nooit te voren,
en het was of nu eerst zijn leven begon.—Even had hij nog tijd om zacht
te denken: „Ze is mooier dan alles wat ik weet, mooier dan een bloem,
mooier dan de maan en de sterren.”—
Hij bleef even staan, op een hoek van de laan.
„Corrie,” zei hij, ineens ernstig, „hoû je van me?”
Ze lachte weer even, als bij het hokje van de ree, en zei:
„Wat ben je nieuwsgierig! Wou je het zóó graag weten?”
En híj héel angstig: „Ja, heel graag.”
Toen zíj met een plagend gebaartje: „dan zal ik ’t je eens niet zeggen,
hoor, omdat je zoo nieuwsgierig bent.”
Maar opeens voelde Paul een stekende pijn van binnen, en bijna huilend
zei hij:
„Als je niet van me houdt zou ik, geloof ik, dood gaan, Corrie. Ik hou
meêr van je dan van moê. Ik moet altijd bij je blijven. Ik zal altijd
alles doen wat je wilt als ik bij je mag blijven. Ik zou heel graag
voor je vechten, of iets héél ergs voor je doen en dan doodgaan.”
Maar Corrie was een veel te vroolijk meisje.
„Wat een malle jongen ben je,” zei ze.—En toen een beetje verlegen, aan
de knoopjes trekkend van haar japonnetje: „Ik vind het immers prettig
als je bij me bent. Je komt morgen toch weer op Scheveningen?.... Mama
zei dat ze je een heel galanten cavalier voor me vond..... Ben je nu
tevreden?.....”
Het waren niet zoo de woorden, het was de muziek van haar stem, die hem
weer gerust maakte. Haar stem was een intieme, vriendelijke liefheid,
streelend als melodieuze kussen van muziek. Zijn heele ziel was vervuld
van dat zoete geluid, als een woud van zachten geur.—
„Krijg ik morgen een lokje haar?” vroeg hij vleiend. „Breng het dan meê
in een envelop, toe, wil je?”
„Misschien,” zei ze, „maar je mag het aan niemand vertellen, hoor! Maar
laten we nu wat onder de menschen gaan loopen. Het stáát niet, zoo in
de donkere laantjes.”
Hij begreep dat niet heel goed, van dat het niet stond. Maar heel
trotsch liep hij nu naast haar, langs de muziektent, en het vierkant
om. Hoe intiem, zoo met zijn meisje, heel alleen gelukkig loopen wezen,
waar de anderen niet van wisten, al die vreemde, deftige menschen, mooi
aangekleed, in het vroolijke licht der witte lantarenballonnen. Er
kwamen ook jongens voorbij van de klas, die beleefd groetten en hem
zeker benijdden, dacht hij, dat hij met het allermooiste meisje liep.
Het was voor hèm alléén, voor hem heelemaal alléén was ze, niemand van
al de jongens mocht bij haar komen, niemand mocht haar ooit aanraken,
alleen hij, en ze mocht van niemand anders houden. Een erg chic jong
heertje, die gebrekkig was, en wat hinkte op een stok, kwam voorbij, en
zei familiaar:
„Dag Corrie!”
Verschrikt en angstig vroeg hij:
„Wie is dat, waarom zegt hij zoo maar Corrie?”
„—Het is Verholthe,” zei ze, „ik ken hem heel goed, we spelen dikwijls
in den tuin bij hem, in die groote villa op ’t Bezuidenhout, Wies en
ik.”
„—Hij is zeker verliefd op je,” zei Paul jaloersch. „Hij keek je zoo
aan.”
Zij haalde haar neusje op en zei met afkeer: „Dacht je dat ik met hem
loopen zou? Hij heeft een bééntje.”
En Paul blij, niet denkend om het wreede in dat antwoord, blij dat ze
toch heusch van hem alleen was. Als dat chique ventje haar naliep zou
hij hem dat wel eens afleeren. Dat was niet lief van het Jongetje, maar
daar was hij het Jongetje voor. Het Jongetje wou héél alleen dat mooie
hebben, met al de kracht van zijn wil, hij zoú en moest het hebben,
omdat het hem zoo gelukkig maakte, en al de anderen moesten er ver van
blijven, die gingen hem niet aan, die moesten zelf maar weten wat ze
deden, als ze maar afbleven van het zijne. Omdat ze licht was en lief,
fijn en bizonder, zoo zacht roze en zoo zacht blank, omdat er niets
mooiers was in de wereld, omdat hij gedrongen werd door een
onweerstaanbaren drang er naar toe, sterker dan dorst en honger,
sterker dan hij ooit verlangd had naar iets anders, daarom moest hij
haar alléén hebben, en alles van haar voor hèm, haar oogen, haar
lippen, haar gouden haar, en ook alles wat ze aanhad, haar hoedje, haar
japonnetje, haar handschoenen, niemand mocht het aanraken dan hij.
Zooals ze daar liep, zoo apart en teêr onder al die menschen, al die
groote meneeren en mevrouwen, zoo was ze voor hèm, heel alleen gekomen
voor hèm, en niemand wist er van dan zij tweeën......
Toen de muziek begon te spelen bracht hij haar terug naar haar tafeltje
en nam weer diep zijn hoed af. Mevrouw riep lief: „dag Paul!” en zei
iets tegen den heer met de bakkebaarden, die ook keek en toen even
lachte. Hij werd weer een aardige kleine cavalier voor Corrie gevonden.
Het waren immers nog kinderen.
Paul ging óók terug naar zijn plaats en moê zei: „Nu, heb je haar
gezien?”
„Ja,” knikte hij, maar hij zei niet veel, hij was te gelukkig om veel
te zeggen.
De muziek speelde lage, sombere accoorden, het begin van de ouverture
„Sakuntala” van Goldmark. Accoorden donker en mysterieus als het bosch
daarbuiten, al die dik-zwartende, breede boomenkruinen, die daar
plechtig ruischende waren in den nacht. Hoe groot en vreemd zag Paul
opeens dat zwarte bosch, hoe bang en donker, wat stond dat zwarte daar
majestueus en ontzachelijk in het rond! En opeens zag hij Corrie, een
klein, licht glanzend meisje in roze, hoe teeder en broos, hoe bizonder
in al dat sombere, grandioze alom, met die zware, lage accoorden
galmend in den nacht! Het was of ze al lichter en lichter werd, hij zag
haar voor zich in gouden, schitterende stralen, het vloeide fonkelend
goud om haar heen, en het was een ster van vuur in het groote
nachtzwart; star staarden zijne oogen in dit fonkelend visioen, tot hij
van pijn tranen voelde, en over alles, menschen en boomen, opeens een
tintelend waas droomde als van diamanten-dauw.
Zoo brak het geluk uit in die kleine, opengegane ziel, die beroerd was
door de schoonheid van een meisje.