Ze was zoo’n heel teêr wezentje! Ze had zoo’n heel zacht gezichtje, dat
zoo lief kon opkijken, en zoo gevoelig was, met fijne roze kleurtjes,
en reine lijntjes. Zoo als ze hem aanzag, als hij iets vertelde, lief
luisterend, met groote kinderoogen, en zulke lange, zijden wimpertjes,
en dan het haar, dat langs haar schouders woei over haar wangen, en dat
ze dan, zoo, even, met een mooi gebaartje teruggolfde. Zoo wit haar
halsje, en zoo satijnig daar tegen, een blauw lintje, zoo heel teêrtjes
de schelpen van haar ooren, met kleuren en tinten daarin als van roze
bloemen. En haar handen zoo klein en broos,—de zijne zooveel
grooter,—en zoo schoon en frisch altijd, omdat ze zoo’n deftig klein
dametje was, en met zulke ijle, teedere blauwe adertjes er in! En dan
haar schoudertjes en haar borstje, dat even, even welfde. Ze was
heelemaal gemaakt van mooiigheid en liefheid, ze was om vooral erg
voorzichtig en eerbiedig tegen te doen, om maar heel even te streelen,
en zacht met verliefde lippen te beroeren, want alles was immers zoo
frêle en fijn aan haar, het was zoo heel anders dan bij een jongen, zoo
iets als bloemen, of porselein, of transparante schelpen was het, iets
dat misschien wel dadelijk zou breken als je te hard er tegen deed. En
dan, zooals ze kon loopen, was het niet lucht als een kleine ree, zoo
met haar licht zweefrythmusje van klein meisje, met de schoudertjes dan
een beetje naar achteren, wat zwaaiend met de ellebogen, en het rokje
wapperend om de beenen?
Hoe blij en lief werden de straten waar zij kwam, hoe heerlijk was het,
op haar te wachten, en dan te kijken naar den kant, van waar zij komen
moest, en dan het half-bange, half-zalige gevoel, als ergens een
voordeur openging, en het bedroefde, als het dan ergens anders was.
Maar o! als ze dan kwam, en in de verte wuifde ze al met haar
zakdoekje, en ze begon al wat hard te loopen om gauw bij hem te zijn!
Als ze wat bij zich had, een boek, een pakje, hoe blij was hij dan het
voor haar te dragen, en wat een voorname dingen werden die dan dadelijk
voor hem!
En hoe dol-gelukkig, om met haar voorop te staan in de stoomtrem, erg
deftig, zij met die mooie, kleurige japonnetjes aan, met die fijne
kanten, en met zijden handschoenen, zoo’n echt gedistingeerd, mooi jong
dametje, en hij met vooral bizonder schoon boordje en manchetten, in
zijn beste pak, en zich heelemaal den cavalier voelende van dat
wondermooie meisje. Want de mooiste, de allermooiste, en liefste, en
heerlijkste van álle meisjes was ze, niemand had zulk een mooi, lang
haar, niemand zulke mooie oogen, zoo’n mooi roze en blank gezichtje,
alle andere meisjes leken wel niets bij haar, en hij was de eenige,
waar ze van hield, en die bij haar mocht zijn. Er was een soort
minachting in hem gekomen voor andere jongens; wat waren zij allemaal
ruw en grof, zij zouden nooit met zoo’n meisje als Corrie kunnen
loopen, ze zouden er nooit lief en voorzichtig genoeg meê kunnen
omgaan, ze zouden het niet eens begrijpen, waarom ze zoo mooi was, en
hoe fijn en broos alles aan haar was. Hij sprak ook nooit over haar met
andere jongens; ja met mama, die toch altijd in alles van zijn leven
was, praatte hij maar heel weinig over haar. Het was een soort
bizondere kuischheid in hem om haar heelemaal voor zich alléén te
houden; ze was nu eenmaal iets heel anders dan al het andere, iets
heelemaal nieuws, waardoor alles anders was geworden, en het was zoo
apart heerlijk, en goed, en zalig, dat het leelijk zou zijn, dat niet
heel alleen veilig te bewaren. Hij begreep niet, dat hij vroeger, toen
zij er niet was, ook blij en gelukkig was geweest, en heel vast en
zeker wist hij, dat het voortaan zonder haar onmogelijk zou zijn om nog
te leven. Mama sprak wel eens van later, later, beste jongen, en groot
worden, en dan niet meer zoo altijd bij haar mogen zijn, omdat zij dan
een groote dame zou worden, en haar familie dan niet meer zoo lief zou
zijn, maar dat begreep hij niet. Hij kon zich in ’t geheel niet
voorstellen dat Corrie een groote dame zou worden, zooals zijn nicht
Marie bijvoorbeeld, die lange rokken had gekregen, opeens zoo was
opgegroeid, en alleen maar van groote heeren wilde weten, en hem een
schooljongen vond. Want Corrie, vond hij, was juist zoo mooi omdat ze
zoo klein en tenger was, zoo’n broos wezentje, dat zoo teer op heel
fijne beentjes liep, met die kleine voetjes, en alles zoo vol satijnen
zijigheid. En hoe zou ze ooit als nicht Marie die mooie, lange haren
kunnen dragen in een kapsel op het hoofd, dat mooie, gouden haar, dat
zoo golfde en schitterde?
Er was ook géén meisje, dat altijd zoo vriendelijk was, en zoo
altijddoor lief. Anderen waren wel eens snibbig, en hatelijk, en
plaagden. Maar háár stem was altijd zoo innig, dat de eenvoudigste
woorden groote openbaringen voor hem waren. Het deed hem aan als
muziek, al haar woorden waren liefkoozingen, en het werd warm en zacht
en zalig in hem zoodrá ze maar sprak. Hij was toch zoo’n vrééselijk
verliefd Jongetje! In grooten ernst verzekerde hij haar, dat ze een
engel was, dat een hand van haar hem liever was dan alles wat hij had,
dat hij heel graag voor haar zou doodgaan als hij dan maar een kus van
haar kreeg, dat hij wou dat alle menschen er niet meer waren—dit vooral
was een geliefkoosd idee van hem—en alleen hij met haar, ergens in een
paradijs, met veel bloemen en vogels; dat haar oogen veel mooier waren
dan de hemel en al de sterren, dat de maan lang niet zoo lief en zacht
kijken kon als haar gezichtje, en dat haar haren zonnestralen waren,
heel van goud, die ze gekregen had, omdat ze zoo lief en goed was, want
o! o! ze wist het niet, maar zoo lief, zoo lief was ze! „Zie je,
Corrie, je moet altijd, altijd bij me blijven, want het zou
verschrikkelijk zijn als je er niet meer was, en ik kon je nooit meer
een hand geven, en nooit meer je stem hooren, en nooit meer heel zacht
met mijn wang langs de jouwe aaien, en geen kus meer geven op je
voorhoofd!” En onder al dat lieve, dat heelemaal uitzeggen van wat in
hem onbestemd brandde en gloeide van verlangen, liep ze maar te lachen,
en blij te zijn, en een beetje trotsch ook, dat hij dat allemaal zoo
zei. En als ze ergens heel alleen waren, op het plekje in ’t Aquarium,
of in de duinen, of in het bosch, en hij keek haar zoo zacht aan, en
zei allemaal zulke prettige en lieve dingen, dan beloofde ze alles wat
hij vroeg, ja, ze zou altijd van hem houden, ze zou nooit naar andere
jongens kijken, ze zou als ze groot waren met hem trouwen.—En dan
geloofde hij haar vaster en met zekerder weten dan hij ooit zijn eigen
moeder geloofd had,—want was ze niet het beste en mooiste en liefste
wat er was, zij, zijn lieveling, zijn eigen meisje voor áltijd?
Zoo’n jongetje was hij nog, hoe teer en broos, zoo’n zieltje, dat pas
begint te leven, en nog maar vaag vermoedt! Hoe gingen de dingen van de
wereld over hem als ál melodie en liefelijk beweeg! De open dagen vol
zonneschijn, met blinkende, blauwe luchten, en waaiende pracht van
groen, en lichte, goede menschen; de schemeringen zacht, met weifelende
kleuren, en tintelende lantarenrijen, en het zachte avondwindje om het
hoofd, als even een lieve hand, zoo vertrouwd; en de nachten die hem
aanzagen met stille, sereene sterren, en zoo diep waren van eindeloos
geheim. Al het leven één groot mooi van goede dingen, wijd om hem heen,
waarin hij behoorde, en wel nooit van weg wou. En dat Meisje als het
mooiste mooi van alles, en luchter dan een vlindervleugel, en teerder
dan de fijne kleuren in parelmoer, en vager dan de tinten op de zee, o
wát het was wist hij niet, dat hem zoo met geluk beroerde, en tranen
deed wellen in zijn oogen; niet haar oogen alleen, en niet haar wangen,
en niet haar mond, en ook niet enkel haar stem; er ging iets anders van
haar uit, en over zijn ziel lag een wijding, als zij bij hem was, als
over een zee in den nacht van majesteit. Hij wist niet, en ook dacht
hij niet, het Jongetje, over wat het toch wel was, dat van het Meisje,
wat hem zoo zalig maakte.—En het lijkt wel heel klein, zoo’n lucht
wezentje, zoo wat moois van gouden haar, en oogenblauw, en roze bloed
door lelieë wangen, als morgenrood door blanke wolken droomend, het
lijkt wel of het zoo vergaan kan, zoo verdroomen in het niet, maar de
openbaring, door dit schoon gedaan, is van een wonderbaar wezen, en de
essence er van kan niet sterven en blijft onvergankelijk.—Het Jongetje
was nog in zijn eersten droom, en zag dat frêle, half-ontloken
meisjesmooi als het aanbiddelijke centrum van heel het wereld-leven.
Ziet hem gaan, mijn Jongetje, met kloppend hartje zoekend naar dat mooi
van Meisje, overal volgend waar zij gaat, langend naar dit lichte
wezentje met heel de kracht van zijn zieltje, op het uiterste
gespannen.... Lief Jongetje, wat heb je je gegeven, alles wat je hadt,
wat heb je aangedragen alles wat je maar voor liefs bezat, wat vondt je
het mooi, het Meisje, zonder één vlekje, zonder één ding van slecht,
wat absoluut zuiver en rein; wat was het een groot, groot mooi voor je,
dat Meisje in zoo’n wit gewaadje, met fijne kantjes en zijden linten,
zwevend gaande op de fijne beentjes, en zoo vol licht haar gezicht, en
het warmzachte gegloei van haar oogen, en de gouden glorie van dat
haar; wat was je er tevreden mee, niets verlangde je meer, zóó was het
goed en volmaakt, en niets anders; wat moet je er verschrikkelijk van
gehouden hebben, mijn jongen, en hoe vast en onverbrekelijk sterk was
je zieltje aan dat lichte wicht verbonden!
Zoo bloeide in het Jongetje òp het idee van wat in de vele, vele dingen
der wereld is een Meisje:
Een Meisje is het héél, héél zachte, dat alleen van teêre, innige
liefheid bestaat, dat leeft in gewaden van blijde kleur, en heel
vreemd-zalig is om áán te voelen. Een Meisje is het goede, genadige in
het leven, dat altijd vriendelijk en weldadig doet, dat nooit over
ruwe, leelijke dingen spreekt, als de jongens op school, en waar je ook
maar enkel allerliefelijkste woorden tegen zeggen moet, om haar toch
vooral niet te verschrikken. Ze leeft in een heel andere sfeer dan het
Jongetje, zoo met allemaal zachte dingen om haar heen, van kant en
zijde en satijn; haar gezicht is zoo veel liever en vertrouwelijker, en
haar vel zoo blank en fluweelig, met heel fijne adertjes er even onder,
en het Meisje is altijd zoo frisch en rein, met schoone, zachte, o! hoe
heerlijk zachte handjes en zoo witte zakdoekjes, en mooie handschoenen,
en haar japonnetjes zoo keurig, met nergens een vlekje, en er hooren
bloemen bij, witte lelieën, of van die lichte, gele theerozen, en
viooltjes, en lief-blauw vergeetmijniet, en ook broches en ringen van
goud, die blinken op mousselien en zijde en blanke vingeren, en er is
een fijn, zacht gloeiend lint in haar fonkelend, blond haar, en een
zoete geur is om haar heen.
En het Meisje stapt zoo luchtjes, zoo heel anders dan het Jongetje en
dan groote menschen, het stapt op een rythmusje dat de ziel zoo vreemd
beroert, en haar rokje ruischt er bij, zoo zoet en suizelend, en al
haar teêre bewegingkjes en lijntjes geven genot en ontroeren toch zoo.
Het mooiste, het allermooiste in het leven van het Jongetje. Mooier dan
muziek, en mooier dan de zee, en mooier dan de vogelen en de bloemen.
Het meisje was voor hem een groote, absolute zuiverheid, een wonder
mooi van zachte couleur en licht, rythmisch beweeg, het
allerkostbaarste in het leven, in de groote, groote wereld.—Al het
leelijke was ver buiten haar, en geen allervaagste schaduw er van
bereikte haar reine beeld. Nooit kon er iets anders bij het Meisje zijn
dan het uiterst pure van haar stem, dan het zoete licht van haar lach,
dan de zachtheid van haar zijde en satijn en blank, wit linnen; nooit
kon daar iets anders aan gedaan worden dan eerbiediglijk aanbidden, dan
lieve, streelende woordjes fluisteren, dan bloemen brengen, de mooiste
van geur en kleuren, dan heel voorzichtig een arm om haar middel
vleien, en haar warm, blinkend haar beroeren, en éven een wang zacht
tegen háár wang, en een teeder kusje op haar roode lipjes, en dan gauw
weer weg, bang om haar pijn te doen.
Hoe vreemd, hoe vreemd, om angstig en toch zalig van te rillen, als
daar dat teêre en brooze vlak naast je staat, zoo ritselend en
suizelend en wuivend van kant en tulle en fijne zijde, en éven voel je
het weeke, zachte vleesch van een blanken, blanken arm, en de muziek
van haar stem zoo vlak bij de ooren, en het lange goudhaar wel eens
waaiend tegen je wang! Hoe licht, licht, als een lach glanst over zoo’n
lief gezicht, met overal weerschijn en schittering, en het plooien van
zoete kuiltjes, en het stralen van blauwe oogen! Het Jongetje wou toch
zoo graag altijd bij haar blijven, en stil-tevreden vergaan in al dat
heerlijke meisjesmooi; o! kon hij maar zelf dat Meisje wezen, zich
wèg-kussen over haar blond hoofdje van gloeiend goudlicht, zacht
verglijden over haar bloeme-blank voorhoofd en fijne schoudertjes,
heelemaal wègwezen in haar éven-welvend borstje, in al haar warme
zachtigheden, en in de blozeroode wangetjes, en in de kleine, reine
handjes, en altijd bij haar en in haar en om haar, een heel klein
stukje desnoods van haar zijn, als ’t maar in haar warme, liefelijke
leven was, heelmaal éen er mee!
O! Het Meisje! Het Meisje! Het mooiste, zachtste, reinste, lichtste,
blinkendste wat het Jongetje maar kon droomen, heel apart als een
wonder in de wereld staande, in een altijd-stralende glorie van
allerzuiversten glans, waar al het leelijke, donkere ver van bleef, en
waar hij zonder een nevengedachte, met àlgeheele overgave zijn zieltje
aan kwam brengen, alleen maar bang, dat het veel te weinig was, en zij
het misschien niet eens zou willen hebben! Want zij was zoo heel
aanbiddelijk en vriendelijk en zacht, en zoo vol schoone couleur en
lachend licht, en hij maar zoo’n klein, verliefd kereltje, dat heel arm
en nietig was, als hij niet bij haar kon zijn. Niet bij haar was hij
midden in het leelijke en koude van zijn kameraads op school, en
klonken grove, ruwe woorden over duistere, geheime dingen, die alleen
maar geniepig gezegd worden, en waar je nooit over mag spreken, dingen
van leelijks tusschen jongens en meisjes, toevallig gevonden in een
boek, of afgeluisterd van groote menschen.... Het staat groot er om te
lachen.... Maar als heel even in de verte het rokje ruischte van het
Meisje was al het leelijke weg, als een booze droom, en het Jongetje
wist niets meer. Dan was het haar licht-lachend gezichtje dat naderbij
kwam, o! daar kwam ze! daar kwam ze! een zoete weldadige warmte in hem,
een groot geluk dat uít wou jubelen in lieve, koozende woordjes, en
alles was weer rein, en blank, en stil-tevreden, zonder een schaduw van
twijfel of het wel zoo mooi, zoo wonder heerlijk, verrukkelijk,
volmaakt mooi kon zijn, zoo’n teêr broos wezentje van licht en kleur en
liefelijk beweeg....