Paul wist het zoo bewust niet van zichzelf, anders zou hij het Jongetje
niet geweest zijn, en was het ook nooit zoo’n geluk geweest, maar de
groote wereld was zóó voor hem.
Vlak bij hem, het aller-innigst vertrouwde, zijn Moeder. Altijd òm en
bij hem was ze, alles ging van haar uit, al het warme, blije, zachte,
zorgende, haar stem áltijd liefderijk, haar handen streelend om zijn
hoofd, haar kussen, waarmeê de dag begon, en ’s avonds haar
liefkoozing, als ze hem toedekte, groot als hij al was. Alles van hem
ging naar háár, alles wat van zijn leventje was, zijn minste dingen en
kleine daden verteld, die hij nooit in kon houden, zoo absoluut moest
het alles eerst naar háár toe. Het was niet bewust in hem, van het moet
en het hoort zoo, het was heel van-zelf en natuurlijk; alléén was er
niets voor hem, alles was samen en van elkaar, hij was in haar zorg als
een bloem in het licht, en dag en nacht kwam het stralende over hem
heen, zonder dat hij dankbaar was of ontroerd, het was nu eenmaal zoo
het bestaan, dat niet anders kón.
Zijn vader er buiten, want streng en niet zacht, zijn vader iets niet
intiem, want véél te groot, met een donkere schaduw, waar hij niet bij
durfde. Als hij iets kwaads had gedaan, of er kwam een leelijke brief
van school, of iets anders, kwam over Paul de harde, gestrenge stem,
het ver àf dringende, een bons, en hij vluchtte naar moeder, die nooit
hard deed, en waar hij absoluut veilig rustte in een zachten schoot,
met troostende woordjes geliefkoosd, door zachte handen gestreeld. Dat
was niet heel wijs van Paul’s moeder, maar daarom was zij ook zoo
innig, innig vertrouwd en heelemaal in zijn leven, en geloofde hij met
zoo’n vast vertrouwen, dat alles goed was wat van haar uitging, wat in
en om haar was.
De wereld zoo buiten, straten, wegen, boomen, duinen, een natuurlijk
leven met hem sámen, niet eens mooi of goed, alleen natuurlijk, van
hém, altijd om hem heen geweest, zonder mysterie. Een gewoon er meé
leven, niet denken, niet misschien iets aparts, het wás er nu eenmaal.
De menschen goed en slecht. De groote menschen ver en groot boven hem,
vreeselijk volmaakt, en zooveel weten, en zoo heel anders doen dan hij,
en getrouwd zijn, en apart in huizen wonen, meneeren en mevrouwen. Je
moet er je hoed voor afnemen als je ze kent, en je moet erg beleefd
zijn als ze komen. Op een diner mag je alleen aan ’t dessert er bij
zijn, en ieder een hand geven, en later weer weg. In de gang hooge
hoeden en vreemde mantels en jassen. Heelemaal buiten zijn leven, en
iets erg gewichtigs.
De school een groot deel van zijn bestaan verder. De leeraars, de
groote localen, het allemaal moéten, en anders straf. Het
onvermijdelijke, gedwongene, het op een zelfde uur er altijd wezen. De
koude woorden tegen hem. Het onvriendelijke, altijd formeel. Het
gebeurde niet binnen-in, zoo warm, als alles van zijn moeder, er kroop
iets diep in hem weg op school. Maar toch heel groot doen, en lachen
met de jongens, en net of het heel prettig is. Het met vriendjes wezen,
samen uitgaan, en praten over dingen die ze thuis niet mogen weten, en
elkaar boeken leenen, die niemand mag zien. Ook vechten en twisten, de
jongens zijn goeie venten en mispunten. De leeraars zijn leuk en
beroerd, en ze heeten Neus of Puist buiten de klas. Dat zoo iederen
dag, naar school, de les kennen, of „rijen”, ieder uur wat anders, en
dan weer naar huis, blij in de straten want weer vrij. Maar heelemaal
zonder liefde, de school. Het heel lieve en warme alleen moê thuis, en
de boeken van Aimard en Verne en Cooper, en de meisjes, maar de meisjes
heel vér, van bijna niet bíj durven komen en toch heel erg bij willen
wezen, van iets heel anders dan al het andere, en een heel klein beetje
er van, een lachje, een briefje al zoo’n groot geluk. Later trouw je er
mee, je valt op je knieën er voor, dan zeggen ze ja, en je gaat er mee
in één huis wonen. Maar daarachter was ’t allemaal onbekend, en zoover
ging het daarover-denken niet.
Ik vertel dit zoo maar van ’t Jongetje, maar het was heel anders omdat
hij ’t niet wist, en als je ’t weet is het al niet meer zoo.
Het was een héél erg ding zoo ineens, dat Meisje. Want het was héél,
héél anders dan al het vroegere.
Hij had het niet dadelijk aan moê gezegd toen hij thuis kwam van den
Dierentuin. Hij was stil geweest, en had gegeten, en toen het huiswerk
gedaan voor morgen op school. ’s Avonds, in bed, was het als bang. Moê
was er niet in, moê was er niet in. Het was of hij ergens in ’t donker
was, en heel ver van alles af, alleen. Hij kon niet slapen.
De stem van het Meisje. De oogen, de zachte handjes, hij zag ze ergens
in het donker; dat haar, hoe wàs het ook weer, van goud, van licht....
Een heel vreemd gevoel van binnen, het dringt hem vooruit, het doet
pijn om stil te liggen.
Ja, het hébben, dit moet hij absoluut, verschrikkelijk stellig hebben,
want het moét, het kán nu niet anders meer. Hebben moet hij het, héél
alleen hebben, nooit iemand anders er bij komen, het is alléén van hém.
Er kwam iets aan, zijn ooren ruischten, het kwam met groote golven van
binnen aan, over hem heen, en het drukte op zijn hoofd. Heel ver was
hij van moê, waarom kwam ze nu niet.... Hij mocht het aan niemand
zeggen.... Zóó heel arm lag het Jongetje in zijn bed, voor den eersten
keer eenzaam, zonder wil lag hij pijn en angst te hebben, het was of
hij werd getrokken en gerekt, en of iets losliet waar zijn leven altijd
vast aan was, voortgesleurd, heel alleen, naar het Meisje, en buiten
haar was niets. Maar zij stond in het heel onbekende, en óm haar was
het vreemd en geheim, en ook bang. Zij stond ver, ver van wat
altijd-geweest was, maar hij moést, hij moest, want het klopte en
bonsde en trok en duwde zoo, met zware, rukkende schokken tegen zijn
zieltje....
Eindelijk slapen, en ’s ochtends alles weer licht. De huizen aan den
overkant weer wélbekend gewoon, en moê in de kamer met het theeblad, en
alle intieme dingen in het rond. Maar toch een heerlijke blijdschap dat
het vacantie was, en hij nu vanmiddag naar Scheveningen kon. Ze zou er
misschien wel zijn. En toch nog niets aan moê zeggen, want het was heel
apart.
En ’s middags aan het strand, op Scheveningen. Veel menschen, in lichte
pakken en japonnen, en overal kleuren blij in de zon. De dag was goud,
en de zomerzon hield de zee. Prettige warmte in de lucht. De groote,
groote zee voor hem, die hij zoo goed kende, die er altijd geweest was
nu eenmaal, in zijn leven. Heel ver alles zoo licht en vol vreugde, en
een groot zeil op het water, goud in de zon. Hij liep door de
strandstoelen, en aan de zee, en overal zocht hij, of het nu niet komen
zou. Het was zoo natuurlijk dat het weer komen zou, in al dat licht en
die blijdschap van den zomer, aan die koele, vertrouwde zee.
En het kwam. Ze ging hem vlug voorbij, ze was in wit, ruischende, haar
rokje waaiende om de beenen, stappend met lage, gele schoentjes. Enkel
maar een meisje zoo, mooi aangekleed, met lang haar over de schouders
naar voren, maar wat immens groot voor het Jongetje, wat héél anders
dan zoo maar een meisje. Ze zàg hem wel, maar ze wou het niet weten. En
hij schrok, want het deed weer pijn. Maar toch riep hij haar:
„Corrie!”
„Zóó, Paul!”
Daar was het weer. Haar heele gezichtje van gisteren. Het was niet bang
meer. Heel warm en goed was het....
„Wat ben je mooi!.... Wat mooi wit.....” zeide hij, naïef zooals hij
voelde.
„Wat heb jij een grappig rond hoedje op,” zei ze.
Zulke luchte woorden! Maar zoo lief en intiem. Zoo of alles goed was!
En dan gehoord met de ziel van het Jongetje alléén, gehoord de
melodieuze liefheid van haar stem, elk woord er door subliem.
En dan die zee! En dan het licht overal! En dan de hemel.... zoo groot
daarboven!.... Hij mocht weer mee. Ze had een schopje in de hand. Had
hij er geen? Ze zou er een voor hem halen. Er was er nog een bij mama,
in dien stoel daar.
Hij wachtte gehoorzaam op méér van haar stem, en elk woord was een
groote genade.
„Kijk, een mooie schop, hè, een nieuwe. Nou mag je me eens helpen en
heel galant zijn. Kijk, hier een berg maken, straks komt de zee, het is
vloed.”
Haar lieve stem. Wat vreemd voor hem. Hoe lucht beweegt ze, wat is dat
allemaal zacht aan haar, en wat wit! En haar haren, en o! haar
oogen....
Nu was het heel niet meer angstig.... Heel teer en lief alleen. Wat een
klein meisje was ze eigenlijk nog! Maar mooier dan álles.
Wat heerlijk, zoo samen met haar graven, hij aan één kant van het
bergje, zij aan een anderen. Hij had het in langen tijd niet meer
gedaan, sedert zijn lange broek en de Hoogere Burgerschool.
En onder het praten met haar een zacht gedenk in hem van binnen: Wat
heel fijn toch, zoo’n Meisje! Vooral niets hards er tegen zeggen! Erg
er meê oppassen! Wat moet het heerlijk zijn om even dat mooie haar te
voelen, en tegen je wang te houden! Een kus niet eens durven.... Alleen
maar zoo blijven aankijken, en misschien een hand geven.
Maar toch doorsprekende. Of ze niet erg van de zee hield, zooals hij.
Hield ze van bloemen, hield ze van de duinen? Was ze véértien jaar?
Bijna vijftien? Wat aardig, hij ook. Wat een groote berg nu al! Maar
daar komt de zee! Gauw, gauw er op!
En ze stonden samen op het bergje. Heel dicht bij elkaar nu.
„Daar is-t-ie! Hoû me vast!” Een gilletje en lachen. Een groote, zalige
rilling, want het goudlichte haar nu waaiend in zijn gezicht, warm van
háár eigen leven. Het was te groot, te groot. Zingen, úitzingen en
lachen. Een hand warm in de zijne.—Iets héél warms heelemaal door hem
heen, en over zijn bevende zieltje.—
„Hoû me vast, daar is de zee weer,” zong de muziek van haar stem.
„O! ik wil je zoo áltijd vasthouden,” zei hij, met den intensen ernst
van de helden in zijn boeken, „ik wil je zoo altijd beschermen.”
„—Hou me vast, ik waai er af!”
„—Ik wou dat ’k de wind was. Ik zou je meênemen. Ik zou je zoo héél
zacht weer ergens neêrleggen.”
Zóó begon het, en dit waren de woorden, die het Jongetje later zoo goed
wist, of ze waren opgeschreven en vóór hem lagen. Elk met een eigen,
melodieus geluid, en door enkel ziel gezongen. Maar wie het
transcendente, mystieke wezen van heel gewone dingen kennen, weten hoe
eindeloos gelukkig het Jongetje er mee voelde, en hoe die woorden
altijd even bleven doorklinken in zijn ziel, ook toen hij niet meer het
Jongetje wás.—O! die diepste beteekenis van de kleinste dingen! Want
onvergankelijk stond het in Pauls kleine ziel, de blije lachjes, die
over haar lief gezichtje lichtten, het gebaartje, waarmeê ze het
schopje telkens optilde, het witte gewaadje door den wind strak tegen
haar knieën, en gewapper om haar blauwe kousjes; de buiging van haar
arm, en hoe het haar telkens om de teêre schoudertjes waaide; en de
fladderende linten van haar hoed, en de fijne figuurtjes van de kanten
kraag. En dit sterk en fel, in ál de teederheid, als met een
wondervreemd licht verlicht, héél apart en in een bizondere sfeer
stralend, tegen het groote daaromheen, de blinkende, wijde zee, de
sneeuwen wolken in de lucht, en vér de duinen. Want alles was héél
anders dan vroeger, er was over álle dingen opeens een glans van groote
vreugde gegaan, en zij lagen daarin gekoesterd in een intens, nieuw
licht....
Hij mocht den heelen middag bij haar blijven.... Hij moest absoluut
even mee naar haar moeder. Een vriendelijke dame, erg deftig, in een
eigen windstoel, die van binnen bekleed was. Hij nam heel diep zijn
hoedje af, en werd een aardig vrijertje voor Corrie gevonden. Hij mocht
een voetenbankje halen en een glas melk. Hij kocht ook nog een roosje,
dat hij heel plechtig aan Corrie’s mama gaf, maar dat Corrie zélf
kreeg, en op de witte kant tegen haar borst werd gespeld. Corrie hield
veel van jongensboeken, want in den stoel lag „De Vrijbuiters” van
Aimard. En hij begon te vertellen hoe het verder ging, en raakte
heelemaal in vuur, met gloeiende wangen, en Corrie vond het heel
mooi.—Hij vertelde nog véél meer, allemaal van vechten, en meisjes
helpen, wie ze kwaad deden, en eeden houden om de onschuld te wreken,
en altijd heel trouw en heel dapper en heel ridderlijk zijn. Hij was
toen heusch wel een heel lief Jongetje, geloof ik, met het glanzende
haar een beetje onder zijn zwarte hoedje uit, met zijn heldere, klare
stem, en al die geestdrift in zijn oogen. Later kwam nog een dikke,
oude dame, dat was Grootmama, zei Corrie, en ze was een barones. Ze
droeg een gouden lorgnon, en ze praatte fransch, dat de kinderen het
niet hooren zouden. Corrie liep gauw weg toen ze bij haar mama was
komen zitten, en ze hield niet van haar, zei ze. Paul had iets heel
benauwds gevoeld, onbewust iets van bang voor haar, van iets vijandigs,
dat hem kwaad wou. Ze liepen samen verder te praten, het strand af, tot
bij den vuurtoren. En de twee kinderzieltjes negen elkaar meer en meer
toe. Twee teere wezentjes, onbewust, heel van zelf, blij in het lichte
van de lente en de zon, zonder te weten.—Ze begonnen te vertellen van
elkaars leventje, waar ze alzoo woonden, wat ze deden, van mama en
papa, van wanneer jarig zijn, en waar veel van houden.—Ze kwamen
dichter en dichter in mekaars wezen, zij lief-lachend gevend, en
prettig blij met dien galanten eerbied, dat heel ernstig ridderlijke
waarmee hij haar aanzag en naïef zeide, dat ze zoo lief en heel mooi
was; een heel erg Meisje nog, dat zich graag het hof laat maken; híj in
groote reverentie alles aannemend, dol-gelukkig met zoo’n erg mooi,
deftig meisje, diep onder den indruk van haar stem, haar oogen, haar
mooie haar, en al het wondere van teêre, lichte, blanke, in-lieve
meisjesheid.—Hij mocht weer even haar zakdoekje hebben. Hij mocht even
haar hoedje vasthouden, want het lintje van het haar was los gegaan.
Wit stroo, met een blauw lint, en witte bloemen. Een heel gewichtig en
groot ding voor hem.
Zou zij niet met andere jongens loopen? Zou hij altijd van háár mogen
blijven? En zíj plagen: wat dacht-ie wel, ze kende hem nog maar pas;
maar ze zou eens zien, als hij heel galant was; misschien liep híj zelf
wel met andere meisjes, dat doen alle jongens, en misschien zeí hij ’t
zoo maar. En hij weer van nee, heusch niet, en bijna met tranen, hij
zou nooit naar een ander meisje kunnen kijken, ze waren allemaal
leelijk, ze wist toch zelf wel dat zíj de mooiste was van allen, ze was
een koningin, en hij was haar trouwe ridder.—Zoo enkel maar twee
kinderen leek het wel, een jongetje dat met een meisje loopt, en een
beetje verliefd is. Alles heel kinderlijk en heel klein. Maar alles ook
heel ernstig en heel groot, en met de absoluut volkomen reine
simpelheid van het onbewust van-zelve, het heelemaal geven, niets
achterhouden, en de heilige reverentie van een geloof zonder schaduw
van twijfel.—
Later haar wegbrengen met haar mama naar het station van de stoomtrem,
en híj galant het boek dragen en de schopjes, en mevrouw een hand geven
bij het instappen. Toen zijn hoedje af, en tweemaal diep buigen, ééns
voor mama, ééns voor haar, als een deftig jongetje, die weet hoe ’t
hoort.
En toen hij alléén loopen naar huis, want hij kon maar ééns tremmen,
anders werd het te duur, en hij was met de trem gekomen. Blij fluitend
en neurieënd den Nieuwen Weg langs, in den lichten middag, met overal
zacht golvende duinen, en witte wegjes. Het jubelend zingen van vogels
in de struiken en boompjes langs den weg. Overal geluid en beweging en
licht.—Tevreden in de groote, blinkende, zingende wereld, waar alles
blij was en vreugde.—Alles was goed.
Thuis gekomen kon Paul het niet meer inhouden, en vertelde hij alles
aan zijn moeder. Hij vertelde het in ’t heerlijke uurtje vóór ’t diner,
als papa nog niet thuis was van de societeit, en ze samen alleen waren
op de canapé, met de tafel al gedekt.—Maar hier begon het eerste ding,
dat Paul niet samen met moeder deelde. Want ze plaagde hem met zijn
nieuwe meisje, en vroeg of nu Annie en Jo en al de vorigen alweer
vergeten waren, en hoelang dit nu wel zou duren voor er weer een ander
kwam.—Het was een deftige familie, zei ze; mevrouw van Meeden was een
geboren Wallaert, en die grootmama, baronesse Wallaert, was heel
trotsch en behoorde tot de hooge aristocratie. Ze dacht niet dat die
familie Paul later graag bij Corrie zou zien als hij grooter was, en
daarom moest hij maar niet te veel van haar gaan houden, zei ze, want
dat zou later veel verdriet geven.—Maar Paul versloeg al die
redeneeringen met zijn zegevierend:
„Maar als ze nu van me hoúdt, moê, en als ik nu heel hard werk en een
mooie betrekking krijg?”
Op ’t laatst, toen moê het maar niet wou gelooven, werd hij bedroefd.
Hij voelde zich opeens alleen, of hij ver van zijn moeder was. Er was
iets gekomen, dat tusschen moê en hem was, zoodat ze niet meer samen
zouden kunnen voelen. Maar het was onherroepelijk, dát voelde Paul heel
intens, er was niets meer aan te doen, als het moest zou hij naar
Corrie gaan, al moest hij zijn moeder alleen laten. En hij schrok over
die éven gedachte mogelijkheid. Maar die bedroefdheid ging weer gauw
weg. Maar zou hij niet bij allebei mogen blijven? Zulke rare dingen te
denken!