I.

Hij was nog een heel erg Jongetje. Hij vond zichzelf al een beetje een

meneer, sedert hij op de Hoogere Burgerschool was, en een lange broek

aan had. Ook wist hij zoo nog al het een en ander, wat schooljongens in

den Haag al zoo heel gauw weten, en hij vloekte ook wel, als de anderen

er bij waren, en lachte om allerlei leelijke dingen, zonder de

gemeenheid te voelen.

Maar in zijn hart was hij nog een heel erg Jongetje gebleven. En ik zeg

dit, omdat ik het weten kan. Hij liep meestal in een zwart pakje, dat

stond hem het beste, zei moê; zijn lange broek had hij nog maar kort

aan; en daarom liepen zijn beenen er nog wat moeilijk en verlegen in,

alsof hij nog niet goed groot durfde zijn. Hij droeg een rond zwart

hoedje, met zijde geboord en met een zijden lint. Onder een wit liggend

boordje droeg hij een breedgestrikte das, en aan zijn mouwen

vastgespeld witte manchetten. Een wit zakdoekje kwam uit zijn

vestjeszak kijken. Voor al die dingen zorgde moê. Maar het boordje en

de manchetten waren heel gauw vuil, en hij beet gaatjes in zijn

zakdoeken, en smeerde er inkt aan. Hij had een wandelstok met een

gouden knop, dien hij zooveel mogelijk op straat liet zien. Nog al een

deftig jongetje was hij, en wou dat ook erg graag zijn. Hij was in den

groei, en erg tenger, met een bleek gezicht, en hij wist dat dit een

beetje voornaam was. Hij wist ook, dat de meisjes hem wel mochten, en

liep een heele boel meisjes tegelijk na. Op de groote kinderbals in den

Haag kwam hij vroeger in zwart fluweel, met korte broek, zwart zijden

kousen en verlakte schoentjes met strikken, en dan maakte hij zichzelf

wijs dat hij een prins of een graaf was. Vol decoraties, gouden sterren

en bloemen van de cotillon, kwam hij daarvan thuis, en dan stond hij

zich heel lang in den spiegel te bekijken, met al die glorie op zijn

borst, vóór hij in bed ging. Een roosje en een lintje van het

állerliefste meisje,—van een klein, wonderteer wezentje, feeëriek in

tulle en kant,—ging meê, onder zijn kussen.—Maar hij had telkens weer

een ánder allerliefst meisje, en was heel ontrouw, ofschoon hij een

ridder wilde zijn. Hij bewaarde zorgvuldig allerlei lokjes haar en

bloempjes en briefjes, en kon dikwijls met trots zijn verzameling

bekijken.—

Het Jongetje was een meisjesgek, zeiden ze, en het was waar, dat hij

overal meisjes naliep, en overal heenging waar hij dacht dat ze zijn

zouden. Meisjes waren iets héél vreemds en geheimzinnigs voor hem. Ze

waren zoo heel anders dan jongens. Ze hadden zulk mooi haar. Zoo lief

waren ze. Ze liepen zoo veel zachter. Haar japonnetjes waren zoo mooi,

en voelden zoo heerlijk aan, zoo van zijde en satijn en allemaal zachte

dingen. Haar altijd schoone handen, haar stemmen zoo klaar en lief,

haar beweging zoo blij en lucht!—Je moet voor haar vechten, en haar

altijd overal helpen, en straffen wie haar kwaad doet. Ze zijn

misschien eigenlijk engelen. Wat het was, wist het Jongetje niet, maar

voor ieder meisje had hij een heiligen eerbied en tegelijk een

verlangen om er heel lief-samen meê te zijn, en allemaal zachte dingen

tegen te zeggen, en bloemen te brengen, en er iets voor te doen wat ze

wou. Misschien kwam het van ’t vele lezen in ridderverhalen en in

Aimard, maar altijd was die reverentie in hem gebleven, ook toen hij

grooter werd en op school zooveel vreemde dingen hoorde, waar hij zoo

nieuwsgierig naar was, maar die hij weer heelemaal vergeten was bij een

meisje. Dáárom vooral zei ik, dat Paul nog een heel erg Jongetje was

gebleven, al droeg hij een lange broek. En ik ben de eenige die dat

absoluut kan weten.—

Hij woonde van zijn vroegste jeugd af in den Haag.—Zaterdag- en

Woensdagmiddag was er geen school, en dan ging hij meestal naar den

Dierentuin. Hij was daar al jaren lang geregeld naar toe gegaan en was

de grootste vrinden met alle beesten, van de papegaaien aan den ingang

af tot de olifant toe, die hij nog had zien aankomen toen ze heel klein

was, in een hok met luchtgaten, op een wagen. Onder zijn jasje nam hij

altijd stukken brood mee, die hij thuis uit de broodbak haalde. Hij was

te groot om een mandje mee te nemen en hij moest eens een jongen

tegenkomen waar hij Apache en Comanche mee speelde, met heusche

pistolen en messen! Daarom verstopte hij het in een doekje onder zijn

jasje, dat dan wel eens heel raar ópstond.—Als het brood op was plukte

hij gras af voor de herten, dat was verboden en dus erg prettig om te

doen.

En zóó gebeurde het. Op een Woensdag in de vacantie, den 18en Juli

1883, zoowat om vier uur. Hij wist dat allemaal precies, want hij heeft

het opgeschreven in een dagboek dat hij daarna is gaan maken, en dat ik

zelf heb gelezen.

Het was op een stil plekje in den dierentuin, met veel groen, waar het

heerlijk rook van zoeten bloemengeur, rozen en heliothropen. Er was

heel veel licht. Alles was heel blij en vertrouwd.—Er was daar een

nieuw hok gemaakt voor een pas gekomen ree. Het was een heel schuw

beestje. Het durfde nog niet naar voren te komen en stond bij het

deurtje áchter, waar het ’s nachts sliep, beverig te dralen, met een

voorpootje in de hoogte. Paul was daar heengegaan om vrindjes te

worden. Hij had eerst een stuk brood en toen een handvol frisch gras

door de tralies gestoken, en geroepen. Maar het ree-tje wou niet komen.

Het hielp hem niet of hij al zacht en lief riep. En toen was hij boos

geworden. Als hij liefdeed en vooruitkwam en als er dan iets anders

was, dat wantrouwig deed en terugtrok, was dat een heel erg ding voor

hem. Hij vond het een beetje een lam beest, en gooide er met een steen

naar. Dat was bijvoorbeeld óók een teeken, dat hij nog maar een

Jongetje was. Toen ging hij op een bankje zitten, vlakbij, om te

wachten, of het ree-tje er misschien nog niet eens uit zou komen. Er

was toen niemand in het laantje.

En toen kwam een heel zacht geluid aan. Iets heel zachts en liefs, op

een lucht rythmusje, voetstapjes, anders niets. En daar was het. Toén

is het aangekomen.

Fel klopte opeens het hartje van het Jongetje, en hij schrikte ofschoon

hij nog niets gezien had. Het was inééns gekomen. Het was voor hém,

voor hém heel alleen, het had eigenlijk al lang moeten komen, nú wist

hij pas hoe hij altijd had geweten dat het komen moest. Het was blank

en rose en goud. Het was licht. Het Meisje.

Ik kan het niet anders vertellen van ’t Jongetje, want véél later wist

hij het pas, en op ’t oogenblik zelf kon hij niet denken. Maar zoo

voelde hij het; zooals heel zacht beweegt één boomekruin, éven

ruischend in den nacht, en weêr een, en nog een, en zwaar-sonoor zwelt

het aan, met groote golven. Zoo bewoog het in zijn zieltje, dat eerst

zoo stil was.

Je kon het niet aan hem zien. Hij wachtte en wachtte.... Hij kon niets

doen, hij wist niet wat het was, en zou het niet verteld kunnen hebben.

Wie het vertelt, dien beroert het niet meer, want het is te groot voor

woorden, en te kuisch. Hij wachtte, en alles gebeurde aan hem, waar hij

lijdzaam zat.

Het Meisje! Licht, zacht, wonderroze, lichtroze wuivend om blank en

goud.... Oogen—o! die oogen!—stralen van hemel-blauw, een teêr

gezichtje van transparant licht,.... en waaiend goud, fonkelschitterend

goud van golvende haren.

Hij zag het eerst later goed. Toen was het enkel een wonder, een

groote, lichte glorie, een zon. Het was een intens Licht over zijn

zieltje, eindeloos uitglanzend over verre onbewustheden. Alleen het

Jongetje, als het gebleven was, zou het kunnen vertellen, maar het

Jongetje is weg, en een ander, groot mensch kan het niet zeggen, want

die weet te veel, en het weten doodt het ontzachlijke van die emotie.

Het kwam nader en nader.... het ging vlak langs hem....

Hij voelde het heel dicht bij zich, want hij werd eerst doodkoud van

rilling, en tóen brandde opeens een gloed naar zijn hoofd.

Het Meisje bleef staan voor het hokje van de ree.—En zij riep met een

hooge, blijde stem.

Het ging héél vanbinnen in het Jongetje door, en het was of overal in

hem iets openging; het werd grooter en grooter, overal was het weer,

verder en verder, en die klare stem vulde zijn uitspreidend zieltje met

zalige muziek.

Het Meisje riep: „Kom dan lieveling, kom dan toch bij ’t vrouwtje!....

Kom dan, lief beestje, ik héb wat voor je....” En het kwám, het

Jongetje zág het gebeuren, de kleine ree kwam naar die stem toe. En

kijk! nu is het fijne, teêre beestje bij ’t Meisje, en haar kopje is in

twee witte, witte handjes. Het is gegeven, en het is aangenomen.

Hij stond op. Als een bloem zoo onbewust, zoo heel, heel zacht brak

zijn zieltje open en neeg naar het Meisje, naar den kant, vanwaar die

wondere stem was gekomen. En zooals die bloem keert naar het licht,

ging hij naar het Meisje toe, niet bang meer, en zéér stellig dit

willende zonder te weten van willen.

„Wat ben je een héél lief meisje!” zei hij, natuurlijk, alsof hij haar

al lang kende.

Zij keek hem eens aan, schrikte even op, en lachte.

„Je kunt zoo vriendelijk roepen,” zei hij, haar aanziende, en met zijn

oogleden knippend, omdat het nog te sterk voor hem was. „Je bent zoo

mooi. Wat een mooi haar heb je! Allemaal goud!”

Het meisje lachte alsof ze ’t zoo wel prettig vond, en zei met ’t

zelfde lieve stemmetje van zooeven: „Wat ben je een malle jongen! En

zoo maar dadelijk!”

Maar hij was heel gelukkig dat ze sprak, en blij vroeg hij: „Mag ik

alsjeblieft een eindje meê? Mag ik je vriendje zijn?” Dat kwam inééns

uit zijn hartje, zoo maar, omdat het natuurlijk was.

Ik geloof dat het Meisje het wel een beetje vreemd vond en ook wel

aardig. Maar ik heb nooit geweten wat het Meisje vond, en het Jongetje

heelemáál niet. Ik geloof het dus alleen maar zoo. Ze keek hem eens

aan. Ze vond hem wel een aardig baasje, wèl een jongeheertje voor zoo’n

klein dametje om zich het hof door te laten maken. Ze wist, geloof ik,

in ’t geheel niet hoe’n raar baasje het eigenlijk wel was, en wat er

voor hem gebeurde. Het was wel een grappig incidentje voor haar, en dat

kon ze niet helpen.

Hij stond haar aan te kijken, in bange verwachting wat ze zeggen zou,

met kloppend hart. Hij voelde de tranen in zijn oogen komen.

„Nu, dan mag je wel even mee, als je heel galant bent,” zei de zingende

stem; „hoe heet je?”

„Ik heet Paul, en jij?”

„Ik heet Corrie, maar ze noemen me ook Cor. En hoe nog meer?”

„Waerens, en jij?”

„Van Meeden, van de van den Boschstraat.”

En hij hoorde haar praten als van groote openbaringen, ieder woord

bracht hem dichter bij haar, in de warmte van haar leven. Hij kon haar

nog altijd maar niet lang aanzien, want het was of hij in de zon zag.

Het was zoo heel goud en licht, en het werd hoe langer hoe grooter, het

was of een brand over alles om hem heenging.—En hij stond te staren als

een, die niet begrijpt.—Hij hield zijn hand voor zijn voorhoofd, waar

het klopte.

„Heb je hoofdpijn?” vroeg ze nu lief. „Wil je wat eau-de-cologne?” Zij

maakte het zakdoekje nat uit een flaconnetje, en hij nam het van haar

aan en hield het voorzichtig tegen zijn hoofd. Iets heel weldadig koels

maakte het op de branding.

Toen kuste hij het fijne doekje als een kleine ridder, en gaf het haar

met een buiging terug.

„Hoe goed van je,” zei hij, „mag ik je een hand geven?”

Ze was niet meer verlegen. Ze vond hem nu wel een aardig jongetje. En

wat kon hij grappig buigen! Ze keek hem een beetje verliefd aan en gaf

hem haar handje.

Als een kostbare schat nam hij dat warme, bloemig blanke, levende van

haar in zijn twee voorzichtig saamgesloten handen.—Hij voelde iets

daarvan ín zich gaan, iets ongekend zaligs, vér doortrillende in hem

van binnen. Hij duizelde er van. Het was groot, als of hij aan de zee

stond.

En het Meisje lachte, en lachte. Zijn lief Meisje. Het Meisje van het

Jongetje.

Er was overal heel veel licht.—Ja, nu zíe ik het Jongetje zélf ook

weer, en het Meisje naast hem, in teêr roze naast zijn donker zwart.—O

hoe licht was het, hoe blij en licht! Zacht bewegend groen rondom.

Zacht-droomende geuren van rozen en héliotrope—Goud, goud haar lange,

golvende haar, goud lichter dan licht. Haar wondere blauwe oogen en

haar lief-lichtende lach!

Hij heel deemoedig en heel klein.—Héél overgegeven, alles, alles van

hem, gansch alles gegeven.

Alles zuiver, puur, absoluut rein en volkomen. Het was van die twee

kinderen gedaan in den divienen staat van eenvoud, simpel, zooals de

boomen staan, vèr tegen de lucht, met reinuitkomende takjes; het was

natuurlijk en groot van waarheid, absoluut zonder iéts slechts, als de

zee, en de wouden, en de bergen.

Zóó is het toen gebeurd, en zóó is het begonnen, dat van het Jongetje,

wat ik vertellen ga. Dit was het heel eenvoudige en zuivere begin.

En wie het niet kunnen gelooven, dat er zoo’n jongetje was, die het zóó

hevig kon voelen, zóó uitverkoren het allerheiligste in de oneindige

werelden zoo jong mocht voelen, die hebben nooit de onsterfelijke

regelen van den eeuwiggezegenden zanger der diviene Liefde geloofd, die

ik met van reverentie bevende hand voor in dit boek van het lang

gestorven Jongetje heb durven schrijven.

Het Jongetje · 第 4 / 14 题