Hij was nog een heel erg Jongetje. Hij vond zichzelf al een beetje een
meneer, sedert hij op de Hoogere Burgerschool was, en een lange broek
aan had. Ook wist hij zoo nog al het een en ander, wat schooljongens in
den Haag al zoo heel gauw weten, en hij vloekte ook wel, als de anderen
er bij waren, en lachte om allerlei leelijke dingen, zonder de
gemeenheid te voelen.
Maar in zijn hart was hij nog een heel erg Jongetje gebleven. En ik zeg
dit, omdat ik het weten kan. Hij liep meestal in een zwart pakje, dat
stond hem het beste, zei moê; zijn lange broek had hij nog maar kort
aan; en daarom liepen zijn beenen er nog wat moeilijk en verlegen in,
alsof hij nog niet goed groot durfde zijn. Hij droeg een rond zwart
hoedje, met zijde geboord en met een zijden lint. Onder een wit liggend
boordje droeg hij een breedgestrikte das, en aan zijn mouwen
vastgespeld witte manchetten. Een wit zakdoekje kwam uit zijn
vestjeszak kijken. Voor al die dingen zorgde moê. Maar het boordje en
de manchetten waren heel gauw vuil, en hij beet gaatjes in zijn
zakdoeken, en smeerde er inkt aan. Hij had een wandelstok met een
gouden knop, dien hij zooveel mogelijk op straat liet zien. Nog al een
deftig jongetje was hij, en wou dat ook erg graag zijn. Hij was in den
groei, en erg tenger, met een bleek gezicht, en hij wist dat dit een
beetje voornaam was. Hij wist ook, dat de meisjes hem wel mochten, en
liep een heele boel meisjes tegelijk na. Op de groote kinderbals in den
Haag kwam hij vroeger in zwart fluweel, met korte broek, zwart zijden
kousen en verlakte schoentjes met strikken, en dan maakte hij zichzelf
wijs dat hij een prins of een graaf was. Vol decoraties, gouden sterren
en bloemen van de cotillon, kwam hij daarvan thuis, en dan stond hij
zich heel lang in den spiegel te bekijken, met al die glorie op zijn
borst, vóór hij in bed ging. Een roosje en een lintje van het
állerliefste meisje,—van een klein, wonderteer wezentje, feeëriek in
tulle en kant,—ging meê, onder zijn kussen.—Maar hij had telkens weer
een ánder allerliefst meisje, en was heel ontrouw, ofschoon hij een
ridder wilde zijn. Hij bewaarde zorgvuldig allerlei lokjes haar en
bloempjes en briefjes, en kon dikwijls met trots zijn verzameling
bekijken.—
Het Jongetje was een meisjesgek, zeiden ze, en het was waar, dat hij
overal meisjes naliep, en overal heenging waar hij dacht dat ze zijn
zouden. Meisjes waren iets héél vreemds en geheimzinnigs voor hem. Ze
waren zoo heel anders dan jongens. Ze hadden zulk mooi haar. Zoo lief
waren ze. Ze liepen zoo veel zachter. Haar japonnetjes waren zoo mooi,
en voelden zoo heerlijk aan, zoo van zijde en satijn en allemaal zachte
dingen. Haar altijd schoone handen, haar stemmen zoo klaar en lief,
haar beweging zoo blij en lucht!—Je moet voor haar vechten, en haar
altijd overal helpen, en straffen wie haar kwaad doet. Ze zijn
misschien eigenlijk engelen. Wat het was, wist het Jongetje niet, maar
voor ieder meisje had hij een heiligen eerbied en tegelijk een
verlangen om er heel lief-samen meê te zijn, en allemaal zachte dingen
tegen te zeggen, en bloemen te brengen, en er iets voor te doen wat ze
wou. Misschien kwam het van ’t vele lezen in ridderverhalen en in
Aimard, maar altijd was die reverentie in hem gebleven, ook toen hij
grooter werd en op school zooveel vreemde dingen hoorde, waar hij zoo
nieuwsgierig naar was, maar die hij weer heelemaal vergeten was bij een
meisje. Dáárom vooral zei ik, dat Paul nog een heel erg Jongetje was
gebleven, al droeg hij een lange broek. En ik ben de eenige die dat
absoluut kan weten.—
Hij woonde van zijn vroegste jeugd af in den Haag.—Zaterdag- en
Woensdagmiddag was er geen school, en dan ging hij meestal naar den
Dierentuin. Hij was daar al jaren lang geregeld naar toe gegaan en was
de grootste vrinden met alle beesten, van de papegaaien aan den ingang
af tot de olifant toe, die hij nog had zien aankomen toen ze heel klein
was, in een hok met luchtgaten, op een wagen. Onder zijn jasje nam hij
altijd stukken brood mee, die hij thuis uit de broodbak haalde. Hij was
te groot om een mandje mee te nemen en hij moest eens een jongen
tegenkomen waar hij Apache en Comanche mee speelde, met heusche
pistolen en messen! Daarom verstopte hij het in een doekje onder zijn
jasje, dat dan wel eens heel raar ópstond.—Als het brood op was plukte
hij gras af voor de herten, dat was verboden en dus erg prettig om te
doen.
En zóó gebeurde het. Op een Woensdag in de vacantie, den 18en Juli
1883, zoowat om vier uur. Hij wist dat allemaal precies, want hij heeft
het opgeschreven in een dagboek dat hij daarna is gaan maken, en dat ik
zelf heb gelezen.
Het was op een stil plekje in den dierentuin, met veel groen, waar het
heerlijk rook van zoeten bloemengeur, rozen en heliothropen. Er was
heel veel licht. Alles was heel blij en vertrouwd.—Er was daar een
nieuw hok gemaakt voor een pas gekomen ree. Het was een heel schuw
beestje. Het durfde nog niet naar voren te komen en stond bij het
deurtje áchter, waar het ’s nachts sliep, beverig te dralen, met een
voorpootje in de hoogte. Paul was daar heengegaan om vrindjes te
worden. Hij had eerst een stuk brood en toen een handvol frisch gras
door de tralies gestoken, en geroepen. Maar het ree-tje wou niet komen.
Het hielp hem niet of hij al zacht en lief riep. En toen was hij boos
geworden. Als hij liefdeed en vooruitkwam en als er dan iets anders
was, dat wantrouwig deed en terugtrok, was dat een heel erg ding voor
hem. Hij vond het een beetje een lam beest, en gooide er met een steen
naar. Dat was bijvoorbeeld óók een teeken, dat hij nog maar een
Jongetje was. Toen ging hij op een bankje zitten, vlakbij, om te
wachten, of het ree-tje er misschien nog niet eens uit zou komen. Er
was toen niemand in het laantje.
En toen kwam een heel zacht geluid aan. Iets heel zachts en liefs, op
een lucht rythmusje, voetstapjes, anders niets. En daar was het. Toén
is het aangekomen.
Fel klopte opeens het hartje van het Jongetje, en hij schrikte ofschoon
hij nog niets gezien had. Het was inééns gekomen. Het was voor hém,
voor hém heel alleen, het had eigenlijk al lang moeten komen, nú wist
hij pas hoe hij altijd had geweten dat het komen moest. Het was blank
en rose en goud. Het was licht. Het Meisje.
Ik kan het niet anders vertellen van ’t Jongetje, want véél later wist
hij het pas, en op ’t oogenblik zelf kon hij niet denken. Maar zoo
voelde hij het; zooals heel zacht beweegt één boomekruin, éven
ruischend in den nacht, en weêr een, en nog een, en zwaar-sonoor zwelt
het aan, met groote golven. Zoo bewoog het in zijn zieltje, dat eerst
zoo stil was.
Je kon het niet aan hem zien. Hij wachtte en wachtte.... Hij kon niets
doen, hij wist niet wat het was, en zou het niet verteld kunnen hebben.
Wie het vertelt, dien beroert het niet meer, want het is te groot voor
woorden, en te kuisch. Hij wachtte, en alles gebeurde aan hem, waar hij
lijdzaam zat.
Het Meisje! Licht, zacht, wonderroze, lichtroze wuivend om blank en
goud.... Oogen—o! die oogen!—stralen van hemel-blauw, een teêr
gezichtje van transparant licht,.... en waaiend goud, fonkelschitterend
goud van golvende haren.
Hij zag het eerst later goed. Toen was het enkel een wonder, een
groote, lichte glorie, een zon. Het was een intens Licht over zijn
zieltje, eindeloos uitglanzend over verre onbewustheden. Alleen het
Jongetje, als het gebleven was, zou het kunnen vertellen, maar het
Jongetje is weg, en een ander, groot mensch kan het niet zeggen, want
die weet te veel, en het weten doodt het ontzachlijke van die emotie.
Het kwam nader en nader.... het ging vlak langs hem....
Hij voelde het heel dicht bij zich, want hij werd eerst doodkoud van
rilling, en tóen brandde opeens een gloed naar zijn hoofd.
Het Meisje bleef staan voor het hokje van de ree.—En zij riep met een
hooge, blijde stem.
Het ging héél vanbinnen in het Jongetje door, en het was of overal in
hem iets openging; het werd grooter en grooter, overal was het weer,
verder en verder, en die klare stem vulde zijn uitspreidend zieltje met
zalige muziek.
Het Meisje riep: „Kom dan lieveling, kom dan toch bij ’t vrouwtje!....
Kom dan, lief beestje, ik héb wat voor je....” En het kwám, het
Jongetje zág het gebeuren, de kleine ree kwam naar die stem toe. En
kijk! nu is het fijne, teêre beestje bij ’t Meisje, en haar kopje is in
twee witte, witte handjes. Het is gegeven, en het is aangenomen.
Hij stond op. Als een bloem zoo onbewust, zoo heel, heel zacht brak
zijn zieltje open en neeg naar het Meisje, naar den kant, vanwaar die
wondere stem was gekomen. En zooals die bloem keert naar het licht,
ging hij naar het Meisje toe, niet bang meer, en zéér stellig dit
willende zonder te weten van willen.
„Wat ben je een héél lief meisje!” zei hij, natuurlijk, alsof hij haar
al lang kende.
Zij keek hem eens aan, schrikte even op, en lachte.
„Je kunt zoo vriendelijk roepen,” zei hij, haar aanziende, en met zijn
oogleden knippend, omdat het nog te sterk voor hem was. „Je bent zoo
mooi. Wat een mooi haar heb je! Allemaal goud!”
Het meisje lachte alsof ze ’t zoo wel prettig vond, en zei met ’t
zelfde lieve stemmetje van zooeven: „Wat ben je een malle jongen! En
zoo maar dadelijk!”
Maar hij was heel gelukkig dat ze sprak, en blij vroeg hij: „Mag ik
alsjeblieft een eindje meê? Mag ik je vriendje zijn?” Dat kwam inééns
uit zijn hartje, zoo maar, omdat het natuurlijk was.
Ik geloof dat het Meisje het wel een beetje vreemd vond en ook wel
aardig. Maar ik heb nooit geweten wat het Meisje vond, en het Jongetje
heelemáál niet. Ik geloof het dus alleen maar zoo. Ze keek hem eens
aan. Ze vond hem wel een aardig baasje, wèl een jongeheertje voor zoo’n
klein dametje om zich het hof door te laten maken. Ze wist, geloof ik,
in ’t geheel niet hoe’n raar baasje het eigenlijk wel was, en wat er
voor hem gebeurde. Het was wel een grappig incidentje voor haar, en dat
kon ze niet helpen.
Hij stond haar aan te kijken, in bange verwachting wat ze zeggen zou,
met kloppend hart. Hij voelde de tranen in zijn oogen komen.
„Nu, dan mag je wel even mee, als je heel galant bent,” zei de zingende
stem; „hoe heet je?”
„Ik heet Paul, en jij?”
„Ik heet Corrie, maar ze noemen me ook Cor. En hoe nog meer?”
„Waerens, en jij?”
„Van Meeden, van de van den Boschstraat.”
En hij hoorde haar praten als van groote openbaringen, ieder woord
bracht hem dichter bij haar, in de warmte van haar leven. Hij kon haar
nog altijd maar niet lang aanzien, want het was of hij in de zon zag.
Het was zoo heel goud en licht, en het werd hoe langer hoe grooter, het
was of een brand over alles om hem heenging.—En hij stond te staren als
een, die niet begrijpt.—Hij hield zijn hand voor zijn voorhoofd, waar
het klopte.
„Heb je hoofdpijn?” vroeg ze nu lief. „Wil je wat eau-de-cologne?” Zij
maakte het zakdoekje nat uit een flaconnetje, en hij nam het van haar
aan en hield het voorzichtig tegen zijn hoofd. Iets heel weldadig koels
maakte het op de branding.
Toen kuste hij het fijne doekje als een kleine ridder, en gaf het haar
met een buiging terug.
„Hoe goed van je,” zei hij, „mag ik je een hand geven?”
Ze was niet meer verlegen. Ze vond hem nu wel een aardig jongetje. En
wat kon hij grappig buigen! Ze keek hem een beetje verliefd aan en gaf
hem haar handje.
Als een kostbare schat nam hij dat warme, bloemig blanke, levende van
haar in zijn twee voorzichtig saamgesloten handen.—Hij voelde iets
daarvan ín zich gaan, iets ongekend zaligs, vér doortrillende in hem
van binnen. Hij duizelde er van. Het was groot, als of hij aan de zee
stond.
En het Meisje lachte, en lachte. Zijn lief Meisje. Het Meisje van het
Jongetje.
Er was overal heel veel licht.—Ja, nu zíe ik het Jongetje zélf ook
weer, en het Meisje naast hem, in teêr roze naast zijn donker zwart.—O
hoe licht was het, hoe blij en licht! Zacht bewegend groen rondom.
Zacht-droomende geuren van rozen en héliotrope—Goud, goud haar lange,
golvende haar, goud lichter dan licht. Haar wondere blauwe oogen en
haar lief-lichtende lach!
Hij heel deemoedig en heel klein.—Héél overgegeven, alles, alles van
hem, gansch alles gegeven.
Alles zuiver, puur, absoluut rein en volkomen. Het was van die twee
kinderen gedaan in den divienen staat van eenvoud, simpel, zooals de
boomen staan, vèr tegen de lucht, met reinuitkomende takjes; het was
natuurlijk en groot van waarheid, absoluut zonder iéts slechts, als de
zee, en de wouden, en de bergen.
Zóó is het toen gebeurd, en zóó is het begonnen, dat van het Jongetje,
wat ik vertellen ga. Dit was het heel eenvoudige en zuivere begin.
En wie het niet kunnen gelooven, dat er zoo’n jongetje was, die het zóó
hevig kon voelen, zóó uitverkoren het allerheiligste in de oneindige
werelden zoo jong mocht voelen, die hebben nooit de onsterfelijke
regelen van den eeuwiggezegenden zanger der diviene Liefde geloofd, die
ik met van reverentie bevende hand voor in dit boek van het lang
gestorven Jongetje heb durven schrijven.