Aoba. Waar komen zij vandaan? Dat weten ze vaak zelf niet of ze houden
het zorgvuldig geheim. Nu eens is het een Portugees, die er voor altijd
van heeft afgezien, ooit naar de oevers van de Taag terug te keeren;
dan een voorzichtige Engelschman, wien een bezoek aan de Theems voor
altijd is verboden, of wel een Franschman, die het eiland Nou van
nabij kent en al te compromitteerende betrekkingen heeft te Nouméa;
soms ook is het een gouvernementsambtenaar, die niet snel genoeg
carrière heeft gemaakt en uit den dienst is gegaan, en men ziet er
ook wel jongelui, die door de familie in den steek zijn gelaten. Voor
al dezulken zijn de Nieuwe-Hebriden het beloofde land; ze vinden er
geen wetten, geen gezag en geen regeering; gendarmen en politie zijn
er nog niet ingevoerd; ieder leeft er zooals het hem behaagt, regelt
zelf zijn zaken zooals hij wil, en behoeft zich nooit te ergeren over
de langzaamheid van de rechtsspraak.
Levend in een hut, door de inboorlingen gebouwd, koopt zoo iemand
alle kokosnoten die hem worden gebracht en zoekt voor de eenzaamheid
troost bij de flesch. Veel heeft hij niet te doen; het blijft bij
eenig toezicht op de beide Kanaken, die hij gewoonlijk in dienst
heeft, om de noten in tweeën te splijten. Elke helft wordt aan de zon
blootgesteld of aan de hitte van een vuur en het gedroogde vleesch
wordt daarna uit de noot gehaald en heet copra. Dat product wordt
naar Marseille vervoerd en doet er dienst bij de zeepfabricatie.
Vanaf de kust van Ambrym bespeurt men in het Westen een vrij lang,
bergachtig eiland, Mallicolo, welbekend op het oogenblik der bezetting,
omdat daar een zekere J. woonde, die door de inboorlingen werd
gedood. Zijn dood diende tot voorwendsel voor het zenden van soldaten,
die de veiligheid van onze landgenooten moesten waarborgen. Er werd te
Port Sandwich een post gevestigd. Nu wendden wij ons naar die plaats,
na op Ambrym onze taak te hebben volbracht.
Dick A. diende ons tot loods en leidde ons zonder aarzeling in
de straat, die uitkwam in de ruime baai van Port-Sandwich. Eerst
voeren wij langs de Maskelyne-eilanden, ten zuiden van Mallicolo
gelegen. Men deed er aan vischvangst, en de Europeanen die er woonden,
met name de heer Mac L., vonden daarin zelfs een bestaan. Wie in
deze streken vertoeft hoort vaak van den laatste spreken; zijn naam
komt telkens weer voor in de gesprekken, niet alleen van blanken,
doch ook van Kanaken. Hij is een der laatste vertegenwoordigers
van die groep handelaars, die onder de namen van walvischvaarders,
sandelhoutinzamelaars, houders van slavenschepen oudtijds in dezen
archipel berucht werden en door hun zeeschuimerij en hun willekeurig
optreden de vijandige gevoelens tegen de blanken deden ontstaan,
die nu nog bij de inboorlingen worden opgemerkt.
Hij was dertig jaren geleden zonder een cent in den archipel gekomen
en bezit nu een vermogen van eenige millioenen, verkregen door den
handel met de inboorlingen, toen er nog in 't minst geen regel daarin
was gebracht; en gelukkige speculaties met grond hadden het hunne
tot zijn fortuin bijgedragen. Uit staatkundig oogpunt was hij een
verbitterd vijand van den franschen invloed, en hij streed daartegen
al lange jaren met de grootste geestkracht; van zedelijkheidsstandpunt
kende hij geen scrupules, zooals gebleken is uit de quaesties, die
hij had met de Caledonische Maatschappij. Zóó is de heer Mac L.,
wiens naam door elken reiziger dadelijk nadat hij aan wal stapt wordt
vernomen; ik moest hem wel met een paar woorden teekenen, en ik heb
hem dikwijls ontmoet.
Maar om terug te komen op de Maskelyne-eilanden, er zijn er daarvan
drie. Oudtijds waren ze bewoond door een talrijke bevolking, maar
nu zijn ze zoo goed als verlaten, en we zagen slechts nu en dan
eens een boot langs de kust varen. De weinig teergevoelige wervers
hebben menigmaal gewapende expedities naar den wal gezonden, die de
inboorlingen met geweld meevoerden, de dorpen verbrandden en zelfs
vóór hun komst overal schrik en angst verspreidden in de bewoonde
oorden. Aan die daden van zeeroof moet de ontvolking van vele eilanden
worden toegeschreven.
Wij kwamen te Port-Sandwich en legden aan in een prachtige, goed
beschutte haven. Wij waren daar in een betrekkelijk beschaafd land;
't is de hoofdstad van den archipel, de stad der pretjes op de
Nieuwe-Hebriden; daar ontmoeten elkander de coprahandelaars van de
naburige eilanden en komen er hun opgespaard geld verteren. Men kan
er waarnemen, hoe zakken copra omgezet worden in kisten jenever,
tot groot genoegen van die echte drinkers van den Stillen Oceaan.
Wat is Port-Sandwich? Enkele huizen aan weerskanten van de baai,
één winkel van de Caledonische Maatschappij, een kolendepôt, een
kade, dat is het eenige, wat er nog te zien is in die veiligste
haven van de geheele eilandengroep. Maar men moet niet op den schijn
afgaan; feitelijk wordt daar veel handel gedreven, schepen van alle
nationaliteiten laten er het anker vallen en brengen er leven en
beweging; zij laten er koopwaren achter, nemen de producten van
het land in en brengen die naar Nouméa, Sydney, Queensland of de
Fidsji-eilanden.
Het is ook een centrum der landbouwkolonisatie. Ik ging aan land,
om den heer G., agent van de Nieuwe-Hebridenmaatschappij een bezoek
te brengen. Hij verheugde zich erin, mij de aanplantingen van maïs
en koffie te kunnen vertoonen, door hem in het leven geroepen, in
't belang der maatschappij die hij vertegenwoordigde. Hij bood mij
allervriendelijkst gastvrijheid aan, en in de schaduw van het aardige
huis op het strand heb ik prettige oogenblikken gesleten en ik heb er,
beter dan mij aan boord mogelijk was, mijn aanteekeningen van de reis
kunnen uitwerken.
Er zijn niet veel Kanaken te Port-Sandwich, en men moet naar het
binnenland gaan om eenigszins talrijke groepen aan te treffen. Wij
zetten dus koers naar de westkust van Mallicolo, passeerden weer de
Maskelyne-eilanden en sloegen vervolgens eene noordelijke richting
in. De westkust vertoonde een dor, verlaten aanzien. De Nieuwe-Hebriden
zijn over 't algemeen merkwaardig om hun weelderigen plantengroei,
om hun prachtige bosschen, zich uitstrekkend tot het strand der zee,
en men staat verbaasd over den rijkdom van den grond, bedekt met zoo
velerlei planten en zulke reusachtige boomen. Maar in dit gedeelte van
Mallicolo is de toestand niet zoo liefelijk; de kust is er steil en
wordt gevormd door kale rotsen, verdord er uit ziende en geschroeid
door den fellen zonneschijn. Wel ziet men in de diepte een paar groene
heuvels, maar men moet vrij ver in het binnenland doordringen, om
geschikten bouwgrond aan te treffen. Kokospalmen komen aan het strand
weinig voor, en de Kanaken hebben geen enkele aanplanting gewaagd.
In de baai in 't Zuidwesten, waar wij hadden geankerd, wordt de natuur
iets beter, dank zij den drie rivieren, die er zich in zee storten en
door nog al vruchtbare dalen stroomen. Zelfs ziet men na 't passeeren
van de rots aan den ingang der baai bouquetten van kokospalmen,
die de inlandsche dorpen voor het oog verbergen. Nauwelijks hadden
wij op eenige meters afstands van het dorp het anker laten vallen,
of wij zagen talrijke booten met inboorlingen op ons afkomen,
luidruchtig op de _Lady Saint Aubyn_ aanroeiend. De aanblik van die
Kanaken was zonderling; allen hadden ze verbazend puntig toeloopende
hoofden, glimmende, met kokosvet ingesmeerde haren en armbanden,
van parelen of van varkenstanden gemaakt. Die puntige vorm van den
schedel is kenschetsend voor de bewoners van Mallicolo. Dit was het
eenige punt, waar ik die eigenaardige misvorming heb aangetroffen,
die een gevolg is van bepaalde manipulaties, op de hoofden der kleine
kinderen toegepast. Er worden daarvoor banden van boomschors gebezigd,
die om de hoofdjes worden gewikkeld, om er den gewenschten vorm aan
te geven. In een der booten zag ik een zoo toegetakeld klein kindje.
Ik heb talrijke wapenen aangekocht, want de inboorlingen hier
verkochten gereedelijk hun knotsen en pijlen en bogen. De knots is van
zeer hard hout gemaakt, en heeft een lengte van ongeveer een meter,
op het eind uitloopend in een kraagje, dat tot steun dient voor de
hand; de bogen werden gespannen met vezels van bananen.
Deze inboorlingen hebben een groote vaardigheid in het maken van
pijlen, en zij kunnen ze, heet het, vergiftigen; die, welke ik heb
kunnen koopen, waren opgeborgen in een doos, die de punten verborg,
zoodat men zich er niet aan kon verwonden. Zij zijn overtuigd van de
werkdadigheid van het gif, maar ik kan zeggen, dat de proeven, met
die pijlen genomen, niet konden doen besluiten tot de aanwezigheid
van eenig vergif. Hoe het zij, zij passen de volgende methode toe,
met het doel de pijlen te vergiftigen. Zij halen uit een bepaalden boom
een kleverig sap, waarmee zij de pijlpunt bestrijken; vervolgens nemen
ze wat aarde, afkomstig van een ongezonde plek of uit een moeras van
wortelboomen en laten de punt daarin eenigen tijd staan. Vervolgens
wordt alles in de zon gedroogd.
Die wapens hebben den naam van zeer gevaarlijk te zijn. Toen ik ze
uit de doos haalde, om ze te bezien, gingen alle inboorlingen, die
in een kring om mij heen stonden, ver uiteen en waarschuwden mij
voor het gevaar, dat mij bedreigde, als ik ook maar het geringste
wondje kreeg. Toch zou het misschien voorbarig en gevaarlijk zijn,
ze als volkomen onschadelijk te beschouwen. De voorbeelden van den
commodore Goodenough, van bisschop Patteson en van veel Europeanen,
die aan tetanus of spierkramp overleden ten gevolge hunner wonden,
zijn nog van te recenten datum, dan dat men de vraag van de al of
niet vergiftigheid als opgelost zou kunnen bespeuren.
De inboorlingen van de zuidwestelijke baai hadden juist bezoek gehad
van een duitsch werfschip van de Samoa-eilanden; doch niemand van de
bewoners had zich willen laten aanwerven wegens de slechte behandeling,
die de arbeiders in de werkplaatsen op die eilanden ondervinden.
Bovendien had eenige jaren geleden Duitschland een oorlogsschip
gezonden, om den moord van een Duitscher te Mallicolo te wreken;
de herinnering aan de kanonkogels had de duitsche vlag niet populair
gemaakt bij deze inboorlingen. Zoo althans luidden de inlichtingen,
mij verstrekt door een inboorling, die drie jaar op de Samoa-eilanden
had gewoond.
Mijn wandelingen over het eiland voerden mij een paar keeren naar een
dorp, aan den rand van een lagune gelegen, die vrij diep landwaarts
in drong; de hutten waren alle van riet en bamboes opgetrokken;
maar het huis van het hoofd was gemakkelijk herkenbaar aan de heg er
omheen en aan de groote schelpen en onderkaken van varkens, die het
dak versierden. Het hoofd heeft ook nog een ander voorrecht; bij zijn
dood wordt namelijk zijn lichaam in stroo en in lianen gewikkeld en
zoo met klei bestreken en gekleurd met zwarte, roode en blauwe verf,
waarna het in een bepaald gebouw wordt geborgen, dat de lijken der
stamhoofden bevat.
Ik heb het kunstenaarstalent van deze Kanaken kunnen bewonderen in
de koppen van klei of leem, die men in de hutten aantreft, en in de
maskers van boomschors met groote, puntige hoeden gekroond, die zij
gebruiken bij de groote feesten of _sinn-sinn_. Maar ik zou niet
durven zeggen, dat de vormen of de teekeningen tot modellen konden
dienen voor onze europeesche kunstenaars.
Bij mijn omzwervingen door het dorp heb ik weinig vrouwen ontmoet; die
ik zag, waren gekleed in een zeer primitief costuum, bestaande uit een
gordel van pandanusbladeren, maar ik heb tevens kunnen constateeren,
dat ze alle de snijtanden in de bovenkaak misten, een eigenaardige
mode op het eiland Mallicolo.
De zuidwestelijke baai is de eenige goede reede aan de kust; wij gingen
dus nergens aan wal, behalve met kleinere bootjes. In de Espièglebaai
begonnen wij te onderhandelen met enkele inboorlingen, die ons
beschroomd naderden. Men bespeurt wel, dat dit deel van het eiland
zelden bezoek krijgt. De bewoners keken den Europeaan verbaasd aan,
en toen ze een beetje vertrouwd met hem raakten, werd hij betast, alsof
ze wilden voelen of hij wel van eenzelfde maaksel was als zij. Een der
Kanaken met witte, scherpe tanden voelde mijn armen en kuiten en scheen
bij zich zelven iets te overleggen, waarvan ik de strekking ten halve
begreep. De kannibalenneiging van de inboorlingen dezer kust is bekend,
en mijn vriend taxeerde mij denkelijk eens, om te zien of ik al goed
was voor een feestmaal van menscheneters. Bij sommige stammen bepalen
ze zich er niet toe, door bewegingen hun gedachten aan te duiden,
maar uiten een paar woorden, die "goed om te eten" beduiden en die
u doen beseffen, met welke oogen ze uw persoon zoo nauwlettend opnemen.
Mallicolo is niet zeer vruchtbaar in het gedeelte dat wij nu bezochten;
er waren weinig plantages en de grond was er dor; hij bestond enkel uit
vulkanische rotsen, waarop geen boom of plant groeide. Wij haastten
ons, dat ongastvrij oord te verlaten, en wij bereikten al gauw de
Bougainvillestraat, die dit eiland van Espiritu Santo scheidt. Door
die straat voer Bougainville, toen hij het eiland ontdekte. Langen tijd
had men de Nieuwe-Hebriden beschouwd als deel uitmakend van het groote
Zuidelijke vastland; maar de fransche zeevaarder bracht de waarheid
aan het licht, door aan te toonen, dat zij een eilandengroep vormen,
terwijl Cook later de zuidelijke eilanden er van zou ontdekken.
Het zal misschien interessant zijn, den lezer er aan te herinneren,
dat bij gelegenheid van deze reis een vrouw voor de eerste maal de reis
om de wereld deed. Dat feit werd door Bougainville ontdekt, juist toen
hij zich bij Mallicolo bevond. Ziehier, in welke omstandigheden. Het
gerucht liep aan boord van de _Etoile_, dat de bediende van den heer
de Commerçon een vrouw was. Die persoon, Baré geheeten, volgde den
meester overal heen, had mee de bergen aan de Magellaensstraat bestegen
en deinsde voor geen enkelen vermoeienden tocht terug. De bewoners
van Tahiti hadden het eerst hare sekse geraden, die door niemand der
medepassagiers nog was vermoed; zij gedroeg zich trouwens altijd kalm
en behoorlijk als een teruggetrokken, stille jonge man. Bougainville
liet haar bij zich komen en zij bekende, dat ze uit droefheid over
den dood van haar verloofde mannenkleeren was gaan dragen en zich
als knecht had verhuurd.
Wij deden zulk een ontdekking niet aan boord van de _Lady Saint Aubyn_,
maar na een doodkalmen overtocht, die door geen enkel incident werd
gekenmerkt, lieten wij het anker vallen bij het eiland Vao, vóór de
oostkust van Mallicolo. Al spoedig kregen we hier bezoek van een
landgenoot, pater L., een zendeling der Maristen, die sedert twee
jaren te Mallicolo woont en de inboorlingen tot het katholieke geloof
tracht te bekeeren. Hij heeft niet veel succes, want de bewoners van
dit eiland zijn afkeerig van europeeschen invloed; zij leven slechts
van roof en plundering en hebben volstrekt geen vreedzame gevoelens
tegenover den zendeling, dien zij elk oogenblik met den dood bedreigen.
Ik bewonder den moed van dezen Franschman, wiens handelingen waarlijk
wel de vergelijking kunnen doorstaan met die van de engelsche
presbyteriaansche zendelingen; geen zucht naar winst doet hem in deze
streken blijven en hij tracht ook niet, zich een behagelijk interieur
te bezorgen, dat nadeel zou kunnen doen aan de zaak die hij wil
dienen. Ik bracht een bezoek aan zijn huis, van riet opgetrokken en
met allerprimitiefste meubels; een houten tafel, twee matten stoelen,
een bed in een hoek was alle ameublement; zijn voedsel was hoogst
eenvoudig en bestond uit knollen en beschuit met hetgeen eenige
blikjes opleverden. Ik dronk er echter een uitstekend glas bier,
bereid uit een plant van die streek.
Vao is een dichtbevolkt eilandje, maar toen wij het anker er
uitwierpen, ontdekten wij geen enkelen inboorling op het strand; alle
Kanaken waren inderdaad naar liet groote eiland Mallicolo gegaan, om er
op de plantages te werken of om met het geweer in de hand de arbeiders
te verdedigen tegen aanvallen van de inboorlingen uit het binnenland.
Tegen vier uur in den avond zagen wij ze terugkeeren naar hun dorpen
op het kleine eiland; enkelen verkochten ons in 't voorbijgaan hunne
aardvruchten en boden mij een plaats aan in hun booten. Zij zetten
mij aan het strand af, en ik behoefde maar enkele schreden te doen,
om in het dorp te komen. Een troep varkens en honden liep dadelijk
om mij heen en wilde mij de nadering beletten; maar de inboorlingen
kwamen er op toe en verjoegen de dieren met hun stokken. Ik beloonde
mijn redders door pijpen en tabak onder hen uit te deelen; die
edelmoedigheid bezorgde mij hun vertrouwen, en zoo kon ik met hen
een gesprek beginnen.
Sedert eenige dagen was een der hoofden uit het dorp boos op de
blanken, omdat Mac L., van wien ik reeds heb gesproken, hem zijn
zoon had ontroofd, die nu te Port-Vila bij dien Engelschman moest
werken. Hij ontvouwde mij zijn grieven, en de goudgalons ziende op
de mouwen van mijn buis, vroeg hij mij, of ik hem door middel van de
oorlogsschepen recht wilde doen weervaren; als belooning zou ik een
hermaphroditisch varken ontvangen. Dat was een prachtig cadeau in
de oogen der inboorlingen, want voor een hermaphroditisch varken kan
men het ver brengen in den stam, zich een hooge positie verschaffen
en zelfs een vrouw koopen.
Wij hadden spoedig ons recruteeringswerk op het eiland Vao ten einde
gebracht. De nabijheid van de coprahandelaars maakte, dat de menschen
hun kokosnoten aan den man konden brengen en dat ze in ruil daarvoor
europeesche waren konden erlangen; dus gevoelden zij geen behoefte,
om elders hun kostwinning te zoeken en verlieten niet graag hun
geboortegrond. Wij vervolgden onze vaart naar het Noorden van den
archipel en waren voornemens, het noordelijkste en grootste eiland
van de groep te bezoeken, het eiland Spiritu Santo of kortweg Santo.
Wij voeren om de zuidpunt van het eiland Malo heen en konden een
fransche driekleur ontdekken, die ons in 't voorbijgaan groette. Dat
was de woning van pater D., een fransch zendeling, die reeds dertig
jaren in de Stille Zuidzee verblijf houdt. Hij heeft de eilanders
op de Fidsji-eilanden bekeerd, en beproeft thans de inboorlingen van
Malo tot het Katholicisme te brengen.
Door een gunstigen wind gedreven, kwam de _Lady Saint Aubyn_ in het
Bruatkanaal, dat het eiland Aoré van Malo scheidt en langs Tongoa
gaat, waar de dweepzieke Presbyteriaan A. woont, om vervolgens het
anker uit te werpen bij kaap Lisburn op de westkust van Spiritu Santo.
Ik heb weinig zulke schilderachtige plaatsen gezien als het dorp
Nouvin, tegenover hetwelk wij stilhielden; het was gebouwd op de
helling van een heuvel, aan welks voet een bevaarbare rivier stroomde;
de oevers waren met boomen en struiken begroeid, waardoor de reizigers
beschut waren tegen de felle zonnestralen, en de zandige bedding van
den helderen stroom lokte uit tot het nemen van een verfrisschend bad.
Maar het komt mij voor, dat de inboorlingen van Nouvin een heiligen
schrik hebben voor het heldere water, want ze zijn bedekt met een laag
oud vuil, en de lompen, die maar povertjes hun naaktheid bedekken,
schijnen al heel zelden met de wasch kennis te hebben gemaakt. Zij
maken hun leelijkheid en hun vuilheid nog erger door de verf, die
zij op zich smeren; haren en baard bedekken ze met rood oker, en als
sieraden droegen ze banden van schelpen om de armen en bloemen in
de haren.
Behaagzucht schijnt niet in 't bijzonder eigen aan de vrouwen, want
de mannen toonen zich hier niet minder ijdel, en beide geslachten
meenen zich mooi te maken door misvormingen van den neus en de
ooren. De haartooi wisselt af naar den smaak der heeren en dames;
de eenen droegen zeer korte haren, de anderen waren kaal geschoren
en er waren er, die een klein bundeltje hadden laten staan of die het
haar hadden laten groeien en het in een vlecht hadden bijeengebracht.
Ik heb in hun handen een wapen opgemerkt, dat in 't bijzonder aan
Santo eigen is, een assegaai van ongeveer 2 1/2 M. lengte, van hout;
de bovenkant is belegd met menschenbeenderen over een aanmerkelijke
lengte en het wapen loopt uit in drie beenderen als een drietand. De
wonden die er door worden gemaakt, zijn zeer gevaarlijk, want die
beenderen breken af en blijven in de wond achter, waarvan zij de
genezing tegenhouden. Voor een doosje buskruit kon ik verscheidene
van die wapens koopen.
Wij maakten ons gereed, om langs de westkust te gaan. Dit deel van het
eiland is bergachtig; de dalen zijn zeer smal en niet vruchtbaar. Er
is veel overeenkomst tusschen deze westkust van het eiland Santo en
de oostkust van Nieuw-Caledonië; sommige mijnontginners hebben dan
ook gehoopt, dat het eiland rijk aan mineralen zou wezen en hebben er
met dat doel onderzoekingen gedaan. Ik geloof niet, dat hun pogingen
met succes bekroond zijn geworden.
Toen wij te Poussey passeerden, sprak een inboorling ons over een
blanke, die eenige maanden geleden op de kust was ontscheept en er nu
nog aan het graven was. Tot nu toe was het hem nog alleen gelukt, de
inboorlingen te verbazen, die, toen ze zagen, dat hij gewicht hechtte
aan steenen, hem voor een krankzinnige hielden. Het was een zekere
V. een bevrijde gevangene uit Nouméa; hij heeft van zijn tocht niet
veel kostbaar gesteente meegebracht, maar wel veel koortsaanvallen.
In de buurt van Poussey kwamen ons veel booten tegen, sommige met
varkens, andere met aardvruchten of met suikerriet geladen. Dat punt
aan de kust is een plaats, waar veel inlanders uit het binnenland
samenkomen met die van de Saint-Philippebaai en Poussey. Die laatste
verkoopen, in ruil voor de levensmiddelen, welke hun worden gebracht,
het aardewerk dat zij zelf fabriceeren en dat zij alleen kunnen maken
op het eiland. Het zijn aarden potten van verschillende grootte,
vaak met lijnteekeningen versierd, en vrijwat weerstand biedend aan
de hitte; ze worden voor het koken van het voedsel gebruikt.
Het scheen mij, dat de inboorlingen van Santo niet zoo laag stonden
als die van de zuidelijker eilanden. Wij kregen te Poussey een man
met zijn vrouw aan boord, die wel naar Nouméa wilden meegaan; maar
zij stelden als voorwaarde, dat ze in hetzelfde huis en op dezelfde
plantage moesten dienen. Ze hielden elkander teeder aan de hand en
schenen ware genegenheid voor elkaâr te koesteren. De positie der
vrouwen scheen hier over 't algemeen beter dan in de andere deelen
van den archipel.
Buitendien werden de inboorlingen ook intelligenter, hoe verder wij
naar het Noorden van den archipel vorderen; ze kregen meer besef
ook van zedelijkheid en zorgden vooruit voor wat hun materiëel
bestaan kon verbeteren. Zij eten vrij smakelijk, en een van de
door ons aangeworvenen kreeg van zijn vrienden een gerecht cadeau,
in bananenbladeren gewikkeld, dat heel lekker rook en bestond uit
varkensvleesch met aardvruchten en kokosmelk toebereid. Zij gebruikten
het òf met houten vorken òf door er balletjes van te rollen en die
in den mond te steken.
Ik kreeg een uitnoodiging, om aan het festijn deel te nemen, en
ik proefde het inlandsche gerecht, dat niet kwaad smaakte en zeer
voedzaam moet zijn.
Onder de inboorlingen, die wij ontmoetten, hadden sommigen een
lichte huidskleur, anderen waren donkerder en allen hadden sterker
krullende haren dan de bewoners der zuidelijker eilanden en vooral van
Erromango. In voorbijgegane eeuwen moeten volken van verschillende
afkomst zich hier neergezet, en hebben zich met de autochthone
bevolking vermengd; dus is het niet verwonderlijk, dat wij vrij sterke
individueele verschillen aantroffen. Maar het gemiddelde type was
niet leelijk; het ras van Santo was sterk en gespierd.
De vereeniging van de vele bewoners uit verschillende hoeken van het
eiland op de markt te Poussey gaf aanleiding tot feesten en nationale
dansen. Het heeft mij zeer gespeten, dat ik eenige dagen te laat kwam,
want anders had ik een zonderlinge plechtigheid kunnen bijwonen,
eigen alleen aan dit eiland.