Mijn bezoek bij het hoofd Mackintosh van het Déception-eiland heeft

mij in die meening niet weinig versterkt; die vervallen grootheid

bracht mij naar de plek, waar zijn stam had gewoond, op den top van

den hoogsten heuvel van het eiland. Wij kwamen er langs een lastig

voetpad, dat naar een nu verlaten dorp geleidde, waar vroeger een

volkrijke vestiging was. We zagen er een twintigtal verlaten en in

puin vallende hutten. Een enkel huis had weerstand geboden aan den

tijd, en merkwaardig genoeg was dat juist het huis, dat het meest

iemand moest interesseeren, begeerig om de zeden der inboorlingen

te leeren kennen, nu die zeden en gewoonten langzaam, maar zeker,

te loor gaan bij de aanraking met de blanken.

In dit huis toch hadden vroeger de tooneelen plaats, die dit eiland

om zijn kannibalisme zoo berucht maakten. Mackintosh diende mij

tot gids en wees mij op de balken, die het dak steunden. Zij waren

gebeeldhouwd aan hun uiteinde en vertoonden de vormen van vogels,

bijlen, messen en andere figuren. Het hoofd vertelde mij, dat aan

elk dier figuren de herinnering aan een kannibalenfeest verbonden was.

Sedert de komst der Europeanen zijn die treurige gewoonten geheel

verdwenen; maar ik zou bijna durven beweren, dat Mackintosh, zoo

afkeerig van vreemden invloed, dien goeden, ouden tijd betreurt en

met genoegen den tijd zou zien terugkeeren, toen zijne onderdanen

nog niet hun culinaire gewoonten hadden veranderd.

In 1872 werd op het eiland Hinchinbrock, niet ver van het

Sandwicheiland, nog een Maleier gedood en opgegeten.

Wij verlieten het Déceptioneiland, om den Lélé-Pastam te bezoeken,

die op de zuidelijke punt van het Protectioneiland woont; wij zagen

er inboorlingen, die wenschten scheep te gaan bij ons, om het werk

van matrozen te verrichten; het zeemansleven behaagde hun zeer, maar

zij weigerden hun land te verlaten, om bij den landbouw of bij het

werk in de mijnen te worden gebruikt. Men ziet er dus niet velen in

Australië of Nieuw-Caledonië.

Zij hebben hun plantages op het Sandwicheiland tegenover het

Protectioneiland en drijven handel in aardvruchten met de kolonisten

van Port-Vila en Port-Havannah; wij kochten er eenige matten en

armbanden van hout en schelpen. De kleeding der bewoners bestond

slechts uit een gordel van pandanusbladeren; als versiering droegen

ze een varkenstand, met een touwtje om den hals vastgebonden, of ook

wel een oesterschelp.

Zij leefden in vrede met de naburige stammen, stonden ons met genoegen

de wapens af, die hun voorvaderen hadden gebruikt en verkochten ons

een voorraad messen en pijlen met in het vuur geharde punten.

Gedurende onzen terugkeer naar Port-Havannah bezochten wij het

Rahni-station. Het was vroeger een belangrijke bezitting, waar veel

koffie en maïs werd verbouwd; er waren vruchtboomen geplant en ondanks

verwaarloozing gaven ze nog heerlijke vruchten. Het Sandwicheiland

is inderdaad in 't bijzonder bedeeld met natuurschoon, en de grond

brengt er mildelijk allerlei tropische producten voort.

Er zou niet veel inspanning worden vereischt, om aan Rahni zijn

oorspronkelijken bloei terug te bezorgen; de grond is ontgonnen en

men zou zonder veel moeite het huis, dat nu vervallen is, kunnen

herstellen; een gezin van jonge, werkkrachtige menschen zou er zich

kunnen vestigen en er een landbouwkolonie stichten. Men zou dan het

eerste pionierswerk niet meer behoeven te doen, dat het budget van den

kolonist vaak al te zeer drukt en geen onmiddellijk voordeel aanbrengt.

Wij gingen de woning van den engelschen zendeling voorbij en bespeurden

weldra het huis, dat ik in 1887 bewoonde en dat langen tijd het

eenige bewoonde verblijf op het eiland Vaté was. Vroeger waren er

geïnstalleerd geweest een familie uit Australië deze menschen wilden

beproeven, er katoen en indigo te verbouwen.

Er werden groote werken uitgevoerd en zelfs werden met enorme kosten

stoommachines overgebracht uit Sydney. Eenige jaren lang scheen het,

of Port-Havannah eene groote toekomst te gemoet ging. Ongelukkig bleek

het klimaat te ongezond, en de amerikaansche concurrentie maakte,

dat er van de mooie plannen weinig terecht kwam; de onderneming liep

op eene liquidatie uit.

Wij zouden nog wel langer daar hebben willen blijven en een bezoek

hebben willen brengen aan den heer G., die op de oostkust de eerste

koffieaanplanting heeft aangelegd, niet enkel de eerste op Vaté, maar

in den geheelen archipel. Zijn voorbeeld is gevolgd door de andere

Europeanen, want spoedig leerden de planters inzien, dat die cultuur

zeer winstgevend was vanwege de nabijheid der groote centra Sydney,

Melbourne en Adelaïde. De verkoop der koffie is altijd verzekerd

in die groote plaatsen en aan den anderen kant vereischt de koffie,

als zij eenmaal geplant is, niets dan wat onderhoud en geeft reeds

van het vierde jaar af een overvloedigen oogst.

Ons bezoek aan het Sandwicheiland was afgeloopen. Ik was er lang

genoeg geweest, om mij te overtuigen van het gewicht, dat Franschen en

Engelschen aan het bezit van het eiland hechten. Herhaalde malen was er

sprake van een verdeeling van den archipel der Nieuwe-Hebriden tusschen

de beide volken, maar altijd werd het eiland Vaté of het Sandwicheiland

door beide mogendheden opgeëischt, waarbij Groot-Britannië zijn

recht grondde op de aanwezigheid zijner zendelingen, Frankrijk op

die zijner kolonisten.

Ik geloof geen onjuistheid te zeggen, als ik beweer, dat mijn

landgenooten het meest er toe hebben bijgebracht, om de natuurlijke

hulpbronnen van het eiland te ontginnen en dat zij drie vierden van

het grondgebied in bezit hebben.

De degelijke exploitatie van Vaté dateert pas van den dag, waarop de

Nieuw-Caledonische maatschappij, te Nouméa opgericht, haren arbeid

begon op de Nieuwe-Hebriden. De zending der kolonisten vanwege die

Maatschappij heeft misschien niet al die resultaten opgeleverd, die men

het recht had, er van te verwachten met het oog op de opofferingen,

die men zich had getroost, maar alles is toch niet verloren moeite

geweest, en enkelen van die uitgezonden kolonisten hebben zich tot

een aardigen welstand opgewerkt.

Onze belangen dateeren dus van vóór die der Engelschen.

Port-Vila heeft, wat de beteekenis van den handel betreft,

Port-Havannah vervangen, maar toch zal dit laatste punt in de toekomst

altijd belangrijk zijn om de haven, die groote veiligheid aanbiedt

en om de rivieren met zoet water, die men er in de buurt vindt. Of

die rivieren ook later als beweegkracht te gebruiken zouden zijn,

moet nog nader worden onderzocht.

Van Port-Havannah sloegen wij eene noordwestelijke richting in en

verlieten de reede door den nauwen doorgang tusschen het Deception-

en het Protectioneiland. Wij waren voornemens, het noordelijk deel

van de groep der Nieuwe-Hebriden te bezoeken en stevenden naar het

eiland Api. De zuidoostenwind blies voor ons in gunstige richting;

de _Lady Saint Aubyn_ legde met gemak acht knoopen in het uur af,

en 36 uren na ons vertrek uit Port-Havannah kregen wij het eiland

Api in het gezicht. Gedurende dien korten overtocht konden wij op

een afstand de eilanden der Twee Heuvels waarnemen, het Maï-eiland,

waar drie stammen woonden, die ieder een eigen dialect spraken, en het

eiland Muna. Er is daar niet veel te zien; de bevolking vermindert

gestadig; de eilanden leveren zoo goed als niets op en ze zijn zoo

klein, dat men hun ook geen betere toekomst mag voorspellen.

Wij lieten het anker vallen in de Diamantbaai, aan de zuidwestkust

van Api; de engelsche boot _Hector_, uit Maryborough in Queensland,

lag in dezelfde baai voor anker; zij bracht een zeker aantal Kanaken

van verschillende eilanden uit den archipel naar hun respectieve

woonplaatsen terug. In deze baai moest het schip een inboorling en

zijn vrouw afzetten, die drie jaar te voren aangenomen waren bij een

stam in het binnenland; het paar had intusschen een baby veroverd,

op engelschen grond geboren.

Alle drie gingen aan land, in hun mooiste spullen uitgedost; de man

droeg een deftige jas uit een of ander australisch modemagazijn,

hij droeg een horloge met vergulden ketting op een smetteloos wit

vest; maar hij had bloote voeten. De vrouw liep onder een vuurroode

parasol en zag er met haar kanten japon met sleep en strooken uit

als een danseres uit een paardenspel, altijd met bloote voeten,

wel te verstaan.

Maar pas waren ze aan wal gegaan in hun geboorteland, of de

inboorlingen aan de kust verzameld, maakten zich meester van hun

koffers en deelden den inhoud onder elkander, en binnen eenige minuten

waren de stumpers beroofd van de opbrengst van hun arbeid van drie

jaren; de australische jas en de roode parasol wekten de begeerigheid

op van het hoofd van den stam, die er zich krachtens het recht van

den sterkste van meester maakte. Zóó is nu eenmaal de ontvangst, die

de inboorlingen wacht, wanneer ze na kortere of langere afwezigheid in

hun land terugkeeren. Wat zij hebben overgespaard in den vreemde en de

waren, die zij meebrengen, worden aan de plundering van de landgenooten

prijs gegeven. Behooren ze tot een stam uit het binnenland, dan moeten

ze zich gelukkig achten, wanneer de inboorlingen van de zeekust hun

het leven laten en hen rustig laten vertrekken naar hun geboorteland.

De tegenwoordigheid van de _Hector_ was hinderlijk voor onze

wervingsbezigheid; wij maakten ons zeilreê, om bij kaap Foreland weer

het anker te laten vallen in een door die kaap beschutte baai. Een

klein zoetwaterstroompje liep er door een vruchtbaar dal, dat echter

nog weinig bebouwd was; de bevolking is er echter vrij talrijk en

drijft een drukken handel in kokosnoten met een handelaar uit Jersey,

die sinds eenige jaren op het eiland woont; een engelsche zendeling

woont er dichtbij en beproeft, maar met slechts matig succes, den

inboorlingen zijne geloofsovertuiging bij te brengen.

Wij recruteerden een paar jongelingen en een kleinen jongen van een

jaar of zes, die zijn vader en zijn moeder had verloren en opgedragen

was aan de zorg van een oom. Deze kon hem niet langer te eten geven

en wenschte hem te verhuren voor den arbeid te Nouméa. Het was een

goed werk, dat aanbod aan te nemen, want het stond te vreezen, dat

die oom, dien het verveelde den knaap te onderhouden, hem op een

goeden dag een gewelddadigen dood zou doen sterven.

De kleine Kanakenjongen ging met genoegen mee; zijn vroolijk,

intelligent gezichtje straalde van blijdschap, en ieder had plezier

in hem. Onze reeder hield hem later bij zich en wilde er een jockey

van maken, bestemd te schitteren op de nieuw-caledonische renbaan.

's Nachts wist een onzer pas aangeworven arbeiders te ontsnappen; hij

zwom naar den wal, maar was niet zoo beleefd geweest, ons het handgeld

terug te geven. Er zal nauwlettender toezicht moeten worden gehouden,

en de inboorlingen zullen bij zonsondergang in het tusschendek worden

opgesloten.

Wij zeilden nu naar Pané op dezelfde kust; maar terstond bij aankomst

zagen we aan het strand in den grond gestoken palen, taboes, die

vrouwen en jongelieden moesten waarschuwen, niet mee te gaan met

de schepen der fransche wervers. Ziehier, welke reden ons voor dat

verbod of die waarschuwing werd opgegeven. Twee maanden te voren had

een engelsch schip _Alice and Mary_ veertig inboorlingen, tot den

stam uit Pané behoorend, aangeworven. Het had schipbreuk geleden op

de kust van Mallicolo, en de Kanaken waren verdronken. Nu mocht voor

een vastgestelden tijd geen inboorling zijn dorp verlaten; zóó hadden

het de toovenaars van den stam beslist.

Onmiddellijk zetten wij koers naar de Yémubaai tegenover het eilandje

Lamenu; een vrij aardig huis werd zichtbaar aan de kust; het was de

woning van een nieuw-caledonischen kleurling, die een belangrijke

aanplanting van maïs en koffie had aangelegd. Hij gebruikte als

arbeidskrachten Kanaken van de naburige eilanden. Zijn plantages

lagen in een zeer vruchtbaar dal, besproeid door een rivier, die

steeds voldoende water had.

Mijn tochtjes over het eiland in verschillende richtingen deden mij

tot het besluit komen, dat het eiland Api het vruchtbaarste van den

archipel was. De grond is er rijk; de humuslaag op den rotsgrond

heeft eene aanmerkelijke dikte bereikt, en zoo is er een weelderige

plantengroei ontstaan, en de rivieren zetten aan hun oevers een groote

hoeveelheid slijk af, die nieuwe vruchtbaarheid brengt. Het eiland

Api wordt goed besproeid en heeft vrijwat stroomende watertjes, want

eveneens is het gesteld te Foreland, Pané, Yému; maar ongelukkig is er

geen enkele haven, wel heeft men aan deze kust bruikbare ankerplaatsen.

De geheele bevolking van het eiland kan op 18.000 zielen worden

geschat. Zij zijn tenger en klein, en velen van hen hadden wonden op

het lichaam, die zij door bepaalde planten er op te leggen, trachten

te genezen. Zij hebben den naam van erg wraakzuchtig te zijn en hebben

zich berucht gemaakt door herhaalde aanvallen op Europeanen. Zoo is

er bijna geen enkel punt op Api, waar men met vertrouwen kan landen,

en men moet de grootste waakzaamheid in acht nemen. Vele nachten

heb ik aan den wal geslapen, altijd met revolver en patronen binnen

mijn bereik.

In de Yémubaai zag ik de inboorlingen op een dag vereenigd bij

gelegenheid van een hunner feesten of _sinn-sinn_. De mannen hadden om

het middel een enkel touw, waaraan een koker van schors was bevestigd;

enkelen van hen hadden het tot een wollen hemd of vest gebracht. De

vrouwen uit het binnenland hadden niet anders aan of om, dan een

gordel van bananenbladeren, maar die van de kust waren in een lap

katoen gehuld.

Elke inboorling was gewapend met een knots of met een rond mes. Hoewel

de bewoners van Api niet zoo beslist oorlogszuchtig zijn als die

van Tanna, voeren ze dikwijls strijd tegen elkander. Het is dan een

oorlog met hinderlagen; er worden diepe kuilen in den grond gegraven

en een inboorling, door den hoofdman van den stam aangewezen, moet

er in gaan liggen en den vijand afwachten, als hij voorbijgaat.

Hun instinct is tot menscheneten maar al te zeer geneigd, en als

ze die kannabalistische> neiging kunnen bevredigen, gaan ze daarbij

aldus te werk. Van een gevangene wordt de romp aan de jonge lieden

afgestaan; de ingewanden zijn bestemd voor de varkens en de honden; de

mannen krijgen de ledematen. Vrouwen mogen aan dergelijke barbaarsche

maaltijden niet deelnemen.

Altijd gaan die maaltijden met feesten en dansen gepaard. Een koopman,

die reeds lange jaren op Api woont, gaf mij een beschrijving van de

dansen. Het costuum van het hoofd bestaat dan uit een groote bloem,

in ieder oor gestoken, een veêr in de haren, een tak in den gordel,

een laag verf op iedere wang en op het puntje van den neus. Hij houdt

in zijn linkerhand een zeker aantal lansen vast en in de rechter zwaait

hij een knots. Dan loopt hij rondom de inlandsche trommelslagers, en

danst en springt, terwijl de muzikanten met behulp van twee stukken

hout hun trommels slaan en een helsch rumoer maken.

De hoofden hebben veel autoriteit; het heet, dat zij alleen de kunst

verstaan, de pijlpunten te vergiftigen.

Ons verblijf te Yému was nog al gunstig voor onze werving; we konden

een tiental Kanaken recruteeren. De _Lady Saint Aubyn_ wendde zich

daarna naar de westkust en wij voeren door de straat, die het eiland

van Ambryn scheidt. Daar zagen wij een bezitting van een Europeaan,

die kort te voren door de bewoners van het eiland Paama vermoord was

geworden. Wij ankerden in de Groote Baai.

Onder de stammen van Mangliao, Apwe en Baap hoopten wij velen te

werven; maar zoodra wij waren aangekomen, kwam er een boot van den

wal, en de inboorlingen, die er in zaten, vertelden ons, dat sedert

de komst van de onderwijzers of vermaners, door den zendeling van

Foreland gezonden, de stammen van Mangliao en Apwe zich aan zijn gezag

hadden onderworpen. Dus hadden ze besloten, geen verbintenissen naar

buiten meer aan te gaan, en men gaf ons den raad, zoodra mogelijk

den terugtocht te aanvaarden. Toch bleven wij een paar dagen, en

het gelukte ons, drie inboorlingen mee te krijgen, afkomstig uit het

dorp Baap.

De Groote Baai van Api zou gunstig gelegen zijn voor eene europeesche

vestiging; er is een zeer mooie plantengroei; de bosschen hebben veel

bruikbaar hout, en de Kanaken hebben reeds goede bananenaanplantingen

aangelegd. Wat het klimaat en de gezondheid betreft, deze verschillen

naarmate men aan de eene of aan de andere kust van het eiland is. De

noordkust en de noordwestkust, blootgesteld aan de uit zee komende

winden, schijnen in een uitstekende conditie te verkeeren; maar de

zuidkust en die in het Zuidwesten, die de luchtstroomen opvangen,

nadat deze gestreken zijn over Paama, Lopévi, May, Tongoa, Shepherd,

zouden voor een Europeaan, die er langen tijd moest vertoeven,

allerverderfelijkst kunnen worden. Dit is echter slechts mijn

persoonlijk gevoelen; de ervaring kan later misschien tot een ander

oordeel leiden.

Ons bezoek aan Api was afgeloopen. Wij zouden nu het eiland

Paama aandoen en voeren voorbij het eilandje Lopévi, waarvan de

suikerbroodvorm zeer opmerkelijk was. Het is van vulkanischen oorsprong

en bereikt wel een hoogte van 1650 M.

Van tijd tot tijd kwam er uit den top van den berg rook; maar

wij konden in 't voorbijgaan de omtrekken verder niet nauwkeurig

onderscheiden. Het bestaan van dien vulkaan bevestigt een vrij

zonderlinge opmerking, die in dit deel van Oceanië is gemaakt,

namelijk dat de werkzame vulkanen in een lijn zouden liggen, die,

van Tanna uitgaande, een noordwestelijke richting zou inslaan en

zich dan zou aansluiten bij Lopévi en Ambrym op de Nieuwe-Hebriden,

bij de zwavelbronnen van Vanua-Lava en de kraters van Urépara-pasa

en Tinakula op de Bankseilanden. Die lijn zou eene lengte hebben van

een duizendtal K.M. ongeveer.

Het oude vulkanische karakter van Lopévi verklaart de weinige

vruchtbaarheid van het eilandje; er wonen niet veel menschen. Tachtig à

honderd inboorlingen verbouwen een en ander op een kleine landtong in

't Noordwesten. Zij onderhouden geregelde betrekkingen met de Kanaken

van het eiland Api, wier taal zij spreken.

We hadden niet veel tijd noodig, om de westkust van Paama te bereiken

en het anker te Liro uit te werpen, een eiland, dat 10 K.M. lang en

ongeveer 4 K.M. breed is. Het is dus niet zeer groot, maar wel is

het dicht bevolkt; na enkele oogenblikken was het dek van ons schip

overstroomd door een massa luidruchtige Kanaken, blij, dat ze ons hun

producten konden verkoopen in ruil voor tabak, pijpen en lucifers. Die

beleefdheid, ons zoo spoedig te bezoeken, voorspelde wat goeds; zij

verdreef onze achterdocht ten opzichte van deze inboorlingen, die in

den ganschen archipel geen al te besten naam hebben. Sedert langen

tijd kon geen schip Paama naderen, of het werd met geweerschoten

ontvangen. Het zou mij misschien gemakkelijk vallen, een verklaring

voor die vijandige gezindheid te vinden in het volgende feit. Een

tiental jaren geleden beproefden bewoners van het eiland, die met

geweld waren aangeworven, hun vrijheid terug te krijgen aan boord

van het schip, dat hen meevoerde naar Australië. De bemanning sloot

hen toen op in het ruim en doodde hen allen; "ze werden als ratten

vermoord", zei bij gelegenheid van de rechtzaak de advocaat-generaal

van Nieuw Zuid-Wales.

Het verbaast mij dus niet, dat er herhaaldelijk aanvallen zijn gedaan

door de Kanaken op Europeanen en dat zij zich krachtig verzetten tegen

een vaste vestiging van vreemdelingen op hun eiland; oorlogsschepen

hebben de dorpen daarbij wel eens gebombardeerd, en bij mijn bezoek

heb ik voor een pak tabak een bom kunnen koopen, die afgeschoten was

door het fransche adviesjacht _D'Estrées_. Van een _Man oui oui_,

zei de inboorling, die het voorwerp mij bracht. Wij, Franschen, worden

namelijk door de bewoners van de Nieuwe-Hebriden als de _Man oui oui_

aangeduid, en zoo werd mij bekend gemaakt, dat een fransch schip het

schot had gelost.

Wij voeren vlug om het eiland heen en bleven op onze hoede, want ieder

inboorling is gewapend met zijn Snidersgeweer en zou niet aarzelen, ons

een poets te bakken, als onze waakzaamheid ook maar even verflauwde.

Het land was goed bebouwd; aanplantingen liepen tot aan de zee voort,

en men zamelde er in grooten getale de vruchten van den broodboom

in. Al is er dus een dichte bevolking, gebrek wordt er niet geleden, en

deze inboorlingen zijn forsch en krachtig. Het is waarschijnlijk, dat

men hier niet veel sympathie zal hebben voor de vreemde koloniën. Geen

der inboorlingen wilde tot landverhuizing besluiten; allen bleven

bestand tegen de velerlei aanlokking, hun door ons voorgehouden,

als ze te Nouméa wilden komen werken.

Wij verlieten het eiland Paama om zeven uur 's morgens. Terwijl ons

schip onder zeil bleef, trachtten de kleine booten de oostkust van

Ambrym te naderen bij den stam Pemedial, maar de toestand der zee

belette het aan wal gaan; daarbij was de kust steil, en onder den

invloed van de heftig blazende zuidoostenwinden sloegen de golven met

kracht tegen de loodrechte rotsen. Het was nutteloos, een poging te

wagen, om met het land gemeenschap te onderhouden. Wij voeren langs

de zuidkust en ankerden daar tegenover het station van Dick A.

Dat personnage is een Engelschman, die al lange jaren in den archipel

woont en alle eilanden bereisd heeft. Hij kent uitstekend de havens

der Nieuwe-Hebriden en ook die der Salomonseilanden. Daar het ons plan

was, aan die laatste groep een bezoek te brengen, was onze kapitein er

op gesteld, aan boord van de _Lady Saint Aubyn_ iemand te hebben, die

ervaring had van de streek en ons van goeden raad kon dienen. Hij vond

dien in den persoon van Dick A., die snel zijn bagage inpakte en met

zijn trouwe levensgezellin, een Kanakenvrouw van het Pinkstereiland,

aan boord kwam. Zij was door elephantiasis aangetast, miste alle

uiterlijk schoon, maar was vol toewijding voor haren meester.

Toen ik naar boord terugkeerde, was ik aan het strand tegenwoordig

bij de werving van twee vrouwen, die, zooals zij zeiden, blij waren

het eiland te kunnen verlaten, om aan de slechte behandeling van hunne

echtgenooten te ontkomen. Die laatsten, verlokt door het gezicht van

de goederen, die wij hadden aan te bieden, gaven hunne toestemming,

en de beide vrouwen zwommen naar ons schip toe; één van haar nam

een kindje van een paar maanden mee; zij verliet haar dorp, zonder

zich te laten verteederen door de tranen van hare oudste dochter,

die bij haar vertrek tegenwoordig was en haar wilde terughouden.

De inboorlingen van dit eiland zijn klein en welgevormd; zij hebben een

opgewekt, vrij intelligent uiterlijk, maar hebben den naam van korte

metten te maken met lastige blanken, niet door geweerschoten te lossen,

maar door middel van vergif. Ik geef die laatste bewering slechts

onder voorbehoud, en geloof dat de vele sterfgevallen aan het klimaat

moesten worden toegeschreven en niet aan misdadige handelingen. Hoe

het zij, men heeft deze inboorlingen te Nouméa graag als werkkrachten,

ze worden uitnemende arbeiders.

Ze wonen hier in kleine dorpen aan het strand der zee of in het

binnenland op de berghellingen. Hun woningen zijn nog uiterst

primitief, maar toch voldoende om hen te beschermen tegen de ongunst

van het weder. Het binnenland is zeer schaars bevolkt, een gevolg

van de aanwezigheid van den vulkaan. Op den top van een der bergen

heeft men een krater, die rook laat ontsnappen; maar de uitbarstingen

zijn niet aanhoudend zooals op Tanna, en ik passeerde het eiland

menigmaal, zonder het minste of geringste teeken te bespeuren, dat

van de werkzaamheid van het onderaardsche vuur getuigde.

De geologische gesteldheid van Ambrym verklaart de geringe

vruchtbaarheid; de grond is poreus, zandig en dor, en er is weinig

water op het eiland; zoet water is er alleen in gegraven plassen,

en er stroomt geen enkele rivier; dus is de plantengroei schraal,

gelijkend op dien van Tanna in de buurt van Port Resolution en

Wassissi. Toch wonen er nog zeven of acht Europeanen; ik ontmoette

hen op de verschillende plaatsen, waar wij stilhielden, bij Malo,

Creig Cove, Dip Point, Rhanone; ze dreven allen handel in copra, door

middel van schepen die op Nieuw-Caledonië of Australië voeren. Enkelen

worden er rijk, en ik hoorde dikwijls spreken van F., die alleen op

de noordwestkust woonde en schitterende zaken deed.

Te Dip Point bezocht ik de inrichting van zulk een _copramaker_,

een industrie, zeer algemeen in den archipel der Stille Zuidzee en

die wel even nader mag worden beschreven.

Reis naar de Nieuwe Hebriden en de Salomons-eilanden De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 2 / 6 段