a. Over het redden van de Joden-christenen
De beoordelingen van de houding der kerken tonen onderling nogal enige verschillen.
We beginnen met stemmen over de handelwijze ten aanzien van de Joden-christenen.
Touw schreef: "Grote gevaren en verzoekingen dreigden hier. Voortdurend kwam hier
immers van Duitse zijde de stem van de verzoeker: Niet protesteren, alleen
onderhandelen! Zwijg verder over de Joden, dan valt er verder met ons wel te
praten over de christen-Joden! In de geschiedenis van het verzet hebben die
stemmen telkens opnieuw geklonken. Het is een groot wonder, dat de kerk deze
stemmen in het algemeen als stemmen van de verzoeker heeft herkend, en afgewezen."
[18.1]
Presser daarentegen velt een scherp vonnis: "En de kerken? Hoe aarzelend waren
zij niet begonnen? Hoe velen helaas schikten zich niet in de noodlottige maatregelen
van de bezetter (met een beroep op bijbelteksten e.d.), ja, werkten eraan mee? Hoe
vaak kozen zij niet in de eerste plaats partij, niet voor de vervolgde Joden, maar
voor de vervolgde dopelingen?" (IL 128). Wat betreft het argument dat ongeveer 400
Protestantse Joden de oorlog overleefd hadden tengevolge van de bemoeienis der
kerken, is Presser voorzichtig: "De historicus tast hier in het duister; het is
immers niet altijd mogelijk, hier de causale samenhangen duidelijk te zien.(...)
Wie wijst de determinerende factor aan in dit causale kluwen?" [18.2]
Veel positiever dan de mening van Presser is die van Herzberg: "De gedoopte Joden,
die hun leven hebben kunnen redden, hebben dit uitsluitend te danken aan het
verzet der kerken, een verzet dat vooral indrukwekkend is door zijn principieel
karakter". En: "De kerken hebben ook verder het menselijk mogelijke voor de
gedoopte Joden gedaan." [18.3]
<193>
L. de Jong merkt op: "Ongeveer vierhonderd hervormde (lees: Protestantse; JMS)
Joden zouden gespaard blijven, maar de door de synode (lees: de kerken; JMS)
geboden bescherming is, achteraf beschouwd, slechts een factor uit vele geweest
die dat resultaat bewerkstelligd hebben". [18.4]
Ten slotte de mening van de toenmalige secretaris-generaal van de Wereldraad van
Kerken te Geneve, dr. W.A. Visser 't Hooft: "Toen bedreigingen niets opleverden,
trachtten de Duitsers de kerken te chanteren. Hierdoor kwamen de kerken in een
ernstig gewetensconflict. Moesten ze het publiekelijk protesteren opgeven, opdat
de ene of de andere groep kerkleden gespaard zou worden? Of moesten ze voorwaarts
gaan zonder acht te slaan op de consequenties die dat kon hebben voor anderen?
Dit zijn moeilijke vragen, die men niet kan beslissen op de ingeving van het
moment, of terwijl men van buitenaf naar de situatie kijkt". [18.5]
De hierboven genoemde - wel rhetorisch bedoelde - vraag van Presser ("Hoe vaak
kozen zij niet in de eerste plaats partij...") is te beantwoorden. Tweemaal hebben
de kerken de Joden-christenen in hun protest apart vermeld: in het eerste protest
(hfdst. 2, e) en toen de massa-deportaties begonnen (hfdst. 6, c). We achten dit
apart noemen te betreuren.
Bovendien heeft de Hervormde Kerk (juli 1942) het protest-telegram niet afgekondigd;
de andere kerken daarentegen hebben de Duitse eis dienaangaande naast zich neergelegd.
Waarop de Duitsers zich gewroken hebben op de Rooms-Katholiek gedoopte Joden, voor
zover niet "gemengd gehuwd". We bespraken dit in hfdst. 6, f.
Het niet aflezen van het telegram door een van de kerken achten we betreurenswaardig.
Overigens, wie, zoals wij, nooit voor zulk een duivels dilemma gestaan heeft als
waarmee de kerken zomer 1942 geconfronteerd werden, die zij terughoudend in zijn
oordeel.
Wanneer we dit dilemma nader overwegen,dan kan het onzes inziens geen twijfel
lijden of Seyss-Inquart en Rauter zouden inderdaad, indien het protest-telegram
in alle Protestantse kerken was voorgelezen, ook de Protestants-gedoopte Joden
hebben laten arresteren en wegvoeren. De door ons al eerder genoemde notulen
(zie hierboven: hfdst. 6, f) spraken duidelijke taal: "Voor het geval dat ook
een overwegend aantal protestantse kerken het telegram aan de Rijkscommissaris
hebben laten voorlezen, worden ook de protestantse Joden weggevoerd. Tot dit
doel moeten de lijsten reeds worden gereedgemaakt."
<194>
Wat de overwegingen betreft om van publieke voorlezing af te zien:
Het z.g. fatsoensargument ("onder fatsoenlijke mensen mag de ene partij niet tot
publicatie van een document overgaan wanneer de andere partij zich daartegen verzet")
achten we uiterst aanvechtbaar.
De bezorgdheid dat de vrijstelling van de Joden-christenen ingetrokken zou worden,
beschouwen we als begrijpelijk, maar zoals hierboven betoogd - we menen dat die
bezorgdheid niet de doorslag had mogen geven.
L. de Jong noemt nog een ander element dat ongetwijfeld heeft meegespeeld: In
werkelijkheid was de synode bevreesd: bevreesd wellicht voor strafmaatregelen
tegen haar voorgangers wanneer zij de bezetter trotseerde..." [18.6] We twijfelen
er niet aan of er waren Synode-leden die angstig waren: Gravemeyer en Kraemer
waren in gijzeling genomen, Scholten verbannen. Erger: er waren al doodsberichten
binnengekomen van diverse gevangengenomen collega's.
Maar aan de andere kant stond het argument als verwoord door ringt. Van de Loo:
"Die (eis tot niet-afkondiging) is er het bewijs van, hoezeer de Duitsers de kracht
van de afkondiging vrezen..." (hfdst. 6, f).
Het lot van de Joden-christenen mocht zwaar wegen, maar niet zwaarder dan dat van
de niet-gedoopten. Welnu, een agenda, opgesteld vanuit een consequente verzetshouding,
had er als volgt uit kunnen zien:
1. Elk tot de Duitsers gericht protest afkondigen, ongeacht bedreigingen van welke
aard dan ook (het standpunt van mgr. De Jong).
2. De Joden-christenen - die door die bepaalde afkondiging direct in de gevarenlinie
kwamen - zoveel als mogelijk was helpen om onder te duiken. Al dient hier bedacht
te worden, dat het op dat moment (juli 1942) nog uiterst moeilijk was om onderduik-
plaatsen te vinden.
3. De kerkleden openlijk oproepen om de herbergzaamheid te betrachten jegens hen
die in nood waren.
4. De gemeenteleden oproepen om geen medewerking te verlenen aan daden van onrecht.
<195>
Zoals we zagen, hebben de kerken deze laatste uitspraak inderdaad gedaan, maar in
de Gereformeerde Kerken werd deze niet afgelezen; ook kwam de uitspraak pas nadat
er al maandenlang Joden waren gearresteerd en gedeporteerd.
b. Commentaar op de houding van de kerken in het algemeen
Allereerst weer enkele stemmen uit verschillende richtingen.
Dr. W.A. Visser 't Hooft merkte op: "Deze documenten moeten zorgvuldig gelezen
worden. Ze zijn kostbaar, want zij die ze opstelden en ook zij die ze voorlazen
vanaf de kansel waren in groot gevaar; ze zetten, toen ze hun getuigenis aflegden,
veel op het spel." [18.7]
Touw was aarzelend: "Ook haar strijd voor de Joden was een strijd van vallen en
opstaan, maar dat neemt niet weg, dat deze strijd ter wille van het Joodse volk
het meest bevlogen, meest dramatisch, meest hardnekkig gestreden gedeelte is
geweest uit de Nederlandse kerkstrijd." [18.8]
Nog een uitspraak van Touw: "Zoals er op de kansels te veel is gezwegen, is er in
de huizen ongetwijfeld te weinig geherbergd. Het werd door velen ook als een
gemis gevoeld, dat de Synode in dit opzicht geen leiding gaf, geen vermaning deed
horen, geen vormen vond om de gewetens te scherpen. Hier moet van een grote
gemeenschappelijke schuld gesproken worden. Er is geen enkele reden voor de
Christenheid zich hier te beroemen. Eerder alle reden zich te schamen." [18.9]
Wielek evenwel oordeelt positiever: In april 1942 werden er belangrijke verklaringen
die waardigheid en moed toonden, voorgelezen van de kansels van de kerken. De
activiteit van de kerk verslapte niet. De predikanten toonden persoonlijke moed;
ook zonder Synodale aansporing wisten ze, hoe te handelen. Hun preken schoten niet
te kort in helderheid, speciaal wat de vervolging der Joden en hun vervolgers betrof.
Vele predikanten moesten voor hun moedige houding betalen met een tijd in een
concentratiekamp." [18.10]
In hun algemeenheid achten we de tweede, derde en vierde zin van deze uitspraak
onjuist.
<196>
In een brief aan de Duitse Kerken, gedateerd 9 maart 1946, schreef de Nederlandse
Hervormde Kerk onder meer: "God heeft ons de kracht gegeven, de strijd tegen het
nationaal-socialisme te voeren. Wc bekennen openlijk voor God en de wereld, dat we
in deze strijd niet voldoende trouw, bereid tot offers en dapper geweest zijn."
[18.11]
Aan wat reeds door ons in hoofdstuk 10 (Een verbluffende conclusie) werd opgemerkt,
willen we hier nog het volgende toevoegen. Allereerst: het zal duidelijk zijn dat
we beweringen (vermeld in de inleiding), als zouden de kerken tijdens de vervolging
van de Joden gezwegen hebben, afwijzen. De kerken hebben wel degelijk gesproken,
en dat in uiterst moeilijke omstandigheden. Ze hebben geprotesteerd tegen wat de
Joden werd aangedaan en hun protest klonk niet alleen in de oren van de bezetter,
maar het werd ook herhaaldelijk voorgelezen tijdens de openbare godsdienst-
oefeningen. Dat gold voor andere landen, het gold bepaald ook voor Nederland.
We achten het dan ook te betreuren, dat soms de houding van de kerken lichtvaardig
be- en veroordeeld werd en wordt. Dat de kerken gesproken hebben valt, voor wie
bereid is de stukken na te gaan, niet te ontkennen. Over de vraag of de kerk vroeg
genoeg, vaak genoeg en klemmend genoeg tot de bezetter heeft gesproken, werd al
tijdens de bezetting verschillend gedacht - maar gesproken heeft zij." [18.12]
Het verwijt dat de kerken gezwegen hebben, is niet gefundeerd op de feiten en het
is onverdiend. Dat wil evenwel niet zeggen, dat de kerken het in alle opzichten
voortreffelijk gedaan hebben en dat er op de kwaliteit van diverse protesten niets
valt af te dingen. Integendeel. Zoals we in vorige hoofdstukken reeds herhaaldelijk
zagen, zijn er telkens fouten gemaakt. Dat is ook erkend, o.a. door H.C. Touw,
de auteur van Het Verzet der Hervormde Kerk (zie zijn eerder in dit hoofdstuk
geciteerde uitspraken). "Van verheerlijking van het kerkelijk verzet dient men
zich overigens te onthouden. Zij die er midden in stonden, deden dat ook". [18.13]
De strijd van de kerken voor de Joden was een strijd van vallen en opstaan. Kan men
dus zeggen, dat de houding van de kerken soms goed, soms fout is geweest? E.H.
Kossmann heeft, -tussen goed en fout", het begrip accommodatie (aanpassing)
ingevoerd: secretarissen-generaal en het bedrijfsleven hebben menigmaal een
houding van accommodatie aangenomen. [18.14] Welnu, we menen dat het onjuist en
bovendien onbillijk is, de kerken ervan te beschuldigen "fout" te zijn geweest,
in de zin dat ze met de bezetter zouden hebben gecollaboreerd (samengewerkt).
Maar soms (lang niet altijd, Goddank) zijn ze wel in de valkuil van de accommodatie
gevallen. [18.15]
<197>
Zoals we gezien hebben, faalden de ene keer de Hervormde Kerk, de andere keer
de Gereformeerde Kerken. Waarbij nogmaals vermeld dient te worden dat de
Rooms-Katholieke Kerk, voor wat betreft het publiekelijk afkondigen van de
protesten tegen de vervolging van de Joden, geen enkele maal water in de wijn
gedaan heeft. "Ik wil geen tweede Innitzer (Oostenrijks kardinaal) zijn", had
mgr. de Jong aan het begin van de bezetting verklaard. Hij is in dit voornemen
volledig geslaagd.
Geen verheerlijking van het kerkelijk verzet dus. Men kan er geen "witboek"
over schrijven. Evenmin een "zwartboek" trouwens. Daarom noemde ik een vroegere
studie dan ook The Grey Book. Zowel de witte als de zwarte legende dient afgewezen
te worden.
Wat betreft het kerkelijk verzet in het algemeen, maar in het bijzonder wat
betreft de houding van de kerken in Nederland ten opzichte van de Jodenvervolging,
geldt: "Kerk was zij in een onderdrukt land en aan die druk kon ook zij zich niet
ten volle ontworstelen. Maar dat maakt het feit niet ongedaan dat zij, met
overwinning van de menselijke angst, de leer en de praktijken van de bezetter
veelvuldig en duidelijk publiekelijk verworpen en bestreden heeft." [18.16]
<199>