17. GESCHIEDSCHRIJVERS ONDER VUUR

Na de oorlog verscheen al spoedig (in 1946) het bekende werk van H.C. Touw,

Het verzet der Hervormde Kerk (in twee delen). Het werk van Touw blijft onmisbaar

voor ieder die zich een oordeel wil vormen over de houding van de Hervormde Kerk

tijdens de tweede wereldoorlog. Toch oogstte zijn boek - behalve waardering - ook

forse kritiek.

Daar was allereerst ds. J.J. Buskes, die aan Het verzet der Hervormde Kerk twee

artikelen wijdde; het eerste was waarderend, maar het tweede bevatte "enkele

kritische kanttekeningen" (In de Waagschaal, 5 september 1947).

Zoals hij gewend was, wond ds. Buskes er geen doekjes om. Zo schreef hij over

het besluit van de Hervormde Synode om het telegram van protest tegen de Joden-

deportaties niet voor te lezen: "Ds. Touw, die bezwaren heeft tegen het Synode-

besluit, tracht het toch zo veel mogelijk goed te praten en te verdedigen."

Ook wees ds. Buskes erop, dat prof. W.J. Aalders op de vergadering van het Convent

al tegen voorlezing van het telegram was, maar omdat alle anderen vóór waren,

"legde de Synode er zich bij neer, maar niet van harte. Toen kwam het verzoek

van Seyss-Inquart (om niet af te lezen) en willigde de Synode dit verzoek in."

Bovendien werd in de officiële mededeling over het niet-voorlezen van het telegram

die de Synode aan de predikanten zond, over het in gevaar brengen van de Joden-

Christenen niet gesproken. Aldus ds. Buskes.

Ook H.M. van Randwijk had het een en ander af te dingen op de weergave van ds.

Touw. Hij deed dat in een brief aan deze (13 februari 1950), naar aanleiding van

Touws artikel geschreven voor Onderdrukking en Verzet over "Het verzet der

Hervormde Kerk". Touw accepteerde de door Van Randwijk voorgestelde correcties.

Wanneer Touws weergave in het artikel afwijkt van die in zijn eerdere boek,

verdient de weergave van het artikel dus de voorkeur (zie ook hierboven: hfdst.

4, noot 1).

<185>

Pas in 1949 verscheen: Opdat wij niet vergeten - De bijdrage van de Gereformeerde

Kerken, van haar voorgangers en leden, in het verzet tegen het Nationaal-Socialisme

en de Duitse tyrannie. Uit de inleiding blijkt dat eerst anderen de opdracht

gekregen hadden, "maar tot hun leedwezen om velerlei oorzaak geen gelegenheid

vonden deze arbeid aan te vangen en derhalve van de hun opgedragen taak moesten

ontheven worden. " Daarop had ds. Th. Delleman, studentenpredikant te Groningen,

de synodale opdracht aanvaard en daaraan "met bekwame spoed" uitvoering gegeven.

Ds. Delleman heeft de hulp verkregen van 16 medewerkers. Hoofdstuk IV ("Het Kerkelijk

Verzet") is geschreven door hemzelf, mr. dr. J. Donner, dr. J.J.C. van Dijk en

dr. A.A.L. Rutgers; de laatste drie hadden de Gereformeerde Kerken vertegenwoordigd

in het lnterkerkelijk Convent/I.K.O. In dit hoofdstuk worden de reacties van de kerken

op de anti-Joodse maatregelen slechts summier behandeld. Telkens wordt verwezen naar

hoofdstuk V: "Het Jodendom en de Kerk in bezettingstijd". Dit hoofdstuk is geschreven

door ds. J. van Nes, toenmaals predikant te 's Gravenhage voor de zending onder

de Joden. Vanaf 1916 tot aan zijn dood in 1949 heeft hij deze speciale opdracht gehad.

Ds. Van Nes is nooit predikant van een gemeente geweest.

We weten niet, waarom men juist hem verzocht heeft dit hoofdstuk te schrijven.

Hij was, in tegenstelling tot de zojuist genoemde drie Gereformeerde vertegen-

woordigers in het I.K.O., wat het verzet der kerken betreft figurant geweest.

De protesten tegen de Jodenvervolging waren door anderen opgesteld. Ook de

moeizame onderhandelingen met de Duitsers - waarbij de vertegenwoordigers van

de kerken het risico liepen, gevangen genomen te worden - waren door anderen

gevoerd. Ook de vraag of men een protest al dan niet publiekelijk zou afkondigen,

werd beslist geheel buiten ds. Van Nes om. Wel had ds. Van Nes de namen ontvangen

van hen die als Christen-Joden golden en voor wie men op die grond vrijstelling

van deportatie vroeg.

We weten evenmin of er iemand - hetzij ds. Delleman, hetzij iemand anders - kritisch

naar de bijdrage van ds. Van Nes gekeken heeft, alvorens deze geplaatst werd.

In zijn bijdrage schreef ds. Van Nes uitvoerig over de protesten tegen de Joden-

vervolging, de bordjes "Verboden voor Joden" enz.

<186>

Toch krijgt men bij het lezen van hoofdstuk V telkens de indruk, dat men een rapport

over de zending onder de Joden leest. De auteur gebruikt als bron dan ook veelvuldig

de drie-maandelijkse rapporten die hijzelf bij Deputaten voor de zending onder de

Joden had ingeleverd.

We memoreerden al eerder (hfdst. 9, b) dat, toen de Duitsers de uitzonderings-

bepalingen voor de Joden-Christenen iets verruimden, ds. Van Nes in zijn rapport

(9 september 1942) schreef: "Hoe is daardoor onder de Joden een getuigenis uitgegaan,

dat Christus de zijnen beschut. " Deze woorden maken deel uit van een citaat dat

uiterst triomfantelijk van toon is. Dat hele citaat nam hij uit zijn rapport aan

deputaten over in hoofdstuk V van "Delleman".

Maar even verder in datzelfde hoofdstuk moest hij, in het vervolg van zijn verhaal,

berichten:

Groot is de teleurstelling geweest, die op de uitreiking der "Angehörigkeits"-

verklaringen gevolgd is. De Duitsers toch hebben hun gegeven woord verbroken, en

vele Joodse personen, die zich zo verheugd hadden over de ontvangen verklaring der

kerk, die meenden daardoor gevrijwaard te zijn voor deportatie, werden opgeroepen

en weggevoerd, eerst naar Vught of Westerbork en later zelfs verderop, naar het

Oosten van Europa.(...) En alle pogingen, die aangewend werden, om te komen tot

eenheid van handelen en tot rechtvaardige handhaving van de gemaakte bepalingen

bleken vruchteloos. Slechts bij uitzondering gelukte het, reeds weggevoerden nog

terug te doen keren. [17.1]

Blijkbaar heeft ds. Van Nes zich niet afgevraagd, of de eerste hierboven geciteerde

uitspraak heroverwogen diende te worden in het licht van latere ontwikkelingen als

beschreven in de tweede uitspraak.

Daarbij laten we dan nog de vraag maar onbeantwoord, of de boven geciteerde zin

("...dat Christus de zijnen beschut", in verband met de Duitse "concessies") wél

te handhaven ware geweest indien de Duitsers -hun gegeven woord" niet verbroken hadden.

Later is er kritiek gekomen op diverse uitspraken van ds. Van Nes; daar kunnen

we inkomen. Zo kunnen we ons indenken, dat men bezwaar maakt tegen de stelligheid

waarmee ds. Van Nes bepaalde standpunten poneerde, bijv. dat de "heiligheden van

het Koninkrijk Gods" hooggehouden moesten worden, nl. door alleen een

"Angehörigkeits"-verklaring af te geven aan die Joden die er "recht" op hadden.

<187>

Nu waren er inderdaad (zoals reeds uiteengezet in hfdst. 9) gegronde redenen om

geen onjuiste verklaringen af te geven. Maar bij ds. Van Nes krijgen we de indruk,

dat hij meer oog had voor "de heiligheden van het Koninkrijk" dan voor de nood

waarin zij die om een verklaring vroegen verkeerden.

Opnieuw ergert men zich - en, zo menen we, terecht - aan de volgende van een

zekere voldoening getuigende opmerking: "De vaak maar heel vluchtige kennismaking

met het Evangelie, het op reis meegegeven bijbeltje, de hartelijkheid en het

medeleven in de uren van de diepste nood, dat alles heeft op velen indruk gemaakt

en sporen nagelaten." [17.2]

"Op reis" betekende deportatie. Hoe vaak heeft men "zielen" willen redden en geen

of te weinig oog gehad voor de noodzaak om levens te redden? Men gaf een bijbeltje

mee, maar heeft men ook hulp om onder te duiken aangeboden?

In de al genoemde IKON radio-uitzending werden diverse citaten uit het door ds.

Van Nes geschreven hoofdstuk voorgelezen, op zalvende toon.

We zien dan, zowel in de IKON radio-uitzending als in de scriptie van A.A. Bekker,

dat de kritiek zich niet alleen richt tegen de opvattingen van ds. Van Nes, maar

ook tegen de houding van de Gereformeerde Kerken in het algemeen.

De IKON-uitzending begon als volgt: Joden-zending leidde onbedoeld tot Joden-

vernietiging. Toen (de kerken) de lijsten (van Joden die kerklid waren)

overhandigden, speelden de Duitsers perfect in op de bekeringsijver van de kerken."

Voorts wordt dan de kerken - met name de Gereformeerde -verweten: Joden die zich

tot de kerken wendden met het verzoek alsnog gedoopt te worden om zodoende op de

lijsten (van Joodse kerkleden) terecht te komen, vonden, op een enkele uitzondering

na, de kerkdeur gesloten".

Toch dient men o.i. op dit punt ds. Van Nes gelijk te geven: "Waar doop in de

tegenwoordige tijd, doordat 1 januari 1941 de 'fatale datum' is, niet bijzonder

beschermt, daar is er geen enkele uitwendige reden ook, die dringt tot haasten".

[17.3]

Vervolgens wordt in de IKON-uitzending beweerd dat "de lijsten een omgekeerd

effect" hadden en een gevaarlijke illusie" waren.

<188>

Het eerder hier door ons gememoreerde verwijt in de IKON-uitzending, dat de kerken

de toelating tot de doop te moeilijk maakten (en te weinig scheutig waren met het

verstrekken van de verklaring dat iemand lid van de kerk was), lijkt ons op gespannen

voet te staan met dit tweede punt van kritiek: men kan de kerken moeilijk verwijten

niet voldoende scheutig te zijn geweest met het verstrekken van lidmaatschaps-

verklaringen, indien die nu juist niet hielpen maar veeleer het gevaar vergrootten.

Het "omgekeerde effect" van de lijsten baseerden de samenstellers van het IKON-

programma op het feit dat velen, vooral zij die tot de categorieën 3 en 4

(Kerkelijk onderricht volgend en/of kerkdiensten bezoekend) behoorden, desondanks

gedeporteerd zijn.

Maar de kerken probeerden de mazen van het net waarmee men de Joden wilde vangen

te verwijden om zo de kans op redding te vergroten. Daarom gingen ze óók als

kerklid beschouwen wie in normale tijden niet als zodanig beschouwd werd.

Het waren evenwel geen normale tijden; er stonden mensenlevens op het spel,

dus ging men niet-formalistisch te werk en verruimde de kerkelijke regels.

Met weinig succes, helaas. Maar als men dit niet geprobeerd had, was er onzes

inziens juist reden tot scherpe kritiek geweest.

Toch kwamen de samenstellers van de IKON-uitzending - juist met gebruikmaking

van deze mislukte poging om althans een aantal mensenlevens te redden - tot hun

kwetsende bewering: "De kerken waren - zij het ongewild - een instrument in

handen van de Nazi's."

Waren de "Angehörigkeits" -verklaringen inderdaad "een gevaarlijke illusie"?

In feite hielpen deze verklaringen niet, indien het ging om na 9 mei 1940

gedoopten of om hen die slechts kerkelijk onderricht volgden of kerkdiensten

bijwoonden. Iemand als dr. J.J.C. van Dijk wist al op 26 september 1942 (zie

zijn brief aan ds. Doornbos, hierboven in hfdst. 9) dat de Duitsers hun eigen

lijst hadden en dat die lijst voor hen besliste. En de namen van hen die behoorden

tot de zo juist genoemde categorieën stonden niet op deze lijst.

Daarentegen waren de verklaringen wel van enig nut voorzover het ging om Joden-

christenen, die al voor de Duitse bezetting lid van een kerk waren geworden.

Ook toen de Joden-christenen gedwongen werden naar Westerbork te gaan, bleven

de kerkelijke verklaringen van enige waarde. Philip Mechanicus getuigt daarvan

in zijn dagboek. [17.4]

<189>

Ofschoon (zie hierboven, hfdst. 9) tenslotte ook de Joden-christenen van Westerbork

naar Theresienstadt gedeporteerd werden, hebben ongeveer 400 hunner de sjoa

overleefd. Ds. Tabaksblatt haalde, in de discussie rondom de IKON-uitzending, hier

een uitspraak van de Joodse wijzen aan: "Wie één mensenleven redt, is alsof hij

een hele wereld gered heeft" (Misjnatractaat Sanhedrin IV, 14).

We menen, dat de samenstellers van de IKON-uitzending, vanuit hun - op zichzelf

begrijpelijke - bezwaar tegen bepaalde uitspraken van ds. Van Nes en ook vanuit

hun afwijzing van Joden-zending", onbillijk zijn geweest in hun kritiek op de

houding van de Gereformeerde Kerken in het algemeen tijdens de tweede wereldoorlog.

Ook A.A. Bekker velt een scherp oordeel over de Gereformeerde Kerken: "De kerken

accepteerden dat (nl. het niet-deporteren van de Joden-christenen) en waren vanaf

dat moment alleen nog maar gefixeerd op de positie van de christen-Joden ". [17.5]

Evenwel dient opgemerkt te worden dat (nog afgezien van de vraag of de uitdrukking

"accepteerden" terecht is) de kerken "vanaf dat moment" geprotesteerd hebben tegen

"het ten dode vervolgen van Joodse medeburgers" (februari, 1943) en tegen de

sterilisatie (mei, 1943). Bovendien kwamen de kerken nadrukkelijk op voor de

"gemengd-gehuwde" Joden.

De constatering van de Hervormde H.C. Touw (in het eerste gedeelte van de volgende

zin) is schrijnend, maar juist: "Terwijl er voor de andere Joden niets meer te doen

valt, moet er voortdurend gestreden worden voor de belangen van de Christen-Joden

en de z.g. gemengd-gehuwden". [17.6]

Daarmee willen we overigens uitdrukkelijk niet beweren, dat de kerken het er in

alle opzichten goed afgebracht hebben.

Mevrouw Bekker velt een negatief oordeel over de Generale synode. Zo meent zij

(inzake het lidmaatschap van de N.S.B., p. 35): "Onder druk van deze verzoeken

(van classes en particuliere synodes) was de Generale Synode wel gedwongen nu

een duidelijk standpunt in te nemen". Maar een Generale synode kon en mocht zich

alleen uitspreken over een kwestie, wanneer zij door "mindere" kerkelijke

vergaderingen om haar oordeel dienaangaande gevraagd werd.

<190>

Vervolgens stelt mevrouw Bekker: "De Generale Synode deed tijdens de bijeenkomsten

nooit een uitspraak over de behandeling van de Joden in het land" (78). En op de

volgende bladzijde heet het: "Nogmaals, de zaak met betrekking tot de Joden was

afgeschoven op de Deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid".

Zoals bekend mag worden verondersteld, vergaderde de synode maar af en toe. Er

was dan een lange agenda en het was steeds gebruikelijk geweest dat vele zaken

ter behartiging gedelegeerd werden aan de diverse deputaatschappen, die slagvaardiger

konden opereren dan een synode kon en vaak heel wat deskundigheid in huis hadden.

Welnu, zoals we gezien hebben (hierboven, hfdst. 2, b), was in 1940 besloten dat

het moderamen (bestuur) van de synode samen met deputaten voor de correspondentie

met de Hoge Overheid beslissingen zou mogen nemen wanneer de synode niet vergaderde.

Ook de zaken die samenhingen met de vervolging der Joden werden behandeld door deze

deputaten. Dat was noodzakelijk, niet alleen omdat de synode slechts af en toe

vergaderde, maar ook omdat ze niet over een apparaat beschikte om diverse taken

te verrichten. Men vergaderde, zoals gezegd, een paar dagen en ging vervolgens

naar huis. Er was zelfs geen schijn van enige permanente organisatie.

Toch bleef de synode wel volledig verantwoordelijk. Afgezien nog van het overleg

tussen het moderamen en deputaten (als de synode niet vergaderde): ter synode-

vergadering werd verslag uitgebracht, het gevoerde beleid (inclusief de publieke

protesten) werd uitvoerig besproken en daarop werden de handelingen van deputaten,

die zij namens de synode verricht hadden, goed- of afgekeurd. Al eerder (in hfdst.

3, d en 6, b) hebben we getracht een beeld te geven van een dergelijke vergadering

van de synode. Onder de protesten staat dan ook: De Gereformeerde Kerken in Nederland.

We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat men, zowel in de IKON radio-

uitzending als ook in de doctoraal-scriptie van mevrouw Bekker, vanuit de afwijzing

van de "zending onder de Joden" (zie ook wat we schreven in hfdst. 14, c: Om zielen

te redden?) gekomen is tot een te negatieve beoordeling van de houding van de

Gereformeerde Kerken in het algemeen, met name wat betreft de publieke protesten.

<191>

Wijzelf daarentegen achten het voor een nauwkeurige en evenwichtige beoordeling

gewenst, dat men de twee aspecten - "zending onder de Joden" en "protesten" -

afzonderlijk beziet.

<192>

De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening · 第 44 / 55 题