Na de oorlog verscheen al spoedig (in 1946) het bekende werk van H.C. Touw,
Het verzet der Hervormde Kerk (in twee delen). Het werk van Touw blijft onmisbaar
voor ieder die zich een oordeel wil vormen over de houding van de Hervormde Kerk
tijdens de tweede wereldoorlog. Toch oogstte zijn boek - behalve waardering - ook
forse kritiek.
Daar was allereerst ds. J.J. Buskes, die aan Het verzet der Hervormde Kerk twee
artikelen wijdde; het eerste was waarderend, maar het tweede bevatte "enkele
kritische kanttekeningen" (In de Waagschaal, 5 september 1947).
Zoals hij gewend was, wond ds. Buskes er geen doekjes om. Zo schreef hij over
het besluit van de Hervormde Synode om het telegram van protest tegen de Joden-
deportaties niet voor te lezen: "Ds. Touw, die bezwaren heeft tegen het Synode-
besluit, tracht het toch zo veel mogelijk goed te praten en te verdedigen."
Ook wees ds. Buskes erop, dat prof. W.J. Aalders op de vergadering van het Convent
al tegen voorlezing van het telegram was, maar omdat alle anderen vóór waren,
"legde de Synode er zich bij neer, maar niet van harte. Toen kwam het verzoek
van Seyss-Inquart (om niet af te lezen) en willigde de Synode dit verzoek in."
Bovendien werd in de officiële mededeling over het niet-voorlezen van het telegram
die de Synode aan de predikanten zond, over het in gevaar brengen van de Joden-
Christenen niet gesproken. Aldus ds. Buskes.
Ook H.M. van Randwijk had het een en ander af te dingen op de weergave van ds.
Touw. Hij deed dat in een brief aan deze (13 februari 1950), naar aanleiding van
Touws artikel geschreven voor Onderdrukking en Verzet over "Het verzet der
Hervormde Kerk". Touw accepteerde de door Van Randwijk voorgestelde correcties.
Wanneer Touws weergave in het artikel afwijkt van die in zijn eerdere boek,
verdient de weergave van het artikel dus de voorkeur (zie ook hierboven: hfdst.
4, noot 1).
<185>
Pas in 1949 verscheen: Opdat wij niet vergeten - De bijdrage van de Gereformeerde
Kerken, van haar voorgangers en leden, in het verzet tegen het Nationaal-Socialisme
en de Duitse tyrannie. Uit de inleiding blijkt dat eerst anderen de opdracht
gekregen hadden, "maar tot hun leedwezen om velerlei oorzaak geen gelegenheid
vonden deze arbeid aan te vangen en derhalve van de hun opgedragen taak moesten
ontheven worden. " Daarop had ds. Th. Delleman, studentenpredikant te Groningen,
de synodale opdracht aanvaard en daaraan "met bekwame spoed" uitvoering gegeven.
Ds. Delleman heeft de hulp verkregen van 16 medewerkers. Hoofdstuk IV ("Het Kerkelijk
Verzet") is geschreven door hemzelf, mr. dr. J. Donner, dr. J.J.C. van Dijk en
dr. A.A.L. Rutgers; de laatste drie hadden de Gereformeerde Kerken vertegenwoordigd
in het lnterkerkelijk Convent/I.K.O. In dit hoofdstuk worden de reacties van de kerken
op de anti-Joodse maatregelen slechts summier behandeld. Telkens wordt verwezen naar
hoofdstuk V: "Het Jodendom en de Kerk in bezettingstijd". Dit hoofdstuk is geschreven
door ds. J. van Nes, toenmaals predikant te 's Gravenhage voor de zending onder
de Joden. Vanaf 1916 tot aan zijn dood in 1949 heeft hij deze speciale opdracht gehad.
Ds. Van Nes is nooit predikant van een gemeente geweest.
We weten niet, waarom men juist hem verzocht heeft dit hoofdstuk te schrijven.
Hij was, in tegenstelling tot de zojuist genoemde drie Gereformeerde vertegen-
woordigers in het I.K.O., wat het verzet der kerken betreft figurant geweest.
De protesten tegen de Jodenvervolging waren door anderen opgesteld. Ook de
moeizame onderhandelingen met de Duitsers - waarbij de vertegenwoordigers van
de kerken het risico liepen, gevangen genomen te worden - waren door anderen
gevoerd. Ook de vraag of men een protest al dan niet publiekelijk zou afkondigen,
werd beslist geheel buiten ds. Van Nes om. Wel had ds. Van Nes de namen ontvangen
van hen die als Christen-Joden golden en voor wie men op die grond vrijstelling
van deportatie vroeg.
We weten evenmin of er iemand - hetzij ds. Delleman, hetzij iemand anders - kritisch
naar de bijdrage van ds. Van Nes gekeken heeft, alvorens deze geplaatst werd.
In zijn bijdrage schreef ds. Van Nes uitvoerig over de protesten tegen de Joden-
vervolging, de bordjes "Verboden voor Joden" enz.
<186>
Toch krijgt men bij het lezen van hoofdstuk V telkens de indruk, dat men een rapport
over de zending onder de Joden leest. De auteur gebruikt als bron dan ook veelvuldig
de drie-maandelijkse rapporten die hijzelf bij Deputaten voor de zending onder de
Joden had ingeleverd.
We memoreerden al eerder (hfdst. 9, b) dat, toen de Duitsers de uitzonderings-
bepalingen voor de Joden-Christenen iets verruimden, ds. Van Nes in zijn rapport
(9 september 1942) schreef: "Hoe is daardoor onder de Joden een getuigenis uitgegaan,
dat Christus de zijnen beschut. " Deze woorden maken deel uit van een citaat dat
uiterst triomfantelijk van toon is. Dat hele citaat nam hij uit zijn rapport aan
deputaten over in hoofdstuk V van "Delleman".
Maar even verder in datzelfde hoofdstuk moest hij, in het vervolg van zijn verhaal,
berichten:
Groot is de teleurstelling geweest, die op de uitreiking der "Angehörigkeits"-
verklaringen gevolgd is. De Duitsers toch hebben hun gegeven woord verbroken, en
vele Joodse personen, die zich zo verheugd hadden over de ontvangen verklaring der
kerk, die meenden daardoor gevrijwaard te zijn voor deportatie, werden opgeroepen
en weggevoerd, eerst naar Vught of Westerbork en later zelfs verderop, naar het
Oosten van Europa.(...) En alle pogingen, die aangewend werden, om te komen tot
eenheid van handelen en tot rechtvaardige handhaving van de gemaakte bepalingen
bleken vruchteloos. Slechts bij uitzondering gelukte het, reeds weggevoerden nog
terug te doen keren. [17.1]
Blijkbaar heeft ds. Van Nes zich niet afgevraagd, of de eerste hierboven geciteerde
uitspraak heroverwogen diende te worden in het licht van latere ontwikkelingen als
beschreven in de tweede uitspraak.
Daarbij laten we dan nog de vraag maar onbeantwoord, of de boven geciteerde zin
("...dat Christus de zijnen beschut", in verband met de Duitse "concessies") wél
te handhaven ware geweest indien de Duitsers -hun gegeven woord" niet verbroken hadden.
Later is er kritiek gekomen op diverse uitspraken van ds. Van Nes; daar kunnen
we inkomen. Zo kunnen we ons indenken, dat men bezwaar maakt tegen de stelligheid
waarmee ds. Van Nes bepaalde standpunten poneerde, bijv. dat de "heiligheden van
het Koninkrijk Gods" hooggehouden moesten worden, nl. door alleen een
"Angehörigkeits"-verklaring af te geven aan die Joden die er "recht" op hadden.
<187>
Nu waren er inderdaad (zoals reeds uiteengezet in hfdst. 9) gegronde redenen om
geen onjuiste verklaringen af te geven. Maar bij ds. Van Nes krijgen we de indruk,
dat hij meer oog had voor "de heiligheden van het Koninkrijk" dan voor de nood
waarin zij die om een verklaring vroegen verkeerden.
Opnieuw ergert men zich - en, zo menen we, terecht - aan de volgende van een
zekere voldoening getuigende opmerking: "De vaak maar heel vluchtige kennismaking
met het Evangelie, het op reis meegegeven bijbeltje, de hartelijkheid en het
medeleven in de uren van de diepste nood, dat alles heeft op velen indruk gemaakt
en sporen nagelaten." [17.2]
"Op reis" betekende deportatie. Hoe vaak heeft men "zielen" willen redden en geen
of te weinig oog gehad voor de noodzaak om levens te redden? Men gaf een bijbeltje
mee, maar heeft men ook hulp om onder te duiken aangeboden?
In de al genoemde IKON radio-uitzending werden diverse citaten uit het door ds.
Van Nes geschreven hoofdstuk voorgelezen, op zalvende toon.
We zien dan, zowel in de IKON radio-uitzending als in de scriptie van A.A. Bekker,
dat de kritiek zich niet alleen richt tegen de opvattingen van ds. Van Nes, maar
ook tegen de houding van de Gereformeerde Kerken in het algemeen.
De IKON-uitzending begon als volgt: Joden-zending leidde onbedoeld tot Joden-
vernietiging. Toen (de kerken) de lijsten (van Joden die kerklid waren)
overhandigden, speelden de Duitsers perfect in op de bekeringsijver van de kerken."
Voorts wordt dan de kerken - met name de Gereformeerde -verweten: Joden die zich
tot de kerken wendden met het verzoek alsnog gedoopt te worden om zodoende op de
lijsten (van Joodse kerkleden) terecht te komen, vonden, op een enkele uitzondering
na, de kerkdeur gesloten".
Toch dient men o.i. op dit punt ds. Van Nes gelijk te geven: "Waar doop in de
tegenwoordige tijd, doordat 1 januari 1941 de 'fatale datum' is, niet bijzonder
beschermt, daar is er geen enkele uitwendige reden ook, die dringt tot haasten".
[17.3]
Vervolgens wordt in de IKON-uitzending beweerd dat "de lijsten een omgekeerd
effect" hadden en een gevaarlijke illusie" waren.
<188>
Het eerder hier door ons gememoreerde verwijt in de IKON-uitzending, dat de kerken
de toelating tot de doop te moeilijk maakten (en te weinig scheutig waren met het
verstrekken van de verklaring dat iemand lid van de kerk was), lijkt ons op gespannen
voet te staan met dit tweede punt van kritiek: men kan de kerken moeilijk verwijten
niet voldoende scheutig te zijn geweest met het verstrekken van lidmaatschaps-
verklaringen, indien die nu juist niet hielpen maar veeleer het gevaar vergrootten.
Het "omgekeerde effect" van de lijsten baseerden de samenstellers van het IKON-
programma op het feit dat velen, vooral zij die tot de categorieën 3 en 4
(Kerkelijk onderricht volgend en/of kerkdiensten bezoekend) behoorden, desondanks
gedeporteerd zijn.
Maar de kerken probeerden de mazen van het net waarmee men de Joden wilde vangen
te verwijden om zo de kans op redding te vergroten. Daarom gingen ze óók als
kerklid beschouwen wie in normale tijden niet als zodanig beschouwd werd.
Het waren evenwel geen normale tijden; er stonden mensenlevens op het spel,
dus ging men niet-formalistisch te werk en verruimde de kerkelijke regels.
Met weinig succes, helaas. Maar als men dit niet geprobeerd had, was er onzes
inziens juist reden tot scherpe kritiek geweest.
Toch kwamen de samenstellers van de IKON-uitzending - juist met gebruikmaking
van deze mislukte poging om althans een aantal mensenlevens te redden - tot hun
kwetsende bewering: "De kerken waren - zij het ongewild - een instrument in
handen van de Nazi's."
Waren de "Angehörigkeits" -verklaringen inderdaad "een gevaarlijke illusie"?
In feite hielpen deze verklaringen niet, indien het ging om na 9 mei 1940
gedoopten of om hen die slechts kerkelijk onderricht volgden of kerkdiensten
bijwoonden. Iemand als dr. J.J.C. van Dijk wist al op 26 september 1942 (zie
zijn brief aan ds. Doornbos, hierboven in hfdst. 9) dat de Duitsers hun eigen
lijst hadden en dat die lijst voor hen besliste. En de namen van hen die behoorden
tot de zo juist genoemde categorieën stonden niet op deze lijst.
Daarentegen waren de verklaringen wel van enig nut voorzover het ging om Joden-
christenen, die al voor de Duitse bezetting lid van een kerk waren geworden.
Ook toen de Joden-christenen gedwongen werden naar Westerbork te gaan, bleven
de kerkelijke verklaringen van enige waarde. Philip Mechanicus getuigt daarvan
in zijn dagboek. [17.4]
<189>
Ofschoon (zie hierboven, hfdst. 9) tenslotte ook de Joden-christenen van Westerbork
naar Theresienstadt gedeporteerd werden, hebben ongeveer 400 hunner de sjoa
overleefd. Ds. Tabaksblatt haalde, in de discussie rondom de IKON-uitzending, hier
een uitspraak van de Joodse wijzen aan: "Wie één mensenleven redt, is alsof hij
een hele wereld gered heeft" (Misjnatractaat Sanhedrin IV, 14).
We menen, dat de samenstellers van de IKON-uitzending, vanuit hun - op zichzelf
begrijpelijke - bezwaar tegen bepaalde uitspraken van ds. Van Nes en ook vanuit
hun afwijzing van Joden-zending", onbillijk zijn geweest in hun kritiek op de
houding van de Gereformeerde Kerken in het algemeen tijdens de tweede wereldoorlog.
Ook A.A. Bekker velt een scherp oordeel over de Gereformeerde Kerken: "De kerken
accepteerden dat (nl. het niet-deporteren van de Joden-christenen) en waren vanaf
dat moment alleen nog maar gefixeerd op de positie van de christen-Joden ". [17.5]
Evenwel dient opgemerkt te worden dat (nog afgezien van de vraag of de uitdrukking
"accepteerden" terecht is) de kerken "vanaf dat moment" geprotesteerd hebben tegen
"het ten dode vervolgen van Joodse medeburgers" (februari, 1943) en tegen de
sterilisatie (mei, 1943). Bovendien kwamen de kerken nadrukkelijk op voor de
"gemengd-gehuwde" Joden.
De constatering van de Hervormde H.C. Touw (in het eerste gedeelte van de volgende
zin) is schrijnend, maar juist: "Terwijl er voor de andere Joden niets meer te doen
valt, moet er voortdurend gestreden worden voor de belangen van de Christen-Joden
en de z.g. gemengd-gehuwden". [17.6]
Daarmee willen we overigens uitdrukkelijk niet beweren, dat de kerken het er in
alle opzichten goed afgebracht hebben.
Mevrouw Bekker velt een negatief oordeel over de Generale synode. Zo meent zij
(inzake het lidmaatschap van de N.S.B., p. 35): "Onder druk van deze verzoeken
(van classes en particuliere synodes) was de Generale Synode wel gedwongen nu
een duidelijk standpunt in te nemen". Maar een Generale synode kon en mocht zich
alleen uitspreken over een kwestie, wanneer zij door "mindere" kerkelijke
vergaderingen om haar oordeel dienaangaande gevraagd werd.
<190>
Vervolgens stelt mevrouw Bekker: "De Generale Synode deed tijdens de bijeenkomsten
nooit een uitspraak over de behandeling van de Joden in het land" (78). En op de
volgende bladzijde heet het: "Nogmaals, de zaak met betrekking tot de Joden was
afgeschoven op de Deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid".
Zoals bekend mag worden verondersteld, vergaderde de synode maar af en toe. Er
was dan een lange agenda en het was steeds gebruikelijk geweest dat vele zaken
ter behartiging gedelegeerd werden aan de diverse deputaatschappen, die slagvaardiger
konden opereren dan een synode kon en vaak heel wat deskundigheid in huis hadden.
Welnu, zoals we gezien hebben (hierboven, hfdst. 2, b), was in 1940 besloten dat
het moderamen (bestuur) van de synode samen met deputaten voor de correspondentie
met de Hoge Overheid beslissingen zou mogen nemen wanneer de synode niet vergaderde.
Ook de zaken die samenhingen met de vervolging der Joden werden behandeld door deze
deputaten. Dat was noodzakelijk, niet alleen omdat de synode slechts af en toe
vergaderde, maar ook omdat ze niet over een apparaat beschikte om diverse taken
te verrichten. Men vergaderde, zoals gezegd, een paar dagen en ging vervolgens
naar huis. Er was zelfs geen schijn van enige permanente organisatie.
Toch bleef de synode wel volledig verantwoordelijk. Afgezien nog van het overleg
tussen het moderamen en deputaten (als de synode niet vergaderde): ter synode-
vergadering werd verslag uitgebracht, het gevoerde beleid (inclusief de publieke
protesten) werd uitvoerig besproken en daarop werden de handelingen van deputaten,
die zij namens de synode verricht hadden, goed- of afgekeurd. Al eerder (in hfdst.
3, d en 6, b) hebben we getracht een beeld te geven van een dergelijke vergadering
van de synode. Onder de protesten staat dan ook: De Gereformeerde Kerken in Nederland.
We kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat men, zowel in de IKON radio-
uitzending als ook in de doctoraal-scriptie van mevrouw Bekker, vanuit de afwijzing
van de "zending onder de Joden" (zie ook wat we schreven in hfdst. 14, c: Om zielen
te redden?) gekomen is tot een te negatieve beoordeling van de houding van de
Gereformeerde Kerken in het algemeen, met name wat betreft de publieke protesten.
<191>
Wijzelf daarentegen achten het voor een nauwkeurige en evenwichtige beoordeling
gewenst, dat men de twee aspecten - "zending onder de Joden" en "protesten" -
afzonderlijk beziet.
<192>