Eindelijk capituleerde Duitsland en brak de dag van de bevrijding aan. De
onderduikers kwamen boven water. Het gewone leven kwam weer op gang. Geleidelijk
aan werden de verschrikkingen van de concentratiekampen in hun volle omvang bekend.
Slechts een klein gedeelte van de weggevoerde Joden kwam terug.
De eerste gedenkdag van de bevrijding werd op tal van plaatsen gevierd in
oecumenische kerkdiensten. Uit het gebed, behorende tot de liturgie voor deze
diensten, citeren we het volgende gedeelte:
Met name gedenken wij de Joden, die meer dan de anderen hebben geleden, meer dan
de anderen zijn vernederd en gesmaad. Hun gezinnen zijn meedogenloos uiteengescheurd.
De vijand heeft getracht hen uit te roeien. Wij weten thans, dat honderd duizenden
koelbloedig en op de wreedste wijze zijn omgebracht. Hoor, o God, hoe het bloed,
dat in de aarde wegzonk, roept tot U in de hemel. [16.1]
Al spoedig zond ds. J. van Nes een circulaire (gedateerd 1 juni 1945) aan alle
plaatselijke Gereformeerde Kerken met het volgende verzoek:
Gij zoudt ons bijzonder verplichten, als gij een opgave zoudt kunnen doen van
het aantal Joden, dat ten Uwent ondergedoken is geweest, en ook van het aantal
Gereformeerden, waar aan Joodse personen onderdak werd verleend of waar Joodse
kinderen werden opgenomen.
En dan is 't voor ons van het grootste belang te weten, of er ook bijzondere
geestelijke contacten zijn gelegd tussen Joden en Gereformeerden ten Uwent
tijdens de oorlogsjaren. Voor alles, wat gij ons over de Joden en de Joden-
zending kunt meedelen, en ook het verkeer tussen Joden en (Gereformeerde)
Christenen, zullen wij U zeer dankbaar zijn.
Wij willen trachten, de gegevens daarover in 't hele land te verzamelen. Wij
houden ons aanbevolen voor een lijst van de adressen der Joden in Uwe gemeente,
want gij begrijpt wel, dat ons Joodse adressen materiaal geheel verouderd is.
[16.2]
<182>
Op dit verzoek kwamen veel antwoorden binnen. Men vindt ze, getypt op niet minder
dan 222 vellen, in het archief. [16.3138] Elk vel bevat een aantal antwoorden.
Sommige verslagen over de relatie met de voormalige onderduikers (naar mijn
schatting: verreweg de meeste) waren positief. Zo schreef iemand: "Mevr. R. was
een flinke, eerlijke huisgenote die steeds met genoegen is 'opgeborgen'. Tussen
haar en de familie T. is een hechte vriendschap gegroeid" (vel no. 16).
Nu werd er in de eerder genoemde IKON radio-uitzending op 4 mei 1988 gezegd:
De antwoorden, uit tientallen gemeentes over meer dan 1000 Joden, zijn onthutsend
te noemen. Joden die gedurende hun onderduiktijd geen interesse hadden getoond
voor het evangelie, worden afgeschilderd als lui, slecht, dom, halsstarrig.
Bij navraag bleek me evenwel uit informatie, verstrekt door de samenstellers
van het betreffende programma, dat het niet om één, maar om verschillende brieven
ging waaruit men de woorden gehaald en daarna gecombineerd had tot één zin. Zelf
ben Ik erin geslaagd om een brief te vinden waarin het woord "halsstarrig"
inderdaad voorkwam. De andere woorden heb ik niet gevonden, maar ik zocht dan ook
naar een combinatie van de vier genoemde woorden.
Het komt me voor dat de combinatie suggestief is en een cumulatief effect heeft.
Ook is allerminst duidelijk, of -afgezien van "halsstarrig" - de woorden "lui,
slecht en dom" iets te maken hadden met het al of niet interesse tonen voor het
evangelie, zoals gesuggereerd werd.
In de uitzending werd in vervolg hierop gezegd:
Ik denk: de Duitse propaganda had uiteindelijk toch zijn werk gedaan; het Duitse
vergif, het antisemitisme, dat na de oorlog in heviger mate aanwezig was dan voor
de oorlog.
Naar mijn mening doet men met het trekken van deze conclusie de betrokkenen onrecht.
Men had - behalve het reeds genoemde - immers dienen te overwegen dat het, na een
moeilijke periode van - in veel gevallen - samenleven met te veel personen in een
beperkte ruimte, waarbij het gevaar bij ontdekking ernstige gevolgen zou hebben
vooral voor de onderduiker(s), maar toch ook voor het gastgezin, te verwachten
was dat er af en toe spanningen en irritaties zouden optreden en wel aan beide kanten.
Op grond van diverse positieve reacties op de circulaire van ds. Van Nes zou men
overigens ook een artikel kunnen schrijven (of een radio-uitzending kunnen
samenstellen) met als titel:
<183>
"Vriendschap tussen Gereformeerden en Joden, dankzij de onderduik."
Daarmee wil niet beweerd zijn, dat er géén antisemitisme bij Gereformeerden voorkwam
of voorkomt. Slechts zijn we van oordeel, dat het in de betreffende IKON-uitzending
niet is aangetoond. Daar komt dan nog bij, dat de betrokkenen veel op het spel gezet
hadden met het verbergen van hun Joodse medemens. Dat wil nog niet zeggen dat zij
immuun waren voor de bacil van het antisemitisme. Wel betekent het, dat men bij het
trekken van conclusies jegens hen extra zorgvuldig had dienen te zijn.
Een totaal andere vraag (niet in de IKON-uitzending besproken) is, of het houden
van deze enquête correct was jegens degenen omtrent wie men de gegevens verzamelde.
We achten het incorrect dat informatie gevraagd en verstrekt werd over mensen die -
in een noodsituatie - afhankelijk waren geweest van anderen. We beschouwen deze
handelwijze - afgezien van de vraag of de verstrekte gegevens juist dan wel onjuist
waren - een inbreuk op de privacy waarop ieder mens recht heeft, en als zodanig te
betreuren.
<184>