Allereerst bespreken we nu enkele factoren die van invloed kunnen zijn op Iemands
beoordeling van de houding van kerken en christenen tijdens de tweede wereldoorlog.
Het valt op dat niet alleen de historicus, maar ook - misschien mag men zeggen -
de doorsnee-Nederlander vaak een vrij duidelijk omlijnde mening heeft over het
onderwerp dat ons bezighoudt. Dat blijkt telkens, bijv. uit "Ingezonden brieven"
in diverse kranten. Over het algemeen is men van oordeel dat de kerken gezwegen
hebben, met name als het gaat om de Rooms-Katholieke Kerk. In de Inleiding noemden
we al twee uitspraken die een aantal jaren geleden gedaan werden. Om een meer
recente stem te laten klinken, Micha Kat schreef in de Volkskrant (19.8.1989):
De katholieke kerk heeft, zonder twijfel uit angst dat ze de hele hand zouden
pakken, nooit een vinger voor de Joden uitgestoken toen ze door de nazi's werden
uitgeroeid; ze heeft in die periode het nazi-regime zelfs niet veroordeeld (en
ook dat geven ze nu nog niet toe); ze heeft haar aanhang nooit opgeroepen de
Joden bij te staan, et cetera.
Voor wie weet heeft van antisemitische uitspraken en daden, in de loop der eeuwen
bedreven door leiders der kerk, voor wie bovendien persoonlijk geleden heeft
en/of familieleden weggevoerd zag worden naar een vernietigingskamp, is het
uiterst moeilijk om te geloven dat niet slechts enkele "rechtvaardigen uit de
volkeren", maar ook de kerken in Nederland, met inbegrip van de Rooms-Katholieke
Kerk, hun stem publiekelijk verheven hebben tegen de Jodenvervolging tijdens de
tweede wereldoorlog.
Toch ontbreekt het, zoals we nog zullen zien, niet aan (ook Joodse) historici,
die het protest van de kerken uitdrukkelijk genoemd hebben.
De voetangels en klemmen op de weg naar een evenwichtige evaluatie zijn velerlei.
Indien men zelf betrokken geweest was bij het verzet der kerken, lag het gevaar
voor de hand dat men gemaakte fouten probeerde goed te praten.
<177>
Twee andere factoren die het oordeel - ook van de direct-betrokkenen - beïnvloedden,
waren: 1e het (eventueel: hernieuwde) besef hoe erg de ramp geweest was: dat het
om niet minder dan de sjoa ging; en 2e hun godsdienstige opvattingen.
De godsdienstig meelevende Protestant beleed dat "ook onze beste werken in dit leven
alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn" (Heidelbergse Catechismus, zondag 24).
En wat er aan goeds gedaan is, dat is Gods werk in ons en door ons-, Gods genade,
geen verdienste. Alle eer aan God!
Een typerende uitspraak: "De hulpverlening - niet alleen in ons gezin, maar door
veel meer Nederlandse mensen - was een geloofsdaad. Wij waren alleen werktuigen
bij haar redding. Zoals ik het zie was het niet mijn werk - het was Gods werk".'
Bovendien nam men, als het goed was, de radicaliteit van het Goddelijk gebod tot
naastenliefde serieus: een christen behóórde zijn leven in te zetten voor de
medemens.
Gemeten naar die maatstaf heeft welhaast iedereen gefaald tijdens de tweede
wereldoorlog. Terecht zei dr. W. Banning: "Als de kerk voor honderd procent de
geloofsgehoorzaamheid had opgebracht, zou er geen dominee of pastoor het levend
hebben afgebracht. [15.2]
Zij die niet al te zeer gefaald hadden, zullen zich bovendien het bijbelwoord
herinnerd hebben: "Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is,
zeggen: Wij' zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen"
(Lucas 17: 10).
Beide factoren - het hernieuwd besef hoe groot de ramp was geweest en zijn
godsdienstige overtuiging - zullen bij ds. Buskes meegespeeld hebben toen hij
voor het weekblad Hervormd Nederland het boek van J. Presser, Ondergang, besprak:
"Mij werd weinig tijd gegeven, zodat ik de elfhonderd bladzijden van de twee delen
in één ruk gelezen heb. Ik wist veel. Dat dacht ik tenminste. Toen ik diep in de
nacht het boek uit had, wist ik, dat wij het nog op geen stukken na weten en dat
ons volk voor het grootste gedeelte het nog helemaal niet weet. Ik was er kapot van.
Ik voelde mij' ziek, lichamelijk en geestelijk geschonden." [15.3]
Later in zijn artikel zegt hij dan:
<178>
Maar laat ik niet voortgaan. Het windt me te veel op. Ook vanwege eigen falen.
Waarom heb ik niet feller gevochten dan ik deed voor wat ik zag als 'de heilige
plicht' van de kerk? Waarom ben ik op alle mogelijke onwezenlijke redeneringen
ingegaan? Waarom heb ik mij laten verleiden - ja, verleiden - tot compromissen?
Waarom heb ik niet gezegd: zo spreekt de Heer? Het is een pijnlijke zaak, ook
voor hen van wie men, zoals van mij, zegt dat ze zich goed hebben gehouden.
Het gaat er immers maar om, welke maatstaf men aanlegt.
"Het gaat er maar om, welke maatstaf men aanlegt. " Inderdaad.
De maatstaf van ds. Buskes was een heel andere dan die van Abel Herzberg, toen
hij eens tegen me zei: Ik verwijt het niemand als hij geen Joden verborgen heeft,
want ik weet niet of ik het zelf gedurfd zou hebben".
Sommige scribenten over de tweede wereldoorlog lijken te schrijven vanuit de eigen
rustige en veilige studeerkamer, zonder iets te beseffen van de angst en de pijn
van toen; zonder zelfs maar te proberen, zich in de situatie van toen te verplaatsen.
Het moet erkend worden, dat dat een uiterst moeilijke opgaaf is.
Zo dient men zich bijvoorbeeld te realiseren: nu weten we dingen die toen niet
bekend waren, en wij kunnen de kennis van wat er in Auschwitz gebeurde, niet uit
onze herinnering wissen. Toen hebben we soms iets ervan vermoed, dan weer van ons
af gezet. De eerder (hfdst. 9, f) geciteerde brief van Bep Blok aan ds. Buskes was
typerend voor velen: In het land waar ze komen hebben ze het niet slecht, dat weten
we positief. " Zou ook ds. Buskes, toen hij dat las, het geloofd - of althans
gehoopt - hebben?
De Duitsers gebruikten de wapens van bedreiging ("wie onderduikt en gepakt wordt,
gaat rechtstreeks naar Mauthausen"), verdeeldheid zaaien, en misleiding. [15.4]
De werkelijkheid was zo afschuwelijk, dat men lange tijd er niet aan wilde. Men
probeerde optimistisch te blijven en verdrong informatie die in strijd was met
dat optimisme. Totdat het afweermechanisme bezweek onder druk van de feiten, en
dan sloeg het optimisme vaak om in een verlammend pessimisme. Bijna iedereen was
toen min of meer "manisch-depressief": het ene ogenblik op de bergtoppen, het
volgende in een diep dal.
"Als bleek dat het ongelooflijke echt plaatsvond, begon het allemaal noodzakelijk
en onvermijdelijk te lijken". Aldus Michael R. Marrus. [15.5] Deze auteur en ook
L. de Jong [15.6] leggen uit, waarom velen de binnenkomende berichten over de
massamoord niet geloofd hebben. Een van de redenen was: men beschouwde die berichten
als "oorlogs-propaganda tegen de Duitsers". Dat gold voor velen buiten het door
de Duitsers bezette gebied, maar ook daarbinnen.
<179>
In het bezette gebied had men bovendien te kampen met de dagelijkse problemen:
kleding-, brandstof- en voedselschaarste; voor jongemannen de keus om onder te
duiken dan wel gedwongen in Duitsland te gaan werken. Ook diegenen die leiding
aan de kerken dienden te geven hadden, in de persoonlijke levenssfeer, deze vragen
onder de ogen te zien.
Bovendien was de vervolging der Joden wel het eerste waartegen de kerken bij de
Duitse bezetter geprotesteerd hebben, maar niet het enige. Stappen, door de kerken
ondernomen, geven een indruk van wat er tengevolge van de bezetting aan andere
kwesties op hen afkwam:
voorbede in de kerkdiensten voor de koningin;
arrestatie van predikanten;
muilkorving en daarna opheffing van de kerkelijke pers;
de jeugd moet lid worden van de Arbeidsdienst, waar ze in nationaal-
socialistische zin geïndoctrineerd werd;
vordering van kerkklokken;
deportatie van arbeiders naar Duitsland;
sluiting van het Nederlands Bijbelgenootschap;
alle kerkelijke conferenties verboden;
ter dood veroordelingen;
deportatie van studenten;
nationaal-socialistische opvoeding in christelijke scholen.
Wie nu geroepen is om de situatie van toen te beoordelen, dient al deze aspecten
te overwegen. Er is een mooie Joodse spreuk, toegeschreven aan Hillel: "veroordeel
je naaste niet, eer je in zijn situatie komt."[15.7] Nu behoort de situatie van
toen - gelukkig - tot de verleden tijd en, als men Hillels spreuk absoluut neemt,
zou men niemands handelwijze van toen kunnen beoordelen en eventueel veroordelen.
Dat is uiteraard niet de bedoeling. Maar wel menen we, dat men althans moet proberen
zich in de situatie van toen in te leven, opdat het oordeel billijk zij.
Wanneer ik, in de jaren zestig, in Israël een lezing over "de houding der kerken"
hield, heb ik mijn gehoor wel eens uitgenodigd, zich voor te stellen dat (de hemel
verhoede) het land Israël bezet zou zijn door een vreemde mogendheid (de Turken,
of de Chinezen) die een groot deel van de Joodse bevolking zou wegvoeren voor het
verrichten van dwangarbeid in het buitenland; dat het voedsel op de bon zou zijn
enz.; maar dat het eigen leven geen gevaar liep zolang men zich maar schikte naar
de voorschriften van de vijand. Dat een christelijke minderheid evenwel gedeporteerd
en vernietigd werd; dat christenen die onderdoken geen distributiekaart meer
ontvingen, dat hun identiteitskaart gestempeld werd met een grote C en dat ze een
geel kruis op hun kleding moesten dragen om hen te isoleren van de niet-christenen.
<180>
Dan vroeg ik: "Zoudt U, in zo'n situatie, bereid zijn een strenge straf te riskeren
om mijn vrouw, een van mijn kinderen of mijzelf te verbergen - ook al zien we er
erg 'arisch' uit en ofschoon U beseft dat U gevaar loopt verraden te worden, en het
nog grotere risico om gepakt te worden tengevolge van mensen die hun mond niet
kunnen houden? Zou de opperrabbijn bereid zijn publiekelijk te protesteren tegen
de anti-christelijke maatregelen, en opdracht geven om dat protest in alle synagoges
in de diensten op vrijdagavond en op zaterdag voor te lezen?"
Nogmaals: oordelen - en eventueel: veroordelen - staat ieder vrij. Maar wie bereid
is tot een oefening als boven beschreven (die uiteraard niet alleen voor Israël
nuttig is), heeft een betere kans dat zijn oordeel fair zal zijn.
<181>