a. Ader
Het verhaal van mevrouw J.A. Ader-Appels, Een Groninger pastorie in de storm,
[13.1] beleefde de ene herdruk na de andere en dat is geen wonder: het verhaal
vertelt op boeiende wijze hoe mensen ondanks hun angst - kwamen tot het helpen
van Joden.
Ds. B.J. Ader was Hervormd predikant te Nieuw-Beerta. Zijn vrouw had een Joodse
vriendin in Amsterdam en die schreef haar: "Kan ik niet een tijdje bij jullie
logeren? Ik ben in grote nood". Toen mevrouw Ader deze brief aan haar man liet
lezen, was die juist in een pessimistische bui en zei: "Daar heb je 't al....
ik eindig mijn leven nog in een concentratiekamp" (91). Maar de vriendin mocht
wel komen, en na haar vele anderen. Over de twee honderd werden ondergebracht.
Verraad noodzaakte ds. Ader onder te duiken. Op korte termijn moesten toen dus
ook alle Joodse gasten van de pastorie elders worden ondergebracht. Mevrouw Ader
bleef.
Toen de overval kwam waren de vogels gevlogen, maar mevrouw Ader werd - ofschoon
in verwachting - meegenomen, evenals de hulp in de huishouding. Mevrouw Ader werd
verhoord door een inspecteur van politie die N.S.B.-er was. Tijdens een van de
verhoren zei ze: "U sprak gisteren over christen-zijn. Dat houdt in, dat volgens
onze overtuiging we bereid zouden moeten zijn om een mens die in nood is, te
helpen - wie het ook is. En als er daarom iemand bij ons kwam die vervolgd werd,
en in levensgevaar verkeerde en ons vroeg om bescherming, dan zouden we hem of
haar die geven, ten koste van onze eigen veiligheid" (25l).
Geen woord in de geest van: "we moeten hun zielen redden".
Maar van de bij hen ondergedokenen werden twee meisjes later gegrepen en naar
Westerbork gevoerd. Van daaruit vroegen ze vlak vóór hun deportatie naar Polen
- om bijbeltjes en die zijn toen aan hen gestuurd.
Mevrouw Ader werd kort daarop losgelaten, maar moest de pastorie uit; die werd
leeggeplunderd. Ds. Ader had zomer 1944, toen de geallieerden in Frankrijk snel
oprukten, het plan beraamd om - bij de nadering der bevrijders - het kamp Westerbork
te overvallen en de gevangenen te bevrijden. Twee gedeserteerde Duitse soldaten
hadden hem daartoe hun uniformen gegeven. Het plan werd verraden. De twee Duitsers
zijn onmiddellijk terechtgesteld.
<156>
foto 18 a + b ds B.J. Ader en zijn vrouw J.A. Ader-Appels
Ds. Ader werd op 23 juli 1944 gevangengenomen. Tijdens zijn gevangenschap schreef
hij enkele aangrijpende gedichten. [13.2] Op 20 november 1944 werd hij in de
bossen bij Veenendaal gefusilleerd.
b. Dobschiner
Mevrouw Ader toonde nergens de behoefte om aan anderen haar geloof op te dringen,
maar de verzetshouding en de daden van haar man en haar hebben ongetwijfeld grote
indruk gemaakt op hen die ze verborgen. Dat blijkt ook uit het boek van Johanna-
Ruth Dobschiner [13.3], die geruime tijd bij het echtpaar Ader ondergedoken is
geweest.
<157>
Zij wilde, strikt orthodox-joods opgevoed als ze was, de Joodse spijswetten zoveel
mogelijk blijven naleven en zag daarom af van het eten van vlees. Het feit dat ze
in een domineesgezin verbleef joeg haar angst aan: Ik had gehoord van nonnen, die
Joodse kinderen stalen om ze te redden uit de handen van de vijand. Dan werden zij
in de kloosters verborgen en later gedoopt. (...) Was mijn bezorgdheid ook maar
enigszins gegrond? Nog maar enkele ogenblikken geleden had ik Domie (Groningse
afkorting voor dominee; JMS) bewonderd om zijn zuiverheid, zijn eerlijkheid. Nee,
hij kon daar niet bij horen. Hij was geen non of priester. Hij was een gewoon mens,
nee, een buitengewoon mens. Ik zou hem vertrouwen, zelfs al was hij een dominee"(134).
Toen de overval dreigde en alle onderduikers naar een andere schuilplaats moesten
worden overgebracht, zat iedereen in spanning te wachten op het moment waarop er
iemand zou komen om hen af te halen. Mevrouw Ader ging aan de piano zitten; zij
speelde haar eigen kerkliederen. Haar twee neefs (ondergedoken studenten) zongen
mee. "Wij meisjes luisterden en een paar van ons volgden de woorden in het
gezangenboekje". De schrijfster vertelt dan hoe zij "Frans" (haar onderduik-naam),
wel zin had om mee te zingen, maar "Welk een vriend is onze Jezus", dat ging
natuurlijk niet; dus ze zong: "Welk een vriend is onze Mozes" (173).