Wat het tweede probleem betreft: Jaap Musch (hij was chemisch analist)
solliciteerde bij de Staatsmijnen in Heerlen en werd daar aangenomen.
Dientengevolge zou hij zelf voorlopig niet behoeven onder te duiken om werken
in Duitsland te ontgaan: de mijnen waren "Kriegswichtig". Gerard en Dick voegden
zich bij hem; zij moesten wel onderduiken, maar konden dan ook voortaan al hun
tijd aan de NV wijden.
Jaap nam contact op met de plaatselijke Gereformeerde predikant, ds. G.J.
Pontier (1888), die zelf ondergedoken Joden in huis verborgen hield. Flim
vertelt: "Dominee Pontier maakte een lijst van gemeenteleden, die volgens hem
wel genegen waren een joods kind bij hen in huis te nemen. Gewapend met die
lijst en een introductiebrief van ds. Pontier gingen Dick en Gerard de boer op.
Aangekomen bij zo'n adres belden zij aan en spraken de woorden: 'Ik kom van ds.
Pontier."
Dat was toch een deuropener daar. Dat bracht je in de voorkamer. Eenmaal binnen
vertelden zij aan de mensen die daar woonden van hun ervaringen uit Amsterdam:
hoe zij zelf hadden gezien dat mensen uit hun huizen werden gesleept en als vee
werden weggevoerd. Dit was noodzakelijk, want veel mensen in Zuid-Limburg wisten
in het geheel niet, wat er gaande was in Amsterdam.
Vervolgens vroegen zij of de betrokken familie een joods kind onderdak wilde
verschaffen. Dit was wel gebonden aan de voorwaarde dat dat kind in zijn nieuwe
omgeving gewoon buiten kon spelen en gewoon naar school kon gaan. Tevens zou
één van de NV-medewerkers eens per maand langskomen om erop toe te zien dat dit
inderdaad gebeurde. [12.3]
De groep van medewerkers en medewerksters groeide. Vooral de laatsten waren
belangrijk voor het met zo weinig mogelijk risico overbrengen van de kinderen
uit Amsterdam naar Limburg: een jonge vrouw met een kind in de trein trekt minder
de aandacht dan idem een jongeman.
<152>
Vanaf zomer 1943 zorgde de LO (de hier eerder besproken Landelijke Organisatie")
voor de broodnodige bonkaarten. Het werk breidde zich uit: ds. H. Bouma (1887)
te Treebeek/Brunssum werd ingeschakeld; via hem kwam er een fors aantal beschikbare
adressen bij. Volgende medewerkers waren ds. H.R. de Jong (1911) te Venlo en de
Hervormde ds. C.R. de Jong (1911) te Rossum. In een iets later stadium kreeg men
vaste voet in Twente: de familie Flim te Nijverdal zette zich daar in voor de NV.
Het domineescircuit bleef daarbij belangrijk. Dat blijkt uit het volgende citaat,
waarbij wat tussen haken staat mijn toevoeging is:
Koos verscheen op het toneel met het verzoek om tachtig adressen. Herman (Flim)
en Koos gingen direct aan het werk. De Gereformeerde predikant in Nijverdal, ds.
(R.) Hamming (1876), verwees hen door naar zijn collega in Lemelerveld, ds. (A.J.W.)
Vogelaar (1907), en naar een dominee in Heerde (C.J.W. Teeuwen; 1898). Vervolgens
werden de taken verdeeld. Koos ging op een vrijdag en daarop volgende zaterdag naar
Heerde met een introductie van ds. Hamming. Herman werkte op vrijdag Lemelerveld af.
[12.4]
Ook in de Betuwe wist men kinderen onder te brengen. Pas onlangs ontdekte ik dat
ook het Joodse meisje dat tijdens de oorlog bij mijn tante in Leerdam verbleef
een "kind van de NV" was.
Al deze kinderen "moesten gewoon opgroeien in een pleeggezin, naar school gaan,
buiten spelen, kortom, alles doen wat een "gewoon" kind gewend was om te doen.
Alleen onder deze voorwaarden werden de kinderen geplaatst", aldus Flim. 's Zondags
gingen ze dus ook met het gezin mee naar de kerk, en ze hoorden "thuis" het
dagelijks gebed en het lezen uit de bijbel aan. Voorts gingen ze ongetwijfeld
naar "de school met de Bijbel' en, als ze de leeftijd daarvoor hadden, samen met
de andere opgroeiende kinderen van het gezin naar de catechisatie: het kerkelijk
onderricht bestemd voor de jeugd vanaf 12 jaar op een avond in de week. Dat
behoorde bij het leefpatroon en indien men daarvan wat betreft "een Rotterdams
pleegkind" (de bewering die naar buiten gebruikt werd en die, tengevolge van
het bombardement van Rotterdam, moeilijk te controleren was) afweek, kon daardoor
ongewenste aandacht opgeroepen worden.
Als er gevaar dreigde, moest een kind naar een ander adres gebracht worden. Ook
om persoonlijke redenen (angst van de pleegouders bijv.) kon overplaatsing
noodzakelijk worden. Misschien kwam het kind in kwestie dan terecht in een
gezin met heel andere opvattingen dan die van het vorige. Geleidelijk aan werden
namelijk ook plaatsen in RK gezinnen gevonden.
Ed van Thijn vertelde:
<153>
Ik wisselde ook regelmatig van godsdienst. De ene keer zat ik in een streng
gereformeerd gezin. De andere keer bij een katholieke familie. (Daar bad hij
dan ook vrolijk de rozenkrans mee). Je moest je onmiddellijk aanpassen, ja...
onmiddellijk. Was ik net een beetje wegwijs in de Statenbijbel... [12.5]
Zij die de NV op touw gezet hadden, deden dat voor het merendeel (niet allemaal)
vanuit een christelijke overtuiging. Ze deden dat om levens te redden, niet om
de kinderen tot een ander geloof over te halen. Gold dat ook wat betreft de
pleeggezinnen? Ik denk dat men altijd, om te beginnen, een kind opnam om een
leven te redden. Daarna heeft men soms - soms ook niet - geprobeerd het eigen
geloof uit te dragen.
Jack Aldewereld (al eerder genoemd) werd opgenomen door een echtpaar zonder
kinderen. Toen na de oorlog bleek, dat zijn ouders omgekomen waren, is hij bij
de pleegouders gebleven. Hij werd door hen gereformeerd opgevoed, maar is altijd
vrijgelaten in zijn keuze.
"Flip Amsterdammer" vertelt daarentegen over zijn vroegere pleegvader:
Hij heeft in 1975 of 1976 contact met mij opgenomen.(...) Het is een uiterst
openhartig gesprek geworden, omdat hij claimde dat hij mijn leven gered had,
wat dus waar is, en ik op die grond niet van het pad van Jezus had mogen afwijken.
Hij had dus ontdekt (...) dat ik een socialist was geworden en als godslasteraar
op het verkeerde pad was gegaan en hij vroeg mij op grond ervan dat hij mijn
leven gered had, terug te keren tot het ware geloof. Dat was een uiterst pijnlijke
toestand.[12.6]
Ds. Pontier hield, zoals al eerder even aangestipt, in zijn huis Joden verborgen,
een familie van strikt orthodoxe opvattingen. Een van de zoons kreeg van ds. Pontier
een nieuw testament. Aan de andere kant werd er voor de onderduikers, die een
eigen gedeelte van het huis tot hun beschikking hadden en daar hun gebeden konden
verrichten, zo lang het mogelijk was kosjer gekookt. [12.71] Zo combineerde het
echtpaar Pontier blijkbaar de bereidheid om de overtuiging van de ander te
respecteren met het verlangen om eigen geloofsgoed aan die ander over te dragen.
<154>
Van de 250 kinderen die door de NV ondergebracht werden is er zelfs niet één in
de handen van de Duitsers gevallen. Maar september 1944 werd een inval gedaan -
min of meer bij toeval - in een landhuisje bij Nijverdal, waar Jaap Musch verbleef
met vier Joodse kinderen. Jaap vluchtte niet, om de kinderen de kans te geven weg
te komen en dat is hun gelukt. Hijzelf werd weggevoerd, zwaar gemarteld en - toen
hij desondanks niets losliet - in de nacht van 9 op 10 september vermoord.
Ook Joop Woortman is omgebracht, in Bergen Belsen. Ds. H.R. de Jong moest
(maart 1944) onderduiken na een overval van de SD op de pastorie in Venlo. Hij
raakte toen nog dieper betrokken bij het werk voor de LO en "Trouw". januari
1945 werd hij gevangen genomen en op 12 februari 1945 vermoord, nog geen 34 jaar
oud. Alle andere medewerkers van de NV hebben de oorlog overleefd.
<155>