Er zijn enkele organisaties geweest - veel kleiner dan de LO met zijn 15.000
medewerkers - die zich toegelegd hebben op het helpen van Joden. Onder deze
groepen waren er vier van enige omvang die zich speciaal bezighielden met het
verbergen van Joodse kinderen.
Allereerst een groep Utrechtse studenten (het "Utrechtse kindercomité") en ten
tweede een Amsterdamse groep, van Piet Meerburg, die samenwerkte met ds. Mesdag
en kapelaan Jansen te Sneek. De derde was de Trouw-groep (Gesina H.J. van der
Molen, dr. J.W. van Hulst en Sandor Baracs).
De vierde groep noemde zich de NV; inderdaad: een naamloze vennootschap. Men
legde de nadruk op de anonimiteit - andere groepen ook uiteraard - en dat kwam
uit in de naam. Men heeft die anonimiteit ook na de oorlog nog lange tijd in
acht genomen en dat zal dan ook de reden ervan zijn dat L. de Jong deze groep
niet vermeldt. Toch heeft de NV niet minder dan 250 Joodse kinderen weten te
onttrekken aan deportatie.
Pas 37 jaar na de tweede wereldoorlog werd de anonimiteit opgeheven. Toen
verscheen er een boek met verhalen [12.1] en daarna een doctoraal-scriptie van
de hand van de zoon van één van de "aandeelhouders" van de NV, Bert Jan Flim:
De NV en haar kinderen, 1942-1945 [12.2] (we hebben veel van het volgende geput
uit deze scriptie). En ten slotte organiseerde één van de -kinderen", Jack
Aldewereld, in mei 1989 een grote reünie te Brunssum waar "kinderen", helpers
en pleegfamilies elkander weer ontmoetten. Ed van Thijn, ook een "kind", sprak
de feestrede uit.
In het vervolg zal een aantal predikanten een rol spelen; ik vermeld telkens -
behalve de naam - hun geboortejaar.
De "oprichting" van de NV vloeide voort uit een kerkdienst: op zondag 5 juli 1942
ging dominee Constan Sikkel (1895) voor in de Rafaëlpleinkerk te Amsterdam.
Tot zijn gemeente behoorde de familie Braun: man, vrouw en twee kinderen van 19
en 15 jaar oud. Zij waren na de Anschluss uit Oostenrijk gevlucht. Het waren
Joden-christenen. Toch kregen ook de twee kinderen de gevreesde oproep om zich
te melden.
<149>
Ds. Sikkel maakte tijdens de dienst een opmerking over het onheil dat de familie
Braun getroffen had. Tot de kerkgangers behoorden de twee broers Jaap en Gerard
Musch, toen 29 en 21 jaar oud. Na afloop van de dienst spraken ze ds. Sikkel aan
en vroegen het adres van de familie Braun, gingen daar heen en boden de twee
kinderen hun hulp aan om onder te duiken. Die wilden dat alleen, op voorwaarde
dat ook hun ouders zouden onderduiken: anders zouden immers de Duitsers de
verdwijning van de kinderen wreken op de ouders.
Er is toen besloten dat het hele gezin zou onderduiken en zo geschiedde. De
kinderen gingen naar Friesland, de ouders werden ondergebracht met hulp van
een dominee in Barneveld voor wie ds. Sikkel de gebroeders Musch een introductie-
brief had meegegeven; dat moet ds. W.L. Korfker (1883) geweest zijn.
Dat was het begin. Kort daarop gingen Jaap en Gerard zich nog intensiever met
het helpen onderduiken van Joden bezighouden. Jaaps verloofde evenwel vond
Jodenhulp veel te gevaarlijk; waarop Jaap besloot de verloving te verbreken.
Hij, zijn broer Gerard en diens vriend Dick Groenewegen van Wijk (evenals
Gerard 21 jaar) waren bewogen met het lot der Joden, "een lot waarmee ze iedere
dag geconfronteerd werden". Dat was de belangrijkste drijfveer. "Ook voelden ze
zich als christenen verplicht te proberen zoveel mogelijk Joden uit handen van
de Duitsers te houden". Aldus Bert Jan Flim.
Ze gingen zich vooral toeleggen op het helpen van Joodse kinderen: die waren
gemakkelijker dan volwassenen onder te brengen, accepteerden de autoriteit van
hun helpers (de helpers zelf waren nog zo jong!), hadden geen persoonsbewijs nodig,
waren het meest hulpeloos, maar vormden desondanks de toekomst van het Joodse volk.
<150>
Drie problemen moesten worden opgelost: hoe de kinderen uit Duitse handen te
krijgen? Hoe de nodige onderduikplaatsen te vinden?, hoe de kinderen naar hun
plaats van bestemming te brengen?
Er was in Amsterdam, Plantage Middenlaan 31, een crèche die op last van de Duitsers
ingericht was, als dependance van de Hollandse Schouwburg, het gevreesde
concentratiepunt voor hen die gedeporteerd zouden worden. Welnu, men vond
(zoals ook door L. de Jong beschreven) allerlei wegen om telkens kinderen de
crèche uit te smokkelen, vaak via de nabijgelegen Hervormde kweekschool en met
behulp van de directeur daarvan, J.W. van Hulst. Joop Woortman was de verbindings-
schakel tussen de NV aan de ene kant, en de directrice van de crèche, mevrouw
Pimentel, en de medewerker van de Joodse Raad Walter Susskind aan de andere kant.