a. Duitse beloften
Al eerder - in hoofdstuk 6 - hebben we de gang van zaken besproken rondom het
al of niet voorlezen van het protest tegen de deportaties dat aan Seyss-Inquart
was gezonden. Een van diens naaste medewerkers, Schmidt, had daarop ds. H.J.
Dijckmeester (vervanger van ds. Gravemeyer die gegijzeld was) ontboden en hem
meegedeeld dat de Christen-Joden die voor 1 januari 1941 gedoopt waren,
vrijgesteld zouden worden van "Verschickung".
Ds. Dijckmeester heeft daarop geantwoord dat de kerken voor deze toezegging
erkentelijk waren, maar natuurlijk het standpunt handhaafden dat het protest-
telegram zou worden voorgelezen. Zoals al eerder beschreven: de Hervormde Synode
besloot uiteindelijk, het telegram niet voor te lezen. De andere kerken deden
dat wel, waarop de RK-gedoopte Joden - voor zover niet "gemengd-gehuwd" - door
de Duitsers gevangen genomen, naar Auschwitz gedeporteerd en aldaar vermoord werden.
Voor de Protestants-gedoopte Christen-Joden bleef de Duitse toezegging van kracht.
Hoe lang? Dat wist niemand.
De kerken probeerden allereerst, de norm die voor "vrijstelling gold te verwijden
en zodoende het aantal vrijgestelden te vergroten. Daarbij werd geargumenteerd
dat ook wie op de cruciale datum kerkelijk onderricht ontving, ja zelfs zij die
toen al regelmatig de kerkdiensten bezochten, toch eigenlijk behoorden tot de
kerk... Besprekingen werden gevoerd met Schmidts medewerker, F. Buhner. Met hem
werd overeengekomen:
"Geacht moeten worden tot een Christelijke Kerk te behoren zij:
1. die geboren zijn uit tot de Kerk behorende ouders;
2. die onderwijs in de Christelijke leer ontvangen met de bedoeling tot belijdenis
des geloofs te komen;
3. die de godsdienstoefeningen regelmatig bijwonen en met wie de Kerkenraad
geestelijk contact heeft;
4. die gedoopt zijn;
5. die belijdenis des geloofs hebben afgelegd
<121>
De "bedoeling" genoemd onder 2 moest voor 1 januari 1941 gebleken zijn en dat
gold ook het "regelmatig" bijwonen van kerkdiensten.
Onder normale omstandigheden zou geen enkele kerk personen die onder 2 en 3
vielen, als lid hebben beschouwd. Voor de Duitsers was het niet na te gaan of
iemand inderdaad "onderwijs in de Christelijke leer" ontving en/of geregeld
kerkdiensten bezocht, en sinds wanneer.
De namen van hen die door een kerk als haar leden werden beschouwd werden op
een lijst gezet, die naar de Duitsers ging. Die lijst gaf ook aan tot welke
van de vijf "categorieën" iemand behoorde. De betrokkene zelf ontving van de
kerk een z.g. bewijs van kerkelijke Angehörigkeit.
Het was een tijd waarin men zich aan iedere strohalm vastgreep; op een lijst
staan scheen te helpen; je had de lijst-Weinreb, de lijst-Calmeyer, de lijst-
Frederiks en de lijst van de z.g. Diamant-gruppe, om enkele te noemen. De meeste
lijsten "platzten" (vervielen) op een zeker moment, maar niet alle: zo heeft de
lijst-Calmeyer het, wonder boven wonder, tot het einde van de oorlog toe
volgehouden.
Het Adviesbureau dat door de Hervormde kerk te Amsterdam was geopend (20 augustus
1942) en onder leiding stond van de bekende dr. J. Koopmans (schrijver van de
brochure Bijna te laat en ook, in 1943, van het protest tegen de sterilisatie)
hield driemaal per week zitting in de Nieuwe Kerk. Het werd overstelpt met
schriftelijke en telefonische verzoeken om op de lijst geplaatst te worden.
Aldus Touw.
Het is ook Touw die vertelt dat een predikant tot een jaar gevangenisstraf
veroordeeld werd wegens Schriftverfalschung, omdat hij een geantedateerde
verklaring van "Angehörigkeit" had afgegeven. Een andere predikant daarentegen
("gelukkig een hoge uitzondering") had er bezwaar tegen om een Joods gezin dat
trouw de kerkdiensten bezocht te dopen, want "mijn vrouw is zo bang dat ik iets
doe waar de bezettende macht zich aan stoot."
<122>
b. Geen Gereformeerde "haastdoop"
Delleman, de Gereformeerde geschiedschrijver, heeft in zijn Opdat wij niet
vergeten enkele hoofdstukken samen met anderen geschreven; het schrijven van
een paar hoofdstukken liet hij over aan een direct-betrokkene. Zo is hoofdstuk
IV (Het kerkelijk verzet) geschreven samen met Donner, Van Dijk en Rutgers die,
ieder op zijn beurt, de Gereformeerde vertegenwoordigers in het I.K.O. waren
geweest. Hoofdstuk V, "Het Jodendom en de Kerk in bezettingstijd", is evenwel
van de hand van ds. Jac. van Nes. We kwamen hem al tegen in ons eerste hoofdstuk
als missionair predikant (sinds 1916) onder de Joden te Den Haag, ook zijn
opvatting (voor de oorlog!) "dat er in het algemeen drie tot vier jaar
catechetisch onderwijs nodig was voor men tot dopen kon overgaan", kwam reeds
ter sprake.
Alle Gereformeerde kerkenraden kregen - zomer 1942 - het verzoek om de namen
van de Joodse Christenen, voor wie dus vrijstelling van deportatie moest worden
aangevraagd, te zenden aan het Kerkelijk bureau van de Gereformeerde kerk van
's Gravenhage-West. In de desbetreffende circulaire wordt gewaarschuwd:
De kerkenraad houde er voorts rekening mede, dat te verwachten is, dat van
Duitse zijde een onderzoek zal worden ingesteld naar de juistheid der verstrekte
gegevens, waarvoor dus alle op deze aangelegenheid betrekking hebbende gegevens
aanwezig moeten zijn.
Ds. Van Nes heeft een en ander - en zijn eigen opvattingen - uitvoerig weergegeven
in zijn drie-maandelijkse rapporten en later heeft hij uit die rapporten geciteerd
ten behoeve van zijn hoofdstuk in Delleman:
Wij kennen in onze Gereformeerde Kerken geen "haastdoop". 't Schijnt helaas, dat
er in de Nederlands Hervormde Kerk wel zijn, die zulk een doop voor mogelijk achten.
Er hebben zich gevallen voorgedaan in die kerk, dat Joodse personen eerst gedoopt
werden en daarna onderwijs ontvingen.
Wij betreuren dat ten zeerste. En wij weten, dat er in de Nederlands Hervormde
kring zelf ook bezwaar tegen gemaakt is. Van de zijde der synode is er dan ook
een waarschuwing aan de kerken gezonden. Zulke "sneldopen" verzwakken de betekenis
van de doop voor het besef van de Joden en van de overheid aan wie het doopbewijs
wordt getoond en brengen degenen, die na ernstige voorbereiding gedoopt werden,
in gevaar dat hun doop ook niet als serieus wordt beschouwd.
Nog een citaat van Van Nes (ook dit komt zowel in een van zijn rapporten als ook
in "Delleman" voor):
<123>
Wat moeten wij dankbaar zijn, dat de Duitse autoriteiten de bepalingen voor de
Christen Joden hebben willen uitbreiden, zodat zij, die reeds voor 1941 serieus
bearbeid konden worden, ofschoon zij nog niet tot de gemeenten behoorden, ook
konden worden beschermd door een verklaring der kerk! Hoe is daardoor ook onder
de Joden een zeker getuigenis uitgegaan, dat Christus de Zijnen beschut!
Wat zouden wij graag alle Joden in deze dagen geholpen hebben, als 't aan ons
gestaan had. Wat was 't ontzettend benauwend, vaak zo machteloos te staan
tegenover hun lijden. Hoe konden we 't begrijpen, dat ze zich in uiterste nood
tot de kerk wendden, om te trachten onder haar bescherming bevrijd te worden
van de dreiging der wegvoering.
Maar wij moesten het dan tot dezulken, die nu eerst tot de kerk kwamen, zeggen,
dat het daarvoor nu te laat was en dat de kerk geen misbruik mocht maken van de
haar gegeven bevoegdheid en de heiligheden van het Koninkrijk Gods hoog moest
houden, door alleen een verklaring af te geven aan hen, van wie wij overtuigd
waren, dat zij er recht op hadden.
Voor wat er in het eerste citaat gezegd wordt, kunnen we nog enig begrip opbrengen;
dat men in normale tijden niet te snel overging tot het dopen van wie dan ook,
dat lijkt ons prima. Ook de rabbijnen zijn uiterst terughoudend jegens aspirant-
bekeerlingen. Maar het was geen gewone tijd! De vraag of men, door ruimer te dopen,
voor anderen daardoor het risico vergrootte, diende overwogen te worden; akkoord.
Maar dan. De uitdrukking "dankbaar zijn" hierboven, achten we totaal misplaatst.
De bewering "dat Christus de Zijnen beschut" is zo mogelijk nog erger. Later zal
Van Nes in ditzelfde hoofdstuk de martelgang wat betreft de "vrijstellingen"
verhalen.
Blijkbaar is hij er niet aan toegekomen om, vanuit die realiteit, nog eens te kijken
naar de opgetogen uitspraak ("Wat moeten we dankbaar zijn..."), die hij uit zijn
eigen rapport, gedateerd 9 september 1942, had overgenomen.
Ongetwijfeld was Van Nes bewogen met het lot der Joden: dat blijkt uit de alinea
Wat zouden wij graag... " Van Nes heeft ook (tenminste) gepoogd Joden te helpen
onderduiken. [9.188] Bovendien was hij "een beminnelijk mens, gedreven door een
grote liefde voor Israël." [9.2]
Later zouden bovenstaande woorden van Van Nes door sommigen gebruikt worden voor
het trekken van vergaande conclusies wat betreft de houding van de Gereformeerde
Kerken in Nederland in het algemeen. We komen daarop nog terug in het derde
gedeelte van dit boek.
<124>
c. Andere opvattingen
Het is niet gemakkelijk na te gaan, in hoeverre men het in de Gereformeerde Kerken
met de opvattingen van ds. Van Nes eens was en zijn "lijn" gevolgd heeft.
In het notulenboek van de Gereformeerde kerkenraad te Rotterdam-Kralingen (mijn
tegenwoordige woonplaats) vond ik het volgende verslag:
Notulen van de gehouden buitengewone kerkenraadsvergadering op donderdag 20 mei 1943.
De Praeses ds. G.R. Kuijper opent de verg., leest Romeinen 11: 11-21 en gaat voor
in gebed.
De Praeses deelt mede, dat hij deze verg. heeft uitgeschreven op verzoek van ds.
Den Boeft. Deze, het woord verkrijgend, brengt een verzoek over van de heer Lion
Mozes Gerzon, Voorschoterlaan 57, Israëliet zijnde, om in de Geref. Kerk na
aflegging van belijdenis des geloofs te worden gedoopt.
In normale gevallen zou deze nog wel wat meer onderwijs moeten ontvangen, daar
het onderwijs slechts enkele maanden heeft geduurd. Zodoende zijn er nog heel
wat hiaten in zijn kennis. Ds. Den Boeft heeft het doopformulier met hem besproken.
De onzekerheid met het lot der Joden drong er toe met deze doop wat spoed te maken,
en de laatste dagen zijn de omstandigheden van die aard, dat het zeer gewenst is,
dat deze doop plaats vindt op de kortst mogelijke termijn, daar de mogelijkheid
zeer groot is, dat deze doop over een dag of tien niet meer kan worden bediend,
wegens mogelijke deportatie.(...)
De Kerkeraad heeft er geen bezwaar tegen, dat in dit speciale geval de approbatie
van de gemeente niet plaats kan hebben. De bediening van de doop zal plaats vinden
a.s. zondag in de kerkzaal van "Pro Rege".
De "approbatie van de gemeente" was de goedkeuring: de namen van wie belijdenis
wilden doen werden tijdens de diensten gedurende twee zondagen afgelezen met de
mededeling: "Indien geen wettig bezwaar zal worden ingebracht..." Gebruikelijk
was dat de goedkeuring op die manier stilzwijgend plaatsvond, maar er waren wel
twee weken extra mee gemoeid. Daar zag men nu dus van af, evenals van "wat meer
onderwijs". Nu, 46 jaar later, blijkt het al moeilijk om de achtergronden van
een dergelijk voorval uit te zoeken. In ieder geval heeft de heer Gerzon de oorlog
overleefd. Hij is niet gedeporteerd, overigens - naar ik vermoed - niet op grond
van zijn gedoopt-zijn: hij was "gemengd-gehuwd"; zijn vrouw was Gereformeerd
dooplid en deed najaar 1943 eveneens belijdenis.
<125>
Verder nog in onformalistisch handelen ging de Gereformeerde kerkenraad te
Veenendaal, die aan een ondergedoken jood ter beveiliging een document gaf
dat - met officiële handtekeningen bekrachtigd - verklaarde dat de betrokkene
door de kerkenraad was benoemd "tot hulpprediker in buitengewone dienst voor
de geestelijke verzorging van de geëvacueerden in haar ressort". [9.3]
We kunnen ons moeilijk voorstellen, dat ds. Van Nes ooit een dergelijke valse
verklaring ondertekend zou hebben.
In andere landen (Bulgarije, Griekenland) hebben tijdens de tweede wereldoorlog
doopsbedieningen plaatsgevonden, waarbij de betrokken geestelijke wist dat het
niet om het redden van zielen ging, maar om het redden van mensenlevens. Daartoe
gaf de (orthodoxe) aartsbisschop van Athene, Damaskinos, zelfs uitdrukkelijk
opdracht. [9.4]
Bij mijn weten is de kwestie "niet dopen maar wel een 'doopbewijs' verschaffen"
het krachtigst geformuleerd door ds. Buskes:
Wij weten heel goed, dat vele predikanten er principieel bezwaar tegen hadden, om
valse doopbewijzen te schrijven en af te geven. Maar er waren goddank ook vele
predikanten, die er principieel bezwaar tegen hadden, om het niet te doen.
Zo'n vals doopbewijs was een leugen. Natuurlijk. Maar wie het schreef en aan een
jood gaf, diende de waarheid en hielp zijn naaste. Wie het niet schreef en het
een jood weigerde, diende de leugen en liet de jood in de kou staan.
Er is een waarheid die leugen en een leugen die waarheid is. God gebood ons, te
liegen in dienst van de waarheid. Niet het doel, maar wel de gehoorzaamheid aan
Gods gebod heiligde het middel. [9.5]
"Wie het schreef en aan een jood gaf, ... hielp zijn naaste", vond Buskes. Maar
nu weten we dat de Duitsers - dank zij de medewerking van de rijksinspectie van
de bevolkingsregisters - beschikten over een gedrukte Lijst van personen van vol-
Joodsen bloede die als kerkelijke gezindte een Christelijke godsdienst hebben
opgegeven. De lijst berustte op gegevens door de betrokkenen zelf verstrekt, en
wel begin 1941. [9.6]
Men kan zich dan ook moeilijk onttrekken aan de conclusie dat, alle goede
bedoelingen ten spijt, het verstrekken van "Angehörigkeits"-verklaringen met
onjuiste gegevens eerder kwaad dan goed gedaan heeft.
Dat besefte dr. J.J.C. van Dijk toen al. Hij schreef nl. op 26 september 1942
een brief aan ds. S. Doornbos te Amsterdam:
Uw brief van 14 dezer ligt nog op beantwoording te wachten; de toevloed van
kerkelijke brieven is zo groot, dat ik geen kans zag eerder tot beantwoording
te komen.(...)
Er zijn 2 verschillende lijsten. Er is, naast de lijst door de Kerken opgemaakt
en ingezonden, een andere lijst van Duitse zijde opgemaakt op grond van de gegevens
van de Burgerlijke Stand, waarop dus alleen de Joodse Christenen voorkomen, die
zich t.z.t. bij de Burgerlijke Stand hebben opgegeven als te behoren tot een der
Christelijke kerken; dat zijn dus de belijdende leden en, wellicht, doopleden.(...)
Sophia Maria Boas-Berg staat op de lijst met (categorie) 4, maar dat is niet juist:
ze werd op 1 juni '41 gedoopt, terwijl de toestand van voor januari moest worden
opgegeven.
Haar positie is dus niet veilig: op de Duitse lijst komt zij natuurlijk niet voor;
uit dien hoofde is het niet uitgesloten dat zij gehaald wordt.(...)
Het zou natuurlijk wel gewenst zijn, dat zij niet kan worden gehaald. [9.7]
"Haar positie is dus niet veilig": deputaat J.J.C. van Dijk raadde ds. Doornbos
daarom aan te zorgen dat de dame om wie het ging, "niet kan worden gehaald".
M.a.w.: ze zou moeten onderduiken.
De beslissing om onder te duiken was voor de betrokkenen - aangenomen dat er
een onderduikadres beschikbaar was - niet gemakkelijk en kon verstrekkende
consequenties hebben. Wie als onderduiker gepakt werd was een z.g. strafgeval
en werd niet alleen naar Westerbork gestuurd, maar bovendien op de kortste termijn
vandaar naar "Polen".
Bij de afweging moest men óf ervan uitgaan dat de kerkelijke verklaring en het
op "de lijst" staan voldoende bescherming bood (ondanks alle twijfel daaraan),
óf de stap van de onderduik wagen, met weer heel andere risico's daaraan verbonden.
Het was een dilemma dat ook gold voor de "gemengd-gehuwden".
Een ander punt van overweging kon zijn: er zijn te weinig onderduikadressen
beschikbaar; welnu, mag ik, die tot een tenminste enigszins beschermde groep
behoor, de onderduik-plaats innemen van iemand, die anders geen enkele bescherming
heeft?
<127>
Zoals bekend hebben verreweg de meeste "gemengd-gehuwden" de oorlog overleefd zonder
onder te duiken. Een enkel "gemengd-gehuwd" echtpaar waagde het zelfs een Joods
familielid bij zich te laten onderduiken.
Wat de twee lijsten (die van de kerken en die gebaseerd op gegevens uit het
bevolkingsregister) betreft: kort na de hierboven aangehaalde brief, op 15 oktober
1942, schreef dr. Van Dijk aan de Amsterdamse predikant P.N. Kruyswijk: "Het
bevolkingsregister beslist!" [9.8]
d. Schmidt en Rauter
"Het bevolkingsregister beslist". Maar hoe zat het dan met de toezeggingen, gedaan
door Schmidt en Buhner?
Er bestond een scherpe tegenstelling tussen twee van Seyss-Inquarts naaste
medewerkers. F. Schmidt was zijn Generalkommissar zur besonderen Verwendung en
vertegenwoordigde de belangen van de partij (de NSDAP). De SS-er H.A. Rauter,
Generalkommissaris fur das Sicherheitswesen, stond wel onder Seyss-Inquart,
maar rapporteerde bovendien rechtstreeks aan de Reichsfuhrer-SS, de gevreesde
Himmler, wiens bewonderaar Rauter was. Het ligt voor de hand dat zich tussen
Schmidt en Rauter een competentiestrijd ontwikkelde. Ze werden elkaars verklaarde
tegenstanders.
Toen Schmidt vóór de inrichting van een ghetto in Amsterdam was, verklaarde Rauter
zich tegen. Herzberg beschrijft hoe de vete tussen de twee ertoe bijgedragen heeft
dat de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, K.J. Frederiks, het gedaan kreeg
zeshonderd Joden - de "Barnevelders" - voor lange tijd in Nederland te houden: "Rauter
was er tegen, en dus was Schmidt er voor."
Wat betreft de deportatie van "gemengd-gehuwde" Joden wilde Seyss-Inquart (ja,
zelfs Hitler) behoedzaam optreden, zolang de oorlog voortduurde: het diende
voorkomen te worden dat de niet-Joodse partners te zeer in onrust geraakten. Rauter
was daar tegen: allen moesten weg.
De Hervormde dr. W.J. de Wilde kwam zich eens beklagen bij Schmidt over het feit
dat gedane beloften telkens gebroken werden. "Rijkscommissaris en SS staan vierkant
tegenover elkaar, en als u iets belooft, verbiedt Rauter het weer", zei hij. "So
ist 's genau", antwoordde Schmidt laconiek.
<128>
Seyss-Inquart had bij monde van Schmidt beloofd, dat de Joden-Christenen (later
beperkt tot de Protestantse) niet gedeporteerd zouden worden. Rauter zou het
liefst alle Joden-Christenen gedeporteerd hebben. En Rauter was belast met de
uitvoering van de deportaties.
Zoals we hierboven gezien hebben, was met Schmidt overeengekomen dat ook zij'
die kerkelijk onderricht volgden en/of regelmatig kerkdiensten bijwoonden
(categorieën 2 en 3) zouden worden vrijgesteld, terwijl als beslissende datum
1 januari 1941 zou gelden. Maar Rauter accepteerde dat niet: categorieën 2 en 3
golden voor hem niet en als datum hield hij 9 mei 1940 aan: men diende vóór
9 mei 1940 gedoopt en sinds die tijd lid van een Christelijke kerk gebleven te
zijn. Dat moest blijken uit de gegevens van de Burgerlijke Stand.
Door de vertegenwoordigers van de kerken is er toen telkens onderhandeld en
geprotesteerd. Touw geeft een en ander uitvoerig weer. Het had weinig resultaat.
Ds. Van Nes heeft, zoals we hierboven al memoreerden, voor het hoofdstuk dat
hij in "Delleman" schreef een citaat gebruikt uit zijn eigen rapport dat gedateerd
was 9 sept. 1942:
Wat moeten wij dankbaar zijn dat de Duitse autoriteiten de bepalingen voor de
Christen-Joden hebben willen uitbreiden, (...). Hoe is daardoor ook onder de
Joden een zeker getuigenis uitgegaan, dat Christus de Zijnen beschut!
Dat citaat staat bij Delleman op pagina 159. Maar op pagina 161 schreef dezelfde
ds. Van Nes:
Groot is de teleurstelling geweest, die op de uitreiking der "Angehörigkeits"-
verklaringen is gevolgd. De Duitsers toch hebben hun gegeven woord verbroken,
en vele Joodse personen, die zich zo verheugd hadden over de ontvangen verklaring
der kerk, die meenden, daardoor gevrijwaard te zijn voor deportatie, werden
opgeroepen en weggevoerd, eerst naar Vught of Westerbork en later zelfs verderop,
naar het Oosten van Europa.
De Duitse instanties waren onderling verdeeld ten opzichte van de behandeling
der Joden en werkten elkaar tegen. En alle pogingen, die aangewend werden, om
te komen tot eenheid van handelen en tot rechtvaardige handhaving van de gemaakte
bepalingen, bleken vruchteloos. Slechts bij uitzondering gelukte het, reeds
weggevoerden nog terug te doen keren.
<129>
Ds. Van Nes heeft daarbij niet uitgelegd, hoe hij dit heeft kunnen rijmen met
de uitspraak "dat Christus de Zijnen beschut". Hij is er evenmin toe gekomen
de andere optimistische klanken van p. 159 (alle stammend uit het rapport van
9 sept. 1942) enigszins in overeenstemming te brengen met de sombere tonen op p. 161.
e. Westerbork en daarna
Ook de Protestants-gedoopte Joden-Christenen moesten ten slotte - sommigen al
zomer 1942, anderen voorjaar 1943 - naar Westerbork, het merendeel hunner nadat
ze enige tijd in Vught hadden gezeten.
In Westerbork werden ze ondergebracht in een aparte barak, no. 73. 's Zondags
werden er godsdienstoefeningen gehouden. De meeste diensten werden geleid door
ds. S.P. Tabaksblatt of door ds. M. Enker, als voorgangers benoemd door de
Hervormde Synode. Maar B. Benfey die van Duitse afkomst was, wist - zo vertelt
ds. Tabaksblatt - van de SS in Den Haag gedaan te krijgen dat voortaan de diensten
op de eerste zondag in de maand door hem gehouden zouden worden.
Toen wij op genoemde zondag (5 maart 1944) de zaal binnenkwamen, vonden wij deze
mooi versierd en nadat Benfey met de dienst begonnen was, werd deze door een
filmoperateur verfilmd. Enker en ik verlieten bij deze verfilming de zaal...
De daarop volgende woensdag 8 maart werden wij beiden bij de commandant geroepen
om verantwoording af te leggen van ons "verraderlijk gedrag", zoals Gemmeker
dat noemde. Hij zag ons verlaten van de dienst als een demonstratief optreden
met het doel om de gemeente mee te krijgen en op die manier zijn bedoelingen
te dwarsbomen. Hij beschuldigde ons van "insubordinatie" en noemde ons saboteurs,
die voor ons onbehoorlijk gedrag de juiste straf zouden krijgen: straftransport
naar Polen...
Beiden kwamen inderdaad in de strafbarak terecht, stonden twee dinsdagen achtereen
klaar voor het transport maar werden op het laatste nippertje, vóór het vertrek
van de trein, teruggehaald. [9.996]
Van ds. Max Enker is een brief bewaard gebleven van drie kantjes, met potlood
geschreven. De kopie in mijn bezit is voor een groot deel nauwelijks leesbaar.
De brief was gericht aan dr. W.J. de Wilde die een tijdlang secretaris van de
Hervormde Synode was. Een citaat:
<130>
Weest U ervan verzekerd dat, als de verkondiging van het Woord in deze tijd meer
duidelijkheid vereist, diegenen onder ons, die werkelijk onze Heer angehörig zijn,
bereid zijn, desnoods, in vertrouwen op die Heer, naar Polen te gaan. [9.10]
De brief was gedateerd 5 maart 1943. Kort daarvoor, op 24 februari, was van de
kansels in de Hervormde plaatselijke kerken het protest afgelezen dat door ons
in hfdst. 7 besproken werd (geen medewerking verlenen aan daden van onrecht).
In het moeilijke dilemma: publiekelijk zwijgen en zo (misschien) levens redden,
óf spreken maar daarbij levens op het spel zetten, had ds. Enker duidelijk gekozen,
ofschoon ook zijn eigen leven op het spel stond.
Had men als Joden-Christen dan in Westerbork een zekere bescherming tegen
wegvoering naar een van de vernietigingskampen? In zekere mate. De kerken hadden
door middel van de Joodse Raad vernomen, dat, tenzij men vóór 9 mei 1940 gedoopt
was, in Westerbork het bewijs dat men tot een kerk behoorde volslagen waardeloos
was... [9.11] Was men wel vóór die datum gedoopt, dan gaf dat bewijs wel een
zekere bescherming, tenzij men een "strafgeval" was, en dat werd men al gauw.
Wielek schreef:
De synode werd trouwens meer en meer één der organen die voor de nog overblijvende,
niet alleen gedoopte, Joden op de bres stonden. Was iemand strafgeval, dan kon
een doopbewijs hem niet redden. Was iemand ont-S-t, dan betekende een doopbewijs
voor hem: niet doorgestuurd worden naar Polen. [9.12]
Voor de groep als geheel dreigde acuut gevaar nadat de geallieerden, op 6 juni 1944,
waren geland in Normandië. Op zaterdag 12 juni vroeg de beruchte Rauter aan de
kerken hun toestemming om de Joden-Christenen van Westerbork naar Theresienstadt
over te brengen. Daar zou het, in geval de Wehrmacht Westerbork zou willen ontruimen,
veiliger voor hen zijn. De kerken zouden een vertrouwensman mee mogen laten gaan.
De kerken vroegen drie dagen bedenktijd, maar weigerden reeds de volgende dag, zich
beroepend op eerder door Seyss-Inquart gedane beloften. Mocht de situatie rondom
Westerbork in verband met de invasie onveilig worden, dan diende men de betrokkenen
niet naar Theresienstadt over te brengen maar hen vrij te laten; aldus de kerken.
<131>
Begin september 1944 werden desondanks de Joden-Christenen van Westerbork naar
Theresienstadt gevoerd, zonder kerkelijke vertrouwensman. De kerken zonden daarop
een protest-telegram naar Seyss-Inquart. Voor de eerste en enige keer stuurde deze
een antwoord, en wel op 5 september; dolle dinsdag! Het geeft je een soort schok
als je de brief met de oorspronkelijke handtekening van de man zelf in het archief
tegenkomt. Touw en Delleman hebben de brief in zijn geheel gereproduceerd.
De Rijkscommissaris erkende, indertijd de belofte gegeven te hebben dat een aantal
Joden in Nederland zou blijven, in leder geval niet naar het Oosten zou worden
overgebracht. Voorts herinnerde hij aan het voorstel dat hij via Rauter gedaan
had en aan de weigering van de kerken. Maar, als dit land nu toneel van militaire
acties zou worden, dan zou hij niet kunnen beletten dat de betrokkenen weggevoerd
zouden worden. Maar bij Himmler had Seyss-Inquart tenminste nog kunnen bereiken,
dat het transport naar Theresienstadt zou gaan.
Volgens Herzberg was aldaar het leven relatief nog draaglijk "en vandaar zijn
de meeste geïnterneerden - voorzover zij niet ter vergassing naar Auschwitz zijn
gezonden, hetgeen met de gedoopte Joden inderdaad niet het geval is geweest - ook
teruggekeerd." Iemand als ds. Tabaksblatt evenwel is, met zijn gezin, ook in
Theresienstadt maar ternauwernood ontkomen aan doorzending naar een vernietigings-
kamp. [9.14]
Er valt nauwelijks aan te twijfelen of de Protestantse Joden, en ook de "gemengd-
gehuwden", zouden ten slotte gedeporteerd zijn als Hitler de oorlog gewonnen had.
Maar Hitler verloor en de "gemengd-gehuwden" bleven voor het grootste gedeelte in
leven.
Uiteindelijk kwamen er ruim 400 Protestantse Joden-Christenen terug naar Nederland.
Zij hadden het overleefd. Voor zover Protestantse Joden-Christenen "gemengd-gehuwd"
waren, bleef op die basis hun vrijstelling gelden en werden zij niet gedeporteerd.
f. Bep Blok
<132>
Ze wilde gedoopt worden, maar ze wilde niet vanwege haar doop gevrijwaard worden
van deportatie.
Ds. Buskes vertelde over haar in zijn autobiografie. [9.15] Bep Blok wilde gedoopt
worden opdat zij, als zij opgepakt zou worden, erbij zou horen, bij de gemeente.
De dienst tijdens welke ze gedoopt werd, is gehouden in de dagen, toen overal de
bordjes "Joden niet gewenst" aangebracht werden. Velen verklaarden zich bereid
haar bij zich te laten onderduiken, maar Bep weigerde.