8. STERILISATIE; DE, "Joden-GOD";
DE "GEMENGD GEHUWDEN"
a. De situatie (begin mei - november 1943)
Op 7 mei werd bekendgemaakt dat alle mannen van 18 - 35 jaar zich bij de Arbeids-
bureaus zouden moeten melden, voor tewerkstelling in Duitsland. Een week later
kwam het bevel tot inlevering van alle radio's. De Engelsen bombardeerden met
succes twee stuwdammen in Duitsland, waardoor grote schade werd aangericht.
Op 9 juli landden de geallieerden op Sicilië; vrij snel daarna (25 juli) werd
Mussolini afgezet. Op 8 sept. volgde de capitulatie van Italië en de dag daarop
landden de geallieerden bij Salerno; de Engelsen waren definitief terug op het
vasteland van Europa.
Die zomer lanceerden de Duitsers een groot offensief in Rusland en boekten
aanvankelijk enige terreinwinst; maar het offensief liep vast, de Russen begonnen
hun tegenaanval en heroverden op 8 november de stad Kiew.
In het verre Oosten maakten de Amerikanen gestadig vorderingen; 20 november
landden ze op de Gilbert-eilanden.
10 mei (1943): Drie jaar hebben we nu oorlog. Drie jaar van onderdrukking,
bezetting, slavernij, bloed en tranen. Het lijkt onoverkomelijk, als men alles
van te voren zou weten; toch is ons gezinsleven nog betrekkelijk normaal, en
kunnen we zelfs op z'n tijd nog echt plezier hebben en lachen.
Zaterdagmorgen werd er bekendgemaakt, dat alle mannen van 18 - 35 jaar zich
voor de "Arbeidsinzet" moeten melden. Nu zijn onze jongens eindelijk ook de pier.
Enfin, ze zullen geen gemakkelijke aan ons hebben. In het begin waren we nogal
ontdaan, maar bij nader inzien beschouwen we deze maatregel als de laatste stuip-
trekkingen van het wilde beest. Want zaterdagmorgen werd er nog een ander bericht
bekendgemaakt: n.l. de val van Tunis en Bizerta.
13 mei: Thee surrogaat en juspoeder zijn nu ook op de bon.
19 mei: Drie jaar hebben we gewacht, gewacht... en nu eindelijk lijkt bet zo
dichtbij. Misschien duurt het nog een half jaar, een jaar, maar het kan haast
niet meer. Zo lang houden we het nu niet meer uit.
23 mei: Dinsdag moeten de jongens zich melden die in '22 en '23 geboren zijn.
Nu is eindelijk één van onze jongens de klos n.l. Wim. Natuurlijk zal bij zich
niet gaan melden. Dat wordt onderduiken.
<112>
Zoals reeds in het vorige hoofdstuk vermeld, werd per 14 mei 1943 aan alle Joden
het verblijf in Amsterdam verboden tenzij men een speciale vrijstelling had.
Op 25 juli werd er een geheim bericht door de Sicherheitsdienst naar Berlijn
gezonden: "Van de 140.000 Joden in Nederland zijn er thans 102.000 weg, waarvan
72.000 gedeporteerd...'
Nu ging de aandacht zich richten op de groepen waarvan de deportatie nog was
uitgesteld. Daartoe behoorden de "gemengd-gehuwden". Er waren er in Nederland
ruim 12.000, waaronder ongeveer 1500 mannen en ruim 1000 vrouwen die geen kinderen
hadden, De kinderloze gemengd-gehuwden moesten naar Westerbork gevoerd worden,
maar wat betreft de overige gemengd gehuwden diende er "naar vrijwillige
sterilisatie gestreefd te worden", aldus W. Harster, bevelhebber van de
Sicherheitsdienst. Als bewijs van de "vrijwilligheid" zouden de betrokkenen
dienaangaande een schriftelijke verklaring hebben af te leggen.
Op 13 augustus werden de patiënten van het Nederlands Israëlietisch Ziekenhuis
te Amsterdam naar Westerbork gedeporteerd. Op 29 september werden er nog 3000
Joden te Amsterdam opgehaald die tot nader order van deportatie vrijgesteld
waren geweest; onder hen de twee voorzitters van de Joodse Raad. Hun werk was
afgelopen.
b. Mooi Nederlands, geschreven in het Duits
De gemengd-gehuwden die al in Westerbork waren (600 zonder, maar 103 met kinderen)
werden op 14 mei voor de "vrijwillige" keus gesteld: sterilisatie of deportatie.
Het hele kamp sprak over de nieuwe maatregel, en vermoedelijk daardoor kwam de
zaak ter ore van het te Amsterdam gevestigde "Advies-bureau ten bate van niet-
Arische christenen", waarvan de Hervormde predikant dr. J. Koopmans de drijvende
kracht was. Indertijd had hij de hier eerder vermelde brochure Bijna te laat
geschreven.
Koopmans nam onmiddellijk contact op met de vertegenwoordigers van de kerken in
het I.K.0. Men verzocht hem, een concept op te stellen hetwelk hij zonder dralen
deed.
Vaak malen kerkelijke molens langzaam, maar ditmaal was dat niet het geval. Het
protest tegen de sterilisatie werd door alle leden van het I.K.O. goedgekeurd,
ondertekend en vervolgens aan Seyss-Inquart gezonden. Het was gedateerd 19 mei
1943, en luidde als volgt:
<113>
Na al hetgeen waartegen de Christelijke Kerken in Nederland zich in de jaren der
bezetting reeds gedwongen hebben gezien bij Uwe Excellentie ernstige bezwaren in
te brengen, met name als het ging om de Joodse burgers van ons land, gebeurt er
op het ogenblik iets zo ontzettends, dat wij onmogelijk kunnen nalaten in de
Naam van onze Heer een woord tot Uwe Excellentie te richten.
Wij hebben ons reeds beklaagd over verschillende daden van de bezettende macht,
die indruisen tegen de geestelijke grondslagen van ons volk, dat sinds de tijd
van zijn ontstaan althans getracht heeft met zijn regering onder het woord van
God te leven.
Nu heeft men in de laatste weken een begin gemaakt met de sterilisatie van de
zogenaamd gemengd gehuwden. Maar God, die hemel en aarde geschapen heeft en wiens
gebod voor alle mensen geldt, voor wie ook Uwe Excellentie eenmaal rekenschap
zal moeten afleggen, heeft tot de mens gezegd: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt
u (Gen. 1: 28). De sterilisatie betekent een verminking naar lichaam en ziel, die
lijnrecht in strijd is met het goddelijk gebod, dat wij de naaste niet zullen
"onteren, haten, kwetsen of doden". De sterilisatie betekent een schennis zowel
van goddelijke geboden alsook van menselijk recht. Zij is de uiterste consequentie
van een antichristelijke en volksvernietigende rassenleer, van een mateloze
zelfverheffing, van een wereld- en levensbeschouwing die een waarlijk christelijk
en menselijk leven onmogelijk maakt.
Gij, Excellentie, zijt op het ogenblik in Nederland in feite de hoogste politieke
autoriteit. Aan U is het, zoals de zaken thans staan, toevertrouwd recht en orde in
dit land te handhaven - toevertrouwd niet alleen door de leider van het Duitse Rijk,
maar krachtens een ondoorgrondelijke beschikking ook door die God, die de Christelijke
Kerk op aarde verkondigt. Voor U gelden, op dezelfde wijze als voor alle andere
mensen, maar nog in het bijzonder omdat Gij nu eenmaal deze hoge plaats bekleedt,
de geboden van de Heer en Rechter der gehele aarde.
Daarom zeggen de Christelijke Kerken in Nederland in opdracht van God en op grond
van Zijn Woord tot Uwe Excellentie: het is de plicht van Uwe Excellentie de
schandelijke praktijken dergenen, die de sterilisatie toepassen, te verhinderen.
Wij maken ons geen illusies. Wij zijn ons wel bewust, dat wij nauwelijks kunnen
verwachten dat Uwe Excellentie acht zal geven op de stem der Kerk, dat is op de
stem van het Evangelie, dat is op de stem van God. Maar wat men menselijkerwijs
gesproken niet kan verwachten, dat mogen wij in het christelijk geloof hopen.
De levende God heeft macht ook het hart van Uwe Excellentie te neigen tot bekering
en gehoorzaamheid. Dat bidden wij dus van God, Uwer Excellentie en ons lijdend
volk ten goede.
<114>
De woorden "de naaste niet onteren, haten, kwetsen of doden" zijn een aanhaling
uit het antwoord van de Heidelbergse Catechismus (zondag 40) op de vraag: "Wat
eist God in het zesde gebod"? (Gij zult niet doden).
De Oud-Katholieke aartsbisschop schreef kort daarop (8 juni) aan ds. Gravemeyer:
(...) Hedenmorgen ontving ik van particuliere zijde een afschrift van een "protest"
van 9 kerken in zake de sterilisatie-zaak. Tegelijkertijd verneem ik, dat zelfs
Rooms-Katholieken er hun bevreemding over uitspreken en het betreuren, dat onze
kerk niet onder de ondertekenaars behoort. Mijn medebisschoppen en ik moeten dit
van harte beamen: wij behoorden eveneens daaronder te staan... [8.1]
Daarop stuurden de bisschoppen van de Oud-Katholieke kerk een brief aan de
Rijkscommissaris waarin zij hun instemming met het protest tegen de sterilisatie
betuigden.
Het protest werd niet vanaf de kansels voorgelezen, wel aan alle kerkenraden
toegezonden. De Gereformeerde deputaat dr. A.A.L. Rutgers voorzag het stuk
van de aantekening: "Dit adres is niet bestemd voor publicatie of voor mededeling
van de kansel; overigens is geheimhouding niet vereist maar acht ik het zelfs
gewenst, dat de gemeente kennis draagt van dit adres."
Touw wijst erop, dat de toon van het protest wel een heel andere was dan die van
het eerste request over de maatregelen tegen de Joden (okt. 1940). Hij acht "dit
profetisch getuigenis een der aangrijpendste documenten uit de gehele strijd der
kerk tegen het goddeloze nationaal-socialisme. De toon doet denken aan die van
de grootste documenten uit klassieke tijden: aan Guido de Bres, aan John Knox."
Herzberg vindt dat het "tot het mooiste Nederlands behoort dat ooit in het Duits
is geschreven." [8.2]
Ook ditmaal kwam er geen rechtstreeks antwoord van Seyss-Inquart, maar zijn
voornaamste Sachbearbeiter op kerkelijk gebied, prof. H. Nelis, deelde mee dat
de sterilisatie op basis van vrijwilligheid plaatsvond, dat Rauter ermee belast
was en de kerken zich dus tot hem dienden te wenden. Waarop de kerken nogmaals
aan Seyss-Inquart een brief gestuurd hebben waarin zij schreven dat zij "Uwe
Excellentie beschouwen als de uiteindelijk verantwoordelijke voor alles wat in
ons land gedurende de bezettingsjaren geschied is en nog geschiedt."
<115>
c. De Joden-God" en de "Joden-bijbel"
Een voorbeeld van wel langzaam malende kerkelijke molens was de ontstaansgeschiedenis
van het tweede Hervormde Herderlijk schrijven. In oktober 1942 besloot de Hervormde
Synode al tot een geschrift, waarin de tegenstelling tussen het Christelijk geloof
en het nationaal-socialisme duidelijk zou worden uiteengezet.
Het concept was, op verzoek van dr. K.H. Miskotte, geschreven door ds. R. Bijlsma.
Door allerlei omstandigheden (aldus Touw) duurde het geruime tijd eer het gereed was.
Op 30 mei 1943 werd het besproken in de Algemene Synodale Commissie, die het stuk
ter uiteindelijke beslissing aan de Synode zond; ds. Gravemeyer had het direct
willen doen uitgaan naar de gemeenten. De Synode besprak het op 19 juli, waarbij
wel diverse bezwaren gemaakt werden; o.a. werd opgemerkt dat het nationaal-
socialisme toch al aan het afbrokkelen was... Anderen daarentegen vonden het een
voortreffelijk stuk. Ten slotte besloot men met algemene stemmen om het te doen
uitgaan naar kerkenraden en predikanten. Op 25 oktober 1943 werd meegedeeld, dat
alle exemplaren verzonden waren.
De Herderlijke Brief, getiteld "Christelijk geloof en Nationaal Socialisme",
bespreekt, na een uitvoerige inleiding, de onderwerpen:
1. Een andere God; 2. Een andere zedelijkheid; 3. Het antisemitisme; 4. Het
volk; 5. Bloed en bodem; 6. De staat; waarna het besluit met het concluderende
"Een onverzoenlijke tegenstelling", waarop dan nog een beschouwing over "opzicht
en tucht" volgt.
Het hele schrijven is ongemeen boeiend, zeker wanneer men zich tijdens het lezen
rekenschap blijft geven van het feit dat het onder Duitse bezetting opgesteld,
goedgekeurd, en verspreid is. Toch nemen we hier alleen het gedeelte over het
antisemitisme over:
Het scherpst is deze "andere God" en deze "andere zedelijkheid" te herkennen in
het principieel antisemitisme. Dat het volk Israël met fanatieke hartstocht wordt
gehaat, vervolgd en met voorbedachten rade planmatig uitgeroeid is, is een
verschijnsel dat zich in deze vorm in de geschiedenis nog niet heeft voorgedaan;
het zijn dan ook tenslotte geen strategische, economische, culturele gronden
die daarvoor kunnen worden aangevoerd; het zit dieper en dat moet de Kerk goed zien.
<116>
De grondeloze en mateloze haat tegen de Joden is een uitvloeisel van de natuurlijke
afkeer, die men ondervindt tegenover de "Joden-God" en de "Joden-Bijbel". Deze
smaad en deze laster in vele geschriften verbreid en tot de geestelijke spijze
van miljoenen gemaakt (wel te verstaan onder een staatsvorm, waarin de Staat en
de Staat alléén verantwoordelijk is en verantwoordelijk wil zijn inzake de
voorlichting van het volk, waarbij dus nimmer, als onder een democratisch
staatsbestel, aan de willekeur van particuliere personen of groepen kan worden
toegeschreven wat er publiekelijk wordt gesproken en geschreven) behoort voor
de christelijke Kerk een onmiskenbaar bewijs te zijn dat het geloof zelf in
zijn diepste fundamenten wordt aangetast.
De Kerk mag zich niet ontveinzen, dat ook in dit opzicht een schriftuurlijke
voorlichting der gemeente dringend noodzakelijk is; want er zijn nog steeds
gemeenteleden, die weliswaar de systematische verdelging van onze Joodse
medemensen en medeburgers verafschuwen, maar anderzijds hun natuurlijke afkeer
van de Jood rechtvaardigen met het oordeel Gods. Dat Israël, ofschoon het Jezus
als de Messias niet erkend heeft, ons veel meer verwant is in herkomst en
belijdenis van het heldendom, dat zich opwerpt als zijn bestraffer, verstaan
sommigen niet helder genoeg. Het raadsel van de Joden en hun tijdelijke
verharding mag nimmer dienen als motief om dit antisemitisme goed te praten;
dat God een zaak heeft met de Joden, betekent niet dat wij en anderen, die
van nature heidenen zijn, nu ook een zaak met hen zouden hebben. De waarschuwing
van Rom. 11: 20 (n. b. tot christenen!): "wees niet hoog gevoelende, maar vrees",
moet steeds haar volle kracht blijven behouden. In het antisemitisme leeft zich
de hoog moedige levenshouding uit, die bij christenen (laat staan bij heidenen!)
vooral in crisis-tijden alle bezinning overwoekert, zelf een nieuw farizeïsme
kweekt en tenslotte in een volkomen verharding tegenover Gods oordeel en genade
overgaat. Omdat de kiem daarvan ook in ons allen leeft, daarom kan deze
verschrikkelijke zonde alleen maar en telkens weer door het geloof in Christus'
verzoenende gerechtigheid overwonnen worden.
Inderdaad, dit was een voortreffelijk stuk; niet alleen het door ons geciteerde
gedeelte over het antisemitisme. Maar juist in dat gedeelte treft me weer het
woord "verharding". We kwamen dat woord al eerder tegen, nl. in het memorandum
waarmee ds. Buskes het antisemitisme (en de noodzaak er iets tegen te doen!)
in het Convent van Kerken aan de orde stelde. Het is een woord, indertijd door
de apostel Paulus gebruikt: "Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt
zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis: een gedeeltelijke verharding
is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal
gans Israël behouden worden" (Romeinen 11:25, vert. NBG).
<117>
Wat heeft Paulus bedoeld, en hoe functioneerden zijn woorden bij de schrijver
van de herderlijke brief? Zelfs een poging deze vragen hier te beantwoorden zou
ons te ver voeren. Daarom beperken we ons tot de opmerking dat we het gebruik
van het woord verharding in de herderlijke brief betreuren, en evenzo de
uitdrukking "dat God een zaak heeft met de Joden".
Touw bericht dat de invloedssfeer van dit stuk soms beperkt was: de risico's
die aan de publicatie ervan verbonden waren, verhinderden een algemene
verspreiding. Het stuk was geadresseerd aan de kerkenraden en soms durfde
men de herderlijke brief niet te bespreken. Eens zelfs weigerde de voorzitter
van de kerkenraad bespreking, de brief werd opgeborgen in een trommel met een
letterslot en lag daar ter inzage van kerkenraadsleden. Op andere plaatsen
evenwel werd het herderlijk schrijven terdege bestudeerd en doorgegeven, op
bijbelkringen, cursussen en jeugdsamenkomsten. Ook werkte het veelszins door
in de prediking.
Het Algemeen Handelsblad (30 maart 1944) besprak de brief in een uitvoerig
artikel: "onschriftuurlijk, onwaardig en verblind". Touw daarentegen acht de
herderlijke brief een der hoogtepunten van het kerkelijk verzet. "Dit stuk had
voor de geestelijke strijd tegen de bezetter geen mindere betekenis dan een
jaargang van de zo fel vervolgde ondergrondse pers."
d. "Gemengd-gehuwde"Joden
Een andere Duitse maatregel maakte het de niet-Joodse partner in een "gemengd
huwelijk" mogelijk om zich via een eenvoudige procedure van de Joodse partner
te laten scheiden. Ook hiertegen hebben de kerken die verenigd waren in het
I.K.O. scherp geprotesteerd, in een brief aan Seyss-Inquart gedateerd 14 oktober
1943:
Meer dan eens hebben de Christelijke Kerken in Nederland zich tot Uwe Excellentie
gewend in aangelegenheden betreffende de Joodse burgers van ons land, die van
oudsher in Nederland gevestigd en in ons volksleven opgenomen waren. Uw Excellentie
heeft gemeend, naar het dringende woord van vermaan van de Kerken niet te moeten
horen.
<118>
In de laatste tijd zijn de meeste van onze tot nu toe nog in zekere vrijheid
levende Joodse medeburgers weggevoerd. Voor deze als ook voor de zeer kleine
groep, die nu nog over is, wordt een dringend beroep gedaan op Uwe Excellentie
om hen niet allen uit Nederland te laten wegvoeren, maar veeleer hun in Nederland
een bevoorrechte behandeling toe te staan.
Verder zijn de Kerken ernstig verontrust in verband met de tekenen die er op
wijzen, dat men van Duitse zijde nu aan het probleem van het zogenaamde gemengde
huwelijk opnieuw bijzondere opmerkzaamheid wijdt, en dat een van de overheid
bewerkte scheiding althans bij een aantal dezer huwelijken in de bedoeling ligt;
deze bedoeling kan, gelijk ook bij de sterilisatie geschiedde, door een
voorgewende vrijwilligheid als meer onschuldig voorgesteld worden.
De Kerken roepen ook nu Uwe Excellentie op 't nadrukkelijkst toe: De weg der
ontbinding van het huwelijk mag niet betreden worden.- De Here Jezus zegt -
en Hij zegt het niet slechts tot Zijn Kerk maar tot heel de wereld, ook tot
Uwe Excellentie - Wat God samengevoegd heeft, scheide de mens niet" (Mattheus 19:6).
De Kerken doen derhalve een zeer dringend beroep op Uwe Excellentie, om deze
kleine, tot nu toe ook reeds voor uitzonderingsbepalingen in aanmerking komende
groepen, nu ook in de in de laatste tijd voor enigen van ben geopende mogelijkheid,
om van bepaalde, voor Joden geldende beperkingen bevrijd te worden, te laten delen.
De om menigvuldige redenen groeiende onrust en verontwaardiging kunnen niet afnemen,
als voortgevaren wordt met maatregelen, die het Nederlandse volk in zijn diepste
religieuze en morele gevoelens kwetsen.
De toon van dit protest is krachtig; de argumenten zijn deels ontleend aan de
bijbel, deels ook gebaseerd op algemene overwegingen die Seyss-Inquart meer zullen
hebben aangesproken. Men proeft er, evenals in het protest tegen de sterilisatie,
sterke gevoelens van verontwaardiging in.
Toen het leek alsof de Rijkscommissaris zich aan eenmaal gedane beloften zou
onttrekken, kwamen de Kerken nogmaals op voor de "gemengd-gehuwden", in een
brief gedateerd 17 maart 1944, en op 1 april 1944 zonden ze een telegram,
diezelfde dag nog gevolgd door een uitvoeriger brief.
Heeft het allemaal iets geholpen? Misschien wel. In ieder geval hebben de
meeste "gemengd-gehuwden" het Duitse schrikbewind overleefd. Ofschoon Rauter
vond dat eigenlijk alle gemengd-gehuwden met een Joodse mannelijke partner
naar het Oosten moest verdwijnen: "Wir werden mit diesen Fallen sonst ewig
Schwierigkeiten haben." [8.3]
<119>
Maar men was bezorgd voor reacties vanuit de Nederlandse bevolking. Ook het
feit dat een nederlaag voor Duitsland zich steeds duidelijker aftekende, heeft
ongetwijfeld een rol gespeeld.
Wielek noemt "de bemoeiingen der Hervormde Synode- (lees: het Interkerkelijk
Overleg) als de eerste factor - naast twee andere - waaraan het te danken is
dat het grootste deel der gemengd-gehuwden in Nederland mocht blijven. [8.4]
<120>