a. De situatie (januari tot begin mei 1943)
Op 19 januari werd prinses Margriet geboren. Dat was al gauw overal bekend en
was voor velen reden tot grote vreugde.
De slag om Stalingrad eindigde met Duitslands nederlaag (2 febr.); generaal
Paulus werd gevangen genomen. 3 dagen later werd de beruchte Nederlandse generaal
Seyffardt door het verzet doodgeschoten. Omdat er aanwijzingen waren dat studenten
de aanslag gepleegd hadden, werden op 6 februari grote razzia's op studenten
gehouden. Er werden er een 600 gegrepen.
Op 25 maart weigerden de Nederlandse artsen om lid van de Artsenkamer te worden.
Op 27 maart werd het Amsterdamse bevolkingsregister in brand gestoken.
Leden van het overkoepelende "Nationale Comité" (waaronder dr. J.J.C. van Dijk)
werden op 1 april gearresteerd. Op 29 april maakte generaal Christiansen bekend
dat alle ex-militairen terug zouden worden gevoerd in krijgsgevangenschap.
Bovendien zouden nieuwe lichtingen jongemannen worden opgeroepen om in Duitsland
te gaan werken. Daarop braken (30 april) stakingen uit in het gehele land.
Op 1 mei werd in het gehele land het standrecht afgekondigd. Op verschillende
plaatsen werden stakenden in de daarop volgende dagen geëxecuteerd.
19,jan.: Leningrad is ontzet. Ik ben er stuk van gewoon. Dat is meestal met een
of twee dagen weer over want dan komen er berichten, dat het nog niet zo is en
dan zakt het enthousiasme weer. Maar nu worden de moffen overal teruggeslagen,
en de Jappen ook, en de Prinses (Juliana) is in het ziekenhuis (voor de bevalling)
en ik ben ook zo vreselijk blij dat we muisjes hebben.
29 jan.: De rantsoenen van vlees en melk zijn weer verminderd: vlees krijgen we
nu 175 g. per week met been, dat is ± 135 g. zonder been. En taptemelk 3/4 1.
per dag met z'n vieren, zoals bij ons.
7 febr.: Hier in Renkum is door de Grune Polizei huiszoeking gedaan bij
verschillende mensen. In een huis hebben ze 3 Joden gevonden.
<101>
22 febr.: Er worden afschuwelijke dingen verteld over de behandeling van de
mensen in concentratiekampen; ze hebben veel te weinig kleren aan, moeten soms
met het bovenlijf bloot lopen en worden geranseld en gebeuld. Als ze een pakje
krijgen, wordt er soms voor hun ogen wat uitgegapt door de moffen. En de mensen
in Dachau moeten in kalkmijnen werken, en over smalle planken mei kruiwagens lopen.
Heel vaak vallen ze van de planken af en dan krijgt men thuis bericht: "door een
ongeval om het leven gekomen."
28 maart: Verleden week is er bij een zekere Brouwer op de Bennekomse weg een
inval gedaan. Er waren 5 Joden in huis. Nu was er achter zijn huis een overdekte
kuil, waarin ze bij nood konden vluchten, wat ze inderdaad ook deden. Maar de
kerels die kwamen wisten dat er Joden waren, en hebben Brouwer net zo lang op
zijn gezicht geranseld tot hij het zei. Het moet afschuwelijk geweest zijn.
5 april.: Alle Joden, behalve in N. en Z. Holland en in Utrecht, moeten zich
melden in Vught. Ze mogen hun kostbaarheden meenemen ...
30 april.: (Eerst uitvoerig over de staking; wij staken ook: de winkel is op
slot gegaan. Dan:) Voor de aardigheid wil ik even de "zwarte" prijzen van een
paar artikelen memoreren:
boter: 14 - 20 gld./pond
vet: 14 - 25 gld./pond
vlees 3 1/2 - 6 gld./pond
koffie 75 - 90 gld./pond (geven de moffen)
Zojuist hoorde ik dat er aangeplakt staat dat alle zaken morgen gewoon open
moeten zijn, en dat het verboden is zich tussen 20 u. en 6 u. op straat te begeven.
3 mei: Vanmorgen stond er in de krant dat er 17 personen gefusilleerd zijn.
5 mei: Op de Hevea-fabriek zijn er 7 mensen gefusilleerd, wegens staking.
Op 21 januari werden de 1200 verpleegden uit de Joodse psychiatrische inrichting
"het Apeldoornse Bos" gedeporteerd.
Op 1 april werden ook alle gemengd-gehuwde Joodse ambtenaren ontslagen. Op diezelfde
dag moesten de Joden uit de provincie naar het concentratiekamp Vught. In de loop
van deze maand begon ook de "vrijwillige" sterilisatie van Joden die "gemengd
gehuwd" waren.
Vanaf 14 mei was voortaan aan alle Joden het verblijf in Amsterdam verboden, tenzij
uitdrukkelijk van deze maatregel vrijgesteld.
<102>
b. "Wie meewerkt is medeschuldig "
Er zou iets voor te zeggen zijn om nu eerst de gebeurtenissen rondom de Protestants-
gedoopte Joden weer te geven; we komen evenwel op hun lot terug in hfdst. 9 en
vervolgen de chronologische behandeling van de protesten van de kerken.
Het scherpste publieke protest ooit ingediend kwam tot stand mede onder leiding
van de uit zijn gijzeling ontslagen en kennelijk ongebroken ds. Gravemeyer.
De kanselboodschap luidde als volgt:
De gebeurtenissen van de laatste weken nopen de Kerken zich tot de gemeenten te wenden.
Het is de taak der Kerk, hoe zeer ook doordrongen van eigen schuld voor God -
krachtens haar van Christus' wege opgelegde roeping -, haar stem te doen horen,
ook wanneer in het openbare leven de in het Evangelie verankerde beginselen worden
aangetast. Zij heeft zich derhalve reeds meermalen gewend tot de bezettende macht
met ernstig beklag over maatregelen, die bijzonder in strijd zijn met de beginselen
die de grondslagen vormen van ons Christelijk volksleven: gerechtigheid, barmhartig-
heid en vrijheid van levensovertuiging. De kerk zou immers schuldig staan, indien zij
niet de machthebbers erop zou wijzen, dat ook zij aan de Goddelijke Wet onderworpen
zijn. Daarom bracht zij reeds onder de aandacht van de bezettende macht:
de toenemende rechteloosheid;
het ten dode vervolgen van Joodse medeburgers;
het opdringen van een levens- en wereldbeschouwing, die lijnrecht in strijd
is met het Evangelie van Jezus Christus;
de verplichte arbeidsdienst als nationaal-socialistisch opvoedingsinstituut;
het aantasten van de vrijheid van het Christelijk onderwijs;
het gedwongen tewerkstellen van Nederlandse arbeiders in Duitsland;
het ter dood brengen van gijzelaars;
het gevangen nemen en het gevangen houden van velen, o.a. van kerkelijke
ambtsdragers onder zodanige omstandigheden dat reeds een ontstellend aantal
in de concentratiekampen het offer van hun leven moesten brengen.
Thans moet zij opkomen tegen het opjagen, grijpen en wegvoeren van duizenden
jonge mensen.
Aan de andere kant acht de Kerk zich echter geroepen met de meeste nadruk te
waarschuwen tegen haat en wraakgevoelens in het hart van ons volk en haar stem
te verheffen tegen de uitingen daarvan. Niemand mag, naar het Woord van God,
het recht in eigen hand nemen.
<103>
Maar evenzeer hebben zij de roeping ook dit Woord van God te prediken: "Men moet
Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen". Dit Woord geldt immers als richtsnoer
bij alle gewetensconflicten, ook bij die, welke door de genomen maatregelen zijn
opgeroepen.
Dit Woord verbiedt medewerking te verlenen aan daden van onrecht, waardoor men
zich mede aan dat onrecht schuldig zou maken.
De Kerken zullen dit opnieuw onder de aandacht van de Heer Rijkscommissaris
brengen en zij bidden van God, dat en de bezettende macht en ons volk de weg
der gerechtigheid en der gehoorzaamheid aan Zijn Woord mogen gaan.
Het bovenstaande is de versie die van alle kansels afgekondigd diende te worden
in de kerkdiensten op zondag 21 februari. Seyss-Inquart ontving een iets gewijzigde
versie (en in het Duits), gedateerd 17 februari, waarin de kernzinnen gelijkluidend
waren aan het voor te lezen protest. De brief aan de Rijkscommissaris eindigt als
volgt:
Heer Rijkscommissaris, het is in gehoorzaamheid aan haar Heer, dat de Kerken dit
woord tot U moeten richten; zij bidden God, dat Hij U in Zijn weg moge leiden tot
herstel van het zo ernstig geschonden recht in de uitoefening van de Macht.
In dit protest wordt "het ten dode vervolgen van Joodse medeburgers" nadrukkelijk
genoemd, maar "de gebeurtenissen van de laatste weken" noopten de kerken tot dit
protest. De Joden werden al maandenlang opgejaagd en gearresteerd. Het is te
betreuren, dat de krachtige uitspraken in dit protest niet veel eerder van alle
kansels geklonken hebben.
We maken nog een paar kanttekeningen.
De lijst van de acht punten waartegen geprotesteerd werd toont, hoe zeer ons
volk door de bezetters in het nauw gedreven werd. Toch waarschuwden de kerken
tegen "het recht in eigen hand nemen", kennelijk naar aanleiding van de aanslag
op Seyffardt. Het belangrijkste was: in feite riepen de kerken op tot burgerlijke
ongehoorzaamheid. In de brief aan Seyss-Inquart is het zelfs nog iets scherper
geformuleerd dan in de kanselafkondiging: "Om der wille van het recht Gods mag
door niemand enige medewerking worden verleend aan daden van onrecht, omdat men
zich daardoor aan dat onrecht medeschuldig maakt."
<104>
De politie-agenten bijv. die de opdracht kregen om Joden of ondergedoken arbeiders
te arresteren, wisten nu, wat hun plicht was. Eigenlijk wisten ze dat toch al wel,
ook zonder kerkelijke uitspraken, want het ging om een waarheid als een koe. Maar
arglistig is ons hart en een excuus is snel gevonden, vooral als het nakomen van
je plicht je duur kan komen te staan.
c. Niet in de Gereformeerde Kerken afgelezen
Alle bij het I.K.O. aangesloten kerken ondertekenden dit protest, maar de
Gereformeerde vertegenwoordigers vroegen wat betreft de publieke afkondiging
om uitstel. Delleman vermeldt:
De Gereformeerde Kerken hebben zich daarbij niet kunnen aansluiten, aangezien
in het I.K.O. van de zijde der Herv. Kerk het voorstel tot kanselafkondiging
onverwacht werd gedaan, ten einde nog vóór de indiening van het protest de
voorlezing te doen plaatshebben. Van de zijde der Gereformeerde Kerken werd
meegedeeld, dat het niet mogelijk zou zijn aan de kerkenraden tijdig de nodige
mededelingen te doen toekomen; een voorstel om de beslissing een week uit te
stellen werd niet aanvaard. Aangezien het in het voornemen lag van de
Gereformeerde Kerken, dat binnen korte tijd een bidstond zou worden uitgeschreven,
werd in de bidstond van 7 maart 1943 de nood van de wereld en in het bijzonder
de nood van ons volksleven voor de troon van Gods genade gebracht.
Nu achten wij bidden aanbevelenswaardig, maar tijdens de hierboven aangekondigde
bidstond werd nu juist niet gezegd wat er wel in het protest gezegd was:
Nadat diverse plaatselijke kerken naar de redenen voor het niet aflezen geïnformeerd
hadden, stuurde de synode - na raadpleging van deputaten voor de correspondentie
met de Hoge Overheid - een brief naar de kerkenraden, waarin men zich achter de
handelwijze van deputaten stelde en, behalve het reeds bovengenoemde argument,
nog aanvoerde: "een publiek getuigenis dient om principiële redenen slechts in
zeer bijzondere gevallen te geschieden." Bovendien zou het bedoelde adres in
de kerken worden voorgelezen voordat het aan Seyss-Inquart was toegezonden,
"hetgeen in strijd was met de door de kerken tot dusver gevolgde en door ons
als juist geoordeelde praktijk." [7.1] Maar waren dit alle redenen? Ook De
Jong kwam daar niet uit. [7.2]
<105>
Later, in deel 13, noemt de Jong dan een reden die noch door Delleman, noch door
de synodale brief vermeld was: "Ook trof het hen (de Gereformeerden) pijnlijk
dat de Hervormden samen met de kleinere protestantse kerken, maar zonder overleg
met hen, reeds alle nodige stukken hadden opgesteld." [7.3] Helaas ben ik er
niet in geslaagd te weten te komen, uit welke bron de Jong hier put.
Het blijft verwonderlijk dat een militant man als oud-minister van defensie Van
Dijk, die zomer 1942 onmiddellijk tot afkondiging van het telegram had besloten,
nu blijkbaar aan de (te) voorzichtige kant bleef.
Nu is ds. F.C. Meijster stellig betrokken geweest bij de beslissing om ditmaal
niet af te kondigen: het moderamen (bestuur) was daartoe immers, met deputaten
voor de correspondentie met de Hoge Overheid, gemachtigd (zie hfdst. 2, b).
Ds. Meijster was, behalve praeses (voorzitter) van de synode, ook praeses van
de kerkeraad van Rotterdam. In de notulen van een vergadering van die raad, welke
onder zijn leiding stond, vond ik vermeld:
Het adres van 22 februari aan Seyss-Inquart is niet ter kennis van de gemeente
gebracht. Hierover wordt gesproken, alsmede over de bedoeling van de zinsnede:
'Om der wille van het recht Gods mag door niemand enige medewerking worden verleend
aan daden van onrecht, omdat men zich daardoor aan het onrecht medeschuldig maakt'.
Aan ouderlingen en diakenen zal een afschrift van dit adres worden ter hand gesteld.
[7.4]
De bedoeling van de uit het protest geciteerde zinsnede lijkt ons glashelder;
maar om deze aansporing tot ongehoorzaamheid aan de bezettende macht publiekelijk
voor te lezen en eventueel zelf te volbrengen, daar had men blijkbaar moeite mee...
Wegens zijn lid-zijn van het Nationaal Comité (een overkoepelende geheime
organisatie, waarin hij fungeerde als de militaire specialist) werd dr. J.J.C.
van Dijk op 1 april 1943 gearresteerd. Dr. A.A.L. Rutgers volgde hem op in het I.K.O.
Ruim twee maanden na de afkondiging - op zaterdagavond 1 mei - werd ik door twee
agenten gegrepen en opgesloten in de cel van het politiebureau. Ik was na achten
op straat geweest, ofschoon de Duitsers vanwege de uitgebroken staking "avondklok"
hadden gedecreteerd. Gelukkig wisten de agenten niet dat mijn broer (die wist te
ontsnappen) en ik zo juist een oproep hadden aangeplakt om de staking voort te zetten.
<106>
Een van de twee agenten was Gereformeerd. Ik vraag me af of hij de moed zou hebben
gehad om me te laten lopen, als het hierboven besproken protest ("medewerking maakt
medeschuldig") ook in onze kerk was afgelezen.
d. Nog een schep er bovenop
Aukes, de biograaf van mgr. de Jong, verhaalt dat de aartsbisschop in een brief
aan de overige bisschoppen schreef:
Het tempo waarin de gebeurtenissen zich afspelen, is haast niet bij te houden.
Wij sturen daarom een koerier. Eerst zouden alleen de Joden ter sprake gebracht
worden, en nauwelijks was de discussie afgesloten, of er kwam bij het gewelddadig
wegvoeren van studenten en andere jeugdige personen. Wij hebben U daarover reeds
geschreven. Intussen zaten ook de Protestanten niet stil. (Men had in die kring
een request aan de Rijkscommissaris opgesteld). Wij zouden dat niet weten te
verbeteren.
Het was de bedoeling dat dit request door Protestanten en Katholieken van de
kansels zou worden voorgelezen, met een eigen tekst omraamd. De aartsbisschop
vond, dat in die omraming een "uitdrukkelijk verbod tot medewerking aan het
ellendig lot van de talloze onschuldigen" moest worden opgenomen.
Bericht voor woensdag, "op een of andere manier", was gewenst (nl. of de
bisschoppen akkoord gingen). De donderdag was dan voor het afdrukken van het
herderlijk schrijven. Pas 's avonds kon dat klaar komen. "Daarom is het nodig,
dat u nu al begint met de organisatie van het rondsturen. Wij verwachten,
dat ieder uwer vrijdagmorgen (op zijn vroegst donderdagavond na 7 uur) iemand
stuurt om zijn exemplaren te halen. Om tijd te winnen kan deze persoon voor
donderdagnacht logies zoeken in Utrecht. Dan kan hij 's morgens met de eerste
trein vertrekken." [7.5]
Door middel van deze brief krijgen we een indruk van de "logistieke" problemen
die moesten worden opgelost. Drie dagen later schreef mgr. de Jong aan zijn mede-
bisschoppen, dat huiszoeking door de Sicherheitspolizei mogelijk was en dat hij
maatregelen nam om de stukken onvindbaar op te bergen.
Mgr. (...) stelt de vraag wat wij moeten doen, indien bijv. 's avonds zich
bezoek aandient met de bedoeling om het voorlezen te verhinderen. Het is
duidelijk, dat wij allen dan één lijn moeten trekken en wij twijfelen niet,
of wij moeten antwoorden, dat wij ons door niemand laten beletten ons ambt u
it te oefenen, dus voor geen dreigementen op zij gaan.
<107>
Daarom had hij onder het stuk laten zetten, ging de aartsbisschop voort, "dat
de pastoors inzake het voorlezen van herderlijke brieven zich uitsluitend hebben
te houden aan de instructie van hun bisschop." Dan wisten ook zij wat zij casu
quo te doen hadden, zo besloot hij.
Zo werd op zondag 21 februari in alle Rooms-Katholieke kerkdiensten het herderlijk
schrijven voorgelezen. Daarin werd allereerst het volledige protest gericht aan
Seyss-Inquart geciteerd. Daarna volgde:
Dierbare gelovigen! Bij alle onrecht dat geschiedt en het leed, dat wordt geleden,
gaat onze deelneming zeer in het bijzonder uit naar de jeugdige personen die met
geweld uit het ouderlijk huis zijn weggevoerd, alsook naar de Joden, en naar onze
katholieke geloofsgenoten die uit het Joodse volk zijn voortgekomen, die aan zulk
groot lijden zijn blootgesteld.
Bovendien echter gevoelen Wij Ons gegriefd door het feit, dat voor de uitvoering
van de tegen deze twee groepen van personen genomen maatregelen de medewerking
wordt geëist van onze eigen landgenoten zoals van autoriteiten, van ambtenaren,
van bestuurders van inrichtingen.
Beminde gelovigen, het is Ons bekend, in welk een gewetensnood daardoor de
betrokken personen geraakt zijn. Welnu: om alle twijfel en onzekerheid omtrent
dit punt bij u weg te nemen, verklaren Wij met alle nadruk, dat medewerking in
dezen in geweten ongeoorloofd is. En, mocht het weigeren van medewerking offers
van u vragen, weest dan sterk en standvastig in het besef, dat gij voor God en
de mensen uw plicht doet.
Dierbare gelovigen! Machtsmiddelen staan ons niet ten dienste. Des te meer wekken
Wij u op tot het uiteindelijk nooit falende middel van een smekend gebed, dat God
spoedig medelijden moge hebben met Ons en de wereld.
Bij de Gereformeerden was de oproep tot gebed in plaats van de afkondiging van
het protest gekomen. Bij de Katholieken daarentegen kwam het gebed helemaal aan
het eind, na de afkondiging van het protest en van de oproep om niet mee te doen
aan het onrecht. Dat was veel sterker.
De bisschoppen hadden bovendien de klem van de oproep tot dienstweigering op
geen enkele manier afgezwakt. Integendeel, zij hadden die in hun eigen herderlijk
schrijven herhaald en aangescherpt.
<108>
Stokman vermeldt nog: "Ernstige pogingen zijn in het werk gesteld om hen (nl.
politie-agenten die opdracht kregen Joden op te halen) tot een algemeen en
consequent volgehouden weigering van deze opdrachten te brengen, doch dit is
slechts ten dele gelukt. [7.6]
e. Resultaat?
"Ten dele gelukt", dat weten we:
Wanneer een zestal Rooms-Katholieke agenten van politie op 24 februari 1943 de
Utrechtse hoofdcommissaris meedelen, dat zij op grond van een in de kerk op 21
februari voorgelezen herderlijk schrijven zouden weigeren, indien daartoe bevolen,
Joden te arresteren, dreigt deze hoofdcommissaris met ontslag zonder pensioen,
gage of wachtgeld, terwijl zij, die hem van hun voorgenomen weigering geen
mededeling doen en zich toch daartoe verstouten, 'als saboteurs zullen worden
beschouwd met alle ernstige gevolgen daaraan verbonden.' Hier voegen wij aan
toe, dat de zes voornoemd meteen door de Duitsers werden gezocht; men arresteerde,
toen zij ondergedoken bleken, hun vrouwen en kinderen.
Aldus Presser. [7.7]
Dat waren zes Katholieke agenten in Utrecht. Waren er meer RK agenten die
weigerden, en waren er ook Protestantse?
Volgens de gegevens verstrekt door L. de Jong zagen vele leden van het
politiekorps te Utrecht, die eerst mee hadden willen doen, daarvan af omdat
"pogingen die van Utrecht uit ondernomen waren om de politiekorpsen van Amsterdam,
Den Haag en Rotterdam tot een collectieve weigering te bewegen, geen enkel
succes hadden." [7.8]
De Jong noemt verder de weigering van het hele politiecorps te Enschede, maar
onder zware pressie hielden slechts vier stand die onderdoken. Verder werden
twee weigeraars te Assen gearresteerd (een hunner kwam om in Dachau), elf in
Grootegast werden naar Vught gebracht, vijf te Nunspeet eveneens. Toen de elf
van Grootegast geteld werden, zei een Duitser; "Er zijn er toch elf, ja, es
stimmt". Waarop een van de gevangenen, Boonstra, zei: "Het is fout, er zijn er
twaalf, u hebt God vergeten, Hij' gaat altijd met ons mee." Ook Boonstra kwam
om in Dachau.
Huizing en Aartsma schreven:
<109>
Wat de politieorganisaties nalaten, doen de kerken. Wat de meeste politie-chefs
niet durven, nemen talrijke predikanten en priesters voor hun verantwoording.
De kerk laat zich horen bij ethische vragen over racisme, dwangarbeid, deportatie
van Joden, de jacht op mensen. Het blijken dan ook vooral gelovige politiemensen
te zijn die in verzet komen.
Dezelfde auteurs noemen nog vier politieagenten te Kampen die geweigerd hebben
om Joden op te halen. [7.9]
Desondanks blijft het een onloochenbaar feit dat de overgrote meerderheid (ook
van hen die tot een kerk behoorden) voor de druk bezweken is en wél heeft meegewerkt.
Dat het protest van de kerken - behalve tot politieagenten - ook tot andere
functionarissen gericht was en hen aansprak, moge blijken uit een protestbrief
van zeven burgemeesters in Noord-Holland, gericht tot vier secretarissen-generaal.
De formulering van deze brief is hier en daar letterlijk overgenomen uit het
kerkelijk protest.[7.10] Een veel groter aantal burgemeesters ondertekende een
andere, soortgelijke brief.
Maar de toenmalige burgemeester van de gemeente Renkum was een Gereformeerde broeder.
Als er een bevel kwam om Joden in de gemeente op te halen ging hij, het hoofd van
de politie, een paar dagen met vakantie. Als hij terugkwam, was de arrestatie
geschied. Na de oorlog hebben we geprobeerd deze man in het kader van de zuivering
weg te krijgen; dat is ons niet gelukt.
Wie nu hen die toen faalden be- en veroordeelt, diene te bedenken dat de prijs
voor weigering hoog was: diverse politiemannen werden gearresteerd en sommigen
hunner kwamen om. Wie onderdook ging een onzekere toekomst tegemoet; de grote
groei van de LO (Landelijke Organisatie tot steun aan onderduikers) vond pas
zomer 1943 plaats. Voor die tijd was het een klemmende vraag: wie zorgt er voor
de zo noodzakelijke (distributie-) bonkaarten, als je onderduikt? Bovendien kwam
ontslag zonder pensioen hard aan: de crisis-jaren lagen nog vers in het geheugen.
Velen kenden uit eigen ervaring de vloek van de werkeloosheid.
Mogelijk was een van de belangrijkste resultaten van de kerkelijke oproep tot
dienstweigering: bevordering van de bereidheid om onder te duiken, ook al deed
men dat nog niet op stel en sprong. Zomer 1943 groeide het aantal van hen die
als politieman verdwenen, met medeneming van hun wapens.
<110>
Intussen had de Landelijke Organisatie zich uitgebreid als een olievlek. Schrijver
dezes was in zijn dorp "plaatselijk leider" (zo heette dat) van deze organisatie
geworden. Via het LO-netwerk kreeg ik de vraag of een zekere politieman Cornelis
van Veldhuizen betrouwbaar was. Dat was Kim; we waren samen naar school gegaan
en hadden op dezelfde jongelingsvereniging gezeten. Ik liet weten: "100 % betrouwbaar".
Kort daarna dook Kim onder met medeneming van zijn wapens. Hij trad toe tot een
KP (= knokploeg: een gewapende groep die distributiebureaus en gemeentehuizen
overviel, teneinde bonkaarten en persoonsbewijzen voor onderduikers te bemachtigen).
Daarop werden Kims ouders, een broer en zijn verloofde gearresteerd en overgebracht
naar het concentratiekamp te Vught. Toen Kim desondanks niet boven water kwam,
werden ze na een half jaar vrijgelaten.