7. DE SCHERPSTE OPROEP, OOIT GEDAAN

a. De situatie (januari tot begin mei 1943)

Op 19 januari werd prinses Margriet geboren. Dat was al gauw overal bekend en

was voor velen reden tot grote vreugde.

De slag om Stalingrad eindigde met Duitslands nederlaag (2 febr.); generaal

Paulus werd gevangen genomen. 3 dagen later werd de beruchte Nederlandse generaal

Seyffardt door het verzet doodgeschoten. Omdat er aanwijzingen waren dat studenten

de aanslag gepleegd hadden, werden op 6 februari grote razzia's op studenten

gehouden. Er werden er een 600 gegrepen.

Op 25 maart weigerden de Nederlandse artsen om lid van de Artsenkamer te worden.

Op 27 maart werd het Amsterdamse bevolkingsregister in brand gestoken.

Leden van het overkoepelende "Nationale Comité" (waaronder dr. J.J.C. van Dijk)

werden op 1 april gearresteerd. Op 29 april maakte generaal Christiansen bekend

dat alle ex-militairen terug zouden worden gevoerd in krijgsgevangenschap.

Bovendien zouden nieuwe lichtingen jongemannen worden opgeroepen om in Duitsland

te gaan werken. Daarop braken (30 april) stakingen uit in het gehele land.

Op 1 mei werd in het gehele land het standrecht afgekondigd. Op verschillende

plaatsen werden stakenden in de daarop volgende dagen geëxecuteerd.

19,jan.: Leningrad is ontzet. Ik ben er stuk van gewoon. Dat is meestal met een

of twee dagen weer over want dan komen er berichten, dat het nog niet zo is en

dan zakt het enthousiasme weer. Maar nu worden de moffen overal teruggeslagen,

en de Jappen ook, en de Prinses (Juliana) is in het ziekenhuis (voor de bevalling)

en ik ben ook zo vreselijk blij dat we muisjes hebben.

29 jan.: De rantsoenen van vlees en melk zijn weer verminderd: vlees krijgen we

nu 175 g. per week met been, dat is ± 135 g. zonder been. En taptemelk 3/4 1.

per dag met z'n vieren, zoals bij ons.

7 febr.: Hier in Renkum is door de Grune Polizei huiszoeking gedaan bij

verschillende mensen. In een huis hebben ze 3 Joden gevonden.

<101>

22 febr.: Er worden afschuwelijke dingen verteld over de behandeling van de

mensen in concentratiekampen; ze hebben veel te weinig kleren aan, moeten soms

met het bovenlijf bloot lopen en worden geranseld en gebeuld. Als ze een pakje

krijgen, wordt er soms voor hun ogen wat uitgegapt door de moffen. En de mensen

in Dachau moeten in kalkmijnen werken, en over smalle planken mei kruiwagens lopen.

Heel vaak vallen ze van de planken af en dan krijgt men thuis bericht: "door een

ongeval om het leven gekomen."

28 maart: Verleden week is er bij een zekere Brouwer op de Bennekomse weg een

inval gedaan. Er waren 5 Joden in huis. Nu was er achter zijn huis een overdekte

kuil, waarin ze bij nood konden vluchten, wat ze inderdaad ook deden. Maar de

kerels die kwamen wisten dat er Joden waren, en hebben Brouwer net zo lang op

zijn gezicht geranseld tot hij het zei. Het moet afschuwelijk geweest zijn.

5 april.: Alle Joden, behalve in N. en Z. Holland en in Utrecht, moeten zich

melden in Vught. Ze mogen hun kostbaarheden meenemen ...

30 april.: (Eerst uitvoerig over de staking; wij staken ook: de winkel is op

slot gegaan. Dan:) Voor de aardigheid wil ik even de "zwarte" prijzen van een

paar artikelen memoreren:

boter: 14 - 20 gld./pond

vet: 14 - 25 gld./pond

vlees 3 1/2 - 6 gld./pond

koffie 75 - 90 gld./pond (geven de moffen)

Zojuist hoorde ik dat er aangeplakt staat dat alle zaken morgen gewoon open

moeten zijn, en dat het verboden is zich tussen 20 u. en 6 u. op straat te begeven.

3 mei: Vanmorgen stond er in de krant dat er 17 personen gefusilleerd zijn.

5 mei: Op de Hevea-fabriek zijn er 7 mensen gefusilleerd, wegens staking.

Op 21 januari werden de 1200 verpleegden uit de Joodse psychiatrische inrichting

"het Apeldoornse Bos" gedeporteerd.

Op 1 april werden ook alle gemengd-gehuwde Joodse ambtenaren ontslagen. Op diezelfde

dag moesten de Joden uit de provincie naar het concentratiekamp Vught. In de loop

van deze maand begon ook de "vrijwillige" sterilisatie van Joden die "gemengd

gehuwd" waren.

Vanaf 14 mei was voortaan aan alle Joden het verblijf in Amsterdam verboden, tenzij

uitdrukkelijk van deze maatregel vrijgesteld.

<102>

b. "Wie meewerkt is medeschuldig "

Er zou iets voor te zeggen zijn om nu eerst de gebeurtenissen rondom de Protestants-

gedoopte Joden weer te geven; we komen evenwel op hun lot terug in hfdst. 9 en

vervolgen de chronologische behandeling van de protesten van de kerken.

Het scherpste publieke protest ooit ingediend kwam tot stand mede onder leiding

van de uit zijn gijzeling ontslagen en kennelijk ongebroken ds. Gravemeyer.

De kanselboodschap luidde als volgt:

De gebeurtenissen van de laatste weken nopen de Kerken zich tot de gemeenten te wenden.

Het is de taak der Kerk, hoe zeer ook doordrongen van eigen schuld voor God -

krachtens haar van Christus' wege opgelegde roeping -, haar stem te doen horen,

ook wanneer in het openbare leven de in het Evangelie verankerde beginselen worden

aangetast. Zij heeft zich derhalve reeds meermalen gewend tot de bezettende macht

met ernstig beklag over maatregelen, die bijzonder in strijd zijn met de beginselen

die de grondslagen vormen van ons Christelijk volksleven: gerechtigheid, barmhartig-

heid en vrijheid van levensovertuiging. De kerk zou immers schuldig staan, indien zij

niet de machthebbers erop zou wijzen, dat ook zij aan de Goddelijke Wet onderworpen

zijn. Daarom bracht zij reeds onder de aandacht van de bezettende macht:

de toenemende rechteloosheid;

het ten dode vervolgen van Joodse medeburgers;

het opdringen van een levens- en wereldbeschouwing, die lijnrecht in strijd

is met het Evangelie van Jezus Christus;

de verplichte arbeidsdienst als nationaal-socialistisch opvoedingsinstituut;

het aantasten van de vrijheid van het Christelijk onderwijs;

het gedwongen tewerkstellen van Nederlandse arbeiders in Duitsland;

het ter dood brengen van gijzelaars;

het gevangen nemen en het gevangen houden van velen, o.a. van kerkelijke

ambtsdragers onder zodanige omstandigheden dat reeds een ontstellend aantal

in de concentratiekampen het offer van hun leven moesten brengen.

Thans moet zij opkomen tegen het opjagen, grijpen en wegvoeren van duizenden

jonge mensen.

Aan de andere kant acht de Kerk zich echter geroepen met de meeste nadruk te

waarschuwen tegen haat en wraakgevoelens in het hart van ons volk en haar stem

te verheffen tegen de uitingen daarvan. Niemand mag, naar het Woord van God,

het recht in eigen hand nemen.

<103>

Maar evenzeer hebben zij de roeping ook dit Woord van God te prediken: "Men moet

Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen". Dit Woord geldt immers als richtsnoer

bij alle gewetensconflicten, ook bij die, welke door de genomen maatregelen zijn

opgeroepen.

Dit Woord verbiedt medewerking te verlenen aan daden van onrecht, waardoor men

zich mede aan dat onrecht schuldig zou maken.

De Kerken zullen dit opnieuw onder de aandacht van de Heer Rijkscommissaris

brengen en zij bidden van God, dat en de bezettende macht en ons volk de weg

der gerechtigheid en der gehoorzaamheid aan Zijn Woord mogen gaan.

Het bovenstaande is de versie die van alle kansels afgekondigd diende te worden

in de kerkdiensten op zondag 21 februari. Seyss-Inquart ontving een iets gewijzigde

versie (en in het Duits), gedateerd 17 februari, waarin de kernzinnen gelijkluidend

waren aan het voor te lezen protest. De brief aan de Rijkscommissaris eindigt als

volgt:

Heer Rijkscommissaris, het is in gehoorzaamheid aan haar Heer, dat de Kerken dit

woord tot U moeten richten; zij bidden God, dat Hij U in Zijn weg moge leiden tot

herstel van het zo ernstig geschonden recht in de uitoefening van de Macht.

In dit protest wordt "het ten dode vervolgen van Joodse medeburgers" nadrukkelijk

genoemd, maar "de gebeurtenissen van de laatste weken" noopten de kerken tot dit

protest. De Joden werden al maandenlang opgejaagd en gearresteerd. Het is te

betreuren, dat de krachtige uitspraken in dit protest niet veel eerder van alle

kansels geklonken hebben.

We maken nog een paar kanttekeningen.

De lijst van de acht punten waartegen geprotesteerd werd toont, hoe zeer ons

volk door de bezetters in het nauw gedreven werd. Toch waarschuwden de kerken

tegen "het recht in eigen hand nemen", kennelijk naar aanleiding van de aanslag

op Seyffardt. Het belangrijkste was: in feite riepen de kerken op tot burgerlijke

ongehoorzaamheid. In de brief aan Seyss-Inquart is het zelfs nog iets scherper

geformuleerd dan in de kanselafkondiging: "Om der wille van het recht Gods mag

door niemand enige medewerking worden verleend aan daden van onrecht, omdat men

zich daardoor aan dat onrecht medeschuldig maakt."

<104>

De politie-agenten bijv. die de opdracht kregen om Joden of ondergedoken arbeiders

te arresteren, wisten nu, wat hun plicht was. Eigenlijk wisten ze dat toch al wel,

ook zonder kerkelijke uitspraken, want het ging om een waarheid als een koe. Maar

arglistig is ons hart en een excuus is snel gevonden, vooral als het nakomen van

je plicht je duur kan komen te staan.

c. Niet in de Gereformeerde Kerken afgelezen

Alle bij het I.K.O. aangesloten kerken ondertekenden dit protest, maar de

Gereformeerde vertegenwoordigers vroegen wat betreft de publieke afkondiging

om uitstel. Delleman vermeldt:

De Gereformeerde Kerken hebben zich daarbij niet kunnen aansluiten, aangezien

in het I.K.O. van de zijde der Herv. Kerk het voorstel tot kanselafkondiging

onverwacht werd gedaan, ten einde nog vóór de indiening van het protest de

voorlezing te doen plaatshebben. Van de zijde der Gereformeerde Kerken werd

meegedeeld, dat het niet mogelijk zou zijn aan de kerkenraden tijdig de nodige

mededelingen te doen toekomen; een voorstel om de beslissing een week uit te

stellen werd niet aanvaard. Aangezien het in het voornemen lag van de

Gereformeerde Kerken, dat binnen korte tijd een bidstond zou worden uitgeschreven,

werd in de bidstond van 7 maart 1943 de nood van de wereld en in het bijzonder

de nood van ons volksleven voor de troon van Gods genade gebracht.

Nu achten wij bidden aanbevelenswaardig, maar tijdens de hierboven aangekondigde

bidstond werd nu juist niet gezegd wat er wel in het protest gezegd was:

Nadat diverse plaatselijke kerken naar de redenen voor het niet aflezen geïnformeerd

hadden, stuurde de synode - na raadpleging van deputaten voor de correspondentie

met de Hoge Overheid - een brief naar de kerkenraden, waarin men zich achter de

handelwijze van deputaten stelde en, behalve het reeds bovengenoemde argument,

nog aanvoerde: "een publiek getuigenis dient om principiële redenen slechts in

zeer bijzondere gevallen te geschieden." Bovendien zou het bedoelde adres in

de kerken worden voorgelezen voordat het aan Seyss-Inquart was toegezonden,

"hetgeen in strijd was met de door de kerken tot dusver gevolgde en door ons

als juist geoordeelde praktijk." [7.1] Maar waren dit alle redenen? Ook De

Jong kwam daar niet uit. [7.2]

<105>

Later, in deel 13, noemt de Jong dan een reden die noch door Delleman, noch door

de synodale brief vermeld was: "Ook trof het hen (de Gereformeerden) pijnlijk

dat de Hervormden samen met de kleinere protestantse kerken, maar zonder overleg

met hen, reeds alle nodige stukken hadden opgesteld." [7.3] Helaas ben ik er

niet in geslaagd te weten te komen, uit welke bron de Jong hier put.

Het blijft verwonderlijk dat een militant man als oud-minister van defensie Van

Dijk, die zomer 1942 onmiddellijk tot afkondiging van het telegram had besloten,

nu blijkbaar aan de (te) voorzichtige kant bleef.

Nu is ds. F.C. Meijster stellig betrokken geweest bij de beslissing om ditmaal

niet af te kondigen: het moderamen (bestuur) was daartoe immers, met deputaten

voor de correspondentie met de Hoge Overheid, gemachtigd (zie hfdst. 2, b).

Ds. Meijster was, behalve praeses (voorzitter) van de synode, ook praeses van

de kerkeraad van Rotterdam. In de notulen van een vergadering van die raad, welke

onder zijn leiding stond, vond ik vermeld:

Het adres van 22 februari aan Seyss-Inquart is niet ter kennis van de gemeente

gebracht. Hierover wordt gesproken, alsmede over de bedoeling van de zinsnede:

'Om der wille van het recht Gods mag door niemand enige medewerking worden verleend

aan daden van onrecht, omdat men zich daardoor aan het onrecht medeschuldig maakt'.

Aan ouderlingen en diakenen zal een afschrift van dit adres worden ter hand gesteld.

[7.4]

De bedoeling van de uit het protest geciteerde zinsnede lijkt ons glashelder;

maar om deze aansporing tot ongehoorzaamheid aan de bezettende macht publiekelijk

voor te lezen en eventueel zelf te volbrengen, daar had men blijkbaar moeite mee...

Wegens zijn lid-zijn van het Nationaal Comité (een overkoepelende geheime

organisatie, waarin hij fungeerde als de militaire specialist) werd dr. J.J.C.

van Dijk op 1 april 1943 gearresteerd. Dr. A.A.L. Rutgers volgde hem op in het I.K.O.

Ruim twee maanden na de afkondiging - op zaterdagavond 1 mei - werd ik door twee

agenten gegrepen en opgesloten in de cel van het politiebureau. Ik was na achten

op straat geweest, ofschoon de Duitsers vanwege de uitgebroken staking "avondklok"

hadden gedecreteerd. Gelukkig wisten de agenten niet dat mijn broer (die wist te

ontsnappen) en ik zo juist een oproep hadden aangeplakt om de staking voort te zetten.

<106>

Een van de twee agenten was Gereformeerd. Ik vraag me af of hij de moed zou hebben

gehad om me te laten lopen, als het hierboven besproken protest ("medewerking maakt

medeschuldig") ook in onze kerk was afgelezen.

d. Nog een schep er bovenop

Aukes, de biograaf van mgr. de Jong, verhaalt dat de aartsbisschop in een brief

aan de overige bisschoppen schreef:

Het tempo waarin de gebeurtenissen zich afspelen, is haast niet bij te houden.

Wij sturen daarom een koerier. Eerst zouden alleen de Joden ter sprake gebracht

worden, en nauwelijks was de discussie afgesloten, of er kwam bij het gewelddadig

wegvoeren van studenten en andere jeugdige personen. Wij hebben U daarover reeds

geschreven. Intussen zaten ook de Protestanten niet stil. (Men had in die kring

een request aan de Rijkscommissaris opgesteld). Wij zouden dat niet weten te

verbeteren.

Het was de bedoeling dat dit request door Protestanten en Katholieken van de

kansels zou worden voorgelezen, met een eigen tekst omraamd. De aartsbisschop

vond, dat in die omraming een "uitdrukkelijk verbod tot medewerking aan het

ellendig lot van de talloze onschuldigen" moest worden opgenomen.

Bericht voor woensdag, "op een of andere manier", was gewenst (nl. of de

bisschoppen akkoord gingen). De donderdag was dan voor het afdrukken van het

herderlijk schrijven. Pas 's avonds kon dat klaar komen. "Daarom is het nodig,

dat u nu al begint met de organisatie van het rondsturen. Wij verwachten,

dat ieder uwer vrijdagmorgen (op zijn vroegst donderdagavond na 7 uur) iemand

stuurt om zijn exemplaren te halen. Om tijd te winnen kan deze persoon voor

donderdagnacht logies zoeken in Utrecht. Dan kan hij 's morgens met de eerste

trein vertrekken." [7.5]

Door middel van deze brief krijgen we een indruk van de "logistieke" problemen

die moesten worden opgelost. Drie dagen later schreef mgr. de Jong aan zijn mede-

bisschoppen, dat huiszoeking door de Sicherheitspolizei mogelijk was en dat hij

maatregelen nam om de stukken onvindbaar op te bergen.

Mgr. (...) stelt de vraag wat wij moeten doen, indien bijv. 's avonds zich

bezoek aandient met de bedoeling om het voorlezen te verhinderen. Het is

duidelijk, dat wij allen dan één lijn moeten trekken en wij twijfelen niet,

of wij moeten antwoorden, dat wij ons door niemand laten beletten ons ambt u

it te oefenen, dus voor geen dreigementen op zij gaan.

<107>

Daarom had hij onder het stuk laten zetten, ging de aartsbisschop voort, "dat

de pastoors inzake het voorlezen van herderlijke brieven zich uitsluitend hebben

te houden aan de instructie van hun bisschop." Dan wisten ook zij wat zij casu

quo te doen hadden, zo besloot hij.

Zo werd op zondag 21 februari in alle Rooms-Katholieke kerkdiensten het herderlijk

schrijven voorgelezen. Daarin werd allereerst het volledige protest gericht aan

Seyss-Inquart geciteerd. Daarna volgde:

Dierbare gelovigen! Bij alle onrecht dat geschiedt en het leed, dat wordt geleden,

gaat onze deelneming zeer in het bijzonder uit naar de jeugdige personen die met

geweld uit het ouderlijk huis zijn weggevoerd, alsook naar de Joden, en naar onze

katholieke geloofsgenoten die uit het Joodse volk zijn voortgekomen, die aan zulk

groot lijden zijn blootgesteld.

Bovendien echter gevoelen Wij Ons gegriefd door het feit, dat voor de uitvoering

van de tegen deze twee groepen van personen genomen maatregelen de medewerking

wordt geëist van onze eigen landgenoten zoals van autoriteiten, van ambtenaren,

van bestuurders van inrichtingen.

Beminde gelovigen, het is Ons bekend, in welk een gewetensnood daardoor de

betrokken personen geraakt zijn. Welnu: om alle twijfel en onzekerheid omtrent

dit punt bij u weg te nemen, verklaren Wij met alle nadruk, dat medewerking in

dezen in geweten ongeoorloofd is. En, mocht het weigeren van medewerking offers

van u vragen, weest dan sterk en standvastig in het besef, dat gij voor God en

de mensen uw plicht doet.

Dierbare gelovigen! Machtsmiddelen staan ons niet ten dienste. Des te meer wekken

Wij u op tot het uiteindelijk nooit falende middel van een smekend gebed, dat God

spoedig medelijden moge hebben met Ons en de wereld.

Bij de Gereformeerden was de oproep tot gebed in plaats van de afkondiging van

het protest gekomen. Bij de Katholieken daarentegen kwam het gebed helemaal aan

het eind, na de afkondiging van het protest en van de oproep om niet mee te doen

aan het onrecht. Dat was veel sterker.

De bisschoppen hadden bovendien de klem van de oproep tot dienstweigering op

geen enkele manier afgezwakt. Integendeel, zij hadden die in hun eigen herderlijk

schrijven herhaald en aangescherpt.

<108>

Stokman vermeldt nog: "Ernstige pogingen zijn in het werk gesteld om hen (nl.

politie-agenten die opdracht kregen Joden op te halen) tot een algemeen en

consequent volgehouden weigering van deze opdrachten te brengen, doch dit is

slechts ten dele gelukt. [7.6]

e. Resultaat?

"Ten dele gelukt", dat weten we:

Wanneer een zestal Rooms-Katholieke agenten van politie op 24 februari 1943 de

Utrechtse hoofdcommissaris meedelen, dat zij op grond van een in de kerk op 21

februari voorgelezen herderlijk schrijven zouden weigeren, indien daartoe bevolen,

Joden te arresteren, dreigt deze hoofdcommissaris met ontslag zonder pensioen,

gage of wachtgeld, terwijl zij, die hem van hun voorgenomen weigering geen

mededeling doen en zich toch daartoe verstouten, 'als saboteurs zullen worden

beschouwd met alle ernstige gevolgen daaraan verbonden.' Hier voegen wij aan

toe, dat de zes voornoemd meteen door de Duitsers werden gezocht; men arresteerde,

toen zij ondergedoken bleken, hun vrouwen en kinderen.

Aldus Presser. [7.7]

Dat waren zes Katholieke agenten in Utrecht. Waren er meer RK agenten die

weigerden, en waren er ook Protestantse?

Volgens de gegevens verstrekt door L. de Jong zagen vele leden van het

politiekorps te Utrecht, die eerst mee hadden willen doen, daarvan af omdat

"pogingen die van Utrecht uit ondernomen waren om de politiekorpsen van Amsterdam,

Den Haag en Rotterdam tot een collectieve weigering te bewegen, geen enkel

succes hadden." [7.8]

De Jong noemt verder de weigering van het hele politiecorps te Enschede, maar

onder zware pressie hielden slechts vier stand die onderdoken. Verder werden

twee weigeraars te Assen gearresteerd (een hunner kwam om in Dachau), elf in

Grootegast werden naar Vught gebracht, vijf te Nunspeet eveneens. Toen de elf

van Grootegast geteld werden, zei een Duitser; "Er zijn er toch elf, ja, es

stimmt". Waarop een van de gevangenen, Boonstra, zei: "Het is fout, er zijn er

twaalf, u hebt God vergeten, Hij' gaat altijd met ons mee." Ook Boonstra kwam

om in Dachau.

Huizing en Aartsma schreven:

<109>

Wat de politieorganisaties nalaten, doen de kerken. Wat de meeste politie-chefs

niet durven, nemen talrijke predikanten en priesters voor hun verantwoording.

De kerk laat zich horen bij ethische vragen over racisme, dwangarbeid, deportatie

van Joden, de jacht op mensen. Het blijken dan ook vooral gelovige politiemensen

te zijn die in verzet komen.

Dezelfde auteurs noemen nog vier politieagenten te Kampen die geweigerd hebben

om Joden op te halen. [7.9]

Desondanks blijft het een onloochenbaar feit dat de overgrote meerderheid (ook

van hen die tot een kerk behoorden) voor de druk bezweken is en wél heeft meegewerkt.

Dat het protest van de kerken - behalve tot politieagenten - ook tot andere

functionarissen gericht was en hen aansprak, moge blijken uit een protestbrief

van zeven burgemeesters in Noord-Holland, gericht tot vier secretarissen-generaal.

De formulering van deze brief is hier en daar letterlijk overgenomen uit het

kerkelijk protest.[7.10] Een veel groter aantal burgemeesters ondertekende een

andere, soortgelijke brief.

Maar de toenmalige burgemeester van de gemeente Renkum was een Gereformeerde broeder.

Als er een bevel kwam om Joden in de gemeente op te halen ging hij, het hoofd van

de politie, een paar dagen met vakantie. Als hij terugkwam, was de arrestatie

geschied. Na de oorlog hebben we geprobeerd deze man in het kader van de zuivering

weg te krijgen; dat is ons niet gelukt.

Wie nu hen die toen faalden be- en veroordeelt, diene te bedenken dat de prijs

voor weigering hoog was: diverse politiemannen werden gearresteerd en sommigen

hunner kwamen om. Wie onderdook ging een onzekere toekomst tegemoet; de grote

groei van de LO (Landelijke Organisatie tot steun aan onderduikers) vond pas

zomer 1943 plaats. Voor die tijd was het een klemmende vraag: wie zorgt er voor

de zo noodzakelijke (distributie-) bonkaarten, als je onderduikt? Bovendien kwam

ontslag zonder pensioen hard aan: de crisis-jaren lagen nog vers in het geheugen.

Velen kenden uit eigen ervaring de vloek van de werkeloosheid.

Mogelijk was een van de belangrijkste resultaten van de kerkelijke oproep tot

dienstweigering: bevordering van de bereidheid om onder te duiken, ook al deed

men dat nog niet op stel en sprong. Zomer 1943 groeide het aantal van hen die

als politieman verdwenen, met medeneming van hun wapens.

<110>

Intussen had de Landelijke Organisatie zich uitgebreid als een olievlek. Schrijver

dezes was in zijn dorp "plaatselijk leider" (zo heette dat) van deze organisatie

geworden. Via het LO-netwerk kreeg ik de vraag of een zekere politieman Cornelis

van Veldhuizen betrouwbaar was. Dat was Kim; we waren samen naar school gegaan

en hadden op dezelfde jongelingsvereniging gezeten. Ik liet weten: "100 % betrouwbaar".

Kort daarna dook Kim onder met medeneming van zijn wapens. Hij trad toe tot een

KP (= knokploeg: een gewapende groep die distributiebureaus en gemeentehuizen

overviel, teneinde bonkaarten en persoonsbewijzen voor onderduikers te bemachtigen).

Daarop werden Kims ouders, een broer en zijn verloofde gearresteerd en overgebracht

naar het concentratiekamp te Vught. Toen Kim desondanks niet boven water kwam,

werden ze na een half jaar vrijgelaten.

De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening · 第 29 / 55 题