5. DE KATHOLIEKE KERK GAAT MEEDOEN - AUDIENTIE BIJ SEYSS-INQUART

a. De situatie (eerste helft 1942)

Op 19 januari werd. prof. Titus Brandsma gearresteerd.

Op 16 februari veroverden de Japanners Singapore; op 27 febr. vond de slag in

de Java-zee plaats: het grootste deel van de Nederlandse vloot ging ten onder.

Op 9 maart gaf het Koninklijk Nederlands-lndische Leger zich over.

3 mei: executie van 72 OD-ers (leden van de z.g. Orde-dienst, een van de eerste

illegale organisaties). Op 15 mei moesten alle officieren zich melden en werden

teruggevoerd in krijgsgevangenschap. Duizend Britse bommenwerpers deden een aanval

op Keulen. Duizenden mannen moesten in Duitsland gaan werken.

De Amerikanen behaalden een grote overwinning (4/5 juni) in de zeeslag bij Midway.

Maar in Noord-Afrika heroverde generaal Rommel Tobroek (21 juni) en eind juni

begonnen de Duitsers een groot offensief in Rusland.

2 febr.: De christelijke scholen worden ernstig bedreigd. Voor a. s. zondag is

er een bidstond uitgeschreven. Het gaat om de benoeming van een N.S.B.-onderwijzer,

wat het schoolbestuur geweigerd heeft.

10 febr.: In Noorwegen is Quisling nu de baas; als Mussert het hier maar niet wordt.

19 april Er is vanmorgen een kort maar krachtig stuk voorgelezen van de kansel.

20 mei., (neef) Jan de Nooij uit Ede is opgepakt wegens het dragen van een

Jodenster. (Hij werd op 6 juni vrijgelaten).

7juni.- We verkopen op iedere babykaart twee luiers, met afstempeling.

In januari 1942 moesten Joden uit verschillende steden hun woonplaats verlaten:

ze werden gedwongen zich in Amsterdam te vestigen.

In maart werden personenauto's "voor Joden verboden". Vanaf 3 mei was iedere

jood verplicht om in het openbaar de Jodenster te dragen. Op 30 juni werd

gedecreteerd dat Joden zich van 8 uur 's avonds tot 6 uur 's morgens binnenshuis

moesten bevinden.

<73>

b. De houding van de Katholieke Kerk

Tot nu toe was de Rooms-Katholieke Kerk niet betrokken geweest bij de acties van

het Convent van Kerken. Toch heeft deze Kerk zich vroegtijdig en krachtig tegen

het nationaal-socialisme verzet. Zoals we al eerder memoreerden, hadden de

Nederlandse bisschoppen eerst het lidmaatschap van de N.S.B. "ontraden", terwijl

ze in mei 1936 verklaarden dat "allen die aan deze partij in belangrijke mate

steun verlenen, niet tot de H. Sacramenten kunnen worden toegelaten." Dit betrof

de leiders van de N.S.B., niet de gewone leden.

Deze maatregel werd tijdens de Duitse bezetting niet ingetrokken of verzwakt.

Integendeel, op 13 januari 1941 werd verordend dat ook aan gewone leden van de

N.S.B. de sacramenten voortaan geweigerd moesten worden. Dit gold bovendien voor

sympathiserende leden, propagandisten en contribuanten. N.S.B. - ers mochten

voortaan niet meer kerkelijk trouwen; als beide ouders van een kind N.S.B.-er

waren, mocht het kind niet gedoopt worden. N.S.B.-ers mochten niet meer kerkelijk

begraven worden. [5.1]

Foto 12. Aartsbisschop J. de Jong (foto uit 1946 t.g.v. zijn verheffing tot kardinaal)

<74>

Een en ander was door de aartsbisschop in overleg met de andere bisschoppen

vastgesteld. Op 26 januari 1941 werd de maatregel overal vanaf de kansels

bekendgemaakt.

Toen de bezetter het RK Werkliedenverbond ophief, werd in een Herderlijke brief

(van alle kansels afgelezen op 3 augustus 1941) uitgesproken, dat nu voortaan

het lidmaatschap van nationaal-socialistische mantel-organisaties niet alleen

verboden was, maar ook uitsluiting van de sacramenten met zich mee zou brengen.

De van Ameland afkomstige Jan de Jong (geb. 1885) was in 1935 coadjutor van de

aartsbisschop van Utrecht geworden, en in 1936 diens opvolger. Toen, aan het

begin van de Duitse bezetting, enkelen van zijn geestelijken hem wilden bewegen

een enigszins tegemoetkomende houding jegens het nieuwe bewind aan te nemen was

zijn antwoord: "Wat is dat voor onzin, heren? Ik wil geen tweede Innitzer zijn..."

Innitzer was de Oostenrijkse kardinaal die de nazi's zeer ver tegemoet kwam.

De aartsbisschop was voorzitter van het Nederlands Episcopaat en kwam als zodanig

primus inter pares (de eerste tussen gelijken). Hij kon zijn mede-bisschoppen

niets opleggen, maar diende hen te raadplegen en zo nodig te overtuigen. Dat

waren de bisschoppen van Breda, Haarlem, 's-Hertogenbosch en Roermond. Vooral

de bisschop van Den Bosch was aanvankelijk verre van militant, aldus Aukes, de

biograaf van mgr. de Jong. [5.2] Van Rooij verschaft hier verdere bijzonderheden.

Ook over de manier waarop de besluitvorming plaatsvond:

Het gezamenlijke beleid van de kerkprovincie werd bepaald in ongeveer 4 maal

per jaar gehouden bisschopsconferenties en via rondzendbrieven. Zij gingen uit

van een consensus voor het nemen van besluiten. De Aartsbisschop had als

voorzitter een zeer invloedrijke stem, maar iedere bisschop had in zijn eigen

diocees een grote vrijheid van handelen. [5.3]

Het volgende verhaal, verteld door biograaf Aukes, is typerend voor de

aartsbisschop en evenzeer voor zijn beproefde steun en rechterhand, dr. J. Geerdinck.

<75>

In de nacht van zaterdag op zondag 3 augustus, vlak voor de bovengenoemde afkondiging,

rinkelde in het aartsbisschoppelijk paleis de telefoon. De Sicherheitspolizei

wilde de aartsbisschop spreken, en wel onmiddellijk. De aartsbisschop laat

dr. Geerdinck meedelen, dat de heren over een half uur komen kunnen. Beiden

besluiten, dat de ontmoeting in scène moet worden gezet. De aartsbisschop dost

zich uit in ambtskledij; in het grote vertrek voor bijzondere audiënties

branden de luchters.

Als er, precies om vier uur, gebeld wordt doet dr. Geerdinck open, vraagt de

mannen van Himmler zich van hun jas te ontdoen en bestijgt voor hen uit de

staatsietrap. Voor de deur aangekomen, vraagt hij hun namen, klopt en geleidt

de heren naar binnen. De aartsbisschop staat in zijn ambtskledij achter de

tafel en zwijgt. Dr. Geerdinck kondigt aan: "Excellentie, Obersturmführer

Matzker en zijn adjudant." Monseigneur buigt licht, en blijft zwijgen. Geerdinck

zegt: "setzen Sie sich". Iedereen gaat zitten, en iedereen zwijgt.

Ten slotte haalt de Obersturmführer een smal rolletje papier tevoorschijn en

begint voor te lezen: de afkondiging morgenochtend mag niet plaatsvinden.

De aartsbisschop geeft te kennen dat hij de boodschap begrepen heeft, waarop

zijn bezoeker zegt: "Het is nu vier uur. Alle pastorieën kunnen per telefoon

bereikt worden. De voorlezing kan zonder moeite worden afgelast". De bisschop

mompelt, dat dat hem duidelijk is.

Dan is het weer stil, een lange tijd. Ten slotte zegt Geerdinck: "Heren, hebt

U hiermee Uw opdracht vervuld?" Ze mompelen van ja, waarop Geerdinck opstaat

en de bezoekers zijn voorbeeld volgen. Het papier, vermoedelijk een telexstrook,

wappert achter hen aan terwijl hij hen uitgeleide doet. Geen woord. Bij de

voordeur wervelt het strookje over de grond mee naar buiten. Geen groet.

De volgende zondagmorgen gaat - uiteraard - de voorlezing overal door, de woorden

non possumus non loqui klinken - "Wij kunnen niet zwijgen.

c. De RK in het Interkerkelijk Overleg (I.K.0.)

In de loop van 1942 besloot men, om de naam "Convent van Kerken- te veranderen

in Interkerkelijk Overleg" (afgekort: I.K.O.). "Convent" kon niet, zo vreesde

men, de indruk wekken dat het om een organisatie van kerken ging, die eventueel

door de bezetter kon worden opgeheven. "Overleg" bedoelde de indruk te geven

dat het ging om niet meer dan incidenteel overleg.

<76>

Er was al af en toe contact geweest tussen Protestantse voormannen en de

aartsbisschop. Prof. Slotemaker de Bruïne had hem indertijd een afschrift

van het allereerste protest tegen de Jodenvervolging (zie hierboven, hfdst. 2)

doen toekomen en overwogen is toen om ook vanaf de Katholieke kansels een

getuigenis te doen weerklinken. De meningen onder de bisschoppen waren toen

evenwel verdeeld. [5.453] Verder was er overleg geweest inzake de schoolstrijd

(met mr. J. Donner), de Winterhulp en het radiobeleid. De officiële relatie

zou niet lang meer op zich laten wachten.

Op 31 oktober 1941 - uitgerekend op Hervormingsdag, zei men later - bezocht de

toenmalige voorzitter van het I.K.O., de Amsterdamse hoogleraar Paul Scholten,

mgr. de Jong en tijdens dat bezoek werden spijkers met koppen geslagen. Het was

het begin van een blijvende betrokkenheid van de Rooms-Katholieke Kerk bij het I.K.O.

<77>

Naar ik meen is het feit, dat vandaag de dag de Katholieke Kerk lid is van de

Raad van Kerken in Nederland, moeilijk los te denken van de beslissing die

toen genomen is.

Prof. Schotten schreef, de dag na zijn ontmoeting met mgr. de Jong, aan ds. Gravemeyer:

Gisteren had ik een belangrijk onderhoud met de Aartsbisschop waarvan ik mij

haast U op de hoogte te brengen. (...) Maar wat nog belangrijker is, is het

gesprek over een protest bij de Overheid in de Jodenquestie. Niet alleen voelde

hij daar veel voor, maar hij verklaarde zich bereid dat in dat geval de Rooms-

Katholieke Kerk met onze Kerk gezamenlijk de bedoelde audiëntie zou aanvragen.

Hij zou daarvoor dan een hooggeplaatst geestelijke aanwijzen.

Hij maakte evenwel tweeërlei voorbehoud. Ten eerste kan hij dit niet alleen

beslissen, maar moet hij met de andere bisschoppen overleg plegen. En in de

tweede plaats voelde bij meer voor een algemeen protest over alle onrecht dan

voor een betreffende alleen de Joden. Ik antwoordde dat ik dit principieel

wel met hem eens was, doch dat dit algemene protest ernstig zou moeten worden

voorbereid en gedocumenteerd, wat nog enige tijd zou kosten, terwijl de

Jodenquestie haast heeft. Dit maakte wel indruk en hij zal mij nader

berichten. (...) [5.5]

De bisschoppen gingen met de voorgestelde samenwerking akkoord. Besloten werd

dat de officiaal van het bisdom, mgr. F.J.E.H. van de Loo, namens de bisschoppen

het contact met het Convent van Kerken zou onderhouden. Vanaf eind 1941 heeft

hij de meeste vergaderingen bijgewoond en protesten werden door hem mede-ondertekend.

Van Rooij beschrijft zijn functie als volgt:

Mgr. Van de Loo was officiaal van het aartsbisdom, de hoogste canonieke rechter

van de RK Kerk in Nederland, die in naam en in opdracht van de Aartsbisschop de

canonieke rechtsmacht uitoefende. Hij was bovendien kanunnik van het metropolitaan

kapittel te Utrecht. Het kapittel heeft tot taak de Aartsbisschop te adviseren

en bij te staan in het bestuur van het aartsbisdom. Een hooggeschoold jurist,

zowel in canoniek als in wereldlijk recht. [5.6]

d. De audiëntie

Zoals al bleek uit de brief van Scholten aan Gravemeyer, was men voornemens een

audiëntie bij de Rijkscommissaris aan te vragen. Daartoe vond allereerst een

onderhoud plaats met de secretaris-

<78>

generaal van justitie, prof. J.J. Schrieke. Prof. P. Scholten en ds. Gravemeyer

vertegenwoordigden de Hervormde Kerk, mgr. Van de Loo de bisschoppen, dr. J.J.C.

van Dijk de Gereformeerde Kerken, terwijl de overige Protestantse kerken

vertegenwoordigd werden door een vijftal afgevaardigden, onder wie ook ds.

Buskes. Het onderhoud vond plaats op 5 januari 1942. Prof. Schotten las een

memorandum voor, waarin ingegaan werd op "de schier volslagen rechteloosheid,

de onbarmhartigheid ten opzichte van hen die van Joodse afstamming zijn en het

opdringen van de nationaal-socialistische wereldbeschouwing." We citeren het slot:

De Kerken doen dit (getuigen) in de eerste plaats tegenover de Secretaris-Generaal

van justitie, die thans in Nederland tot handhaving van het recht geroepen is

en op wiens schouders te dier zake een zware verantwoor­delijkheid rust jegens

het Nederlandse volk.

Zij richten zich mede in hem tot zijn ambtgenoten, Secretarissen Generaal der

overige Departementen.

De Nederlandse Kerken vragen voorts de Secretaris-Generaal van justitie haar

een audiëntie te verschaffen bij de hoogste Duitse autoriteit, die over deze

dingen beschikt, opdat zij ook tegenover die autoriteit van haar oordeel mogen

doen blijken.

Nadat prof. Schotten een en ander had toegelicht, antwoordde Schrieke dat hij

niet terstond op het adres kon ingaan, omdat het niet van tevoren te zijner

kennis was gebracht. De kerken moesten zich realiseren "de niet te weerhouden

kracht van de wereldgebeurtenis, die bezig was zich te voltrekken en die te

vergelijken was met een sneltrein die in grote vaart alles wat zich op zijn

weg plaatst vermorzelt."

Schrieke, die N.S.B.-er was, is na de oorlog veroordeeld tot de doodstraf,

later omgezet in levenslange gevangenisstraf.

De gevraagde audiëntie werd toegestaan. Het was de bedoeling dat de heren

Schotten (Herv.), Van de Loo (RK) en Van Dijk (Geref.) zouden gaan. Maar

Seyss-lnquart liet weten dat hij prof. Schotten niet wenste te ontvangen.

Men informeerde naar de reden daarvoor; intussen werd prof. Schotten gevangen

genomen, waarna hem een plaats van internering werd aangewezen. Overwogen is

toen om af te zien van de audiëntie, maar ten slotte besloot men dat prof. W.J.

Aalders in de plaats van Schotten de Hervormde vertegenwoordiger zou zijn.

<79>

De audiëntie vond plaats op 17 februari (een dag na de val van Singapore; geen

vrolijk moment) in een zaal van het departement van Buitenlandse Zaken. Een

portret van Hitler hing aan de muur. Aan de ene kant van een grote, ronde tafel

zat Seyss-Inquart, met aan zijn rechterhand prof. Schrieke en links F. Schmidt.

Tegenover hem mgr. Van de Loo, prof. Aalders en dr. Van Dijk. De vergadering

begon om twaalf uur.

Allereerst leidde prof. Aalders het - van tevoren toegezonden - memorandum in,

waarvan het begin en ook de opmerkingen over de vervolging van de Joden letterlijk

overeenstemden met het stuk dat al eerder aan Schrieke was aangeboden. Deze

luidden als volgt:

Verder dient de behandeling van hen die van Joodse afstamming zijn genoemd te

worden. De Kerken onthouden zich hier van een beoordeling van het antisemitisme,

dat zij overigens vanuit Christelijke beweegredenen principieel afwijzen. Ook

wensen zij nu niet een debat te openen over de politieke maatregelen tegen de

Joden in bel algemeen. Zij wensen zich te beperken tot het feit dat in de loop

van het jaar 1941 talrijke Joden gevangengenomen en weggevoerd zijn, en dat

sindsdien officiële mededelingen omtrent schrikbarend hoge sterftegevallen onder

deze gedeporteerden zijn binnengekomen. De Kerken zouden hun meest elementaire

plichten verzaken, als zij niet van de Overheid zouden verlangen dat aan deze

maatregelen paal en perk wordt gesteld. Dit toch is een eis van Christelijke

barmhartigheid.

Seyss-Inquart ging daarna uitvoerig in op de diverse naar voren gebrachte punten,

blijkbaar aan de hand van notities gemaakt op basis van het ontvangen memorandum.

Hij ging daarbij uit van Rusland: hiertegen moest alles gericht worden, hiermee

alles vergeleken. Daarna sprak hij over de gerechtigheid, de barmhartigheid en

de gewetensvrijheid.

Wat de Joden betrof, barmhartigheid jegens hen te betrachten, zoals we gevraagd

hadden, was naar het oordeel van de R. te veel verlangd. (...) Het was dan ook

afkeurenswaardig, dat wij hier in Nederland de Joden als volwaardige vaderlanders

beschouwden en hun de volle staatsburgerlijke rechten toekenden. Neen, barmhartigheid

jegens hen was misplaatst; alleen kon men, voorzover het algemeen belang zulks

gedoogde, recht en gerechtigheid jegens hen laten gelden.

Dat was de reactie van Seyss-Inquart, naar de aantekeningen van officiaal Van

de Loo en weergegeven in "Delleman". Mgr. Van de Loo was het die tijdens de

discussie terugkwam op het lot der Joden:

<80>

foto 14. De audiëntie bij Seyss-Inquart, naar een tekening van J.H. Isings uit 1945.

Van links naar rechts: dr. J.J.C. van Dijk, prof. dr. W.J. Aalders, mgr, F.E.H.

van de Loo, prof. mr. J.J, Schrieke, Seyss-Inquart en E. Schmidt

Wat de Joden betreft, werd de R. er door mij aan herinnerd dat niet alleen recht

en gerechtigheid, maar ook barmhartigheid Christenplicht was en dat de hoogste

Christelijke norm niet ras, bloed en bodem was, maar de wet van het Evangelie,

die rassenhaat categorisch veroordeelde. Overigens, zo betoogde ik, zouden wij

al verheugd zijn wanneer althans de rechtvaardigheid tegenover de Joden betracht

werd, daar tot nu toe vaak hun meest elementaire rechten met voeten waren getreden.

Speciaal voor onze Joodse volksgenoten vroegen wij rechtvaardige behandeling,

overtuigd als we waren dat tallozen onder hen als onschuldige slachtoffers waren

gevallen van de rassenhaat, hoewel zij zich steeds als eerzame burgers gedragen hadden.

Dr. Van Dijk vroeg of de onbarmhartigheid tegenover de Joden zover ging dat er

geen barmhartigheid zou worden geoefend tegenover de individuele Jood. Het antwoord

was: "neen". Gevraagd naar het standpunt ten opzichte van de Christen-Joden, was

het antwoord eveneens: "geen barmhartigheid: het Jodenvraagstuk moet in zijn geheel

worden opgelost.

<81>

Prof. Aalders zei, na afloop: "Mijn indruk is dat deze audiëntie niets goeds kan

doen verwachten. Wij kunnen het alleen van belang achten, persoonlijk en tegenover

de Kerk, dat we een getuigenis hebben afgelegd."

e. De gevolgen

Prof. Schrieke beweerde na de audiëntie dat de Rijkscommissaris toch wel onder

de indruk was geweest. Seyss-Inquart was Katholiek opgevoed; een broer van hem

is zelfs enkele jaren kloosterling geweest, maar daarna uitgetreden. [5.7]

Toch bleek de pessimistische taxatie van de vertegenwoordigers der kerken juist

te zijn geweest: de Duitse onderdrukking ging in verscherpte mate door, met name

de terreur tegen de Joden. Zomer 1942 zouden de massadeportaties beginnen.

Prof. Aalders werd kort daarop gearresteerd, overigens niet vanwege zijn deelname

aan de audiëntie maar omdat hij hoofdbestuurslid was van een van de grote

Christelijke school-organisaties.

Het I.K.O. was voornemens de plaatselijke gemeenten in te lichten over de audiëntie

en bovendien over nieuwe maatregelen van de bezetter. Daartoe werd een kanselboodschap

opgesteld, die op zondag 22 maart zou worden voorgelezen.

De Sicherheitspolizei bleek evenwel op de hoogte, want ds. Gravemeyer ontving

een boodschap waarin gewaarschuwd werd voor de gevolgen ("gevangenis of erger")

als de afkondiging zou doorgaan. Gravemeyer deelde daarop mee dat de kerken zich

zouden beraden, maar "dat de kerken onder geen enkel beding op dit punt zouden

kunnen toegeven en zich door de Duitse overheid zouden kunnen laten voorschrijven

wat zij al of niet mochten laten afkondigen". Het I.K.O. heeft daarop besloten,

op die datum de afkondiging niet te laten doorgaan "om een acuut conflict te

voorkomen", zoals geschreven werd in een protestbrief aan Seyss-Inquart (7 april

1942), waarin tegen het ingrijpen van "de politie" geprotesteerd werd. Bij dit

besluit hebben de bisschoppen zich uit solidariteit aangesloten, aldus Stokman,

m.a.w. zij hadden wel openbaar mededeling willen doen van de audiëntie.

Wel werd kort daarna, op zondag 19 april, in alle (bij het I.K.O. aangesloten)

Protestantse kerken een "Getuigenis" voorgelezen dat als volgt begon:

<82>

Het is de gemeente bekend, dat de Kerk met grote bekommering is vervuld over de

gang van zaken in ons land, met name over de wijze waarop drie grondslagen van

ons volksleven: de gerechtigheid, de barmhartigheid en de vrijheid van geweten

en overtuiging, die verankerd liggen in het Christelijk geloof, zijn en worden

aangetast.

Over de rechteloosheid, de onbarmhartigheid tegenover het Joodse volksdeel en

het opdringen van een recht tegen het Evangelie ingaande, nationaal-socialistische

levens- en wereldbeschouwing heeft de Kerk haar getuigenis gegeven.

Ds. Gravemeyer bezocht - voor het eerst - mgr. de Jong om te bepleiten dat dit

Getuigenis ook in de Katholieke kerken zou worden voorgelezen. Dat leverde

praktische bezwaren op, maar in Utrecht lag een Herderlijke brief over de

Arbeidsdienst klaar ter afkondiging, en de aartsbisschop laste de kernzinnen

uit het Getuigenis, waaronder bovenstaand citaat, in de aanhef van de eigen

Herderlijke brief in. [5.8]

In bovengenoemd Getuigenis was de audiëntie bij Seyss-Inquart niet vermeld. Maar

men zond (21 april 1942) een zeer uitvoerige mededeling aan alle kerkenraden over

een en ander, waar boven stond: "Uitsluitend bestemd voor interne voorlichting".

Dat betekende, dat tienduizenden gelovigen over het ter audiëntie besprokene

geïnformeerd werden; maar als men de publieke afkondiging had doorgezet, zouden

het er een paar miljoen zijn geweest. Het I.K.O. had toch een stap terug gedaan.

Toch denke men vanuit onze situatie niet te gemakkelijk over de zwaarte van de

dilemma's van toen. Enkele predikanten en diverse gemeenteleden waren al omgekomen

in het concentratiekamp. Kort daarop (4 mei) werd ds. Gravemeyer door de Duitsers

in gijzeling genomen; de gijzeling zou voortduren tot 18 december 1942.

Twee dagen later (6 mei) zond de permanente Commissie Algemene Zaken van het

Nederlandsch Israëlietisch Kerkgenootschap een brief aan ds. Gravemeyer met de

volgende inhoud:

Het moge mij vergund zijn deze brief aan te vangen met een woord van diepgevoelde

dank en erkentelijkheid voor het medeleven van de vaderlandse Kerk in het lot, dat

de Nederlandse Joodse gemeenschap thans heeft te dragen.

Ook wij zullen U wederkerig in onze gebeden gedenken en voor onze ogen houden het

Psalmwoord 145 vers 19.

(handtekening onleesbaar)

<83>

De woorden van dit psalmvers luiden: "Hij vervult de wens van wie Hem vrezen,

Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen." [5.9]

Een aantal predikanten die - naar aanleiding van de afkondiging op 19 april -

over Jodenvervolgingen gepreekt hadden, werden gevangen genomen; onder hen was

de latere hoogleraar A.A. van Ruler.

f. De bordjes "verboden voor Joden"

Het was het Duitse plan om de Joden steeds meer te isoleren. Daartoe moest een

bordje "Verboden voor Joden" worden aangebracht op alle openbare gebouwen. Ook

de kerkgebouwen vielen daar onder. Niet alleen was de zondagse kerkdienst een

openbare aangelegenheid en voor iedereen die dat wenste toegankelijk, maar bovendien

werden in de kerkgebouwen door de week vergaderingen van diverse verenigingen

en clubs gehouden.

In het archief vond ik een brief van de "Raden der Gereformeerde Kerken van

Metslawier en Nijawier", die aan hun burgemeester schrijven:

Als antwoord op de mondeling namens U gedane mededeling betreffende het aanbrengen

van het z.g. Jodenbordje aan de consistorie of leerkamer, moge het volgende dienen:

a. dat de kerkenraad der Geref. Kerk en van Metslawier en van Nijawier tegen deze

aanbrenging principieel bezwaar heeft - de kerk van Christus mag geen onderscheid

naar ras maken - en deze dies wil voorkomen;

b. in afwachting van het resultaat der besprekingen van deputaten voor de

correspondentie met de Hoge Overheid te Den Haag daarom heeft besloten voorlopig

alleen toegang tot bedoelde leerkamer te verlenen aan vergaderingen van hen,

die als zuiver kerkelijk of zendingscollege of jeugd onder kerkelijk toezicht

staan. [5.10]

Men kreeg in Den Haag van diverse kerkenraden verzoeken om advies. Het eerste

antwoord was - zowel van de Algemene Synodale Commissie van de Hervormde Kerk

als van Gereformeerde deputaten - dat "op een voor christelijke doeleinden

bestemd gebouw het bewuste bordje principieel niet kan worden toegelaten, omdat

het is een verloochening van het Evangelie."

<84>

Werd een aan de kerk behorend gebouw ook gebruikt voor niet-kerkelijke activiteiten

(waarvoor het bord bevolen werd), dan moesten die voortaan achterwege blijven,

liever dan dat men het bordje plaatste. Ook concerten of sport-activiteiten

moesten dan maar vervallen.

In de drie noordelijke provincies, evenwel eiste de procureur-generaal te

Leeuwarden, dat het bordje zou aangebracht worden ook daar waar uitsluitend

zuiver kerkelijke bijeenkomsten werden gehouden. Dit gaf aanleiding tot een

aantal directe conflicten.

Op 9 april 1942 hadden ds. Gravemeyer en dr. Van Dijk namens het I.K.O. een

onderhoud met de secretaris-generaal van justitie, Schrieke. Ze zonden hem

daarna een brief (24 april) waarin zij meedeelden:

(...) De Kerk mag niet dulden, dat op haar terrein geweld wordt aangedaan aan

het beginsel van de toelating van allen, die krachtens het Evangelie van Jezus

Christus, toelating begeren.

Nu kan men zich afvragen of er veel Joden "toelating begeerden", laat staan of

dat het geval was in een of ander Fries dorp. Maar, het ging om het principe,

zou het I.K.O. stellig geantwoord hebben. Hoe dan ook, in dezelfde brief werd

voorgesteld:

1) dat in of aan kerkelijke lokaliteiten de bedoelde borden niet behoeven te worden

aangebracht, indien deze lokaliteiten uitsluitend worden gebruikt voor godsdienst-

oefeningen (en andere) vergaderingen van zuiver godsdienstig-zedelijke strekking.

2) dat, wanneer godsdienstoefeningen worden gehouden in niet-kerkelijke lokalen,

tijdens de dienst in die lokalen geen verbodsbord aanwezig behoeft te zijn;

dat algemene vergaderingen, met name ook jaarvergaderingen van (...) Christelijke

verenigingen in kerkgebouwen kunnen worden gehouden.

Schrieke ging daarmee akkoord en wijzigde de verordening.

Een krachtige houding namen de Hervormde predikanten van Sneek en omgeving aan:

begrafenis­diensten vonden vaak plaats in het plaatselijk café. Welnu, de predikanten

weigerden en gingen voortaan alleen voor als de dienst in een kerkelijk gebouw

gehouden werd. De café-houders protesteerden! Toen zijn er hier en daar

begrafenisdiensten in een café gehouden nadat eerst het verafschuwde bordje

voor die dag verwijderd was. Zoiets lijkt haast komisch, maar het was een zaak

van grimmige ernst. Dat besefte de Sicherheitsdienst, die een betreffende

predikant bedreigde voor 't geval hij nog eens het bordje zou laten weghalen.

<85>

De motivering van het I.K.O. bleef wat vaag: het antisemitisme werd niet genoemd,

terwijl het daarom toch juist ging. De bisschoppen evenwel waren duidelijker in

hun afwijzing. Van Rooij vermeldt dat Mgr. de Jong in overleg met de andere vier

bisschoppen het aanbrengen van de bordjes op RK instellingen verbood, "omdat die

bordjes een uiting zijn van principieel antisemitisme en daar mogen zeker onze

RK instellingen niet aan mee doen." Iets later stelde de aartsbisschop zich

'permissief' op als het om sportterreinen of zwembaden ging (toen waren er nog

Katholieke...), m.a.w. men behoefde ze niet te verwijderen als de politie ze

had aangebracht. Maar op RK leeszalen mocht het absoluut niet en evenmin op het

sociëteitsgebouw van het RK studentencorps te Nijmegen.

"De Rector Magnificus was van mening dat het bordje mocht blijven hangen. Er

hingen er al zo veel in Nijmegen. De burgerij zag het toch als een teken van

overmacht." Mgr. de Jong was het daar niet mee eens:

Als Wij Ons niet vergissen, zijn de katholieke studentenverenigingen van Wageningen

en Nijmegen de enige die nog bestaan. In deze omstandigheden zouden Wij het

betreuren als alleen die beide zich aan de bepaling zouden onderwerpen. De

studenten zullen het offer moeten brengen.

In september 1942 liet het Episcopaat haar principieel afwijzende houding ten

opzichte van de bordjes varen. De deportaties waren in volle gang. De bordjes

kwestie was een bijzaak geworden; aldus van Rooij. [5.11]

De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening · 第 26 / 55 题