a. De situatie (tweede halfjaar 1942)
Belangrijke oorlogshandelingen waarvan de afloop gunstig voor de geallieerden was,
deden de hoop in de bezette gebieden op een spoedige eindoverwinning stijgen.
De aanval van geallieerde commando's op de Noord-Franse plaats Dieppe toonde aan
dat de Engelsen in staat waren door de Duitse verdedigingswerken langs de kust
heen te komen en zich zelfs enige tijd op het continent te handhaven (19 aug.).
Op 13 sept. begon de Duitse aanval op Stalingrad, maar de Russen hielden stand
en begonnen (19 nov.) hun tegen-offensief. De Engelsen onder generaal Montgomery
vielen aan in Noord-Afrika (23 okt.) bij El Alamein. Kort daarop (nov.) landden
Amerikanen en Engelsen in Marokko en Algerië, waarop de Duitsers nu ook Zuid-
Frankrijk ("Vichy") bezetten.
16 juli.: vordering van koperen melkbussen, standbeelden en kerkklokken. Alle
jeugdverenigingen zijn opgeheven. Deze week zijn er overal fietsen gevorderd.
De Joden worden thans massaal weggevoerd naar Polen en Silezië. Ook de kerken
hebben geprotesteerd.
We hebben een huisgenootje gekregen, Leen, een Rotterdammertje van 3 jaar,
waarvan de ouders bij het bombardement in 1940 omgekomen zijn. (Dat was Leo.-
zijn vader en moeder waren Joodse vrienden, inderdaad uit Rotterdam maar niet
omgekomen. Alle drie hebben de oorlog overleefd).
15 aug.: vandaag zijn er vijf gijzelaars doodgeschoten.
29 aug.: Leen is gisteren weer naar huis gegaan. Hij stak erg af bij de
dorpskinderen en had daardoor nogal veel bekijks. Bovendien was het voor zijn
gezondheid niet wenselijk om veel buiten te komen, dus daar moest ook op gelet
worden. (We vonden voor Leo een ander onderduik-adres).
10 sept.: de taptemelk is nu ook op de bon: 1/4 L. per pers. per dag.
Er zijn uitsluitend zijden veters in de handel en papieren zakdoeken. Vergunning
tot het rijden op benzine wordt haast niet gegeven; verder rijdt men op houtgas,
waarvoor de vergunning gemakkelijker gegeven wordt.
16 okt.: de familie Manasse (dorpsgenoten) is gevlucht of ondergedoken.
29 nov.: een groot deel van de kuststreek zal geëvacueerd moeten worden.
<88>
Eind juni had Seyss-Inquarts naaste medewerker Schmidt openlijk bekend gemaakt,
dat de Joden uit Nederland gedeporteerd zouden worden. In juli begonnen de massa-
deportaties.
De eerste oproepen werden op zondag 5 juli per extra bestelling via de post bezorgd.
Op 14 juli werd een grote razzia op Joden in Amsterdam gehouden. De volgende dag
vertrok de eerste deportatie-trein van Amsterdam naar Westerbork. Van 14-17 juli
moesten 4000 Joden uit Amsterdam zich op het Centraal Station melden.
Op 2 augustus werden op verschillende plaatsen in Nederland Katholieke Joden
gegrepen. Die maand werden er nog meer razzia's op Joden in Amsterdam uitgevoerd.
Sindsdien bleven de treinen rijden: van Amsterdam naar Westerbork, en van
Westerbork naar "het Oosten": week na week, maand na maand.
b. Nog een synode-vergadering
We zullen in dit hoofdstuk de gebeurtenissen rondom het protest van de kerken
tegen de Jodenvervolging uitvoerig weergeven. Daartoe beginnen we evenwel met
een kijkje in een synode-vergadering die - zo vermoeden we - een direct bij
het protest betrokkene, dr. J.J.C. van Dijk, geholpen heeft bij het handhaven
van een besliste houding.
De synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland vergaderde eind mei en begin
juni; daarna zou men pas weer in september bijeenkomen. De voortzetting van de
synode, die al lang afgelopen had moeten zijn, was nodig geworden tengevolge van
de leergeschillen die nu hoog oplaaiden. Hoe is zoiets mogelijk, terwijl er een
wereldoorlog aan de gang en je land bezet is, denk je nu (en dachten toen ook al velen).
Op dinsdag 9 juni kwam dr. Van Dijk ter synodevergadering en rapporteerde over
"de werkzaamheden, door deputaten (voor de correspondentie met de Hoge Overheid)
verricht". Het bordje "Verboden voor Joden" kwam ter sprake, de Arbeidsdienst enz.
[6.1]
<89>
Er volgt dan: "Nadat de praeses (voorzitter) aan dr. Van Dijk de dank der synode
heeft overgebracht voor zijn vele bemoeienissen en hem Gods wijsheid en bijstand
bij zijn verdere gewichtige arbeid heeft toegewenst en de vergadering hem
Psalm 121:4 toegezongen heeft, verlaat dr. Van Dijk de vergadering."
Dat psalmvers luidde, in de berijming van toen:
De Heer zal U steeds gadeslaan
Opdat Hij in gevaar
Uw ziel voor ramp bewaar'.
De Heer, 't zij g'in of uit moogt gaan,
En waar g'u heen moogt spoeden,
Zal eeuwig u behoeden.
Dat was meer dan een psalmversje; het was een gebed, een zegenbede. Die werd bij
bepaalde plechtige gelegenheden in de kerk gezongen en de gemeente ging daar dan
bij staan. Dat is ongetwijfeld ook op deze synodevergadering gebeurd.
Men wist: deze man zet zijn vrijheid - misschien zijn leven - op het spel.
Dr. Van Dijk wist: 'mijn synode staat achter mij' en mijn mede-deputaten; de
broeders bidden voor ons en ze steunen ons.
c. Het telegram
De Kerken die samenwerkten in het I.K.O. (Interkerkelijk Overleg) hadden besloten
een bezwaarschrift tegen de Jodenvervolging bij Seyss-Inquart in te dienen. Het
schrijven van een concept daartoe was opgedragen aan een kleine commissie, bestaande
uit de bekende zendingsman en taalgeleerde prof. H. Kraemer (die prof. P. Scholten
sinds diens verbanning verving), mgr. Van de Loo en dr. M.C. Slotemaker de Bruïne
(niet te verwarren met zijn vader, de eerste voorzitter van het Convent, die
intussen overleden was).
Toen het I.K.O. op 10 juli vergaderde, was het concept nog niet klaar. Op grond
van de binnengekomen alarmerende berichten besloot men, allereerst een telegrafisch
protest aan de Rijkscommissaris te zenden. De tekst van dit telegram werd op
diezelfde vergadering vastgesteld en luidde als volgt:
<90>
De hieronder vermelde Nederlandse Kerken, reeds diep geschokt door de maatregelen
tegen de Joden in Nederland, waardoor zij uitgesloten worden van het deelnemen
aan het normale volksleven, hebben met ontzetting kennis genomen van de nieuwe
maatregelen, waardoor mannen, vrouwen, kinderen en gehele gezinnen zullen worden
weggevoerd naar het Duitse rijksgebied en onderhorigheden.
Het leed dat hiermede over tienduizenden gebracht wordt, de wetenschap dat deze
maatregelen tegen het diepste zedelijk besef van het Nederlandse volk strijden,
bovenal het indruisen van deze maatregelen tegen hetgeen ons van Godswege als
eis van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt, nopen de Kerken tot U de
dringende bede te richten, aan deze maatregelen geen uitvoering te geven.
Voor de Christenen onder de Joden wordt ons deze dringende bede tot U bovendien
ingegeven door de overweging, dat hun door deze maatregelen het deelnemen aan
het kerkelijk leven wordt afgesneden.
Tien Nederlandse kerken hebben dit telegram ondertekend: beide Lutherse Kerken
deden ditmaal mee, de RK Kerk was er bij gekomen, en bovendien ondertekenden de
"Gereformeerde Gemeenten in Nederland" (vertegenwoordigd door ds. G.H. Kersten)
het protest.
Het telegram werd verzonden op 11 juli. Het ging, behalve naar Seyss-Inquart,
ook naar de Generalkommissaris, das Sicherheitswesen H.A. Rauter, de General-
kommissar zur besonderen Venvendung F. Schmidt en de Wehrmachtsbefehlshaber in
den Niederlanden F.C. Christiansen. Deze stuurde zijn exemplaar door aan
Seyss-Inquart, met erop aangetekend het voorstel om ook de ondertekenaars
te deporteren.
De kerken hadden het voornemen om, behalve het telegram, ook nog een uitvoeriger
schriftelijk protest in te dienen. Prof. dr. H. Kraemer zou hiervoor het concept
schrijven, maar twee dagen later werd hij gegijzeld.
d. Duitse reactie
Tot nu toe hadden de kerken op hun tegen de Jodenvervolging ingediende protesten
nog geen enkel antwoord ontvangen, maar ditmaal kwam er wel een reactie en zelfs
zeer snel.
Op 14 juli werd ds. H.J. Dijckmeester - waarnemend secretaris van de Hervormde
Synode in plaats van de gegijzelde ds. Gravemeyer - ontboden bij Schmidt. Deze
deelde hem mee dat de Christen-Joden die voor 1 januari 1941 gedoopt waren, van
deportaties zouden worden vrijgesteld en dat aan verzachting der maatregelen voor
gemengd-gehuwden nog gewerkt werd. Schmidt verzocht ds. Dijckmeester, een en ander
aan de ondertekenaars van het telegram mee te delen.
<91>
Op 15 juli vergaderde de Hervormde Synode. Daar tekende zich een lijn af die afweek
van het standpunt, ingenomen door het I.K.O. Ten eerste voelde een meerderheid
niet voor het indienen van een uitvoerig, schriftelijk protest. Desnoods wilde men
alleen een verzoek tot de bezettende macht richten. Ten tweede vond men de (op de
vergadering van het I.K.O. afgesproken) voorlezing van het telegram in de kerkdiensten
van minder belang dan een "gebed, in een toon van ootmoed en schuldbesef". Wel zou
het telegram in de inleiding tot het gebed worden opgenomen. We komen op de inhoud
van dat gebed nog terug.
Op 17 juli hield Seyss-Inquart met zijn naaste medewerkers een z.g. Chefsitzung.
Daardoor weten wij nu (maar toen wisten de kerken dat uiteraard niet) dat de
Rijkscommissaris bepaald niet van plan was om de gedoopte Joden blijvend van
deportatie vrij te stellen. Het ging er slechts om, door deze tegemoetkoming
de kerken tot zwijgen te brengen. Zijn uiteindelijke beslissing zou afhangen
van de houding der kerken.
Aan Rauter werd tijdens die vergadering opgedragen, op de komende zondagen de
kerkdiensten te controleren in verband met een mogelijke kanselafkondiging. [6.2]
Zoals gebruikelijk ging er een stuk uit (23 juli) naar alle plaatselijke kerken
met de tekst van het af te kondigen telegram van 11 juni, en van het gebed, bestemd
voor de kerkdiensten op 26 juli.
Blijkbaar zijn de Duitsers daar onmiddellijk achter gekomen, want een dag later,
op vrijdag 24 juli, werd ds. Dijckmeester ontboden bij de plaatsvervanger van
Schmidt, Hauptmann I. Gruffke. Deze bleek op de hoogte van de voorgenomen voorlezing
van het telegram en drong erop aan deze achterwege te laten: het ging volgens
Gruffke om een vertrouwelijk document. Anders zou de basis voor verdere
onderhandelingen verbroken zijn.
Volgens ds. Dijckmeester hoorden telegram en gebed bij' elkaar: "gebed en daad
zijn niet te scheiden; als een gelovige een drenkeling in het water ziet, zal
hij wel een gebed voor hem doen maar ook een daad verrichten. Welnu, het telegram
is zulk een daad." Waarop Gruffke de beeldspraak overnam en zei: "Maar u kunt
niet zwemmen; of wel: U vraagt Schmidt om te springen, maar hij weigert."
<92>
Ds. Dijckmeester, die zelf vond dat het telegram voorgelezen diende te worden,
bracht de kwestie ter Synode. Daar overheerste de gedachte dat "onder fatsoenlijke
mensen de éne partij niet tot publikatie van een document mag overgaan wanneer
de andere partij zich daartegen verzet". Ook vreesde men dat "wat nu voor de
christen-Joden bereikt was, dan weer verloren zou gaan", aldus Touw. Zo werd aan
Schmidt nog diezelfde dag (vrijdag 24 juli) bericht dat de Synode bereid was de
afkondiging van het telegram in te trekken; maar mogelijk zou het bericht
daaromtrent een aantal gemeenten niet tijdig meer kunnen bereiken.
Er is veel kritiek gekomen op de handelwijze van de Synode, ook vanuit de eigen
kerk: gemeenteleden uit Leiden, Oegstgeest en Rotterdam betreurden in een request
aan de Synode dat de beginselvastheid in het gedrang gekomen en de eenparigheid
van handelen verbroken was. J.J. Buskes zou het later hebben over "dat andere,
afgrijselijke argument van prof. (W.J.) Aalders: de hoffelijkheid." [6.3]
De auteur van Het verzet der Hervormde Kerk, Touw, acht het fatsoensargument van
de Synode naïef, maar laat "de levens van honderden" zwaar wegen. Ging het er
hier niet om, "een stukje van een oor uit de muil van de leeuw te redden (Amos 3:12)?"
Touw besluit dan als volgt: "Heeft de Synode inderdaad de rechte beslissing genomen?
Of is zij voor een satanische verzoeking bezweken? Is zij om de levens van haar
eigen leden te redden, ontrouw geweest aan haar Heer?"
e. Gebed, afkondiging van het protest
Het gebed dat "in een toon van ootmoed en schuldbesef" zou dienen te zijn, zoals
we reeds vermeldden, werd wel toegestuurd aan alle Hervormde plaatselijke gemeenten
- trouwens ook aan die van de andere bij het I.K.O. aangesloten kerkgenootschappen.
In het gebed werd gevraagd om bewaring" opdat wij niet alleen anderen aanklagen
maar allereerst onszelf. Beweeg ons door Uw Heilige Geest, zo, dat wij voor alles
en in alles klagen over onze zonden."
<93>
Nu zou men met zo'n strofe nog vrede kunnen hebben, als "onze zonden" dan tenminste
op enigszins actuele wijze gespecificeerd zouden zijn geworden, bijv. lafhartigheid,
en gebrek aan offerbereidheid in het opkomen voor de Joodse naaste. Maar de catalogus
van opgesomde zonden bleef zo algemeen, dat het nietszeggend werd.
Even verder luidt het gebed: "Leer ons aanvaarden en dragen wat Gij ons oplegt,
zolang het U behaagt ons te straffen, omdat wij het hebben verdiend." Zou men
echt geloofd hebben dat God de oorlogsellende "oplegde" en dat Hitler als een
oordeel Gods beschouwd diende te worden over "onze zonden"? Zouden het Zwitserse
en het Zweedse volk, ofschoon de oorlog hun grens voorbijging, minder bedreven
hebben dan het Nederlandse?
"Aanvaarden en dragen" is toch wat anders dan verzet tegen de boze bieden. Wel
wordt het geloof beleden in een God "die het recht doet zegepralen" en wordt er
gesmeekt: "Laat Uw macht blijken, Uw recht openbaar worden." Gemist in dit gebed
wordt het besef dat het onze taak is om voor de openbaarwording van Gods recht op
te komen.
Evenmin fraai was het gedeelte waarin voor de Joden gebeden werd:
Wij dragen bepaaldelijk aan U op het volk Israël, dat in deze dagen zo bitter
wordt beproefd. Gij zult hen niet voor altijd verstoten, want bij U zijn levende
beloften voor hun toekomst. Houd hen staande. Breng hen tot bekering, opdat zij
de waarachtige verlossing mogen verkrijgen die Gij geschonken hebt in Christus,
Uw Zoon. In het bijzonder bidden wij U voor die kinderen Israëls, die met ons
verbonden zijn door eenzelfde geloof. Schenk hun de kracht om hun kruis te dragen,
achter Hem aan, in wie zij hun Verlossing hebben gevonden.
Maar Paulus heeft nota bene geschreven dat God zijn volk nu juist niet verstoten
heeft, en hij noemt de Joden "geliefden om der vaderen wil" (Romeinen 11 vs 1 en 28).
En, hoe men ook over "de bekering der Joden" moge denken - we komen daarop terug
in het derde gedeelte van dit boek -, op het moment van de massadeportaties, die
zouden leiden tot massa-moord, was er toch nog wel iets anders om voor de Joden
af te smeken van de God van Israël. Afgezien nog van de vraag of het juist was
om de Christen-Joden apart te noemen: ook voor hen was er wel een andere bede
denkbaar dan "de kracht om hun kruis te dragen".
<94>
Tegen dit soort gebeden behoefde de bezetter geen enkel bezwaar te hebben; ze
speelden hem veeleer in de kaart. Toch werd het gebed door de meeste andere kerken
overgenomen. Wel werd hier de kleur van wat er gebeden werd, mede bepaald door
de inhoud van het scherpe protest-telegram, dat voorafgaand aan het gebed werd
voorgelezen.
Later zou Touw schrijven: "Voor het vormen van een billijk oordeel moet wel in
het oog gehouden worden, dat alléén de Hervormde Kerk voor de pijnlijke beslissing
gesteld werd, die de andere kerken bespaard bleef' (nl. het al of niet afkondigen
van het telegram). Hier evenwel vergiste Touw zich, en in zijn spoor diverse
andere auteurs.[6.4] De andere kerken hebben wel degelijk bewust gekozen voor
afkondiging. Soms was één enkel persoon degeen die de beslissing nam. Men kan
zich afvragen hoe het besluit was uitgevallen,als op de dag van de beslissing
ook de Gereformeerde synode vergaderd had en had moeten beslissen: wel of niet
toegeven?
De Gereformeerde synode zou pas in september weer vergaderen; Van Dijk was intussen
gemachtigd om dergelijke zaken te beslissen en het schijnt dat hij geen ogenblik
geaarzeld heeft. Toen ds. Dijckmeester hem het door de Hervormde Synode genomen
besluit meedeelde, antwoordde Van Dijk onmiddellijk dat, wat de andere kerken ook
mochten doen, het telegram in de Gereformeerde Kerken voorgelezen zou worden.
Van Dijk deelde dit eveneens mee aan de vertegenwoordigers van de andere kerken,
ook aan mgr. Van de Loo, die op zijn beurt de aartsbisschop informeerde inzake
de Duitse eis. "Die (eis) is er overigens het bewijs van, hoezeer de Duitsers
de kracht van de afkondiging vrezen, en daarom voor mij persoonlijk een reden
te meer, om deze wel te laten doorgaan", aldus mgr. Van de Loo. [6.5]
Hij had Van Dijk al gezegd ervan overtuigd te zijn dat de aartsbisschop in
geen geval het telegram zou schrappen. Het voorlezen bleek inderdaad voor
mgr. De Jong zo vanzelfsprekend dat hij de andere leden van het episcopaat
pas 's maandags (na de voorlezing dus) op de hoogte heeft gesteld. 'Wij mochten
toch niet toelaten,' schreef hij hen, 'dat de wereldse overheid beslist, wat in
onze kerken zal worden voorgelezen, afgezien nog van de praktische bezwaren.'
In dezelfde brief schrijft hij ook enkele woorden over het besluit van de Hervormde
Synode. Men was te verontschuldigen, want 'de Nederlandse Hervormde Kerk heeft
zwaar geleden,' bijna al haar voormannen waren gearresteerd. [6.6]
<95>
f. De kosten
Het telegram werd inderdaad op zondag 26 juli voorgelezen in de meeste kerkdiensten.
De volgende dag vergaderde Seyss-Inquart met zijn medewerkers. De bijeenkomst
duurde ongeveer een uur. Uit de notulen:
2. Omdat de katholieke bisschoppen - ofschoon ze er niets mee te maken hadden
- zich in de aangelegenheid (van de deportaties) hebben gemengd, worden nu alle
katholieke Joden nog deze week gedeporteerd. Met interventies mag geen rekening
worden gehouden. Commissaris-generaal Schmidt zal op zondag 2.8.42 op een partij-
vergadering in Limburg de bisschoppen in het openbaar antwoord geven.
3. Voor het geval dat ook een overwegend aantal protestantse kerken het telegram
aan de Rijkscommissaris hebben laten voorlezen, worden ook de protestantse Joden
weggevoerd. Tot dit doel moeten de lijsten reeds worden gereedgemaakt. [6.7]
Inderdaad hield Schmidt op zondag 2 augustus een rede waarin hij zei:
(...) Nu werd de vorige zondag, voornamelijk in de katholieke kerken, een schrijven
voorgelezen waarin de geestelijkheid de maatregelen tegen de Joden, die ter
beveiliging van onze strijd tegen de erfvijand van het avondland worden ondernomen,
kritiseert.
Ook in enige protestantse kerken werd een schrijven voorgelezen waarin een principieel
standpunt werd ingenomen. De vertegenwoordigers van de protestantse kerken hebben
ons echter meegedeeld dat de voorlezing van de volledige tekst niet in hun bedoeling
lag, maar door technische moeilijkheden niet overal kon worden verhinderd.
Wanneer echter de katholieke geestelijkheid op deze wijze blijk geeft zich niets
aan te trekken van gevoerde onderhandelingen, dan zijn wij van onze kant gedwongen,
de katholieke Joden als onze ergste vijanden te beschouwen en voor hun onmiddellijk
transport naar het Oosten te zorgen. Dat is geschied. [6.8]
Van der Leeuw, [6.969] die over het hier volgende uitvoerige gegevens verschaft,
acht het onduidelijk waarom bijv. ook de Gereformeerde Joden toen niet gedeporteerd
zijn: misschien omdat er een gebrek aan kennis van de kerkelijke verhoudingen bij
de bezettingsmacht was, of was het een poging om de samenwerking tussen Protestanten
en Katholieken te ondermijnen?
Maar Schmidt heeft ongetwijfeld geweten (hij had zijn spionnen, ook in kerkdiensten)
dat in alle Protestantse kerken behalve in de Hervormde - en daar soms ook omdat
het consigne "geen telegram voorlezen" niet iedere gemeente tijdig bereikt had - het
telegram is voorgelezen. Er valt dan ook nauwelijks aan te twijfelen of de bezettende
macht Probeerde de kerken uit elkaar te spelen.
<96>
Daarbij leek het feit dat de Protestants-gedoopte Christen-Joden niet gedeporteerd
werden een concessie; in de praktijk werd het een chantage-middel. Eind februari
1944 zou Seyss-Inquart schrijven aan Bormann: Ik heb, zoals bekend is, de inmenging
van de kerken in het hele Joodse vraagstuk hoofdzakelijk afgeweerd door de gedoopte
Joden in een gesloten kamp in Nederland bijeen te houden".
Rauters uiteindelijke bedoeling blijkt uit zijn brief van 24 september 1942 aan
Himmler: Die protestantischen Juden sind noch hier, hetgeen zeggen wil: ze komen
later. Aldus Herzberg (134).
Op die zondag, 2 augustus, waren in alle vroegte 213 Rooms-Katholieke Joden
gearresteerd en naar Amersfoort gebracht. De volgende dag werden 44 hunner
vrijgelaten: ze waren "gemengd gehuwd". De overigen gingen naar Westerbork en
92 hunner werden nog in augustus naar Auschwitz gebracht en aldaar vermoord.
Onder hen waren een aantal kloosterlingen: uit het ene gezin Loeb zelfs drie
broers en twee zusters; ook de bekende filosofe Edith Stein, die in haar klooster
te Echt was gearresteerd, samen met haar zuster Rosa die daar portierster geworden
was.
Wielek vertelt: "Niemand van de Joodse vrouwen of mannen, die gedoopt en pater
of non waren geworden, was aan deze deportatie ontkomen. Eén voor één hadden zij
moedig en gelovig hun lot gedragen." Tegen de wil van Edith Stein werd door
bemiddeling van een marechaussee de aartsbisschop te Utrecht opgebeld. Maar
deze kon niets bereiken. "En de nonnen en paters in hun zwarte en bruine
kloosterdracht met de goudgele ster bestegen, terwijl zij de rozenkrans door
hun handen lieten glijden en het Onze Vader baden, de wagon naar Polen." [6.10]
Aartsbisschop de Jong zond op 2 augustus een telegram naar Seyss-Inquart waarin
hij om "barmhartigheid" vroeg. Hij heeft geen antwoord gekregen.
g. Vergeefse pogingen
Ook pogingen die tot niets leidden zijn soms het vermelden waard. We noemen er twee.