c. Hervormd herderlijk schrijven
De bovengenoemde publicaties waren geen officiële stukken, bij de opstelling
waarvan de Hervormde Kerk als zodanig betrokken was. Ze kwamen voort uit het
initiatief van enkele predikanten.
De Hervormde Synode heeft, maart 1941, overwogen een brochure te publiceren -
Israël als teken. Het manuscript lag klaar: een korte uitleg van Romeinen 9-11
en een analyse van Jodenhaat als een haat gericht tegen God zelf: "Door het
antisemitisme wordt de Christelijke Kerk zelf in haar wortels aangetast."
Aan de leden van de Synode werd verzocht om schriftelijk commentaar op het
concept te geven. Maar juist in die tijd vond de arrestatie van ds. Gravemeyer
plaats en men heeft toen de publicatie van "Israël als teken" niet aangedurfd.
[4.4]
Wel werd, zomer 1941, een Herderlijk Schrijven opgesteld en in september
verzonden aan alle kerkenraden, met het verzoek de inhoud te bespreken en ook
door te geven aan de gemeente. Over de Joden wordt uitvoerig gesproken.
Uiteengezet wordt dat het gebod om de naaste lief te hebben hen in geheel
dezelfde mate betreft als welke andere naaste ook." Men volgt dan min of meer
de hier boven geciteerde stelling IV uit Wat wij wel en wat wij niet geloven.
Dat is te begrijpen, want van beide stukken was dr. J. Koopmans een van de
opstellers.
"Israël is voor ons het toonbeeld en teken van Gods vrije genade". Wel heeft het
"Christus niet erkend, maar verworpen." Nu zijn zij "niet meer 'Israël' in de
oorspronkelijke zin, zij zijn 'Joden'. "Een jood is een mens uit Israël, die
Jezus Christus verwerpt. Daarin zijn zij ons een teken van de menselijke
vijandschap tegen het Evangelie. - Het gedeelte over Israël besluit als volgt:
Daarom zien wij in Israël een teken van Gods onveranderlijke trouw, waardoor
Hij in Zijn barmhartigheid een toekomst openhoudt ook voor wie zich het meest
vijandig betonen.
De gemeente van Jezus Christus weet zich gehouden tot de voorbede voor de
Joden. En zij roept hen, op grond van de oude, nog steeds geldende beloften,
terug tot hun Messias. [4.5]
Buskes zou later opmerken: "Om de eigenlijke vragen, die aan de orde waren
en de ' gemeente in onzekerheid en verwarring brachten, loopt de synode heen.
In de bezettingsjaren was een eerste vereiste, concreet en antithetisch te
spreken. Dat gebeurt in dit herderlijk schrijven niet.(...)
<67>
Klaar en duidelijk wordt doorgegeven wat de Bijbel over Israël zegt: Israël is
het teken van 1) Gods vrije genade, 2) de menselijke vijandschap tegen het
Evangelie, 3) Gods onveranderlijke trouw. De gemeente wordt opgeroepen voor
de Joden te bidden. Over het Antisemitisme wordt echter in alle talen gezwegen.
De vraag, wat wij voor de vervolgde Joden hebben te doen, wordt niet gesteld
en dus ook niet beantwoord. Dit eerste herderlijke schrijven was uitermate zwak,
omdat het volstrekt tijdloos was." [4.6]
d. De Gereformeerde synode
De classis Den Haag, daartoe aangewezen door de synode, besloot een "Bidstond
voor de nood der tijden" uit te schrijven, die op 14 september 1941 gehouden is.
De desbetreffende oproep spreekt zorg uit "ten opzichte van de voorziening van
onze stoffelijke nooddruft, vooral in voedsel en huisbrand" en noemt ook de
"vele belemmeringen voor onze christelijke actie op menig terrein." Nodig is
een gebed om "getrouw makende genade" en om "verder standvastig te zijn...
ook op het terrein van staat en maatschappij, niet het minst ook ten aanzien
van het principieel karakter van onze scholen en jeugdverenigingen." En "om
staande te blijven (...), zelfs dan wanneer gehoorzaamheid aan de Here gemis
van noodzakelijk levensonderhoud dreigt mee te brengen."
De Joden werden in de oproep niet genoemd.
Toen de generale synode - na op 25 maart 1941 voorlopig te zijn gesloten -
op 9 december van dat jaar werd voortgezet, verwelkomde de voorzitter, ds. F.C.
Meijster, speciaal "de broeders die in de vorige zittingen gedwongen afwezig
waren". Dan volgt: "Helaas worden weer anderen uit ons midden gemist (...);
van onze deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid mr. dr. J. Donner,
die voor de derde maal van zijn vrijheid is beroofd, dr. A.A.L. Rutgers en
mr. J.A. de Wilde.
Daarna deelde hij mee:
Waar in de gelederen van deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid
zulk een bres werd geslagen, heeft het moderamen opnieuw gebruik moeten maken
van zijn bevoegdheid om andere broeders aan te zoeken in dit zo gewichtig en
hoogst verantwoordelijk deputaatschap zitting te nemen. Dat daarbij dr. J.J.C.
van Dijk, onze oud-minister van defensie, bereid gevonden werd zich een benoeming
te laten welgevallen, en in plaats van dr. Rutgers onze kerken in het Convent
van kerken te vertegenwoordigen, stemt ons tot grote dank. [4.7]
<68>
Nadat Donner de tweede maal gevangen genomen was, werd dr. A.A.L. Rutgers de
vertegenwoordiger van de Gereformeerde Kerken in het Convent. Vrij spoedig
daarop werd ook hij gevangen genomen.
Toen J.J.C. van Dijk toetrad tot deputaten, was hij 70 jaar oud. Hij was
officier geweest, lid van de Tweede Kamer en tweemaal minister van oorlog.
Na de theoloog Kuyper en de jurist Donner werd nu dus een oud-militair benoemd.
Al spoedig, na de internering van prof. Paul Scholten, zou dr. van Dijk
voorzitter van het Convent worden. Hij is dat gebleven totdat ook hij (1 april
1943) gevangen genomen werd. Later zou J.J. Buskes schrijven: "Zij (Donner en
Van Dijk) hebben honderdvoudig goedgemaakt, wat prof. Kuyper bedorven had.
Ze waren niet alleen dappere, maar ook wijze mannen." [4.8]
Uit het openingswoord van ds. Meijster blijkt verder: "Feitelijk had het
moderamen alleen opdracht de synode weer bijeen te roepen voor de (theologische)
"meningsverschillen". Maar nu waren er ook andere redenen: vragen "die samenhangen
met de bezettingstoestand van ons vaderland".
<69>
Het blijkt dat "meermalen is getracht het moderamen te maken (...) tot een bureau
van advies of interventie, maar wij (...) hebben geen enkele stap gedaan in de
richting van een regerend kerkelijk college of een centraal kerkelijk gezag".
De kerken zelf moeten in haar meerdere vergaderingen haar eigen zaken beslissen,
aldus ds. Meijster.
Uit het rapport van deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid blijkt,
dat vier van hun leden gevangen genomen waren en prof. J. Ridderbos aan arrestatie
ontsnapt was door onder te duiken. Het aantal deputaten was dientengevolge geslonken
van 8 tot 3. Voorts werd meegedeeld dat deputaten over gewichtige zaken steeds
het moderamen van de synode hebben geraadpleegd. Over alles wordt uitvoerig aan
de synode gerapporteerd: Arbeidsdienst, vakbeweging, kerkelijke pers, voorbede
voor de Koningin, collectenverbod, enz.
Over "de Joden kwestie" wordt gezegd:
Het onrecht de Joden aangedaan en de toenemende vervolging van onze Joodse
medeburgers, welke reeds vroeger aan Uw deputaten aanleiding had gegeven om
daartegen met de andere protestantse kerken bij de Rijkscommissaris te protesteren
en waarop ze wederom hebben gewezen in hun request bovengenoemd tot het college
van secretarissen-generaal gericht, bleef voor Uw deputaten evenzeer als voor de
andere afgevaardigden in het convent een voortdurende oorzaak van ergernis.
Ze hebben wel overwogen om gezamenlijk ten behoeve van de Joden, inzonderheid
die naar het buitenland gevoerd waren en waaronder een schrikbarende sterfte
heerste, tussenbeide te komen, maar de vrees, dat juist daardoor hun lot
verergerd zou worden, waarom de Joden zelf verzocht hadden, dit niet te doen,
weerhield hen tot dusver. [4.9]