a. De situatie (30 maart tot einddecember 1941)
Belangrijke ontwikkelingen vonden in deze maanden plaats, tengevolge waarvan de
bevolking in de bezette gebieden heen en weer geslingerd werd tussen gevoelens
van hoop en teleurstelling.
Op 6 april begon de Duitse invasie in Joegoslavië en Griekenland. In dit laatste
land hadden de Italianen vele nederlagen moeten incasseren. Nu was de strijd
evenwel snel beslecht: op 30 april verlieten de laatste Engelse troepen Griekenland.
20 dagen later was ook het eiland Kreta geheel in Duitse handen. Joegoslavië werd
eveneens vernietigend verslagen. Duitsland scheen onoverwinnelijk.
Op 10 mei vloog Rudolf Hess naar Engeland. De wildste speculaties deden uiteraard
de ronde.
De Duitse aanval op Rusland begon op 22 juni. Tot aan het einde van de oorlog
zouden de steeds wisselende krijgskansen aldaar met hartstocht gevolgd worden
door de Nederlanders: ons toekomstig lot hing immers grotendeels af van de uitkomst
van deze strijd.
De Britten begonnen in Noord-Afrika, na hun ernstige nederlaag tegen de Duitse
generaal Rommel, een tegenoffensief op 18 november.
Op 7 december vielen Japanse vliegtuigen onverhoeds de Amerikaanse vlootbasis
te Pearl Harbour aan en vernietigden een groot deel van de Amerikaanse vloot:
de oorlog tussen Japan en Amerika was begonnen. Op 11 december verklaarden
Duitsland en Italië de oorlog aan de Verenigde Staten. Wij koesterden nieuwe hoop.
11 maart: zo juist hoorde ik dat het Leger des Heils ontbonden is. Het Calvinistisch
Weekblad is verboden.
Ik heb nog een fiets kunnen kopen met banden. Banden zijn erg schaars; ze zijn
alleen op vergunning te krijgen maar die worden haast niet gegeven.
6 april.- Het Italiaanse koloniale rijk bestaat niet meer: Addis Abeba is gevallen.
Met Pasen krijgen we een extra ei.
<63>
13 april de Duitsers hebben Benghasi (in Noord Afrika), Nochtans hoop ik op de
uiteindelijke overwinning van de Geallieerden maar het zal wel lang duren.
Dat is ook wel steeds gezegd door de Engelse radio, maar we dachten dat dit
was om de vijand om de tuin te leiden.
23 april: de melk is op de bon, sinds maandag: 1/4 liter per persoon per dag.
4 mei: de aardappels zijn op de bon.' we mogen per persoon per week 1 1/2 kg
hebben. Het vleesrantsoen is verminderd tot 2 1/2 pond in 16 dagen.
Zo juist lees ik in de krant dat oranje-insignes en uitgezaagde munten niet
mogen worden getoond, gedragen of wat dan ook.
28 mei: er is een verplichte Arbeidsdienst afgekondigd, voor jongens en meisjes
van 18-25 jaar.
8 juni: we krijgen een extra suiker-rantsoen voor de inmaak.
25 juni: taptemelk is ellendig spul om te koken; het brandt aan als een gek
maar als je 't niet kookt is het in een minimum van tijd zuur.
21 juli.- vanaf begin aug. komt er alleen nog taptemelk; geen thee meer.
Alleen surrogaat-koffie op de bon.
28 juli: verleden week moesten we ons koper en tin inleveren. Op aanraden van
een massa mensen heeft moeder er één voorwerp heengebracht. Anders doen ze
huiszoeking.
7 aug.: we mogen nu nog maar 7-5 % gebruiken van de stroom die we verleden jaar
in de overeenkomstige maand gebruikten.
17 aug.: verleden week hebben we de laatste eierbon gehad. Er komen geen eieren meer.
8 okt.: het broodrantsoen is verminderd; het is nu 1800 g. per week.
30 dec,: op last van de Rijkscommissaris moeten de navolgende artikelen ingeleverd
worden: wollen en halfwollen borstrokken, hemden, handschoenen, shawls, pullovers,
sokken, kousen, breigarens, dekens en nog een heel stel lederen artikelen.
Nu beginnen ze het eindelijk koud te krijgen in Rusland.
In april werden restaurants "voor Joden verboden" verklaard.
Op 11 juni werd de tweede grote razzia ontketend: 300 Joodse jongemannen werden
gevangen genomen en gedeporteerd.
Op 8 augustus moesten Joden hun bezit aan geld en effecten deponeren bij de
fa. Lippmann-Rosenthal te Amsterdam, welke bank voortaan door de Duitsers beheerd
werd. Drie dagen later werd alle Joodse grondbezit onteigend. Vanaf 21 augustus
mochten Joodse kinderen in de grote steden niet meer naar niet-Joodse scholen.
In september werden alle Joodse bibliotheken gesloten en verzegeld.
Sportinrichtingen, concerten en openbare bijeenkomsten waren voortaan "voor
Joden verboden".
<64>
Op 22 oktober werd verordend, dat Joden voortaan niet meer werkzaam mochten zijn
in niet-Joodse gezinnen.
b. Hervormde stemmen
Tot mijn spijt heb ik tijdens de tweede wereldoorlog op geen enkele wijze vernomen
van de volgende twee te noemen brochures, ook al werden ze op grote schaal verspreid.
Er was duidelijk een Hervormd circuit van verspreiding waar de Gereformeerden
buiten stonden, terwijl de ondergrondse pers nog in de kinderschoenen stond.
Op Gereformeerd erf is er - voor zo ver mij bekend - toen niets vergelijkbaars
gepubliceerd.
K.H. Miskotte was de schrijver van de brochure Betere weerstand, die voorjaar
1941 in enige tienduizenden exemplaren verspreid werd. Omdat de auteur een
opvallende stijl had werd de brochure, om ontdekking te voorkomen, herschreven
door ds. K.H. Kroon en H.M. van Randwijk.[4.1]
Verreweg de belangrijkste publicatie uit deze periode achten we de brochure Wat
wij wel en wat wij niet geloven, van de hand van de predikanten Miskotte, Kroon
en Koopmans. In twaalf stellingen worden "de grondelementen van het Christelijk
geloof uiteengezet. De vierde stelling luidde als volgt:
IV. Wij geloven en belijden, dat God vanouds het volk Israël heeft uitverkoren,
om Zijn openbaring te ontvangen tot op de verschijning van Jezus, de uit dit volk
geboren Messias, te bewaren en in de gehoorzaamheid aan Hem in de wereld te
verkondigen. Het is een daad van Gods onbegrepen vrije genade, waardoor Israël
deze roeping heeft ontvangen, want op zichzelf was Israël niet beter, waardiger
of geschikter dan de andere volkeren. Maar aan dit volk heeft de Here Zijn Woord
toebetrouwd, zodat wie tot God komt, "bij Israël wordt ingelijfd".
Daarom geloven wij, dat wie zich tegen Israël stelt, zich verzet tégen de God
van Israël. Want wel is Israël ongehoorzaam geweest en heeft het wonder van zijn
roeping veracht, toen het de Hete der Heerlijkheid gekruisigd heeft. En wel
heeft God toen voor een tijd en voor een deel een verharding over Israël gelegd,
maar in deze zaak tussen God en dit volk mag niemand zich eigenmachtig en
hovaardig mengen. Allen, die niet uit Israël zijn, moeten veeleer in Israël het
teken zien van de vrijmachtige goddelijke verkiezing in het teken van de algemeen
menselijke ongehoorzaamheid. En allen, die uit Israël zijn, zullen hun bestemming
vinden, als zij zich tot de Messias bekeren; dan zal vervuld worden wat de apostel
zegt: "indien de volheid der heidenen zal ingegaan zijn, zo zal geheel Israël
zalig worden."
Daarom houden wij het antisemitisme voor iets veel ernstigers dan een onmenselijke
rassenideologie. Wij houden het voor een van de hardnekkigste en dodelijkste
vormen van verzet tegen de heilige en barmhartige God, wiens Naam wij belijden. [4.2]
<65>
L. de Jong merkte naar aanleiding van deze passage op: "Men kan de vraag stellen
of het gepast was, in de zomer van '41, toen de Joden waarlijk al genoeg te dragen
hadden, ook nog te betogen dat zij alleen hun 'bestemming' zouden vinden indien
zij zich allen tot het Christendom bekeerden; dat Miskotte, Kroon en Koopmans
met dat betoog alleen het heil der Joden op het oog hadden, spreekt overigens
vanzelf en in elk geval bevatte hun betoog een afwijzing van het antisemitisme
die voor protestantse lezers moeilijk in klemmender bewoordingen gesteld
kon worden." [4.3]
We voegen hier aan toe dat de opmerking, als zou Israël de Heer der heerlijkheid
gekruisigd hebben, gemakkelijk kon leiden tot de oude en taaie misvatting: "de
vervolging van de Joden is een straf, omdat 'ze' Christus gekruisigd hebben."