Foto 8. Mr. dr. J. Donner

Uit hun verhoren bleek, dat de bezettende macht de voorgenomen actie zag als

vermoedelijk het sein tot een algemene opstand. Men drong er bij de arrestanten

op aan, dat de afkondiging van de brief achterwege zou blijven. Ook werd het

feit, dat de kerken zich tot de secretarissen-generaal gewend hadden, door de

Duitsers beschouwd als een miskenning van hun gezag.

Donner legde uit, dat hij niet gemachtigd was tot het besluit om voorlezing

achterwege te laten, en dat overigens het herderlijk schrijven van zijn synode

los stond van de brief aan de secretarissen-generaal. Hij bood aan, het stuk

met zijn ondervrager door te nemen om aan te tonen dat het geen bedreiging van

de openbare orde inhield. Zulks geschiedde, op zaterdag. Mr. Donner werd daarop

's avonds vrijgelaten. De volgende dag werd overal in de Gereformeerde Kerken

het herderlijk schrijven voorgelezen.

<56>

Gravemeyer evenwel beloofde de Duitsers, zijn best te zullen doen om de

afkondiging (van de samenvatting van de brief aan de secretarissen-generaal)

te voorkomen, "om geen aanleiding te geven tot demonstraties of tegen-demonstraties".

Die zaterdagavond werd aan de Hervormde dominees in de grote steden gevraagd wél

de bidstond, maar niet de kanselafkondiging te laten doorgaan, om "door deze

daad een overtuigend bewijs te geven dat de kerk geen politieke bijbedoelingen had."

De gang van zaken leidde tot kritiek op ds. Gravemeyer. Had hij wel de bevoegdheid,

persoonlijk de voorlezing van de kanselboodschap af te gelasten? Het vragen naar

iemands bevoegdheid is in Protestantse kerken een goed gebruik.

d. Een synode in vergadering bijeen

Het is wel aardig om, aan de hand van de Acta (notulen), na te gaan hoe de

besluitvorming in een synode plaatsvond. We kiezen daartoe een paar vergaderingen

van de synode van de Gereformeerde Kerken, die gehouden werden in maart 1941.

Op dinsdag 4 maart werd 's morgens, 's middags en 's avonds het rapport van

Deputaten voor de correspondentie met de Hoge Overheid behandeld. Eerst werd

het uitvoerige rapport voorgelezen, de eerste helft door H.H. Kuyper, de tweede

door Donner. Typisch voor de Gereformeerde Kerk-structuur is de opmerking:

Hoewel het uit de aard der zaak volgt en in onze kerken dan ook gewoonte is,

dat deputaten eerst na afloop van hun mandaat op de volgende synode rekenschap

van hun handelingen afleggen, zijn zij echter volkomen bereid, dit reeds thans

te doen, nu de synode haar zittingen nog niet gesloten heeft en wederom te

Utrecht samenkomt, al zal hun rapport uitsluitend handelen over hetgeen door

hen is gedaan ten behoeve der kerken voor zover dit betrekking heeft op de

nieuwe situatie, die na de oorlog is ontstaan.

Verder merken Deputaten langs hun neus weg op, dat "van correspondentie met de

Hoge Overheid in de zin die de Synoden krachtens hare instructies bedoelden,

geen sprake meer kan zijn, daar de correspondentie met Engeland onmogelijk was

geworden." Maar "uit de boezem der kerken zelf kwamen verzoeken om bij de

bezettende macht tussenbeide te komen, in het belang van deze kerken, of van de

ambtsdragers; adviezen te geven, hoe gehandeld behoorde te worden t.o.v.

verordeningen door de bezettende macht uitgevaardigd."

<57>

foto 9. Een vergadering van de synode-Sneek 1939 van de Gereformeerde Kerken.

Op de 1e rij achter de tafel zitten enkele hoogleraren-adviseurs; rechts achter

de tafel staand met baard: H.H. Kuyper. Op de tweede rij de moderamentafel, met

geheel rechts ds. F.C. Meijster.

Er werd gerapporteerd over het Convent van Kerken. Het voorzitterschap ervan

wordt tijdelijk waargenomen door dr. Donner wegens ziekte van prof. Slotemaker

de Bruïne.

Deputaten behandelden onder meer kwesties inzake oorlogsschade, Zondagsrust,

de gevangenneming van ambtsdragers der kerk, voorbede voor de Koningin, de

kerkelijke pers, arbeiders naar Duitsland, de Arbeidsdienst. Het protest van

het Convent tegen de Jodenvervolging werd in zijn geheel vermeld, maar gepoogd

werd het niet-afkondigen ervan in de Gereformeerde Kerken goed te praten. Ook

de brief gericht aan de secretarissen-generaal is in zijn geheel opgenomen.

De praeses (voorzitter) van de synode, de Rotterdamse ds. F.C. Meijster, opende

op die dag de avondzitting met het laten zingen van Ps. 46:6:

De Heer, de God der legerscharen,

Is met ons, hoedt ons in gevaren.

De Heer, de God van Jakobs zaad,

Is ons een burcht, een toeverlaat.

<58>

Daarna werd de bespreking van het rapport voortgezet en beëindigd. Het rapport

werd door de Synode met dankbaarheid aanvaard.

In diezelfde week werd door de synode een herderlijk schrijven opgesteld.

Alle synode-leden waren er dus bij betrokken, in tegenstelling tot het protest

uitgevaardigd door het Convent van Kerken, dat a.h.w. met terugwerkende kracht

door de synode werd goedgekeurd.

Het besluit om dit "getuigenis" te doen uitgaan was genomen "mede naar aanleiding

van" de brief, afkomstig van de Lunterse kring (augustus 1940), waarin om een

besliste uitspraak gevraagd werd. De brief vanuit Lunteren wordt in de Acta

(art. 411) vermeld als "een schrijven van ds. K.H. Miskotte c.s.".

Voor het opstellen van het herderlijk schrijven benoemde men een commissie: drie

professoren, een predikant, twee ouderlingen en mr. dr. J. Donner als adviseur.

Dat gebeurde op dinsdag 4 maart, in de ochtendzitting. Op donderdag 6 maart werd

het concept voorgelezen door prof. dr. G.C. Berkouwer en, nadat er nog enige

wijziging in was aangebracht, door de synode vastgesteld op vrijdag 7 maart.

We citeren het gedeelte dat gaat over het Joodse volk:

In onze tijd wordt met steeds meer klem de gedachte voorgestaan, dat niet de

verhouding tot Gods naam, maar de verbondenheid aan een bepaald volk of ras de

betekenis van iemands leven bepaalt en de grote scheidslijn vormt tussen de mensen.

Ge hebt, wanneer ge bij de Heilige Schrift leeft, het antwoord nimmer schuldig te

blijven tegenover deze leer, die bij zovelen reeds ingang vond. Tegenover deze

leer stelle de gemeente altijd niet eigen inzicht, maar de kracht van dat Woord,

dat sterk is en machtig. De zorgen, die in de laatste maanden velen onzer

volksgenoten vervulden, zijn ook aan U niet voorbijgegaan. Dat kan ook niet,

waar juist de gemeente van Christus vanuit het Evangelie in de historie van het

Joodse volk de Christus zag geboren worden en reeds op die grond nimmer de vraag

naar een bepaald ras kan laten worden tot een begrenzing van de liefde tot onze

naaste en van de barmhartigheid, die we schuldig zijn.

Waar gij zo bij al deze gebeurtenissen betrokken zijt, moge Uw bewogenheid zich

vooral uiten in de vurige bede tot God, dat Hij ook in dat naar Zijn bestel onder

de volken verstrooide volk het volle licht van de Christus in steeds meerdere

mate wil doen doordringen en het bovendien als een klem op aller consciëntie wil

leggen, dat noch de aristocratie van het ras, noch die van geslacht of natie

over de betekenis van ons leven beslist (Gal. 3:28, Coloss. 3: 1l), maar alleen

de Naam des Heren en dat Hij over de verwerping van die Naam eens Zijn heilige

recht zal spreken.

<59>

e. Afkondiging in een kerkdienst

Op zondagmorgen 23 maart 1941 was ik aanwezig in de Gereformeerde kerk te

Renkum/Heelsum. Ik was toen bijna 21 jaar oud, een jongeman die weinig of

geen heil zag in het christelijke geloof, laat staan in de kerk. Maar ja, als

je wegbleef uit de kerkdienst, kreeg je heisa in gezin en familie. Dus je zat

er, zij het zonder interesse.

Zondag aan zondag stond ds. H.Z. de Mildt op de preekstoel, niet zo jong meer,

beminnelijk, geen krachtpatser, ziekelijk; kort daarop zou hij met vervroegd

emeritaat gaan. Hij preekte met zachte stem, wat lijzig. In de bank rechts van

de preekstoel zaten de ouderlingen, in de bank links ervan de diakenen. Ik kende

ze allemaal van haver tot gort: winkeliers (evenals wij), arbeiders en boeren.

Met één van hen zou ik bijna slaande ruzie krijgen, toen hij tijdens het

huisbezoek (dat werd trouw leder jaar bij ieder gezin door twee ouderlingen

afgelegd) durfde te beweren dat je moest buigen voor de voorschriften van de

bezettende macht, die volgens hem toch de overheid was.

Die ochtend werd het herderlijk schrijven voorgelezen; nu vind ik het een veel

te uitvoerig stuk: het beslaat in "Delleman" vier grote bladzijden, met kleine

letters. Naar mijn herinnering duurde het toen helemaal niet lang. Ik luisterde

ademloos, de hele gemeente trouwens.

Het was kort na de februari-staking. Er waren al doden gevallen. Mijn dagboek

(niet dat van mijn zus dit keer) vermeldt: "Gisteren is van de kansel een

schrijven afgelezen dat uitmuntte door mannentaal. "En dat gebeurde overal,

door het hele land, in meer dan 800 kerkgebouwen. Het is nu moeilijk na te

voelen - ofschoon er achteraf op de inhoud zeker hier en daar kritiek te

leveren valt -, hoezeer een dergelijk getuigenis de mensen een hart onder

de riem stak.

<60>

De afkondiging van een protest of herderlijk schrijven in de kerkdiensten is

in de Gereformeerde Kerken praktisch overal geschied. Alleen een predikant te

Breda weigerde de voorlezing uitdrukkelijk. Het rapport aan de synode over

handelwijze en argumenten van deze predikant eindigt met een advies bestaande

uit 5 punten, waarvan het laatste luidde:

De synode draagt aan de classis Klundert op, om over deze zaak verder met ds. T.

te handelen, en hem ernstig te vermanen, zich te bekeren van de onschriftuurlijke

beschouwingswijze, die in zijn bezwaren tot uitdrukking komt.

Een andere (emeritus) predikant zat op dezelfde lijn en schreef een brochure,

waarin hij volkomen lijdelijkheid (passiviteit) jegens de bezettende macht

bepleitte, omdat deze "een oordeel Gods was, waaraan we ons te onderwerpen hadden."

Over deze brochure werd gerapporteerd aan de classis Amersfoort, die daarop het

standpunt van deze predikant beslist veroordeelde.

Dit zijn de twee "afwijkende gevallen" als vermeld door Delleman in zijn

hoofdstuk "Het verzet tegen het verzet", dat slechts 5 pagina's (389-393) beslaat.

Ook in de Hervormde Kerk werden de protesten door de overgrote meerderheid van

de predikanten publiekelijk voorgelezen, al waren er hier meer uitzonderingen

die de regel bevestigden. Soms las men niet voor vanuit een houding van (godsdienstige)

lijdelijkheid. We vermoeden deze achtergrond bij de 5 predikanten in de classis

Zierikzee, die (april 1943) van hun classis een terechtwijzing ontvingen:

Wij willen U er op wijzen, dat U daarmede ten opzichte van Uw roeping ernstig

in gebreke zijt gebleven, het getuigenis der Kerk verzwakt hebt, en in strijd

hebt gehandeld met hetgeen de Synode der Nederlandse Hervormde Kerk U heeft

opgedragen. Het Classicaal Bestuur verwacht van U, dat U Uw houding bij een

eventuele volgende gelegenheid zult wijzigen en U zult gedragen een Dienaar

der Kerk waardig.

Aldus Touw, in zijn uitvoerige hoofdstuk (V): "Problemen van het verzet". HIJ'

noemt datgene wat ook In andere kerkgenootschappen wel zal zijn voorgekomen:

"Tenslotte verzwegen vele predikanten de kanselboodschappen, eenvoudig uit

persoonlijke vrees voor conflicten, uit angst voor arrestatie." Hij vervolgt dan:

<61>

De gemeenten signaleerden zulke predikanten al spoedig, en geleidelijk verloren

ze het vertrouwen van de velen, die met diepe dankbaarheid vervuld waren voor

de getuigenissen der Synode. Dan uitte de gemeente haar tucht-oefening op

verschillende wijze. Typisch was de reactie in een eenvoudige Zeeuwse gemeente.

Toen een nieuwe predikant zijn intree deed, hadden verschillende gemeenteleden

het kippenhok van de pastorie van kippen voorzien. Maar toen de nieuwe dominee

enige tijd later een kanselafkondiging niet voorlas, was een van de goede gevers

zo diep teleurgesteld dat hij zijn kip uit het kippenhok weer weghaalde! (186)

Voorwaar, in die tijd wel een zeer indringende manier van tuchtoefening over een

voorganger.

<62>

De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening · 第 22 / 55 题