3. VERSCHERPING

a. De situatie (november 1940 - maart 1941)

Op 5 november werd president Roosevelt herkozen. Op 9 december begonnen de

Engelsen hun offensief in Noord-Afrika, aanvankelijk met succes.

Op 25 en 26 februari (1941) vond de grote staking in Amsterdam plaats, die als

"de februari-staking" de geschiedenis zou ingaan.

Op 13 maart executeerden de Duitsers 15 "Geuzen" (leden van een van de eerste

verzets­organisaties) en 3 februari-stakers: "de achttien doden", het bekende

gedicht van Jan Campert.

3 nov.: Eieren, aardappelmeel, sago, koekjes, gebak enz. zijn nu ook op de bon

evenals kaas. Er is haast niets dat zonder bon verkocht mag worden, en

verschillende dingen, zoals room en levertraan, koop je alleen op gecontroleerd

doktersadvies. Goede toiletzeep mag niet meer verkocht worden. Wel een

eenheidszeep, maar dat is bocht en nog op de bon ook. De schoolkinderen hebben

van vrijdag tot dinsdag vrij, vanwege de brandstofbesparing.

24 nov.: Erwten en bonen zijn nu ook op de bon maar ze zijn heel slecht te

krijgen, evenals boter en eieren.

(Dan volgt een typische vermelding die de hele oorlog door in diverse formuleringen

zal worden neergeschreven. JMS.) Men voorspelt dat er met Kerstmis oproer zal

komen, omdat de Moffen dan naar huis willen. Misschien zijn we dan met Nieuwjaar

van het hele gezeur af.

22 dec.: De dominees worden tegenwoordig, tenminste door de jongelui, afgemeten

naar de wijze waarop ze zachtkens de politiek erbij halen in de preek. Hoe meer,

boe liever, al is 't gevaarlijk.

1 jan. (1941): Vandaag hebben we 1/3 van één van Wims konijnen opgegeten.

Gelukkig maar dat we hem hadden, want we hebben geen kruimel gewoon vlees gehad.

7 jan.: Nu is het tot overmaat van ramp ook nog vreselijk koud en we hebben

weinig kolen. Bonnen genoeg, maar er worden er haast geen geldig verklaard.

22 jan.: We stoken veel hout en cokes want kolen zijn er bijna niet meer.

Gelukkig is de vorst voorbij. Toch heeft de Rijn nog dicht gezeten.

<50>

2 febr.: De nieuwe (textiel) puntenkaart is er: 100 punten voor 7 maanden.

Thee en koffie-rantsoenen zijn al weer verminderd. We krijgen nu 125 g.

koffie, of 50 g. thee in de 6 weken per persoon.

16 febr: Gisteren collecteerden (de politie-agenten) Driessen en Hengeveld voor

de Winterhulp. Het was een zielig gezicht.

18 maart: Oud-minister Donner moest kortgeleden bij de Gestapo komen. Ze wilden

wel eens weten, wie het eigenlijk is die ons volk ophitst. Antwoord

Willem de Zwijger; die heeft ons volk vrijheidsliefde ingeplant.

In de tweede helft van november (1940) werden alle Joden in overheidsdienst van

hun functie ontheven.

Op 10 januari (1941) werd verordend dat "alle personen van geheel of gedeeltelijk

joods bloed" zich moesten aanmelden.

Op 9 februari werd de eerste overval op Joden in Amsterdam gepleegd. Drie dagen

later werd de Joodse Raad ingesteld. Het ontslag van Joden in overheidsdienst

viel op 21 februari. De eerste grote razzia vond plaats op 22 en 23 februari:

425 Joodse jongemannen werden gevangen genomen, zwaar mishandeld en gedeporteerd

naar Buchenwald en Mauthausen.

Op 22 maart werd verordend, dat de Joden uit het bedrijfsleven verwijderd moesten

worden.

b. Bijna te laat

Ruim een week na de voorlezing van het protest van de kerken kwam het bevel, alle

Joodse ambtenaren uit hun functie te ontheffen. Al eerder (20 september) had de

bezetter van alle ambtenaren ondertekening van de z.g. 'Ariër-verklaring' geëist.

Dit was de eerste maatregel waardoor van niet-Joden medewerking werd geëist om de

Joden te isoleren en te treffen. Toch wordt, in het eerste protest van de kerken,

juist deze Duitse maatregel niet genoemd, wel andere. Is men ervoor teruggedeinsd,

de gelovigen openlijk op te roepen om de 'Ariër-verklaring' niet te tekenen?

Een lid van de Lunterse kring, dr. J. Koopmans, schreef een korte brochure, Bijna

te laat, een van de eerste "illegale" geschriften; de eerder genoemde brochure

van de hand van dr. Eykman was nog "bovengronds" verspreid.

We citeren de volgende gedeelten uit Bijna te laat:

<51>

foto 7 Dr. J Koopmans (ca 1945)

Wanneer onze 'intrede in de geschiedenis' gekocht moet worden tegen de prijs van

een goed geweten, dan is het duizendmaal beter, dat wij uit de 'geschiedenis'

verdwijnen, dan dat wij ons geweten verkopen.

(...) Wie enigermate van nabij de kerkelijke methode van werken kent, zal er de

kerkelijke autoriteiten geen verwijt van maken, dat het getuigenis pas zo laat

gekomen is, bijna te laat. Met het oog op het al-of-niet invullen van de formulieren,

die ons geweten moeten helpen verduisteren, is ook het kerkelijk getuigenis te

laat gekomen.

(...) Moet ik tekenen of mag ik "uit beweegredenen van barmhartigheid en op

gronden aan de Heilige Schrift ontleend" de ondertekening alleen maar weigeren?

Op deze vraag kan de Kerk van Nederland mij geen antwoord geven. Daarvoor is

het te laat.

(...) De volgende slag wordt moeilijker. Nu komt natuurlijk het ontslag aan

personen 'van Joodse bloede'. (...) Zij gaan eruit - daaromtrent moeten we ons

niet de flauwste illusies maken. Zij gaan eruit en zij gaan eraan.

<52>

Koopmans doet een beroep: "Laat de instanties, die nu tot ondertekenen van de

verklaring verplicht of gedwongen of alleen maar gedrongen zijn, nu een duidelijke

en onomwonden verklaring afleggen, dat zij tot het ontslag van personen 'van

Joodse bloede' niet bereid zijn!" Hij richt zich speciaal tot de secretarissen-

generaal, de burgemeesters, de bestuurders van christelijke scholen en

omroepverenigingen. Ook de Maatschappij voor Geneeskunde, de Broederschap van

Notarissen en de verenigingen van personeel in overheidsdienst worden

aangesproken en vervolgens de Aartsbisschop, in zeer krachtige taal.

De brochure besluit met de volgende woorden:

Volk van Nederland, het is bijna te laat - maar nog niet helemaal! Het is nog

niet helemaal te laat om terug te keren tot het christelijk geloof en het goede

geweten. Het is nog niet helemaal te laat om uit beweegredenen van barmhartigheid

en op gronden aan de Heilige Schrift ontleend op te komen voor onze Joodse

volksgenoten. Het is nog niet helemaal te laat om de Duitsers te laten zien,

dat hun goddeloosheid niet alle dingen overwint, maar dat er érgens mensen

wonen, die hun christelijk geloof en hun goede geweten niet zomaar laten roven.

0 God van Abraham, Izak en Jakob, Vader van onze Hete Jezus Christus! Kom Uw

arme Christenheid te hulp en ontferm U over Nederland.

De brochure werd gedrukt te Noordwijk, in een oplaag van niet minder dan 50.000

exemplaren. 's Nachts werden ze in grote pakken naar Amsterdam vervoerd, en per

post werden kleinere pakketten aan vertrouwde adressen in het hele land gezonden

voor verdere verspreiding. De secretarissen-generaal en alle burgemeesters,

notarissen en besturen van christelijke scholen kregen de brochure toegezonden.

Op hen speciaal immers deed de auteur zijn beroep.

Enkele maanden later, in april 1941, stonden een 57-jarige burgemeester en een

25-jarige chemicus terecht voor het Duitse Landesgericht, omdat ze te Deventer

in november 1940 de brochure verspreid hadden. De eerste beklaagde kreeg de

gelegenheid, zijn zienswijze als Christen uiteen te zetten, maar dat leverde

hem geen voordeel op. Integendeel, hij werd veroordeeld tot anderhalf jaar

gevangenisstraf. De tweede beschuldigde kreeg één jaar; beiden met aftrek van

voorarrest. In zijn requisitoir noemde de "General-Staatsanwalt" een dergelijke

propaganda zeer gevaarlijk voor het Nederlandse volk, "want daarin wordt het

Jodenprobleem voorgesteld als een christelijke zaak. Dat is niet juist ...."

(Touw, I, 392).

<53>

c, Een brief en twee arrestaties:

In de vergadering van het Convent van Kerken op 25 februari 1941 - de dag waarop

in Amsterdam de februari-staking uitbrak - besloot men een brief te sturen aan

het college van secretarissen­generaal; zij immers waren, sinds het vertrek van

de Nederlandse regering, de hoogste Nederlandse gezagsdragers.

Dit schrijven werd verzonden op 5 maart. Ditmaal ondertekende ook de

vertegenwoordiger van de Evangelisch Lutherse Kerk. De inhoud luidde als volgt:

(...) De Kerken zijn ten zeerste verontrust door de ontwikkeling der gebeurtenissen,

gelijk deze zich meer en meer aftekent. De haar door God opgedragen verkondiging

van Zijn Woord legt haar de dure roeping op om op te komen voor recht en

gerechtigheid, voor waarheid en liefde. Zij moet ook haar stem doen horen waar

in het openbare leven deze hoge waarden worden bedreigd of aangetast. Dat deze

waarden ernstig gevaar lopen kan door hem, die de toestand van ons volksleven

gadeslaat, moeilijk worden ontkend.

Zo zijn in het beeld, dat de openbare straat meer en meer gaat vertonen, - in

de behandeling welke in steeds toenemende mate aan het Joodse deel van de

Nederlandse bevolking ten deel valt, - in de groeiende rechtsonzekerheid, - in

de voortgaande aantasting van vrijheden welke de noodwendige voorwaarden zijn

voor de vervulling van Christenplichten, even zovele duidelijke symptomen te

zien van een toestand, die niet alleen een klem legt op het geweten van onze

landgenoten, maar ook naar de diepste overtuiging der Kerken indruist tegen

de eis van Gods Woord.

Het is om die reden dat de Kerken zich genoopt gevoelen zich tot Uw College te

wenden, met de dringende bede zoveel in Uw vermogen ligt te bevorderen, dat

recht, waarheid en barmhartigheid ook in het huidige tijdsbestel de richtsnoeren

zullen zijn voor het beleid der Overheid.

Harerzijds erkennen de Kerken gaarne in ootmoed haar dure roeping het volksleven

zodanig te bearbeiden en te beïnvloeden, dat daarin die geestelijke waarden

metterdaad worden beleefd.

<54>

Wij vertrouwen, dat Gij de stem der Kerken, zoals zij in dit adres tot uiting is

gebracht op de wijze die U daartoe dienstig zal voorkomen, mede zult willen doen

doorklinken tot hen, die tijdens de huidige bezettingstoestand de uiteindelijke

verantwoordelijkheid dragen voor de gang van zaken in ons Vaderland.

Met volledig begrip voor de hoogst moeilijke taak waarvoor Uw College zich in

dit tijdsgewricht gesteld ziet smeken zij God, dat Hij U Zijn licht en bijstand

moge schenken.

De secretarissen-generaal hebben de brief niet beantwoord: zij beschouwden

zichzelf niet verantwoordelijk. Evenmin voldeden zij aan het verzoek om de

bezorgdheid der kerken over te brengen aan de bezettende macht.

De Hervormde Synode zond afschriften van de brief aan alle plaatselijke

kerkenraden, met de mededeling dat er geen bezwaar tegen was dat de gemeenten

op de hoogte gesteld werden van de gedane stap. Afkondiging of publicatie van

de brief was evenwel niet de bedoeling. Maar het nationaal-socialistische

Nationale Dagblad publiceerde de volledige tekst, met als commentaar: "Bij zoveel

volksvergif is de zwaarste straf te licht."

Ds. Gravemeyer stelde in het Convent voor, de brief of een samenvatting daarvan

van de kansels te laten voorlezen. Daar was men niet algemeen voor; wel was men

voor toezending aan de kerkenraden van alle kerken. Aan ds. Gravemeyer werd

verzocht, een boodschap tot de gemeenten voor te bereiden overeenkomstig de

strekking van de brief. Die boodschap zou dan in de kerkdiensten worden afgelezen.

Sinds december 1940 was prof. Slotemaker de Bruïne vanwege zijn ziekte uitgevallen

en mr. Donner trad nu op als voorzitter. Op de vergadering van het Convent van

11 maart deelde deze mee, dat de synode van de Gereformeerde Kerken een herderlijk

schrijven - waarover meer hierna - had opgesteld, dat in hun kerken op 23 maart

zou worden voorgelezen. Besloten werd daarom, dat op die datum in alle bij het

Convent aangesloten kerken een bidstond zou worden gehouden. Gravemeyer zond

aan alle Hervormde predikanten een "oproep tot gebed", qua inhoud aansluitend

op de brief aan de secretarissen-generaal. Deze oproep werd op woensdag 19

maart verzonden.

<55>

De Duitsers kregen er lucht van, dat er iets in de kerken stond te gebeuren.

Waarschijnlijk heeft een predikant de stukken op woensdagavond ontvangen en aan

hen doorgespeeld. De februari-staking lag nog vers in het geheugen. Op 20 maart

zou Koningin Wilhelmina over radio Oranje spreken. Op die datum - donderdagochtend -

werden de twee leiders van het Convent gearresteerd: secretaris Gravemeyer en

voorzitter Donner. Eerst wist de een niet, dat ook de ander gevangen zat.

De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening · 第 21 / 55 题