De ondergetekenden, vertegenwoordigende de navolgende Protestantse Kerken in
Nederland in zaken betreffende de verhouding dezer kerkgenootschappen tot de
Hoge Overheid, te weten:
1. De Nederlandse Hervormde Kerk;
2. De Gereformeerde Kerken;
3. De Christelijke Gereformeerde Kerk;
4. De Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband;
5. De Remonstrantse Broederschap;
6. De Algemene Doopsgezinde Sociëteit, gevoelen zich gedrongen, naar aanleiding
van de onlangs uitgevaardigde voorschriften, waarbij de benoeming en bevordering
van ambtenaren en andere personen van Joodse bloede in Nederland wordt verboden,
zich tot Uwe Excellentie te wenden.
De strekking van de genomen maatregelen, waarbij gewichtige geestelijke belangen
ten nauwste zijn betrokken, achten zij in strijd met de Christelijke barmhartigheid.
Voorts treffen deze maatregelen de leden der Kerk zelve voorzover zij in de
laatste geslachten tot het christendom zijn overgegaan en in volkomen gelijk-
gerechtigheid, zoals de Heilige Schrift uitdrukkelijk verlangt (Romeinen 11: 12,
Galaten 3:28), in de Kerken zijn opgenomen.
Eindelijk worden de Kerken op het diepst ontroerd, omdat het hier betreft het
volk, waaruit de Zaligmaker der wereld is geboren en dat het voorwerp is van
de voorbede der Christenheid, opdat het zijn Heer en Koning lere erkennen.
Het is om deze redenen, dat zij zich wenden tot Uwe Excellentie met het dringende
verzoek te willen medewerken tot de intrekking van de bedoelde voorschriften.
Zij doen daarbij een beroep op de belofte, door Uwe Excellentie in een plechtig
uur geschonken, dat zij ons volkskarakter wil eerbiedigen en aan ons land geen
ideologie wenst op te dringen, die ons vreemd is.
(10 handtekeningen)
<46>
H.C. Touw zou later schrijven: "De betekenis van dit eerste, gemeenschappelijke
protest tegen de Jodenverdrukking, in een tijd toen een groot deel van ons volk
de strekking nog niet doorzag, kan niet licht overschat worden. Voor het eerst
getuigden de kerken tezamen, getuigden zij tegen het antisemitisme, getuigden
zij op bijbelse gronden, en getuigden zij tijdig."
Misschien was het belangrijkste van de indiening van dit request, dat men besloot
om in alle kerkgebouwen mededeling aan de gemeente te doen van de indiening,
met een korte samenvatting van de inhoud.
Later zou de Hervormde predikant dr. H.M.J. Wagenaar, op wiens bureau (voor
predikantssalarissen) de meeste stukken gestencild werden, aan L. de Jong
vertellen hoe een besluit om een protest in alle plaatselijke kerken voor te
lezen, uitgevoerd werd:
"Moest op zondag in alle hervormde kerken een bepaald schrijven voorgelezen
worden, dan werden de gestencilde stukken als regel op woensdag gereedgemaakt
en op donderdag door vertrouwde koeriers of koeriersters naar verschillende
adressen in den lande gebracht. Van daaruit waarschuwde men de gedelegeerden
van de classes; die lieten dan op vrijdag de stukken ophalen en droegen er
zaterdag zorg voor, dat elke predikant het voor hem bestemde exemplaar ontving.
Het was een distributiesysteem, buiten de post om, dat steeds feilloos functioneerde.
Het element van risico dat er in stak (de stukken kwamen ook in handen van 'foute'
predikanten) werd aanvaard." [2.12]
Zondag 27 oktober, aldus Touw, werd een keerpunt in de geschiedenis der kerk:
"de stilte, waarin kerk en volk zovele maanden verkeerden, werd verbroken".
Er waren gemeenteleden die alleen maar naar de ochtenddienst plachten te gaan,
maar op die zondag ook naar de middagdienst kwamen om de afkondiging nog eens te horen.
Maar de Gereformeerde prof. H.H. Kuyper oordeelde, dat "het niet oorbaar moest
worden geacht aan een verzoek publiciteit t. geven voordat het antwoord was
binnengekomen" (Seyss-Inquart heeft niet geantwoord). Wel werd de tekst aan de
plaatselijke kerkenraden gezonden, maar ook dat geschiedde met vertraging.
Zo werd op 29 oktober in alle Hervormde kerkdiensten mededeling gedaan van het
protest, maar de Gereformeerden hoorden er die zondag in hun kerkdiensten niets
over, al was het protest ook namens hen ingediend.
<47>
Prof. Kuyper maakte de zaak nog erger door zijn poging een en ander uit te leggen
in het weekblad de Heraut. De Duits-gezinde, Gereformeerde dr. H.W. van der Vaart
Smit maakte daar direct gebruik van om "het Gereformeerde standpunt" tegen het
Hervormde uit te spelen.
Geen wonder, dat een en ander leidde tot scherpe kritiek op prof. Kuyper. Ongeveer
twintig raden van (plaatselijke) Gereformeerde Kerken verzochten schriftelijk
om opheldering, of protesteerden tegen het feit dat in de Gereformeerde Kerken
niet publiekelijk mededeling van het request was gedaan. Daarop liet prof. Kuyper
weten, dat zijn hardhorendheid het hem steeds bezwaarlijker maakte, de besprekingen
in het Convent van Kerken te volgen en dat hij daarom zijn mede-deputaat,
mr. J. Donner, verzocht had zijn plaats in het Convent in te nemen.
Later zou de geschiedschrijver van de Gereformeerde Kerken, Th. Delleman,
schrijven: "Helaas nam prof. Kuyper, toen het op wezenlijk verzet aankwam, een
zodanig standpunt in dat hij het vertrouwen der kerken verloor. Hij zag de Duitsers
vrijwel alleen als Duitsers, voor wie hij altijd veel gevoeld had, meer dan voor
de Engelsen, die eens de Boeren overweldigden. Hij miskende de dodelijke ernst
waarmee de Duitsers het nationaal-socialisme begonnen in te voeren en schreef
artikelen in de Heraut die de Duitsers in het gevlei kwamen."
Ook in de Evangelisch-Lutherse Kerk (rond 80.000 leden) kwam kritiek op het
niet-meedoen met het protest. Het bleek nodig, een bijzondere synode bijeen te
roepen. L. de Jong vermeldt:
"Daar kreeg de synodale commissie (het kerkbestuur) nog juist een meerderheid
voor haar besluit, de brief aan de Reichskommissar niet mede te ondertekenen.
Het was een Pyrrhus-overwinning, want toen de uitslag van die stemming bekend
werd bij de gemeenten, rees er zulk een storm van protesten dat de synodale
commissie het geraden achtte, afgevaardigden van alle kerkenraden in vergadering
bijeen te roepen. Hier bleek duidelijk dat men wenste, dat de Evangelisch-Lutherse
Kerk voortaan met de overige protestantse kerkgenootschappen één lijn zou trekken."
[2.13]
De kranten mochten de indiening van het protest en de afkondiging ervan vanaf
de kansels niet publiceren. Dit verbod werd evenwel overtreden door het
antisemitische blad De Misthoorn, dat in een artikel getiteld Eén in Juda de
afkondiging woordelijk afdrukte.
<48>
Bij ons thuis gingen we naar de diensten van de Gereformeerde Kerk en daar werd
dus niets voorgelezen of bekend gemaakt. Het weekblad De Heraut lazen we niet,
en ook prof. Kuypers poging tot uitleg ging ons dus voorbij. Wel hebben we -
enige tijd later, neem ik aan - N.J. de Graafs toespraak bij zijn ontslag-
aanvrage gelezen. Die maakte diepe indruk.
Ruim een week na de afkondiging, op 5 november, vergaderde het Convent. De
notulen vermelden: "De voorzitter herinnert er aan, dat het onlangs tot de
Rijkscommissaris gerichte verzoek inzake verordening 137/1940 niet van het
Convent is uitgegaan en dat niet alle in het Convent vertegenwoordigde kerken
daaraan hebben deelgenomen. In verband daarmede wordt het onderwerp antisemitisme
(zie verslag zesde vergadering, par. 13) van het agendum afgevoerd." Het
commentaar van ds. Buskes: "De Duitsers hebben ervoor gezorgd dat dit onderwerp
weer op de agenda is gekomen."
<49>