Foto 6. Dr J.J. Buskes (na oorlogse foto)

Het antisemitisme is in strijd met het Evangelie van Jezus Christus, dat de

kerken hebben te prediken. De kerken moeten, krachtens hun prediking van dit

Evangelie, er op staan, dat aan de Joden hier te lande en in de gegeven situatie

een behandeling op gelijke voet met alle andere burgers wordt verzekerd.

Het antisemitisme zet de jood op zijn jood-zijn vast. Het werkt bij de jood

de verharding en bij de niet-jood de verhovaardiging in de hand en staat de

Evangelieprediking in de weg. Daarom staan de kerken met hun prediking van

het Evangelie in dit opzicht achter de vigerende wetgeving.

In het bijzonder moge ik er op wijzen, dat de verordeningen ook gelden voor

het bijzonder onderwijs, dus o.m. ook voor de scholen met de bijbel, terwijl

zij naar hun inhoud met het wezen van de scholen met de bijbel volstrekt in

strijd zijn.

Mijn voorstel is: Het Convent wende zich tot de Rijkscommissaris en make hem

uit naam van de kerken hun principiële bezwaren tegen deze verordeningen bekend."

[2.9]

<44>

Ook al kan men mijns inziens terecht tegen een zinsnede van deze nota bezwaar

maken ("Het antisemitisme werkt bij de jood de verharding in de hand"), toch

dwingt het geheel respect af.

Blijkbaar is er naar aanleiding van de nota een felle discussie geweest.

Ds. Buskes zou later vermelden:

Het heeft veel strijd en moeite gekost, om ten opzichte van de Joden kwestie

tenslotte een waarlijk principieel geluid te laten horen. Bij velen ontbrak

elk bijbels inzicht in wat de Jodenvervolging betekende. Met verontwaardiging

denken wij terug aan wat een man als prof. Kuyper zowel in het IKO als in de

Heraut over de Jodenkwestie ten beste gaf (De Joodse kwestie raakte de kerken

niet rechtstreeks; reeds Groen van Prinsterer en Kuyper maakten onderscheid

tussen Joodse en niet-Joodse burgers), met teleurstelling aan wat enkele

anderen over de roeping der kerk tegenover de vervolgde Joden zeiden. Er waren

ogenblikken, dat wij in dit opzicht niets, maar dan ook niets konden verwachten.

[2.10]

Ten slotte besloot men tot het indienen van een request bij de Rijkscommissaris.

Ook prof. Kuyper zette zijn handtekening, maar de twee Lutherse Kerken deden

niet mee. In een brief gedateerd 17 oktober 1940 wordt de afwijzing als volgt

gemotiveerd:

De Algemene Kerkelijke Commissie van het Hersteld Evangelisch Kerkgenootschap,

op 16 juli 1940 in vergadering bijeen, kennis genomen hebbende van het voorstel

ingediend bij het Convent van Kerken om namens voornoemd Convent een adres te

zenden naar de Rijkscommissaris in verband met de z.g. Jodenverordening, heeft

mij opgedragen U beleefd te berichten dat Zij Haar medewerking niet kan geven,

omdat Zij van oordeel is dat Zij dan zou treden op het terrein van de Staat en

het absoluut tegen het Lutherse principe is zich te bemoeien met Staatsaan-

gelegenheden. Deze verordening toch betreft uitsluitend Rijks- en Gemeente

ambtenaren en heeft niets te maken met de kerkelijke aangelegenheden. Zij is

ervan overtuigd dat art. 5 van de Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden

een uitvloeisel is van de gedachten der Franse Revolutie, en dat een opkomen

voor de rechten daarin vervat niet een strijden is voor de Zaak van Jezus

Christus. Wanneer het om het laatste gaat zal Zij niet aarzelen om stelling te

nemen en zo nodig het martelaarschap ondergaan, maar zulks is nu niet het geval."

[2.11]

Men had in de betreffende commissie van deze - ongeveer 10.000 leden tellende -

Kerk blijkbaar de kwestie van het al of niet meedoen met het protest besproken,

onmiddellijk nadat ds. Buskes een en ander in het Convent aan de orde gesteld had.

Zoals nog blijken zal, heeft deze Kerk met latere protesten tegen de Jodenvervolging

wel meegedaan.

<45>

Het request - eigenlijk een protest - was gedateerd: 24 oktober 1940. Het l

uidde als volgt:

De Nederlandse kerken en de joden, 1940-1945 De protesten bij Seyss-Inquart, hulp aan joodse onderduikers, de motieven voor hulpverlening · 第 19 / 55 题