BASSANIO, ANTONIO _en_ GRATIANO _komen op met Gevolg._

BASSANIO:

Wij hadden met de tegenvoeters dag,

Als gij woudt schijnen bij gebrek aan zon.

PORTIA:

Licht geven wil ik, maar licht zijn wil 'k niet;

Een lichte vrouw toch maakt haar man het zwaar,

En dat doe ik Bassanio nimmer aan;

God geve 't beste! Welkom hier, gemaal.

BASSANIO:

Mijn dank, Mevrouw: verwelkom ook mijn vriend.--

Dit is de man, dit is Antonio,

Aan wien ik mij zoo machtig voel verplicht.

PORTIA:

Met reden voelt gij u zeer aan hem verplicht,

Want meer dan plicht heeft hij voor u gedaan.

ANTONIO:

Niet meer dan waar 'k gelukkig vrij van kwam.

PORTIA:

Mijnheer, gij zijt zeer welkom in ons huis:

Maar 'k staak die hoff'lijkheid van taal, omdat

Het anders blijken moet dan door mijn woord.

GRATIANO (_tot_ NERISSA):

Gij doet mij onrecht, 'k zweer 't u bij de maan;

Geloof me, ik gaf hem aan den klerk van 't hof:

Gesneden mag hij wezen, die hem heeft,

Als 't u, mijn liefste, zooveel zorgen geeft.

PORTIA:

Hoe, nu al twist? Wat is er aan de hand?

GRATIANO:

't Is om een boogje goud, een poov'ren ring

Dien zij me gaf, waarvan, verbeeld u eens,

Het motto was, als smeden-rijm'larij

Op 't mes,[67] "Bemin mij en verlaat mij niet."

NERISSA:

Wat praat ge van het motto of de waarde?

Ge zwoert me, toen ik u hem gaf, dat gij

Hem dragen zoudt tot 't uur van uwen dood;

Dat hij met u zou liggen in het graf:

Schoon niet om mij, toch, om uw duren eed,

Hadt gij u moeten hoeden en hem houden.

Gegeven aan een klerk! nu, ik weet wel

Dat die geen haartje krijgt op zijn gezicht.

GRATIANO:

Dat zal hij wel, wordt hij maar eerst een man.

NERISSA:

Ja zeker, wordt een vrouw maar eerst een man.

GRATIANO:

Wel, bij mijn hand, ik gaf hem een jongmensch,--

Een soort van knaap; een kleinen half-was knaap,

Niet grooter dan gij zelf, een rechtersklerk;

Een babbeljongen, die hem vroeg als loon;

't Hem weig'ren kon ik voor mijn leven niet.

PORTIA:

Gij waart te laken, 'k zeg het u ronduit,

Dat gij van 't eerste dat uw vrouw u gaf

Lichtvaardig scheiden kondt, dat met een eed

Aan uwen vinger werd gestoken, zoo

Met trouw werd vastgeklonken aan uw vleesch.

Ik gaf mijn liefste' een ring, waarbij hij zwoer

Er nimmer van te scheiden; zie hem daar,--

Ik zweer u, nooit doet hij er afstand van,

Of trekt hem van zijn vinger voor al 't goud

Op heel de wereld. Werk'lijk, Gratiano,

Gij geeft uw vrouw onvriend'lijk grond tot smart;

Gebeurde 't mij, ik was door 't dolle been.

BASSANIO (_ter zijde_):

Ik kapte graag mijn linkerhand er af,

En zwoer dat 'k in een strijd den ring verloor.

GRATIANO:

Bassanio gaf _zijn_ ring aan den rechter

Die er om vroeg, en hem ook inderdaad

Verdiende, en toen verzocht de knaap, zijn klerk,

Die moeite deed met schrijven, dien van mij:

En heer noch dienaar wilden anders iets

Dan de twee ringen.

PORTIA:

Welken gaaft gij dan?

Toch niet dien gij van mij kreegt, heer gemaal?

BASSANIO:

Kon ik een leugen voegen bij een fout,

Dan zou 'k het looch'nen, maar mijn vinger, zie,

Bezit den ring niet langer; hij is weg.

PORTIA:

Zoo is uw valsch hart ook van trouw ontdaan.

Ik zweer het u, ik kom niet in uw bed,

Eer ik den ring zie.

NERISSA:

Ik in 't uwe niet,

Eer ik den mijne weerzie.

BASSANIO:

Portia lief,

Wist gij wien ik plezier deed met den ring,

Wist gij voor wien 'k vaarwel zei aan den ring,

Begreept ge waarom 'k afzag van den ring,

En hoe onwillig 'k scheidde van den ring,

Toen niets werd aangenomen dan de ring,

Gij zoudt de kracht wat temp'ren van uw toorn.

PORTIA:

Als gij de kracht gekend had van den ring,

Of wat de schenkster waard was van den ring,

Of hoe uw eer gemoeid was met den ring,

Dan waart gij niet gescheiden van den ring.

Wie is de man van zoo'n onreed'lijkheid

Die, hadt gij er met ijver voor gewaakt,

Zoo onbescheiden waar' geweest om iets

Te _willen_ hebben dat u heilig was?

Nerissa leert mij wat ik denken moet,

'k Zal sterven als een vrouw den ring niet kreeg.

BASSANIO:

Neen, bij mijn eer, Mevrouw, bij mijne ziel,

Geen vrouw ontving hem, maar een rechtsgeleerde,

Die drieduizend dukaten van mij afsloeg

En om den ring verzocht, dien 'k weigerde,

Waardoor hij mij in slechten luim verliet,

Ja, hij die 't leven van een dierb'ren vriend

Gered had. Wat moet ik nu zeggen, lief?

Ik was genoopt den ring hem na te zenden,

Door schaamte en hoff'lijkheid daartoe geleid.

Mijn eer liet zich door zulk een ondank niet

Bezoedelen: vergeef 't mij, lieve vrouw;

Want, bij die heil'ge kaarsen van den nacht,

Gij zelf hadt, dunkt mij, me om den ring gevraagd

Om hem te geven aan den waard'gen doctor.

PORTIA:

De doctor kome niet nabij mijn huis:

Nu hij 't mij zoo geliefde kleinood heeft,

Dat gij om mijnentwil te houden zwoert,

Zal ik vrijgevig worden als ook gij;

Ik zal hem niets ontzeggen dat ik heb;

Mijn lichaam niet en 't bed niet van mijn man.

Ik _zal_ hem kennen, 't is mijn vast besluit:

Verlaat uw huis niet 's nachts; bewaak me als Argus[68]

En als ge 't niet doet, laat ge mij alleen,

Dan, bij mijn eer, die mij nog toebehoort,

Maak ik dien doctor tot mijn bedgenoot.

NERISSA:

En ik zijn klerk; dus overweeg nu goed

Hoe gij mij in mijn eigen hoede laat.

GRATIANO:

Nu, doet ge 't, zorg dat ik er dan niet ben,

Want heusch, ik breek den jongen klerk zijn pen.

ANTONIO:

Ik ben de ellendige oorzaak van den twist.

PORTIA:

Trek 't u niet aan; tòch zult ge welkom zijn.

BASSANIO:

Portia, vergeef mij de afgedwongen fout;

Voor de ooren van de vele vrienden hier,

Zweer 'k bij uw eigen schitt'rende oogen u:

Waarin 'k mijzelven zie,--

PORTIA:

Let wel hierop!

Hij ziet zich zelf verdubbeld in mijn oogen:

In elk oog één; zweer bij uw dubbel ik,--[69]

Een zeer betrouwbare eed!

BASSANIO:

Neen, hoor mij aan;

Vergeef die fout, en 'k zweer u bij mijn ziel,

Dat ik nooit meer mijn eed aan u verbreek.

ANTONIO:

Mijn lichaam leende ik eens voor zijn geluk,

Dat zonder hem die thans den ring bezit

Geheel verloren waar': ik durf nu weer

Mijn ziel op 't spel te zetten, dat uw man

Nooit meer opzett'lijk zijn belofte breekt.

PORTIA:

Wees gij zijn borg dan: geef hem dit, en zeg

Dat hij hem beter dan den and'ren houdt.

ANTONIO:

Ziehier, en zweer dat gij deez' ring behoudt.

BASSANIO:

Hoe? 't Is dezelfde dien 'k den doctor gaf!

PORTIA:

Hij schonk hem mij: vergeef Bassanio,

Want door 't bezit van dezen had hij mij.

NERISSA:

Vergeef gij 't mij ook, waarde Gratiano,

Want juist die half-was knaap, de doctorsklerk,

Lag dezen nacht door dezen ring bij mij.

GRATIANO:

Nu, dit is als 't verbeet'ren van den weg

Des zomers, als hij goed en deugd'lijk is:

Wij horendragers, eer wij 't nog verdienen?

PORTIA:

Spreek niet zoo boud.--Gij staat geheel verbaasd:

Hier is een brief, lees hem op uw gemak;

Hij komt uit Padua, van Bellario:

Gij ziet dat Portia de doctor was,

Nerissa daar, haar klerk. Lorenzo zal

Getuigen dat 'k gelijk met u vertrok,

En juist terugkwam: 'k heb mijn huis nog niet

Betreden.--Welkom hier, Antonio;

Ik heb voor u nog beter nieuws bewaard,

Dan gij verwacht; verbreek deez' brief met spoed;

Want gij zult zien dat drie van uw galjoenen

Plots binnenliepen met een rijke vracht:

Door welk vreemd toeval ik den brief verkreeg,

Dat komt gij niet te weten.

ANTONIO:

'k Sta verstomd.

BASSANIO:

Waart gij de doctor, en ik kende u niet?

GRATIANO:

Waart gij de klerk, die mij de horens geeft?

NERISSA:

Ja, maar de klerk, die 't nimmer denkt te doen,

Tenzij hij in een man verand'ren mocht.

BASSANIO:

Geliefde doctor, wees mijn bedgenoot,

En als ik weg ben, lig dàn bij mijn vrouw.

ANTONIO:

Gij gaaft mij 't leven, dierb're, en 't onderhoud,

Want dat mijn schepen veilig zijn geland,

Lees 'k hier als zeker.

PORTIA:

Kom, Lorenzo, nu

Heeft ook voor u mijn klerk een goede troost.

NERISSA:

Ja, en ik zal ze u geven zonder loon.--

Hier geef ik dan aan u en Jessica

Een schenkingsacte van den rijken Jood,

Die na zijn dood u al zijn goed vermaakt.

LORENZO:

Gij schoonen druppelt manna op den weg

Van 't hong'rend menschdom.

PORTIA:

Het is bijna morgen,

En toch, 'k ben zeker, zijt gij niet geheel

Omtrent den loop voldaan: gaat binnen dus;

En neem ons plechtiglijk daar in verhoor,

Wij geven trouw op alles u bescheid.

GRATIANO:

Zoo zij het dan; maar de allereerste vraag,

Die mij Nerissa moet bezweren, is

Of 't tot den nacht te toeven haar behaagt

Of nu naar bed te gaan, twee uur voor 't daagt?

Maar 'k zou het duister wenschen, waar' 't ook dag,

Wanneer ik bij de klerk des doctors lag.

Zoolang ik leef, ben 'k voor geen ander ding

Zoózeer bezorgd als voor Nerissa's ring. (_Allen af._)

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 77 / 79 题