PORTIA:
Het licht dat we daar zien, brandt in mijn zaal.
Wat werpt die kleine kaars haar stralen ver!
Zoo blinkt een goed werk in een booze wereld.
NERISSA:
Bij 't maanlicht zagen wij de kaarsvlam niet.
PORTIA:
Zoo maakt de groot're glans den mind'ren dof:
Een onderkoning schittert als een vorst,
Totdat de vorst verschijnt en dan verliest
Zijn statie zich, zooals een binnen-beek
In 't ruime zeegebied. Maar hoor! Muziek!
NERISSA:
't Is uw orkest, Mevrouw, de huismuziek.
PORTIA:
De omstandigheden maken eerst iets goed.[65]
Me dunkt zij klinkt veel zoeter dan bij dag.
NERISSA:
De stilte geeft haar die bekoorlijkheid.
PORTIA:
De leeuw'rik zingt niet beter dan de kraai,
Slaat niemand op hen acht; mij dunkt, men stelde
Den nachtegaal, zong hij bij dag zijn lied,
Als elke gans aan 't kaak'len is, gelijk
Als muzikant met 't winterkoninkje.
Hoe menig ding krijgt door den juisten tijd
Zijn juisten lof in ware uitnemendheid!
Stil daar! de maan slaapt met Endymion,[66]
En zij wil niet gewekt. (_De muziek houdt op._)
LORENZO:
Dat is de stem,
Als 'k mij niet zéér bedrieg, van Portia.
PORTIA:
Hij kent mij aan mijn slechte stem, zooals
De blinde man den koekoek.
LORENZO:
Welkom thuis.
PORTIA:
Voor 't welzijn onzer mannen hebben wij
Gebeden opgezonden, en ik hoop
Dat ons gebed hun voorspoed heeft gebracht;
Zijn zij terug?
LORENZO:
Mevrouw, zij zijn 't nog niet;
Een bode is echter vóór hen uit gegaan,
En meldt hun komst.
PORTIA:
Nerissa, ga in huis;
Gelast mijn dienaars dat ze in geen geval
Iets zeggen over onze afwezigheid;--
Noch gij, Lorenzo:--Jessica, noch gij.
(_Een trompetstoot._)
LORENZO:
Uw man is naderend; ik hoor zijn sein:
Wij zijn geen klikkers, wees niet bang, Mevrouw.
PORTIA:
Mij dunkt deez' nacht is 't zieke daglicht slechts:
Hij ziet een weinig bleeker: 't is een dag
Gelijk de dag is als de zon niet schijnt.