LANCELOT:
Hola, hola, hei, ha, ho, hola, hola!
LORENZO:
Wie roept daar zoo?
LANCELOT:
Hola! Hebt gij meester Lorenzo en meesteres Lorenzo ook gezien?
Hola! Hola!
LORENZO:
Houdt op met je gehola, man;--hier.
LANCELOT:
Hola! Waar? waar?
LORENZO:
Hier.
LANCELOT:
Zeg hem dat er een koerier van mijn meester is gekomen, met zijn
hoorn vol goede tijding! Mijn meester zal hier vóór den morgen
aankomen. (_Af._)
LORENZO:
Ga binnen, liefste, wachten wij hun komst.
Neen, 't is niet noodig;--waarom zouden wij?
Vriend Stephano, ik bid u, meld in 't huis
Dat uwe meesteres in aantocht is;
En breng dan ook de muzikanten hier. (STEPHANO _af._)
Wat slaapt het maanlicht op deez' helling zoet!
Hier zittend laten wij muziekgespeel
Ons oor insluipen; zachte stilte en nacht
Past bij 't geluid van zoete harmonie.
Kom, Jessica. Zie hoe des hemels vloer
Is ingelegd met plaatjes schitt'rend goud,--
En zelfs de kleinste bol, dien gij aanschouwt,
Zingt bij zijn went'ling met een eng'lenstem
In koor met cherubijnen, jong-geoogd:
Ook de eeuw'ge ziel heeft zulk een harmonie;
Maar daar 't vergankelijke kleed van stof
Haar dicht omsluit, vernemen wij die niet.--
_De Muzikanten komen op._
Ha, komt, en wekt Diana[62] met een zang;
Dringt met uwe zoetste tonen in het oor
Van uwe meest'res, en lokt haar door muziek.
JESSICA:
Nooit beurt een lieflijke muziek mij op. (_Muziek._)
LORENZO:
Dat komt omdat uw geest gespannen is;
Want let eens op een wilde en dart'le kudde
Of op een troep jonge, ongetemde veulens,
Dol springend met gehinnik en geloei,
Wat wijst op 't vurig stroomen van hun bloed;--
Als slechts bij toeval een trompetgeluid
Of soms een melodie hun ooren treft,
Dan zult gij merken hoe zij blijven staan,
Hun woeste blik in zedig zien verkeerd
Door zoete tonenmacht: zoo zong de dichter[63]
Dat Orpheus boomen, steenen, stroomen trok,
Daar niets zoo houten, hard en bruisend is,
Dat niet muziek een poos 't verand'ren doet.
De mensch die geen muziek heeft in zijn ziel,
Noch wordt geroerd door zoete harmonie,
Hij is in staat tot list, verraad en roof,
De gangen van zijn geest zijn zwart als nacht,
En donker is zijn hart als de Erebus;[64]
Vertrouw zoo'n mensch niet.--Let op de muziek.