DOGE:
Komt gij van Padua, van Bellario?
NERISSA:
Van beide, Hoogheid: 'k breng Bellario's groet.
(_Zij reikt hem een brief over._)
BASSANIO:
Waarom zet gij uw mes zoo ijv'rig aan?
SHYLOCK:
'k Wil uit dien bankroetier 't verbeurde snijden.
GRATIANO:
Niet op uw zool, maar op uw ziel wet gij,
Hardvocht'ge Jood, uw mes; maar geen metaal,
Neen, zelfs het beulszwaard niet, is half zoo scherp
Als 't vlijmen van uw haat. Roert u geen beê?
SHYLOCK:
Geen, die _uw_ zwak verstand bedenken kan.
GRATIANO:
O, wees verdoemd, gij onvermurwb're hond!
En 't recht zij aangeklaagd omdat gij leeft.
Gij doet mij bijna wank'len in 't geloof,
Om met Pythagoras het ééns te zijn,
Dat dierenzielen sluipen in het lijf
Van menschen: uwe hondsche ziel gebood
Een wolf, gehangen wegens menschenmoord;
En aan de galg ontvlood zijn felle ziel,
Die in u drong terwijl gij in den schoot
Van uw onheil'ge moêr laagt; want uw aard
Is bloedig, hong'rig, wreed, als van een wolf.
SHYLOCK:
Tenzij ge 't zegel wegschimpt van 't contract,
Vermoeit ge uw longen slechts door zulk geschreeuw.
Lap uw verstand wat op, jongmensch, of 't gaat
Totaal verloren.--'k Sta hier voor mijn recht.
DOGE:
Dit schrijven van Bellario beveelt
Een jong en kundig doctor aan bij 't hof:--
Waar is hij?
NERISSA:
Wachtend hier vlak bij, hij wil
Gaarn weten of hij toegelaten wordt.
DOGE:
Van ganscher harte:--gaat nu, drie of vier;
Geeft hoffelijk geleide hem hierheen,--
Intusschen hoore 't hof Bellario's brief.
(_Een klerk leest._) "Uwe Hoogheid moet weten, dat ik, bij het
ontvangen van uwen brief, zeer ziek ben: maar op het oogenblik dat
uwe bode kwam, was een doctor uit Rome bij mij op vriendschappelijk
bezoek; zijn naam is Balthazar. Ik maakte hem bekend met het
twistgeding tusschen den Jood en den koopman Antonio: wij sloegen
samen vele boeken op; hij draagt kennis van mijne meening, welke,
versterkt door zijn eigene geleerdheid (van welke ik den omvang
niet genoeg kan roemen,) met hem mede komt, op mijn dringend
verzoek, om de bede van Uw Hoogheid in mijne plaats te vervullen.
Ik smeek u, laat zijn gemis aan jaren geen beletsel zijn on hem een
eervolle hoogachting te laten missen,[58] want ik heb nooit zulk
een jong lichaam met zulk een oud hoofd gezien. Ik beveel hem in
uwe genadige ontvangst aan; de kennismaking met hem zal zijn
lofwaardigheid nog beter doen blijken."
DOGE:
Gij hoort nu wat Bellario ons schrijft:
En ik geloof dat daar de doctor is.