PORTIA _komt op, gekleed als doctor in de Rechten._

Geef mij uw hand. Zendt u Bellario?

PORTIA:

Zoo is het, Hoogheid.

DOGE:

Welkom: neem uw plaats.

Zijt gij van het geschilpunt onderricht

Dat heden in het hof aanhangig is?

PORTIA:

Ik ben ter dege met de zaak bekend.

Wie is de koopman hier, en wie de Jood?

DOGE:

Antonio en Shylock komen voor!

PORTIA:

Is uw naam Shylock?

SHYLOCK:

Shylock is mijn naam.

PORTIA:

De zaak die gij bepleit is vreemd van aard;

Maar toch zóó geldig, dat Venetië's wet

U in uw hand'ling niet kan tegengaan.

U dreigt gevaar van hem, is dat zoo niet? (_Tot_ ANTONIO)

ANTONIO:

Ja, naar hij zegt.

PORTIA:

Erkent gij het kontrakt?

ANTONIO:

Gewis.

PORTIA:

Dan moet de Jood barmhartig zijn.

SHYLOCK:

Door welke noodzaak _moet_ ik? Zeg me dat.

PORTIA:

Het wezen der genade duldt geen dwang;

Zij drupt als zachte regen van omhoog

Op wat omlaag is: dubbel zegent zij;

Zij zegent wie haar geeft als wie haar krijgt;

Ze is 't machtigst in de machtigen; zij staat

Den hoogen heerscher beter dan zijn kroon:

De schepter toont zijn wereldlijk gezag,

Het teeken van de tucht en majesteit,

Waarin de vrees en schroom voor vorsten troont;

Maar de genade is meer dan schepter-macht,

Zij is gezeteld in der vorsten hart,

Zij is een zinnebeeld der Godheid zelf,

En aardsch gezag lijkt dán 't meest dat van God,

Als door genade 't recht getemperd wordt.

Schoon gij dus 't recht bepleit, Jood, denk aan dit,

Dat, als het recht zijn loop heeft, géén van ons

Behouden wordt: wij bidden om gena;

En dàt gebed leert allen ons te doen

De werken der gena. 'k Heb dit gezegd

Om 't recht van uwen eisch te temperen,--

Want staat ge er op, dan moet Venetië's hof

Strikt eerlijk tegen hem een uitspraak doen.

SHYLOCK:

Mijn daden op mijn hoofd! Ik eisch de wet,

De boete die verbeurd is door 't kontrakt.

PORTIA:

Is het niet moog'lijk dat hij 't geld betaalt?

BASSANIO:

Ja, hierbij bied ik 't voor hem aan in 't hof;

Het dubb'le zelfs: en is dit niet genoeg,

Verbind ik mij tot tienmaal deze som,

Op boete van mijn handen, hoofd en hart:

Als dit hem niet voldoet, dan is het klaar,

Dat boosheid deugd vertrapt. En 'k smeek hièrom:

Dwing nu voor ééns de wet naar ùw gezag:

Doe 't weinigje onrecht om het groote recht,

En knot deez' wreeden duivel in zijn wil.

PORTIA:

Onmoog'lijk, in Venetië is geene macht,

Die de ééns gestelde wet verand'ren kan:

't Werd later licht als voorbeeld aangehaald,

En meen'ge dwaling zou door zulk een daad

Een inval in den staat doen; 't kàn niet zijn.

SHYLOCK:

Een Daniël op den rechterstoel! Een Daniël!

O, hoe vereer 'k u, wijze jonge rechter!

PORTIA:

Ik bid u, laat mij het kontrakt eens zien.

SHYLOCK:

Hier is het, hoogvereerde doctor, hier.

PORTIA:

Shylock, men biedt u driemaal zooveel geld.

SHYLOCK:

Mijn eed, mijn eed, de Hemel kent mijn eed:

Zal ik een meineed leggen op mijn ziel?

Voor heel Venetië niet.

PORTIA:

Ja, bindend is 't,

En volgens recht is het den Jood vergund

Een pond vleesch uit te snijden vlak bij 't hart

Van dezen koopman.--Toon barmhartigheid;

Neem driemaal 't geld; verscheur 't kontrakt met mij.

SHYLOCK:

Wanneer het volgens inhoud is betaald.

Het schijnt dat gij een waardig rechter zijt;

Gij kent de wet, gij hebt haar uitgelegd

Zooals 't behoort: ik eisch dus bij de wet,

Waarvan gij een verdienst'lijk schrager zijt,

Dat gij een uitspraak doet. 'k Zweer bij mijn ziel,

Dat er geen macht is in der menschen tong

Die mij doet wank'len. 'k Houd mij aan 't kontrakt.

ANTONIO:

Ik smeek van ganscher harte dat het hof

Een uitspraak geve.

PORTIA:

Nu, 't is zóó gesteld:

Gij moet uw borst ontblooten voor zijn mes.

SHYLOCK:

O, eed'le rechter! Brave jonge man!

PORTIA:

Want de bedoeling en de zin der wet

Stemt met de boete gansch'lijk overeen

Die hier verschuldigd staat op het kontrakt.

SHYLOCK:

Zeer waar, O rechter, ongeveinsd en wijs!

Hoe veel, veel ouder zijt gij dan ge schijnt!

PORTIA:

Ontbloot uw boezem dus.

SHYLOCK:

Ja, ja, zijn borst;

't Staat in 't kontrakt;--niet, eed'le rechter, niet?--

Het dichtst bij 't hart: dat staat er letterlijk.

PORTIA:

Zoo is 't. Is hier een weegschaal bij de hand

Om 't vleesch te wegen?

SHYLOCK:

'k Heb er een gereed.

PORTIA:

Zorg op uw kosten, Shylock, voor een arts,

Die hem de wond stelpt, anders bloedt hij dood.

SHYLOCK: Staat die bepaling ook in het kontrakt?

PORTIA:

Neen, niet uitdrukk'lijk; maar wat hindert dat?

Gij moest het toch uit menschenliefde doen.

SHYLOCK:

Ik kan 't niet vinden; 't is niet in 't kontrakt.

PORTIA:

Hebt gij nog iets te zeggen, koopman, spreek.

ANTONIO:

Niet veel; ik ben gewapend en bereid.--

Geef mij uw hand, Bassanio, vaarwel.

Treur niet dat mij dit treft om uwentwil;

Want hierbij toont Fortuin zich meer bevriend

Dan zij gewoon is: altijd laat ze toch

Ellendigen hun rijkdom overleven,

Om met gerimpeld voorhoofd en hol oog

Een ouden dag vol armoe aan te zien!

Maar van het sleepend kwellen die deez' ramp

Met zich te voeren pleegt, ontheft ze mij.

Breng aan uw achtenswaard'ge vrouw mijn groet;

Vertel haar hoe Antonio sterven moest;

Zeg hoe 'k u liefhad; prijs mijn gang ten dood;

En als 't verhaal gedaan is, oordeel' ze of

Bassanio niet eenmaal werd geliefd.

Heb geen berouw dat gij uw vriend verliest,

Nu 't hem niet rouwt dat hij uw schuld betaalt;

Want snijdt de Jood slechts diep genoeg er in,

Betaal 'k haar dadelijk met heel mijn hart.

BASSANIO:

Antonio, 'k ben met een vrouw getrouwd,

Die me even dierbaar is als 't leven zelf;

Maar 't leven zelf, mijn vrouw, en heel deze aard,

_Uw_ leven schat ik hooger dan die saam;

Dat alles wil 'k verliezen, offer 't op,

Aan dezen duivel hier voor uw behoud.

PORTIA:

Uw vrouw zou u slechts weinig dankbaar zijn,

Als zij u hier dit aanbod hoorde doen.

GRATIANO:

Ik heb een vrouw, die 'k zweer dat ik bemin:

Ik wensch haar in den Hemel, als ze zóó

Deez' hondschen Jood door beden buigen kon.

NERISSA:

Gij zegt dit wijs'lijk zonder dat zij 't hoort,

't Werd anders wel wat woelig in uw huis.

SHYLOCK (_ter zijde_):

Die Christen-echtgenooten! Ik bezit

Een dochter; liever zag 'k dat een van 't kroost

Van Barrabas[59] haar man waar' dan een Christen!

(_Luid_) Geen tijd verspild; doe uitspraak, bid ik u.

PORTIA:

Een pond vleesch van den koopman komt u toe;

Het hof bekrachtigt wat de wet vergunt.

SHYLOCK:

Rechtvaardigste aller rechters!

PORTIA:

Gij moogt dat vleesch hem snijden uit de borst;

Wat u de wet veroorlooft, staaft het hof.

SHYLOCK:

Geleerde rechter!--De uitspraak! Wees bereid.

PORTIA:

Wacht even; er komt nog iets anders bij.--

't Kontrakt hier geeft u niet één druppel bloed,

De woorden zijn uitdrukk'lijk, _een pond vleesch_;

Maar stort gij bij het snijden éénen drop

Van 't Christenbloed, dan wordt uw land en goed

Volgens Venetië's wet verbeurd verklaard

Ten gunste van Venetië's staat.

GRATIANO:

O brave wijze rechter! Hoort ge 't Jood?--

SHYLOCK:

Luidt zóó de wet?

PORTIA:

Gij zelf zult de akte zien.

Want, daar ge op recht staat, ik verzeker u,

Gij _zult_ het hebben, meer dan gij verlangt.

GRATIANO:

O, wat een wijze, knappe rechter, Jood!

SHYLOCK:

Dan kies ik 't aanbod,--geef mij driemaal 't geld,

En laat den Christen gaan.

BASSANIO:

Hier is het geld.

PORTIA: Zacht wat;--

De Jood krijgt alle recht;--zacht wat;--geen haast;--

Niets anders krijgt hij dan wat is verbeurd.

GRATIANO:

O, Jood, wat is die rechter wijs en braaf!

PORTIA:

Maak u daarom gereed en snijd het vleesch,

En stort geen bloed, en snijd niet min noch meer,

Maar juist een pond vleesch: neemt ge meer van hem,

Of minder dan precies een pond,--al is 't

Een twintigst partje slechts te licht of zwaar

Van éénen scrupel,--ja, indien de schaal

Hier nog een deel van of een haartje helt,--

Dan sterft ge, en al uw goed'ren zijn verbeurd.

GRATIANO:

Een tweede Daniël, een Daniël, Jood!

Nu heb ik je te pakken, heidenhond!

PORTIA:

Wat talmt de Jood? Neem wat u is verbeurd.

SHYLOCK:

Geef mij mijn kapitaal, en laat mij gaan.

BASSANIO:

Ik heb het voor u bij de hand; hier is 't.

PORTIA:

Hij wilde 't niet ten aanzien van het hof:

Hem zal slechts recht geschieden naar 't kontrakt.

GRATIANO:

Een Daniël, zeg ik maar; een tweede Daniël!--

Dank, Jood, dat gij mij dit woord hebt geleerd.

SHYLOCK:

Zal ik dan zelfs mijn kapitaal niet zien?

PORTIA:

Gij zult slechts hebben wat u is verbeurd,

Dus neem het, Jood, op eigen risico.

SHYLOCK:

De duivel geve er hem dan 't voordeel van!

Ik blijf niet langer bij 't verhoor.

PORTIA:

Wacht Jood;

De wet heeft ook nog anders vat op u.

Er is verordend in Venetië's wet:

Indien een vreemdeling bewezen wordt

Door pogingen rechtstreeks of zijdelings

Naar 't leven van een Venetiaan te staan,

Dan krijgt degene die zijn aanslag geldt

De helft van zijn vermogen, de and're helft

Wordt aan de schatkist van den staat verbeurd.

En 't leven van den schuld'ge is in de hand

Slechts van den Doge, zonder and're stem.

Ik zeg dat gij in dit geval verkeert;

Het blijkt toch uit uw zichtb're handelwijs

Dat zijdelings en rechtstreeks bovendien

Ge een aanslag tegen 't leven hebt gesmeed

Van den beklaagde en zoo berokkent ge u

Het vonnis dat zooeven 'k heb vermeld.

Op uw knieën dus, en smeek gena.

GRATIANO:

Smeek om verlof u op te hangen, Jood;

En toch, daar uw bezit den staat verviel,

Hebt ge de waarde van een strop niet meer;--

Gehangen moet ge op kosten van den staat.

DOGE:

Dat gij 't verschil van onzen aard moogt zien,

Schenk ik u 't leven eer gij er om vraagt.

Antonio krijgt de helft van uw bezit;

En de and're komt aan het gemeenebest,

Die need'righeid in boete kan verand'ren.

PORTIA:

Ja, voor den staat, niet voor Antonio.[60]

SHYLOCK:

Neen, neem mijn leven, alles; schenk 't mij niet:

Gij neemt mijn huis, als gij 't den stut ontneemt

Die 't ondersteunt; gij neemt mijn leven ook,

Als gij de midd'len neemt waardoor ik leef.

PORTIA:

Schenkt gij hem ook een gunst, Antonio?

GRATIANO:

Een worgkoord gratis; anders niet, bij God.

ANTONIO:

Mijnheer de Doge en 't hof, 't behage aan u

De helft hem wéér te schenken van zijn goed;

Ik ben voldaan, als hij mij de and're helft

In bruikleen geven wil, om bij zijn dood

Het te vermaken aan den edelman

Die onlangs zijne dochter stal;

Nu nog twee dingen,--dat voor deze gunst,

Hij zonder oponthoud een Christen wordt;

En dat hij hier voor 't hof een schenking doet

Van alles wat hij bij zijn dood bezit

Aan zijnen zoon Lorenzo en zijn dochter.

DOGE:

Dat moet hij doen, of anders trek ik weer

De vrijspraak, die 'k zooeven toezegde, in.

PORTIA:

Zijt gij tevreden, Jood? Wat antwoordt gij?

SHYLOCK:

Ik ben tevreden.

PORTIA:

Klerk, een schenkingsakte.

SHYLOCK:

Ik bid u, sta mij toe van hier te gaan.

Ik ben niet wel; zend de akte me achterna.

En 'k zal haar teek'nen.

DOGE:

Ga, maar doe 't dan ook.

GRATIANO:

Twee peters zult gij hebben bij den doop;

Ware ik hier rechter, tien kreegt gij er bij,

Om galgwaarts u te brengen, niet naar 't vont.[61]

(SHYLOCK _af._)

DOGE:

Mijnheer, 'k verzoek u bij me op 't middagmaal.

PORTIA:

Ik vraag Uw Hoogheid need'rig mij te ontslaan.

Ik moet vanavond nog naar Padua;

En 'k ben genoodzaakt daad'lijk heen te gaan.

DOGE:

Het spijt me dat uw tijd het niet gedoogt.

Antonio bewijs dien heer uw dank,

Want, naar mij dunkt, zijt gij hem veel verplicht.

(_De_ DOGE, _Magnifico's en Gevolg af._)

BASSANIO:

Zeer waard'ge Heer, door uwe wijsheid zijn

Mijn vriend en ik op dezen dag bevrijd

Van zware boeten; en in ruil daarvoor

Vergelden wij met drie duizend dukaten,

Den Jood verschuldigd, uw beleefden steun.

ANTONIO:

En bovendien zijn wij uw schuldenaars

In liefde en dienst voor alle eeuwigheid.

PORTIA:

Wie wel tevreden is, is wel betaald,

En ik, u reddend, ben daarmeê tevreên,

En daardoor acht ik mij genoeg betaald:

Mijn geest was nooit op groot're winst bedacht.

Ik bid u, kent mij, als we elkaar weer zien.

Ik wensch u 't beste; hiermeê moet ik gaan.

BASSANIO:

Ik moet het nogmaals trachten, waarde heer;

Neem een herinnering aan ons, als hulde,

En niet als loon: sta mij twee dingen toe,

Géén weigering en wèl vergiffenis.

PORTIA:

Gij dringt er zeer op aan, dus geef ik toe.

Geef me _uw_ handschoenen, 'k draag ze om uwentwil; (_tot_ ANTONIO)

Uit vriendschap neem ik dezen ring van _u._ (_tot_ BASSANIO.)

Trek niet uw hand terug; ik neem niets meer;

En uwe vriendschap weigert mij dit niet.

BASSANIO:

De ring, Mijnheer? ach, 't is een bagatel;

Ik zou mij schamen als ik hem u gaf.

PORTIA:

Ik wil niets anders hebben dan dien ring;

'k Heb er mijn zinnen eenmaal op gezet.

BASSANIO:

't Geldt meer den ring zelf dan de waarde ervan.

Den duursten in Venetië geef ik u,

'k Roep openlijk er door de stad om uit;

Verschoon mij, bid ik u, nu 't dezen geldt.

PORTIA:

Ik zie dat gij zeer gul met aanbod zijt;

Eerst leert gij mij een beed'laar zijn, en nu

Hoe men een bedelaar te woord moet staan.

BASSANIO:

De ring werd mij geschonken door mijn vrouw;

Bij 't aandoen zwoer ik haar dat ik hem niet

Verkoopen, geven of verliezen zou.

PORTIA:

Zoo spreekt wel menig man die liefst niets geeft.

Indien uw vrouw niet gansch dolzinnig is,

En weet hoe goed ik dezen ring verdien,

Dan is zij niet voor altijd boos op u,

Omdat ge mij hem gaaft. Nu vaar gij wel.

(PORTIA _en_ NERISSA _af._)

ANTONIO:

Mijnheer Bassanio, schenk hem den ring;

Laat zijn verdienste en mijne vriendschap ook,

Meer gelden dan 't bevel van uwe vrouw.

BASSANIO:

Ga, Gratiano, loop en haal hem in;

Geef hem den ring; en breng hem, zoo gij kunt,

Meê naar Antonio's huis:--Voort! haast u wat.

(GRATIANO _af._)

Kom, laten wij daar daad'lijk henen gaan;

En in den vroegen morgen zullen wij

Naar Belmont vliegen: kom, Antonio. (BEIDEN _af._)

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 67 / 79 题