SHYLOCK _komt op._

DOGE:

Maakt plaats, hij kome voor ons aangezicht.--

Shylock, de wereld denkt, en ik met haar,

Dat gij slechts dit vertoon van boosheid voert

Tot dit laatste oogenblik; en dan zult gij,

Zoo denkt men, meêlij toonen en berouw,

Nog vreemder dan uw vreemde schijnb're wreedheid:

En dat, terwijl ge nu 't verbeurde vergt,

('t Pond vleesch van dezen armen koopman hier,)

Gij niet alleen hem van de boete ontheft,

Maar ook, bezield door liefde en mensch'lijkheid

Hem nog een goed deel schenkt van 't kapitaal,

Uw oog vol deernis slaand op zijn verlies,

Dat kort geleên zich stapelde op zijn rug,

En dezen vorst der koopliên vallen deed,

Zoodat zijn toestand medelijden vond

Bij koop'ren boezems, harten ruw als staal,

Bij stugge Turken en Tartaren, nooit

Met teeder vriend'lijkheidsbetoon vertrouwd.

Wij wachten een zachtzinnig antwoord, Jood.

SHYLOCK:

'k Liet uw Genade weten wat ik wensch;

En bij mijn heil'gen Sabbath zwoer 'k er op

Te hebben wat mij toekomt bij kontrakt:

En weigert gij, dan koom 't gevaar ter neer

Op privilege en vrijheid van uw stad.

Waarom 'k een pondje van dat minne vleesch

Veeleer verkiezen wil dan drie duizend

Dukaten? Wel daar antwoord ik niet op:

Maar, stel, 't is zoo mijn luim: is dàt geen antwoord?

Hoe, als mijn huis geplaagd wordt door een rat,

En 'k tienduizend dukaten geven wil

Om 't beest te loozen? Lijkt dit antwoord u?

De een kan 't niet uitstaan als een varken schreeuwt,

Een ander weer wordt dol, ziet hij een kat,

Een derde houdt zijn water niet, wanneer

De zakpijp door den neus zingt: ieders aard,

De meester van zijn neiging, drijft hem tot

De stemmingen van wat hem lust of walgt.

Zooals er nu geen zeek're reden is,

Waarom een schreeuwend varken d' een mishaagt,

D' and're' een onschaad'lijk huisdier als de kat,

Een derde een wollen doedelzak,[56] zoodat

Hij de onvermijdb're schaamte lijden moet

Om last te geven daar hij dien ook krijgt;

Zoo kan en wil ook ik geen reden geven.

't Is slechts een diepe haat, een zeek're walg

Dat ik Antonio dus vervolg met wat

Voor mij verlies is. Lijkt dit antwoord u?

BASSANIO:

Dat is geen antwoord, ongevoelig mensch,

Ter verontschuld'ging van uw wreed gedrag.

SHYLOCK:

Onnoodig dat mijn antwoord u behaagt.

BASSANIO:

Doodt ieder dan hetgeen hij niet bemint?

SHYLOCK:

Haat iemand iets dat hij niet dooden wil?

BASSANIO:

Elke afkeer is niet dadelijk een haat.

SHYLOCK:

Wat, woudt ge dat een slang u tweemaal beet?

ANTONIO:

Bedenk toch, dat gij met den Jood krakeelt:

Want even goed kunt ge op het strand gaan staan,

En zeggen tot den vloed: "Was nu niet meer;"

En even goed krakeelt ge met den wolf

Waarom hij de ooi liet blaten om het lam;

En evengoed verbiedt gij 't berggeboomt'

Zijn hooge kruin te schudden, geen gedruisch

Te maken als de hemelvlaag 't doorvaart;

Ja, evengoed kunt gij het zwaarste doen,

Als trachten zijn Joodsch hart (is er iets harders?)

Gedwee te maken.--Daarom, 'k smeek het u,

Bied niets meer aan, gebruik geen midd'len meer,

Maar laat ik kort en bondig, zooals past,

Mijn vonnis hebben, en de Jood zijn wensch.

BASSANIO:

Voor uw drie duizend bied ik u er zes.

SHYLOCK:

Als van zes duizend iedere dukaat

In zessen ging, en elk deel een dukaat,

Ik nam ze niet,--ik wenschte mijn kontrakt.

DOGE:

Hoe zult gij meêlij hopen, die 't niet kent?[57]

SHYLOCK:

Welk oordeel moet ik vreezen? 'k Doe geen kwaad.

Gij allen hebt u slaven aangeschaft,

Die als uw ezels, muildieren en honden

Verachtelijke en slaafsche diensten doen,

Wijl gij hen kocht:--En zeg ik nu tot u:

"Laat vrij hen, huw'lijk hen uw erven uit;

Wat zweeten ze onder lasten? laat hun bed

Zoo zacht als 't uwe zijn, en streel hun tong

Met even lekk're spijs," dan antwoordt gij:

"'t Zijn onze slaven,"--zoo antwoord ik u:

"'t Pond vleesch dat ik hier eisch is duur gekocht,

Het is mijn eigendom, en 'k vraag het dus."

Als gij 't mij weigert, schande op uwe wet!

Dan heeft Venetië's besluit geen kracht,

'k Sta voor mijn recht hier; antwoord, krijg ik het?

DOGE:

Ik heb de macht dit hof te laten gaan,

Tenzij Bellario, een geleerde doctor,

Naar wien ik om beslissing hierin zond,

Hier heden komt.

SOLANIO:

Uw Hoogheid, buiten staat

Een bode, die zoo juist uit Padua kwam

Met brieven van den doctor.

DOGE:

Breng ons de brieven. Roep den bode hier.

BASSANIO:

Houd moed, Antonio! Kom, man, wanhoop niet!

De Jood krijgt _mijn_ vleesch, beend'ren, bloed, en al

Eer gij voor _mij_ één druppel bloed verliest.

ANTONIO:

'k Ben uit de kudde het gemerkte schaap,

Voor 't slachten 't meest geschikt; de zwakste soort

Van vruchten valt het eerst omlaag, zoo ik.

Gij doet, Bassanio, mij geen beet'ren dienst

Dan dat gij voortleeft en mijn grafschrift schrijft.

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 65 / 79 题