LORENZO:
Mijnheer Bassanio, nu ge Antonio vondt,
Verlaten wij u, maar onthoud toch goed
Waar wij bij 't maal elkaâr weer zullen zien.
BASSANIO:
'k Zal stellig bij u zijn.
GRATIANO:
Gij ziet er niet goed uit, Antonio,
Gij zijt te veel bezorgd om 's werelds goed:
Wie 't met veel zorgen koopt, verliest het weer,
'k Verbaas me, zooals gij veranderd zijt.
ANTONIO:
'k Beschouw de wereld slechts zooals zij is;
Als een tooneel, waar elk zijn rol op speelt,
De mijne is droef.
GRATIANO:
Geef mij dan die van nar.
Laat de oude rimpels komen met gelach
En scherts, en gloei' mijn lever eer van wijn,
Dan dat mijn hart door kommerlijk gekreun
Bekoele. Waarom zou een man, wiens bloed
Warm in hem is, daar zitten als zijn grootvaêr
Gehouwen in albast?[3] en als hij waakt
Gaan slapen? of de geelzucht op zijn lijf
Door kniezen halen? Hoor nu eens, Antonio,--
Ik ben uw vriend, en vriendschap leidt mijn taal;--
Daar is een soort van menschen, wier gelaat
Gelijk een stille vijver is bedekt,
En die halsstarrig zwijgen, met het doel
Om zich een dunk te geven van te zijn
Vol wijsheid, ernst en diepe peinzerij;
Alsof zij zeggen: "'k Ben Mijnheer Orakel,
Geen hond mag blaffen, als ik spreken ga."
O, mijn Antonio, ik ken ze wel,
Die slechts voor wijs gehouden worden, wijl
Zij nooit iets zeggen, en wier taal gewis
De ooren bijna verdoemen zou, die 't hoorend,
Tot hunne broeders zeggen zouden: "Dwaas!"[4]
'k Vertel u op een and'ren tijd nog meer:
Maar visch niet met dit aas, melancholie,
Naar dezen mallen spiering, dezen dunk,[5]--
Kom nu Lorenzo.--Vaar intusschen wel;
Na 't eten krijgt ge 't slot van mijn vermaan.
LORENZO:
Nu, wij verlaten u tot etenstijd.
'k Moet een van die stom-wijze menschen zijn,
Want Gratiano laat mij nooit aan 't woord.
GRATIANO:
Nu, ga nog slechts twee jaren met mij om,
Dan kent ge uw eigen stemgeluid niet meer.
ANTONIO:
Vaarwel: 'k word ook een prater als 'k u hoor.
GRATIANO:
Mijn dank: op zwijgen wordt dan ook alleen gehoopt
Bij ossetong en 't meisje dat zich niet verkoopt.