GRATIANO _en_ LORENZO _af._

ANTONIO:

Heeft dat nu iets te beteekenen?

BASSANIO:

Gratiano spreekt een ontzaglijke hoop _niets_, meer dan iemand in

heel Venetië. Zijn verstandige woorden zijn als twee korrels tarwe

verborgen in twee schepels kaf; ge moet den ganschen dag zoeken eer

ge ze vindt; en als ge ze hebt, zijn ze 't zoeken niet waard

geweest.

ANTONIO:

Kom; zeg me nu, wie is die jonkvrouw toch,

Naar wie ge stil een bedevaart woudt doen,

Van wie ge mij vandaag vertellen zoudt?

BASSANIO:

't Is u niet onbekend, Antonio,

Hoezeer ik mijn vermogen heb verkleind,

Door 't ietwat houden van een hoog'ren staat

Dan 'k door mijn beetje geld kon blijven doen.

Nu klaag ik niet dat ik mij maat'gen moet

In zulk een weelde; maar mijn grootste zorg

Is hoe ik eervol afkom van de schuld

Waarin mijn al te ruime levenswijs

Mij heeft verstrikt. Ik heb het meest aan u,

Antonio, in geld en vriendschap schuld;

Uw vriendschap is me er ook een waarborg voor,

Dat 'k al mijn plannen u ontboez'men kan

Hoe van mijn groote schulden mij te ontdoen.

ANTONIO:

Bassanio, ik bid u, zeg het mij;

En valt het licht der eer er op, zooals

Op U nog, wees verzekerd dat mijn beurs

En mijn persoon en al wat ik vermag

Voor uwe goede zaak beschikbaar zijn.

BASSANIO:

Wanneer 'k als knaap een pijl verloren had,

Schoot ik een and'ren van dezelfde kracht

Denzelfden kant, en nam hem scherper waar,

En door de twee te wagen, vond ik vaak

Hen beî, niet één slechts. 'k Noem die jongensproef,

Omdat wat volgt oprecht en zuiver is.

'k Ben u veel schuldig; wat ik schuldig ben

Is weg zooals 't een heethoofd gaat; maar als

Ge een tweeden pijl wilt schieten naar den kant

Waarheen ge d'eersten schoot, ik twijfel niet,

Of 'k vind--daar 'k op het doel zal letten--beî;

Maar anders breng 'k uw laatsten inzet weer,

En blijf voor d'eerste' uw dankb're schuldenaar.

ANTONIO:

Gij kent mij goed, en gij verkwist slechts tijd,

Als ge om mijn vriedschap met veel omhaal draait;

Ge doet mij nu gewis meer onrecht aan

Doordat ge twijfelt aan mijn beste hulp,

Dan als gij al mijn goed hadt opgemaakt.

Zeg mij daarom gerust wat ik moet doen,

Wat, voor zoover gij weet, 'k zou _kunnen_ doen,

En 'k ben er toe bereid; spreek dus vrijuit.

BASSANIO:

Op Belmont woont een jonkvrouw, ze is alleen,

En zij is schoon, en, wat nog schooner klinkt,

Van wonderbare deugden. Eertijds gaf

Haar oog mij teek'nen, lief en sprakeloos.

Haar naam is Portia, niets minder waard

Dan Cato's dochter, Brutus' Portia.

De wijde wereld kent haar waarde wel,

De winden blazen toch van elke kust

Doorluchte minnaars; en haar zonnig haar

Hangt om haar slapen als een gouden vlies,

Wat huize Belmont maakt tot Kolchos' strand,

En vele Jasons zoeken haar tot vrouw.[6]

O mijn Antonio! had ik midd'len slechts

Om mij met hen te meten in waardij!--

Daar ik een voorgevoel heb van geluk,

En dat ik zeker voorspoed hebben zou.

ANTONIO:

Gij weet, mijn gansch vermogen is op zee;

Ik heb geen geld, en geen gelegenheid

Om thans een som te heffen: ga dus heen;

Zie in de stad[7] wat mijn krediet vermag:

Gij moogt het rekken tot de verste grens,

Als het u brengt naar Belmonts Portia.

Ga, onderzoek terstond--ik doe dat ook--

Waar geld is, en het komt--ik twijfel niet--

Om mijnentwil of ook om mijn krediet.  (_Beiden af._)

De Koopman van Venetië: Drama in vijf bedrijven · 第 22 / 79 题