P. J. HAAXMAN.

Hoewel in onderscheidene geschriften van vroeger en later tijd, waarin

de belangrijke ontdekkingen van onzen beroemden landgenoot Antony van

Leeuwenhoek besproken worden, een kort levensbericht van hem gevonden

wordt, toch mist men daarin bijzonderheden die men alleen door een

opzettelijk onderzoek van den belangrijken en rijken inhoud zijner

brieven, die slechts door enkele schrijvers voor bijzondere doeleinden

zijn onderzocht geworden, kan te weten komen. Men vindt er veel in

opgeteekend, dat een helder licht verspreidt over zijn karakter en

persoonlijkheid, waardoor alleen een juister beeld van dien

natuuronderzoeker kan geschetst worden.

Tot het aanvaarden van die taak had ik reeds lang het voornemen

opgevat, daar ik in het bezit ben van aanteekeningen door mij tot dit

doel verzameld, waarvan de bijzonderheden tot nog toe niet bekend waren

en voornamelijk bestonden in authentieke afschriften van eigenhandige

brieven, grootendeels berustende in de verzameling van manuscripten in

de bibliotheek der Leidsche Hoogeschool. Vooral echter is de lust tot

het bewerken en tot een geheel brengen dier aanteekeningen bij mij

levendig geworden en tot uitvoering gekomen, na de lezing van het goed

geschreven opstel van de hand van Émile Blanchard [1], „Les premières

observations au microscope.” Uit de brieven van Leeuwenhoek zelven,

gedurende zijn langen en roemvollen loopbaan aan de beroemdste

geleerden en aanzienlijke mannen van zijn tijd, zoowel in zijn

vaderland, als in het buitenland geschreven, poogde ik de stof te

putten, om meer opzettelijk zijn karakter als mensch en zijne

verdiensten in verschillende deelen der natuurwetenschap, voornamelijk

als nauwkeurig waarnemer met het microscoop, te doen uitkomen en

daarbij in een zoo veel mogelijk volledig en uitgewerkt geheel, alles

bijeentebrengen, wat bij verschillende schrijvers dikwijls zeer

oppervlakkig en niet zelden onnauwkeurig omtrent Leeuwenhoek is

opgeteekend.

En verdient iemand de moeite eener meer nauwgezette studie, dan is het

zeker de man, die als nederig burger van Delft, hoewel door zijne stad-

en landgenooten in zijn leven niet naar verdiensten gewaardeerd, door

de grootste geleerden der beschaafde wereld van zijn tijd, met eer en

roem en bovenal met groote achting werd vermeld. Vorsten en

hooggeplaatsten rekenden het zich tot eene eere hem te zien en zijne

waarnemingen met het microscoop te bewonderen; zijn roem was zoo ver

doorgedrongen, dat zelfs uit Engeland, Frankrijk, Duitschland, Italië,

België en Spanje vorsten, en geleerden zijne nederige woning opzochten,

om persoonlijk den man te leeren kennen, die de geheimen der natuur

door zijn, in dien tijd, onnavolgbare microscopen voor het oog had

blootgelegd, en beschouwingen en theoriën daarop gebouwd, over de

gewichtigste vraagstukken der physiologie van menschen, dieren en

planten, ter overweging had gegeven. De geleerdste natuuronderzoekers

en philosophen van dien en lateren tijd vonden daarin stof voor de

diepzinnigste bespiegelingen en de gewichtigste nasporingen, en op den

grond door hem gelegd, werden later stelsels gebouwd die nog als waar

en deugdelijk zijn aangenomen. Door zijne talrijke microscopische

onderzoekingen, heeft hij den weg gebaand tot de kennis van het

samenstel der meest verschillende deelen van het dierlijk lichaam en

van de planten. Leeuwenhoek wees alzoo reeds vóór twee eeuwen den weg

aan, die nog in onze dagen betreden wordt en waarop nog zoo vele

belangrijke nasporingen en ontdekkingen gedaan worden.

Leeuwenhoek, hoewel hij eene voor den tijd waarin hij leefde

zorgvuldige opvoeding genoten had, behoorde niet tot den, wat men

noemt, geleerden stand. Hij was niet bestemd geworden om door eene

Academische opleiding eenmaal een rang onder de geleerden in te nemen,

daar hij de kennis der Latijnsche taal miste, die nog tegenwoordig van

zeer groot belang gerekend voor eene degelijke wetenschappelijke

ontwikkeling, zeker in het midden der XVIIde tot het begin der XVIIIde

eeuw, een eerste vereischte was om in eenigen tak van wetenschap

ervaren te worden en welke taal niet uitsluitend het eigendom der

geleerden van dien tijd was, maar in het algemeen tot eene beschaafde

opvoeding behoorde. En wat meer is, Leeuwenhoek was zelfs onbekend met

de levende vreemde talen, zoodat hij genoodzaakt was zijne brieven, die

voor het grootste gedeelte aan de „Royal Society” te Londen gericht

waren, door anderen eerst in het Latijn te laten vertalen, waarna zij

daaruit in het Engelsch werden overgezet; zoo als wij straks

gelegenheid zullen vinden meer bepaald aan te wijzen.

Niettegenstaande deze ongunstige verhouding, waardoor hij zoo zeer

achter stond bij zijne geleerde tijdgenooten, zien wij in hem gaven

ontwikkelen, die de bewondering van half Europa opwekten, door hem

onderzoekingen ten uitvoer brengen, die krachtig bijgedragen hebben om

den roem van ons vaderland op wetenschappelijk gebied te handhaven, en

die belangrijke diensten bewezen hebben aan de natuurkundige

wetenschappen. Nog wordt van Leeuwenhoek gesproken, als van den „vader

der micrographie” en zijn naam genoemd tegelijk met mannen als

Fallopius, Eustachius, Harvey, Colonna, Boerhaave, Swammerdam, de

Graaf, Ruisch, en andere beroemde geleerden der 16de, 17de en 18de

eeuw.

Deze buitengewone man nu, begaafd met eene groote scherpzinnigheid,

helder oog, gezond verstand, taai geduld en eenvoudig godvruchtig

gemoed, deed zich, zoo als uit zijne brieven blijkt, als een

achtingswaardig Hollandsch burger kennen. Hij was in zijn gedrag en

schrijfstijl de meer eenvoudige zeden van zijn tijd tot eer en werd om

zijne beproefde kunde zeer dikwijls door vele, geringe, zoowel als

aanzienlijke stadgenooten, geraadpleegd.

Leeuwenhoek, als door instinct geleid lot het bespieden der natuur in

hare geheimste schuilhoeken en in hare schijnbaar geringste

voortbrengselen, werd door alles wat hem omringde aangetrokken; alles

wekt zijne aandacht, niets is die onwaardig; hij onderwerpt het aan het

geduldigst en nauwkeurigst onderzoek, en het is daaraan toe te

schrijven dat de geringste kleinigheid vaak aanleiding gaf tot de

belangrijkste werkzaamheden. Van daar ook de onregelmatige wijze,

waarop hij nu deze dan gene onderzoeking ondernam en zijne nasporingen

elkander als opeenstapelden. Hij liet zich in dit onderzoek door

anderen den weg niet wijzen, maar werkte onafhankelijk, rustig voort,

hervatte hetzelfde onderwerp een- en andermaal op verschillende tijden

met vernieuwde vlijt, en leerde daardoor de zaken onpartijdiger inzien

en vroeger opgevatte meeningen en dwalingen herstellen. Wat den

geleerdsten en grootsten denkers ontsnapte, gelukte hem dikwijls tot

hunne groote verbazing, zoodat wij van hem lezen [2] dat de grootste

lichten van ons land zich zeer over zijne ontdekkingen verwonderden en

de geleerde Hudde, Burgemeester van Amsterdam een groot Mathematicus en

Physicus van dien tijd, zeide: „dat hetgeen hen allen, Wis- en

Natuurkundigen, ontsnapt was, voor een ongeleerden, zooals Leeuwenhoek,

bewaard scheen.”

Wanneer wij nu nagaan dat onze Leeuwenhoek, gedurende bijna eene halve

eeuw onafgebroken, bewerktuigde en onbewerktuigde stoffen, vaste en

vloeibare zelfstandigheden, dieren en planten en zelfs de laagst

georganiseerde wezens met zijne voor dien tijd voortreffelijke en toch

zoo eenvoudige microscopen onderzocht, en wij hem de meest onverwachte

ontdekkingen zien doen, die het verrassendst licht verspreidden over de

belangrijkste verschijnselen van het leven, dan kunnen wij onze

bewondering voor zulk een talent, niet weêrhouden. Al is het dat hij

door zijne gelukkige en schitterende ontdekkingen en door den lof, die

hem van alle kanten door de aanzienlijksten en geleerdsten werd

gebracht, wel eens in zijne ijdelheid werd gestreeld en eene eenmaal

opgevatte meening niet gemakkelijk varen liet, ja zelfs soms met

hardnekkigheid tegen de krachtigste argumenten bleef staande houden, al

moet erkend worden dat hij soms, door zijne verbeelding en de begeerte

om gedurig nieuwe ontdekkingen te doen, medegesleept, dingen meende

waar te nemen, die reeds in zijn leven op deugdelijke gronden in

twijfel werden getrokken en die ook in lateren tijd als onjuist en

onwaar zijn aangewezen; dit alles kan gerust worden afgetrokken van de

som zijner talrijke ontdekkingen en er blijft nog genoeg over om hem

met eerbied aan te staren.

En heeft nu deze merkwaardige man, van wien het nageslacht met zooveel

eerbied spreekt, die de achting genoot van de grootste geleerden en

beroemdste denkers van zijn tijd, die van vorsten en hooge

staatspersonen talrijke bewijzen van onderscheiding en vriendschap

genoot, ook van zijne landgenooten, vooral van het Bestuur van ons

land, de bewijzen ontvangen, dat het ware verdiensten op prijs stelde?

Wij aarzelen niet, uit hetgeen wij daaromtrent vinden aangeteekend,

zulks ontkennend te beantwoorden, daar het bekend is, dat hij als stil

burger van Delft geleefd heeft en gestorven is en tot op hoogen

leeftijd in eene ondergeschikte ambtelijke, zij het dan ook in eene

voor dien tijd niet onvoordeelige, maar toch nederige maatschappelijke

betrekking werkzaam was.

Dat hij zelf gevoelde, dat men zijne diensten niet beloond had, zoo als

hij billijkerwijze had mogen verwachten, kan blijken uit de

bewoordingen in een brief aan G. C. Leibnitz gericht, toen hij reeds 84

jaren oud en dus aan den avond van zijn leven genaderd was.

„Het is,” zegt hij, „eenige jaren geleden, dat eenige Heeren van de

Hooge Regeeringe van ons lant, eenige van mijne ontdekkinge quamen

sien. Een van die Heeren seide tot de andere Heeren, in mijn presentie:

„sal men soo veel arbeyt onbeloont laaten?” waarop de andere

antwoordde: „dit seggen wij alle, en waarom doen wij het niet?”” [3]

Maar het wordt tijd dat wij, eer verder in de bijzonderheden van zijn

lang en roemvol leven te treden, onze aandacht op den persoon van

Leeuwenhoek vestigen en hem eenigszins nader leeren kennen.

Antony van Leeuwenhoek [4] werd te Delft geboren den 24sten October

1632. Hij was de zoon van Philippus Antonius van Leeuwenhoek en

Margaretha Jacobsdr. Bel van den Bergh [5] uit welk huwelijk, behalve

Antony, nog drie dochters gesproten zijn, namelijk Margaretha,

Geertruida en Catharina [6].

Zijne ouders waren van zeer deftige, aanzienlijke en bemiddelde

afkomst. Wij vinden vermeld, dat hij van moeders zijde was

vermaagschapt aan de aanzienlijke Delftsche geslachten van Hogenhoek,

Bleiswijk, Swalmius en Mathenesse [7] terwijl hij zelf zegt [8], dat

zijn groot- en overgrootvaders brouwers te Delft waren en ook zijne

grootmoeder eene dochter was van een brouwer, welk bedrijf in de XIVde

en XVde eeuw aldaar in groot aanzien was [9].

Leeuwenhoek had reeds in zijn vroege jeugd zijn vader door den dood

verloren. Hij werd door zijne moeder te Warmond ter school besteld,

alwaar hij zijn eerste onderwijs ontving; en daar hij bestemd scheen om

in den ambtelijken administratieven stand te worden opgeleid en een oom

van hem, die Secretaris en Procureur te Benthuizen was, in die

betrekking op te volgen, zoo werd hij vervolgens, na voltooid

elementair onderwijs, daarheen gebracht, ten einde zich verder voor

zijn aanstaande betrekking bekwaam te maken en voor te bereiden.

Dat hij, zoowel te Warmond, als te Benthuizen, goede gronden zal gelegd

hebben voor zijne intellectueele ontwikkeling en bij voorzeker

gunstigen aanleg, zich den tijd aldaar doorgebracht goed ten nutte zal

gemaakt hebben in het verwerven van die kundigheden, die onder zijn

bereik kwamen, is van een man met zulk een werkzamen, onderzoekenden

geest als wij Leeuwenhoek later zullen leeren kennen, zeker te

verwachten. Dat hij zich hier en later, vooral in de wiskundige

wetenschappen geoefend heeft, blijkt uit vele brieven van hem in

lateren tijd geschreven, waaruit zijn grondige kennis in die richting

onmiskenbaar aan den dag komt. Zoo bij voorbeeld, waar hij het aantal

„vis-veseltjes” (draadjes, fila) uit de Kabeljauw, die vervat zijn in

de „circumferentie van een visstriemtje” (fibrilla) wil uitrekenen,

maakt hij gebruik van de leer van Archimedes, om den inhoud van den

cirkel door de kennis van den omtrek te berekenen [10]; alsmede, waar

hij door uitrekening tracht te bepalen, dat er tienmaal zoo veel

levende dieren uit een hom van een Kabeljauw voortkomen, dan er

menschen op aarde wonen, stelt hij, om dit laatste getal te berekenen,

„de lengte van den grooten cirkel van den aardbol op 5400 mijlen

gerekend zijnde, 22—7—5400 = 1718 mijlen voor de as van den aardbol” en

berekent volgens den regel van Metius „om de superfitie van een

cloot-bult te berekenen, 7 geeft 22, wat geeft het quadraat getal van

de asse,” enz. enz. [11]. Nog blijkt zijne wiskundige kennis onder

anderen uit een postscriptum achter een brief [12], waar hij zegt: „De

hoogte van onze nieuwe kerkstooren is voor veel jaren door mij, ende

wijlen den Landmeter Spoors, yder met syn quadrant afgezien, en

bevonden hoog te syn 299 voeten” [13].

Ik haal deze voorbeelden, die met nog vele anderen zouden kunnen

vermeerderd worden slechts aan, om te doen uitkomen, dat Leeuwenhoek,

hij moge dan al niet tot den geleerden stand behoord en vooral geen

geleerde opvoeding genoten hebben, toch niet zoo onontwikkeld was als

doorgaans vele schrijvers vermelden.

Nadat onze jeugdige Leeuwenhoek eenigen tijd te Benthuizen had

doorgebracht en zijn mindere geschiktheid of lust voor de

werkzaamheden, aan de betrekkingen bij zijn oom verbonden, zal gebleken

zijn, besloot zijn moeder hem een meer practische loopbaan te openen en

bracht hem in 1648, op den leeftijd van 16 jaren, te Amsterdam in

aanraking met een voornaam lakenhandelaar, op wiens kantoor hij werd

aangenomen en waar hij al spoedig de functie van boekhouder en kassier

vervulde [14].

Hoe lang hij in deze betrekking te Amsterdam gebleven is, kan uit de

berichten van dien tijd niet opgemaakt worden. Boitet, die hier onze

eenige leidsman is, spreekt van „eenige jaren”, waarna hij weder naar

Delft terug keerde; en daar hij, altijd volgens denzelfden schrijver,

kort daarna in het huwelijk trad en dit huwelijk, blijkens mijn

familie-register, in het jaar 1654 plaats had, zoo kan daaruit met

genoegzame zekerheid worden opgemaakt, dat dit niet langer dan 5 à 6

jaren kan geweest zijn. In die jaren nu moet bij Leeuwenhoek

langzamerhand de lust tot natuuronderzoek zijn voorbereid en ontwikkeld

geworden; en hoewel hij de plichten, aan zijne maatschappelijke

betrekking verbonden, zeker niet zal veronachtzaamd hebben, zoo kan men

aannemen, dat de beschaving van zijn geest en het onderzoeken van

hetgeen hem omringde en zijn aandacht wekte, hem zijn vrijen tijd

nuttig heeft doen doorbrengen.

De waarschijnlijkheid dat hij, tijdens zijn verblijf te Amsterdam in

aanraking gekomen is met kundige mannen en geleerden van naam, die bij

hem den lust voor de natuurstudie zullen hebben opgewekt en

aangewakkerd, alsmede, dat hij daar het eerst kennis zal gemaakt hebben

met een instrument, dat hij later door eigen inspanning en volharding

tot zulk een volmaking bracht, mag men wel veilig als gegrond aannemen,

hoewel de beweering van sommige schrijvers, dat hij aldaar met beroemde

natuurkundigen vriendschap had weten aan te knoopen [15] naar mijn

oordeel niet dan eene veronderstelling mag heeten.

Ik waag het ten slotte nog ééne meening te uiten, die ik vermeen niet

zoo geheel zonder grond te zijn, ter verklaring van den bij hem

opgewekten lust tot het onderzoeken en bestudeeren van insecten en

andere voorwerpen door het microscoop. Zij is deze: Johannes

Swammerdam, over wien ik later meerdere bijzonderheden zal mededeelen,

was een tijdgenoot en (blijkens de noot op bl. 26) een bijzondere

kennis van Leeuwenhoek, daar hij in 1637 te Amsterdam geboren werd en

dus slechts weinige jaren jonger was dan hij; de vader nu van

Swammerdam was Apotheker te Amsterdam en bezat een uitgebreide en toen

reeds algemeen beroemde en bekende groote verzameling van voorwerpen

uit de natuurlijke historie, en andere curiositeiten die hij had

bijeengebracht. Johannes Swammerdam had, van der jeugd af, een groote

voorliefde voor de natuurlijke geschiedenis aan den dag gelegd en

bijzonder voor die der insecten, welken lust hij ruimschoots bevredigen

kon door het dagelijksch beschouwen van de voorwerpen in het kabinet

zijns vaders, dat hij, volgens zijn levensbeschrijver Boerhaave, in

orde hield en rangschikte. Wat is nu natuurlijker, dan dat Leeuwenhoek,

tijdens zijn verblijf te Amsterdam, bij dien Apotheker toegang zal

gehad hebben, aldaar de lust voor natuurstudie in het beschouwen der

insecten enz. zal hebben voelen opgewekt en kennis gemaakt hebben met

een instrument, waarmede hij later zooveel ten uitvoer bracht. Deze

onderstelling dunkt mij is alleszins aannemelijk en geenszins

ongegrond.

Intusschen stond hem aanvankelijk en ook later, zeker het gebrekkige

zijner letterkundige ontwikkeling in den weg om dieper door te dringen

in hetgeen vooral door buitenlandsche geleerden onderzocht en

geschreven was; maar, door eigen oefening en studie, trachtte hij zich

zelven eigen te maken, wat hem in zijne ontwikkeling in den weg stond.

Die lust tot onderzoek en oefening bleef hem altijd bij, en vooral toen

hij in de kracht van zijn leven was, schijnt hij eene opmerkelijke

volharding in dit opzicht aan den dag gelegd te hebben. Boitet zegt van

hem [16] „dat hij zich, kort na zijn huwelijk, zonder onderwijs van

iemant, in de navigatie, sterrekunde, wiskunde, filosofie en

natuurkunde, en wel met zoo veel vrucht oefende, dat men hem wel bij de

voornaamste meesters in die kunst gelijk mag stellen, en met een woord

gezegt er geen kunstenaar was die hem in de laatste wetenschap

overtrof,” en hij voegt er, hoogelijk ingenomen met zijn held, bij:

„Zooveel vermogt die onbezweke naarstigheid dezes grooten mans, dewelke

in deze evengenoemde kunsten zijn eigen meester was. Dus wort het

aloude gezeg bewaarheit, „dat de Goden alles voor zweet en arbeyt veil

hebben.””

Ik stem ten volle in met hetgeen Émile Blanchard, in zijn artikel in de

„Revue des deux mondes” (pag. 407) zegt, waar hij van de groote gaven

van Leeuwenhoek bij weinige wetenschappelijke ontwikkeling gewaagt:

„Alors l’âme est pénétrée d’un regret; on voudrait voir Leeuwenhoek

pourvu des connaissances générales qui permettraient à cet esprit

ingénieux de s’élever à quelques hautes conceptions. Avec une forte

instruction, Leeuwenhoek en effet aurait sans doute mérité d’être

compté au nombre des génies dont s’honore l’humanité.”

Bij al de bovengenoemde kundigheden, die Leeuwenhoek zich door eigen

studie had verworven, schijnt hij zich ook nog in de Scheikunde

geoefend en zich daarmede bezig gehouden te hebben. Ook hieromtrent

bericht ons Boitet, „dat hij zich zoo ver in de Scheikunst geoefend

had, dat hij uit ruw erts goud en zilver wist te scheiden, waarvan er

bij zijn in leven zijnde dochter verscheydene gedenkstukken voorhanden

waren.”

Dat hij nimmer Latijn geleerd had en zelfs onbekend was met vreemde

levende talen, blijkt uit onderscheidene gezegden van hem in zijne

brieven, waarin hij betuigt, dat zijne manuscripten voor hem in het

Latijn werden overgezet, om daarna naar Engeland aan de Koninklijke

Sociëteit te worden toegezonden [17]. Dit wordt ook bevestigd door

Thomas Molyneux, een Engelsch Natuurkundige. Deze geleerde bezocht

dikwijls ons land en kwam herhaaldelijk in Leiden. In het jaar 1685,

toen de onderzoekingen en ontdekkingen van Leeuwenhoek reeds eenige

jaren in Engeland bekend waren gemaakt en vooral zijne ontdekkingen

over de, later zoogenoemde, infusoria in regen- en andere wateren, de

verbazing van de geleerde leden der Royal Society hadden opgewekt,

waarbij niet minder zijne vroegere waarnemingen over de bloedbolletjes

en den bloedsomloop, alsmede die omtrent de zoogenoemde zaaddiertjes

(spermatozoïden), ieders belangstelling hadden gaande gemaakt, was men

natuurlijk zeer verlangend iets naders omtrent den persoon van dien

grooten ontdekker van de „geheimen der natuur” te vernemen, die men tot

nog toe slechts uit zijne brieven kende. Toen nu Molyneux in het

voorjaar van 1685 zich naar Holland begaf, werd hem door Sir François

Aston, Secretaris der Royal Society opgedragen ook Delft te bezoeken,

aldaar kennis met Leeuwenhoek te maken, en tevens van hem te weten te

komen, op welke wijze hij zijn microscopen maakte, waarmede hij

uitkomsten verkreeg, die men in Engeland met moeite, en dan nog

onvolledig, kon bekomen met de beste microscopen, die men daar kon

vervaardigen. Molyneux voldeed aan deze opdracht. In de vergadering van

dit geleerd Genootschap werd daarop een brief van Molyneux ontvangen,

gedateerd uit Leiden d.d. 13 Februari 168⅘ N. S. (nieuwe stijl). Deze

was van den volgenden inhoud:

„Ik heb tot nu toe het antwoord op uwe laatste uitgesteld, omdat ik u

nog geen bericht kon geven van Mijnheer Leeuwenhoek, doch ik bezocht

hem voorleden week uit uw naam. Hij vertoonde mij vele zaken door zijne

microscopen, welke onnoodig is hier te vermelden, daar hij zelf u de

beschrijving daarvan uitvoerig heeft medegedeeld. Wat zijn microscopen

zelf aangaat, zoo waren allen, die hij mij liet zien, ten getale van

minstens een dozijn, van ééne soort, bestaande elk uit een klein glas

geslepen („„Ik vermeld dit, omdat men algemeen gelooft, dat de glazen

voor zijn microscopen met de lamp geblazen zijn; die geenen, die ik

zag, kan ik verzekeren dat niet geblazen zijn””), geplaatst tusschen

twee dunne platte koperen plaatjes, omtrent één duim breed en

anderhalven duim lang. In deze twee openingen, één voor en één achter

het glas, welke grooter of kleiner waren, naarmate het glas meerder of

minder convex was, of dat het vergrootte. Vlak over deze opening was

aan de eene zijde nu eens eene naald aangebracht, dan weder een dun

plat plaatje van glas of doorschijnende stof, waarop hij, al naar het

noodig was, of op de punt, het voorwerp dat hij wilde bezien,

vastmaakte, daarop het naar het licht keerde en nu door middel van twee

kleine schroefjes het voorwerp juist in den focus van zijn glas

lichtte, waarna hij dan zijn waarnemingen bewerkstelligde. Zoodanige

waren de microscopen die ik zag en deze vertoont hij aan de

nieuwsgierigen die hem komen bezoeken; maar behalve deze, vertelde hij

mij, had hij nog eene andere soort, door welke geen levende ziel,

behalve hij zelf zag; deze soort bewaart hij geheel voor zijn eigen

waarnemingen en hij verzekerde mij, dat zij diegene, die hij mij had

laten zien, verre overtroffen; doch hij wilde mij niet toestaan ze te

zien, dus al wat ik kan doen is eenvoudig te gelooven, want ik heb er

geen ondervinding van”.

„Wat nu de microscopen aangaat, waardoor het mij vergund werd te zien”

[18], vervolgt Molyneux, „zoo vergrootten deze niet veel meer dan

verscheidene glazen, die ik, zoowel in Engeland als in Ierland gezien

heb, doch in ééne bijzonderheid moet ik zeggen, overtreffen zij ze

allen, namelijk in hunne buitengewone helderheid en dat zij alle

voorwerpen zoo uitstekend helder vertoonen. Want ik herinner er aan,

dat wij in eene vrij donkere kamer waren, met slechts één raam

voorzien, waar de zon toen ook niet op scheen, en toch vertoonden de

voorwerpen zich schooner en duidelijker dan diegeenen, die ik vroeger

door microscopen gezien heb, hoewel er de zon geheel op scheen, of dat

zij meer dan gewoon licht ontvingen, door weêrkaatsende spiegels of op

andere wijze. Zoodat ik vermeen, dat het hoofdzakelijk, zoo niet geheel

alleen aan deze bijzonderheid is toe te schrijven dat zijne glazen alle

andere overtreffen, die over het algemeen, hoe meer zij vergrooten, het

voorwerp des te duisterder vertoonen, en zijn eenig geheim bestaat,

geloof ik, daarin, dat hij de glazen helderder slijpt en ze beter

polijst dan anderen kunnen doen.” En nu vervolgt Molyneux, „Ik vond in

hem een beschaafd, vriendelijk man en zonder twijfel met groote

bekwaamheden voorzien, maar tegen mijne verwachting geheel en al

ongeletterd, daar hij, noch het Latijn, noch Fransch of Engelsch, of

eenige andere der nieuwe talen, behalve zijn moedertaal machtig is,

hetgeen een groote hinderpaal is om zich met hem, voornamelijk over

zijne waarnemingen te onderhouden, want daar hij volstrekt onbekend is

met de denkbeelden van anderen, moet hij geheel op zijn eigen oordeel

afgaan en heeft hij dan ook zulk een vertrouwen op zijn eigen opgevatte

meening, dat hij, zooals ik opmerkte, nu en dan tot ongerijmdheden of

in bizarre verklaringen vervalt, ja soms zoodanig, dat zij in het

geheel niet met de waarheid overeentebrengen zijn. Gij ziet, Mijnheer,

hoe vrij ik mijn gedachten over hem uit, zooals gij mij dit verzocht

hebt” [19].

Nadat alzoo Leeuwenhoek gedurende vijf à zes jaren te Amsterdam gewoond

had waar de drukten en beslommeringen aan een handelszaak verbonden,

aan zijn meer en meer ontwikkelenden lust tot natuuronderzoekingen en

eigen studie hinderlijk zullen geweest zijn, besloot hij in het jaar

1653 of 1654 naar Delft terug te keeren [20].

Hij trad kort daarna, namelijk den 26sten Juli 1654, in het huwelijk

met mejufvrouw Barbara de Mey dochter van Elias de Mey en Maria Viruly.

Zij was geboren den 13den December 1629 en was alzoo 25 jaren oud toen

zij met Leeuwenhoek huwde. Uit dit huwelijk werden hem vijf kinderen

geboren, en wel drie zonen en twee dochters, waarvan hij er slechts één

over hield, daar de overige hem door den dood ontnomen werden. Deze

overgeblevene was zijne dochter Maria, die ongehuwd bleef en haar vader

tot in zijn hoogen ouderdom en op zijn sterfbed verzorgde.

Deze dochter, Maria, werd geboren den 22sten September 1656 en overleed

den 25sten April 1745, zoodat zij haar vader 23 jaren overleefde en den

hoogen ouderdom van 88 jaren bereikte [21].

Na eene vereeniging van 12 jaren overleed zijne echtgenoote, en wel den

11den Juli 1666 [22], waarna hij een tweede huwelijk aanging met

mejufvrouw Cornelia Swalmius [23], die hem één kind schonk, dat echter

vroeg gestorven is.

Leeuwenhoek schijnt in onbekrompen omstandigheden verkeerd te hebben,

want eerst in het jaar 1660 werd hem eene Stadsbetrekking opgedragen,

die hem een vast inkomen verzekerde. Gedurende de zes eerste jaren van

zijn huwelijk leefde hij geheel voor zijne studie en moet hij dus de

middelen bezeten hebben, niet alleen om in de behoefte van zijn gezin

naar behooren te voorzien, maar ook om zich de noodige instrumenten

voor zijne onderzoekingen te kunnen aanschaffen; en daar de

Stadsbetrekking die hij gedurende 39 jaren bekleedde, zooals wij straks

zullen zien niet buitengewoon voordeelig was, kon hij daardoor niet tot

den welgestelden stand geraakt zijn. Dat hij tot den deftigen

vermogenden stand moet behoord hebben is voorts afteleiden uit de

aanzienlijke collectie microscopen, gedeeltelijk van zilver en enkele

zelfs van goud, allen bewaard in afzonderlijke daartoe vervaardigde

Japansch verlakte cabinetjes, die hij naliet en waarvan er zeven op den

Catalogus van de verkooping, die na zijn dood gehouden werd, voorkomen.

Evenzoo kan men dit opmaken uit hetgeen Boitet vermeldt, dat er

„verscheidene gedenkstukken van zijn hand, bij zijn dochter voorhanden

waren, vervaardigd uit goud en zilver;” en vervolgens uit de van hem

bestaande portretten, die hem voorstellen in de kleeding en houding van

den aanzienlijken stand van dien tijd [24]; eindelijk uit den inhoud

van een brief aan Robert Hooke van 4 November 1681 [25], waaruit blijkt

dat hij er zelfs een paard op na hield, waarvan hij schrijft, dat hij

na een sterke rit er mede gedaan te hebben, de urine, die zeer dik was

en aschkleurig, onderzocht. Ook bezat hij een buiten-tuin, zoo als

blijkt uit den 61ste brief, blz. 247. Uit een en ander is de

vermelding, dat hij een vermogend man was, genoegzaam gemotiveerd.

Intusschen werd hij door het Bestuur van Delft met eene betrekking

begiftigd, die hem een voor dien tijd niet onaanzienlijk inkomen

verschafte, terwijl de diensten, daaraan verbonden, gering waren,

zoodat hij genoegzamen vrijen tijd overhield om zich aan zijn

geliefkoosde studiën en onderzoekingen te kunnen wijden. Deze post

bestond in de betrekking van „Kamerbewaarder der Kamer van Heeren

Schepenen van Delft”, eene bediening, volgens van Haastert, in vroegere

dagen waardig genoeg aan den deftigen burgerstand. Deze betrekking werd

hem den 26sten Maart 1660, dus toen hij 28 jaren oud was, gegeven. Hij

vervulde deze betrekking gedurende 39 jaren, namelijk tot aan het jaar

1699, doch behield het salaris daaraan verbonden tot aan zijn dood.

Tengevolge mijner nasporingen omtrent den aard dezer betrekking en

andere bijzonderheden daaromtrent in het werk gesteld, zijn mij door

den oud Archivaris en Secretaris van Delft Mr. J. Soutendam, uit het

Archief een paar afschriften verschaft, die ik niet onbelangrijk acht

hier mede te deelen. Een dezer extracten luidt aldus:

3de Memoriaal van H.H. Burgemeesteren van Delft, fol. 365.

„Den 26sten Maart 1660 is Antony Leeuwenhoek, in plaats van Jan Strick,

tot Camerbewaarder gestelt, op gelijke gagie, baten ende emolumenten.”

Zijne Commissie luidt als volgt: (fol. 364 en 365 ibid. „Mijnen Heeren

Burgemeesteren ende Regeerders der stad Delft hebben gestelt ende

committeeren bij desen, Antony Leeuwenhoek tot het waarnemen van de

Camer, daer de H.H. Schout, Schepens ende die van de wet deser Stadt

vergaderen, om de voorz. Camer te openen ende te sluyten, soo op

ordinaris als extraordinaris vergaderingen van de voorn. Heeren, op

soodanige wijsen, als des vereyscht ende nodig sal wesen; item deselve

Heeren te betonen alle respect, eere ende reverentie ende naerstelyck

te agtervolgen ende getrouwelyck te effectueren alle diensten, die hem

sullen werden belast, ende secreet te houden ’t gunt hij in de Camer

soude mogen hooren; de voorz. Camer pertinentelyck te reynigen ende

schoon te houden, ’t vuyr, soo wanneer den tijd sulcx sal vereyschen,

op syn bequamen tijd aan te leggen ende de koolen, die ongeconsumeert

soude moge wesen, tot syn profyt wel te bewaren, dat geen ongeluk daar

van ofte van het Ligt van de kaarsen en geschiedde ende sal voorts

alles doen dat een goet ende getrouw Camerbewaarder schuldig is te doen

ende behoort. Voor welcken dienst de voorz. Antony Loeuwenhoek sal

genieten soodanigen gagie, bate ende emolumenten als voorn. Jan Strick

saliger syn voorzaat in dienste heeft genoten, ende sal desselfs dienst

ingaan metten 24 January 1660 ende syn gagie betaalt werden op

soodanige termynen, als die aan den voorz. Strick betaalt syn geweest.

Actum bij al de Burgmeesteren collegialiter vergadert den 26sten Maart

1660 ende geteekent bij den Pensionaris J. Camerling.”

Het salaris aan dezen post verbonden wordt opgegeven in de

„Thesauriers-rekening” van Delft van 1661 fol. 113 en 114: „Antony

Leeuwenhoek, Camerbewaarder van de Raatcamer twee hondert ’t sestich

gl. over één jaar wedde, verschenen den 24sten January 1661, dus: ijc

lxgl.” „Den selven voor het schoonmaeken van de Schepenen-, Vroetschap-

ende Schutterskamer; Item voor de behoeften die hij daer toe van nooden

heeft, de somma van liiij gl. Alzoo te samen een tractement van ƒ 314.”

De „Stads-secretaris,” zoo schrijft mij Mr. Soutendam, ontving te dien

tijde, behalve het „tabbertlaken of stedekleeding” en den „vrijdom van

Stads-accijns ƒ 800 ’s jaars.” Het baantje was ook (altijd volgens Mr.

Soutendam), niets minder eervol, dan dat van Kamerheer aan ’t Hof,

„mutatis mutandis;” natuurlijk zal Leeuwenhoek het vuile werk wel door

een bode of bediende hebben laten waarnemen.

Er is verder in het Archief niets gevonden, waaruit kan blijken of

Leeuwenhoek om deze betrekking gevraagd heeft. Waarschijnlijk zal een

zijner vrienden, in de Regeering zittende, hem die wel bezorgd hebben.

In die dagen was alles „correspondentie” van ’t hoogste ambt tot het

minste toe.

Behalve deze betrekking van Camerbewaarder, schijnt hem nog een andere

te zijn opgedragen blijkens een afschrift uit het „15de Memoriaal van

Burgemeesteren van Delft” fol. 118 en 119 als volgt:

„Mortificatie van het generaal-wijkmeesterschap, d.d. 23 December 1711,

nadat Antony Leeuwenhoek, die dese betrekking tegen een tractement van

ƒ 50 ’s jaars bekleedde, sal sijn overleden.” Het blijkt echter niet,

wanneer hij deze sinecure gekregen heeft.

Verder vindt men in hetzelfde: „Memoriaal”, fol. 206 en 207. „Resolutie

ter verbetering van Stads-finantie, d.d. 30 December 1718”: „Dat na

overlijden van Antony Leeuwenhoek en Arnold Ramp, de kamerbewaarder van

Schepenen-kamer voortaan niet meer sal toegelegt worden als ƒ 300”.

Hieruit blijkt dus, dat Leeuwenhoek nog tractement ontving, ofschoon

hij reeds een opvolger of hulp had. De „Thesauriers-rekening” van 1699

geeft hiervan opheldering; daaruit blijkt, dat Leeuwenhoek, als

Camerbewaarder der Raat-camer enz., over een jaarwedde, verschenen

October 1699, ontving.... „iiijc gl.” „Den selven, of nu Arnold Ramp,

voor ’t schoonmaken van Schepens-camer enz.... Liiij gl.”

Hij behield dus ’t tractement van „Camerbewaarder” en van

„generaal-wijkmeester” (twee sinecures) tot aan zijn dood en betaalde ƒ

54 aan Arnold Ramp. Het is echter niet kunnen blijken, wanneer dit

salaris tot ƒ 400 verhoogd werd.

Van het jaar 1654 af, vermoedelijk het jaar dat hij zich voor goed in

Delft met der woon vestigde, tot het jaar 1673 toe, het jaar waarin het

eerst microscopische waarnemingen van Leeuwenhoek door bemiddeling van

Dr. Reinier de Graaf, aan de „Royal Society” te Londen werden

medegedeeld, en zijn naam alzoo in het buitenland en spoedig daarna

overal algemeen bekend is geworden, vinden wij niets omtrent hem

aangeteekend. Er was dus een tijdvak van 19 jaren, dat men een tijdvak

van voorbereiding kan noemen, waarin hij zich voldoende kon oefenen,

zoowel in het aanleeren als verder volmaken van de kunst om de lenzen,

die hij voor zijne microscopen gebruikte en die wij zullen zien dat hij

zelf vervaardigde, zoodanig te slijpen en te polijsten, dat zij de

bewondering van kenners en geleerden, opwekten. Men trachtte op

allerlei wijzen achter zijn geheim te komen, hetgeen hij echter

zorgvuldig voor zich zelven hield. Hij zal zich overigens gedurende

dien tijd vlijtig hebben geoefend in het beschouwen van de voorwerpen,

die zijne aandacht wekten.

Leeuwenhoek moet daarvoor een allergelukkigsten aanleg hebben bezeten

en bovenal een scherp, helder gezicht, dat hem, niettegenstaande de

dagelijksche langdurige en onafgebroken inspanning, tot aan zijn hoogen

ouderdom toe, bewaard bleef. Dit getuigt ook Uffenbach [26], toen hij

hem in 1710, dus toen hij 78 jaren oud was, bezocht. „Wir muszten uns

wundren, dasz er fast gar nicht zittert, und noch ein gar

unvergleichlich Gesicht hat, da er auch die Augen durch sein observiren

gar sehr angreiffe.” Zelfs noch kort voor zijn dood, die den

onvermoeiden grijsaard op 91jarigen leeftijd eindelijk van zijne

geliefde bezigheden afriep, was hem nog het volkomen gebruik daarvan

bewaard gebleven. En dat zijn oogen in het beschouwen en waardeeren der

voorwerpen scherper zagen dan die van anderen, kan men opmaken uit eene

periode van hem, uit een brief aan den Burgemeester van Delft Jan

Meerman [27], van den 28sten Februari 1713, dus toen hij den ouderdom

van 81 jaren bereikt had.

„Alle dese figuren syn door een en hetselve vergrootglas geteykent, die

de Teykenaar soo groot heeft geteykent als hy die quam te sien: dog

wanneer ik die na myn oog soude uytbeelden, soude ik die veel grooter

uytbeelden.”

Leeuwenhoek zal ook wel een geruimen tijd noodig gehad hebben eer hij

in de bewerking zijner instrumenten, waartoe hij al de benoodigdheden

zelf maakte, die vaardigheid verkregen had, dat zij ten gebruike

geschikt waren. Hij getuigt zelf daarvan, in een brief aan de „Royal

Society” van 12 Januari 1689 [28]. „Ick hebbe hier vooren geseit, hoe

ik myn Instrumenten hebbe toegestelt, die eenige veel netter en

bequamer souden maken. Dog men moet weten, dat ik in geen konsten ben

onderwesen, daartoe men hamer of vijl gebruikt, als alleen, dat ik heb

gesien, hoe men het staal hard, en tempert, en een dril maakt, waarmede

men een gat in yser, koper, of silver drilt. Hoe en waarmede een

silver-smit syn silver aaneen soldeert.

„Dit gesien hebbende, heb ik myn selven soo verre geoefent, dat ik

sedert veel jaren myn gereetschap hebbe gemaakt, hetwelke ik in

verscheide saken hebbe van node gehad. En dus is het, dat hetgeene dat

ik tot myn gebruik van node hebbe, alleen maar uyt den rouwe by my

gemaakt werd.”

Later schijnt hij zich echter zoo zeer in deze metaalbewerking geoefend

te hebben, dat hij met meer tevredenheid over zijn werk spreken kon. In

een anderen brief (9 Juni 1699) [29] zegt hij: „Terwijl ik besig ben om

desen te schrijven, heb ik wel 8 à 10 vergroot-glasen voor my leggen,

die door my met silver gemonteert syn, en alhoewel ik gans geen

onderrigtinge en hebbe gehad, om in eenig metaal met hamer of vijl te

arbeyden, soo monteer ik egter myn glasen; en myn werktuygen syn soo

toegestelt, dat werkbasen in ’t Gout seggen, my niet te sullen

nawerken.”

Hieruit en uit vele andere bijzonderheden blijkt, dat hij overal

opmerkte of er iets voor hem te leeren viel en dan maar handen aan het

werk sloeg totdat hij eindelijk zijn doel bereikte. Vooral maakte hij

al zijn beschikbaren tijd zich ten nutte voor de volmaking van een

instrument, waarmede hij later zulke groote ontdekkingen gedaan heeft.

De slijping en polijsting zijner glazen zal hem wel het meest

inspanning en tijd gekost hebben en wij zouden zoo gaarne weten wie hem

daartoe den weg gewezen heeft. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij het

slijpen zelf aanvankelijk bij een glasslijper afgezien, zooals zoovele

andere zaken, en dat daarvoor, tijdens hij nog in Amsterdam woonde,

waar het slijpen van diamanten toen reeds tot een hoogen trap van

volkomenheid gebracht was, wel gelegenheid zal hebben bestaan, mag men

veilig aannemen.

Behalve het slijpen van glas had hij zich ook zelf geoefend in het

glasblazen, en het bewerken van metalen; zoo beschrijft hij, in een

brief aan Mr. Antonius Heinsius van 18 Aug. 1695 [30] hoe hij een

glazen bol geblazen heeft om voor zekere proef tot het onderzoek van

buskruit te dienen, „UEd. Gestr. Heere zoude wel meenen dat ik in de

kunst van glasblasen, bij de kaars of lamp geoefend was. Ik hebbe geen

andere kennisse van glasblasen gehad, als dat, wanneer op onse jaarmart

een glasblaser in de stad was gekomen, die sijn glas-blazen bij de

lamp, om gelt liet zien, en als doen op desselfs handeling agting

nemende, heb ik het bij de hand gevat, en dus kan ik alleen maar

blasen, hetgeene ick tot mijne verrigtinge van noode hebbe.” Ook blijkt

uit het gesprek met Uffenbach dat hij in het glasblazen groote ervaring

gekregen had. Uffenbach zegt daarvan in zijn verhaal van zijn bezoek

bij Leeuwenhoek [31].

„Was die geblasenen Gläser anbelangt, versiecherte Herr Leuwenhoek,

dasz er durch zehen-jähriges speculiren es dahin gebracht, dasz er eine

taugliche Art blasen gelernt, welche aber nicht rund wáren. Mein Bruder

wolte solches nicht glauben, sondern hielte es für Holländisch gejokt,

indem es unmöglich ist, in Blasen etwas anders als ein Kugel oder

Endung zu formiren.” Men ziet het, wat anderen onmogelijk voorkwam, kon

Leeuwenhoek bereiken door zijn onvermoeide werkzaamheid, hij liet zich

door geen moeielijkheden afbrengen van zijn eenmaal opgevatte

voornemens, waar het hem te doen was om iets te leeren; nimmer verloor

hij den moed, al moest hij aanvankelijk met groote bezwaren kampen,

maar hij hield zoo lang vol totdat hij, zoo als hij gedurig eigenaardig

uitdrukt „zich zelven kon bevredigen.”

Eindelijk was dan de tijd van ernstige voorbereiding volbracht en

gevoelde hij zich sterk genoeg om hetgeen hij onderzocht en gevonden

had ook onder de oogen van anderen te brengen. Goed toegerust treedt

hij nu onverwacht te voorschijn en doet zich weldra kennen als getrouw

waarnemer der natuur. Doch hij plaatste zich zelf niet met eigenwaan op

den voorgrond, maar werd daartoe aangespoord door een geleerde van

naam, Dr. Reinier de Graaf, die zeker al eenigen tijd met hem in

wetenschappelijke aanraking zal zijn geweest en de gelegenheid zal

gehad hebben om zijn ervaring in het waarnemen door het microscoop

optemerken [32]. Deze keurde zijn onderzoekingen wel waardig om onder

de oogen te komen van deskundigen. Bij gelegenheid dat de Graaf zijn

twist met Swammerdam over wetenschappelijke geschilpunten aan het

oordeel en de beslissing van de „Royal Society” onderwierp, schreef hij

den 27sten Mei 1673 tevens aan Mr. Oldenburg, Secretaris van dit

collegie, over Leeuwenhoek en sloot een brief van hem in, gedateerd 28

April 1673, welken brief de Graaf gezorgd had in het Latijn te

vertalen, ten einde deze door de Engelsche geleerden zou kunnen

verstaan worden. De Graaf vestigt in dit schrijven de aandacht der

Koninklijke Sociëteit op „zekeren Mr. Leeuwenhoek, die onlangs

microscopen gemaakt heeft, uitmuntende boven de tot hiertoe

vervaardigde door Eustachio Divini en anderen”, er bijvoegende: „dat

hij een voorbeeld van hun uitstekendheid gegeven heeft door

onderscheidene onderzoekingen daarmede te bewerkstelligen en dat hij

gaarne bereid zou zijn moeielijke zaken tot onderzoek van de leden te

ontvangen, indien belangstellenden slechts lust hebben ze hem toe te

zenden.”

De waarnemingen van Leeuwenhoek, waarvan hij in zijn brief gewag

maakte, werden in de „Philosophical Transactions,” Vol. VIII, pag.

6037, opgenomen, onder den titel „A specimen of some observations made

by a Microscope contrived by Mr. Leeuwenhoek, Concerning Mould upon the

skin, flesh etc; the Sting of a Bee, etc., lately communicated by Dr.

Regnerus de Graaf.”

Deze waarnemingen van den Hollandschen natuuronderzoeker werden door de

leden der Koninklijke Sociëteit met groote belangstelling ontvangen en

men sprak de hoop uit, dat hij ze weldra door meer anderen zou doen

achtervolgen. Deze waardeering en uitnoodiging was inderdaad eene

krachtige aanmoediging voor een tot nog toe vergeten, maar

onderzoeklievenden waarnemer, wiens nasporingen alleen nog maar de

nieuwsgierigheid zijner vrienden en bekenden, nauwlijks in staat om er

den wijden omvang van te begrijpen en te waardeeren, hadden opgewekt.

Van nu af waren het de geleerden en wel van de beroemde Engelsche

Sociëteit, die zich met den arbeid van den eenvoudigen Delvenaar zouden

bezig houden! Bemoedigende gedachte die zijn ijver aanspoorde en hem

zijne pogingen deed verdubbelen om de verwachtingen, die men van hem

koesterde, niet te beschamen.

Voor dat wij echter meer in bijzonderheden de onderzoekingen van

Leeuwenhoek nagaan en zijne verdiensten in het licht stellen, willen

wij kortelijk een blik slaan op de hoogte der kennis, waarop men ten

tijde van Leeuwenhoek, met betrekking tot de vervaardiging van

microscopen, stond. Daarna zullen wij de microscopen van Leeuwenhoek

bespreken en zien wáárin deze uitmuntten boven anderen van dien tijd,

waarbij wij genoegzaam gelegenheid zullen vinden om enkele

bijzonderheden, hem zelven betreffende, te vermelden. Eindelijk kunnen

wij onze aandacht onverdeeld wijden aan de belangrijkheid zijner

ontdekkingen, welke, schoon vele er van groote tegenspraak moesten

ondervinden en hem zelfs aan bespotting en beschimping blootstelden,

echter door anderen hoog gewaardeerd en verdedigd werden, en waarvan

sommigen zelfs nog in dezen tijd, als onomstootelijke waarheden worden

erkend.

Het is door den Hoogleeraar P. Harting in zijn: „Bijdrage tot de

geschiedenis der mikroskopen in ons Vaderland” (Utrecht 1846) en zijn:

„Het Mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen

toestand” (3 deelen 1850) [33] op onwederlegbare gronden aangetoond,

dat de eer der gewichtige ontdekking van het microscoop in de 17de eeuw

aan Nederland toekomt. De Italianen roemen in dit opzicht nog wel hun

Fontana en Galilaeus, van wien de eerste zich de eer der uitvinding

toeëigende, daar hij in het jaar 1646 schreef, dat hij reeds in 1618

het microscoop had uitgevonden; doch de gronden die zij voor hun

beweren, aanvoeren, zijn onhoudbaar; want daar de Italianen de

uitvinding van het microscoop in 1612 aan Galilaeus toeschrijven, zoo

is het bewezen, dat de eer dezer uitvinding aan Hans en Zacharias

Janssen van Middelburg toekomt en dat die zelfs reeds lang vóór 1610

plaats had, hoewel het moeielijk te bepalen schijnt hoe lang vóór dien

tijd. [34]

Het blijkt echter, dat reeds in zeer oude tijden het vergrootend

vermogen van bolle, doorschijnende lichamen, alsmede de kunst om glas

en berg-kristal te slijpen, bekend is geweest en men met het einde der

XVde eeuw reeds daarin eenige vordering had gemaakt, doch er verliepen

meer dan twee eeuwen eer het eenvoudig microscoop uitgevonden werd,

welke uitvinding ten onrechte aan Drebbel in het jaar 1621 wordt

toegeschreven. Het waarschijnlijkst, volgens Harting, is, dat de

uitvinding der brillen, die alleen daarin bestond, dat men begonnen was

de lenzen te slijpen met een verderen brandpunts-afstand dan vroeger,

tusschen 1285 en 1290 geschied is. Verder zegt Harting [35], dat het

brillenslijpen, na 1363, allengs tot een handwerk was geworden, dat men

op het laatst der XVIde eeuw twee brillenslijpers te Middelburg (de

genoemde Janssens) vond, en ten tijde van Leeuwenhoek drie te Leiden,

zooals hij zelf in een brief aan G. C. Leibnitz, d.d. 28 September 1715

[36] zegt: „daar sijn drie Glaseslijpers geweest te Leyden, bij dewelke

de studenten het glaseslijpen gingen leeren” enz. Uit een en ander

blijkt, dat het zeker is, dat het samengesteld microscoop te Middelburg

reeds eenige jaren vóór 1610 is uitgevonden.

De Hoogleeraar Harting maakt de opmerking [37], dat het bevreemdend is,

dat de uitvinding van een werktuig, hetwelk voor den onderzoekenden

blik eene geheel nieuwe wereld ontsluit, aanvankelijk zoo weinig de

aandacht getrokken heeft, dat het bestaan ervan jaren lang ter

nauwernood buiten de muren der woonplaats van den uitvinder is bekend

geweest, daar men, noch in 1611 in de „Dioptrica” van Keppler, noch in

het werk van Syrturus, dat over verrekijkers en het slijpen van glazen

handelt en in 1618 verscheen, iets vindt opgeteekend, waaruit hunne

bekendheid met het microscoop blijkt. Eerst in 1625 maakte een Italiaan

Franciscus Stellubi eenige microscopische waarnemingen bekend over de

verschillende deelen der honigbij.

De eigenlijke geschiedenis van het enkelvoudig microscoop vangt eerst

aan op het tijdstip, toen men begon lenzen te vervaardigen, welke een

genoegzaam korten brandpunts-afstand bezaten, om eene eenigszins

aanmerkelijke vergrooting daar te stellen, dat, volgens Harting [38],

hoogstwaarschijnlijk eerst geschied is na en ten gevolge der uitvinding

van het samengesteld microscoop.

Een der eersten, die het enkelvoudig microscoop zoodanig inrichtte, dat

het geschikt was voor wetenschappelijke nasporingen, was onze

Leeuwenhoek.

Wij zagen boven, dat Dr. Reinier de Graaf in den brief, dien hij bij de

toezending der eerste waarnemingen van Leeuwenhoek aan de „Royal

Society” te Londen schreef, als eene bijzonderheid mededeelde „dat deze

Leeuwenhoek onlangs microscopen gemaakt had, uitmuntende boven die tot

hiertoe vervaardigd worden door Eustachio Divini.” Deze microscopen van

Eustachio de Divinis nu waren in dien tijd zeer beroemd en worden

beschreven in de „Philosophical Transactions” no. 42, pag. 842. Divini

had, behalve de objectieflens, twee plano-convexe oogglazen zoodanig

geplaatst, dat zij elkander in het midden hunner bolle oppervlakte

raakten. Deze oogglazen waren ongeveer zoo breed als de handpalm eens

mans, en de buis, waarin zij besloten waren, was zoo dik als een mans

dij. Een vrij onhandig instrument alzoo, dat niet gemakkelijk in het

gebruik moet zijn geweest en veel overeenkomst met een kleine mortier

moet hebben gehad. Het was omstreeks 16½ duim lang; de verschillende

vergrootingen werden verkregen door uittrekking tot verschillende

lengte. De geringste vergrooting was van 41, de sterkste van 143maal in

middellijn.

Het voornaamste, waardoor de microscopen van Leeuwenhoek uitmuntten

boven die van anderen van zijn tijd, bestond in de kennis van het

slijpen en polijsten zijner lenzen en in het stellen (monteeren)

daarvan.

Men maakte destijds ook veel gebruik van gesmolten glazen bolletjes,

omdat men niet best terecht kon met het slijpen der lenzen, en niemand

ten tijde van Leeuwenhoek hem hierin op zijde schijnt gestreefd te

hebben.

De eerste, die deze glazen bolletjes vervaardigde, was Robert Hooke

[39], die in 1663 de vervaardiging ervan beproefde en ze later

verbeterde. Hij maakte van deze bolletjes onder anderen gewag in een

verslag, door hem uitgebracht in de vergadering van 14 Maart 1678 van

de „Royal Society” [40], ten gevolge van het te vergeefsch opsporen van

de kleine diertjes in peperwater door Leeuwenhoek waargenomen, hetwelk

hem nu bij het gebruik maken van zijn verbeterde inrichting van zijn

microscoop gelukte.

Hij bezigde daartoe een enkelvoudig microscoop, gemaakt uit een klein

glasbolletje, waardoor het voorwerp buitengewoon vergroot kon worden,

welk bolletje hij, met de lamp, van een glazen draad smolt. In 1668

vervaardigde Hartsoeker [41] op dergelijke wijze glasbolletjes, die

vrij goed waren en hun vergrootend vermogen moet zeer aanzienlijk

geweest zijn.

In 1677 maakte Butterfelld [42] deze bolletjes door tot fijn poeder

gestoten glas, dat hij aan de punt eener naald in de vlam van een

spirituslamp hield, tot een bolletje samen te smelten. Ook Jan van

Mussenbroek vervaardigde dergelijke glasbolletjes, naar de methode van

Hooke en schijnt daarin zeer te hebben uitgemunt. Het verst van allen

bracht het daarin Pater Della Torre van Napels [43]. Deze bracht het

bolletje, dat hij op de wijze van Hooke aan een glasdraad gesmolten

had, in eene komvormige holte, gemaakt in een stukje tripoli, waarin

vervolgens het bolletje op nieuw gesmolten werd door de vlam der

glasblazerslamp. De glasbolletjes van Della Torre vergrootten ongemeen

sterk. De „Royal Society” te Londen ontving er in 1763 eenige van,

waarvan het grootste een diameter had van 1⁄36 duim en 640maal in

middellijn vergrootte; de doorsnede van het kleinste was 1⁄144 duim en

zijn vergrootend vermogen 2560maal. Zulke sterk vergrootende bolletjes

zijn echter, volgens Prof. Harting, wegens hun zeer korten

brandpunts-afstand, als microscoop weinig bruikbaar. Volgens Harting

geven de bolletjes van 300–900maal vergrooting het zuiverste beeld,

zoodat zij zelfs in dit opzicht geslepen lenzen van gelijke vergrooting

dikwijls werkelijk overtreffen.

Ook Leeuwenhoek schijnt zich aanvankelijk van zulke bolletjes bediend,

maar die later verworpen en er zelfs eene groote verachting voor aan

den dag gelegd te hebben, zooals blijkt uit hetgeen Uffenbach

daaromtrent verhaalt, bij gelegenheid van zijn bezoek ten zijnen huize

[44].

„Als wir Herr Leuwenhoek ferner fragten, ob er denn alle seine Gläser

schlieffe und keine bliese? verneinte er solches, und bezeigte eine

grosse Verachtung gegen diese geblasene Gläser” „Er wiese uns, wie dunn

seine Microscopia gegen anderen wären, und wie nahe de laminae

zwisschen welche das Glas ist, beysammen waren, so dasz kein sphärisch

Glas dazwischen seyn könnte, sondern alle seine Gläser waren auf beyden

Seiten convex geschliffen.” Daarenboven gebruikte Leeuwenhoek ook

microscopen met dubbele glazen. „Er hatte auch einige Microscopia mit

doppelten Gläsern die, ob sie gleich doppelt, und einwendig nach ihrer

behörigen Distanz vermuthlich durch eine laminam separirt waren,

demnoch nicht viel dicker als die einfachen waren.” Deze vergrootten,

volgens Leeuwenhoek, een „weinig meer” dan zijn enkelvoudige

microscopen.

Wij zijn alzoo genaderd tot het microscoop waarvan Leeuwenhoek zich

bediende voor zijne onderzoekingen, en het is door alles wat wij

daaromtrent hebben kunnen opsporen uitgemaakt, dat hij de glazen

daartoe gebezigd zelf sleep en polijstte en dat deze niet uit gesmolten

glasbolletjes bestonden maar uit een tot eene biconvexe lens geslepen

helder glas.

Hij besteedde veel zorg aan het kiezen van het geschiktste soort van

glas, en gebruikte ook gerold bergkristal. De zuiverheid en helderheid

er van moet buitengemeen groot geweest zijn, hetgeen blijkt, zoowel uit

de getuigenis zijner tijdgenooten, als uit vele der daarmede gedane

waarnemingen van hemzelven.

De lens in Leeuwenhoek’s microscopen was gevat tusschen twee koperen of

zilveren, soms ook wel gouden plaatjes, waarin zich één, soms twee en

ook wel eens drie openingen bevonden. Bij van Haastert [45] is zulk een

microscoop met ééne opening op het titelblad afgebeeld, zoo als ook in

fig. 1 is geteekend. Deze afbeelding komt geheel overeen met een

dergelijk instrumentje van Leeuwenhoek afkomstig en door hem

vervaardigd, waarmede ik in mijn jeugd dikwijls kleine insecten,

vlerkjes en andere voorwerpen heb bezichtigd. Er werd, helaas, toen

door mij niet meer waarde aan gehecht dan aan gewoon speelgoed, zoodat

het in het ongereede is geraakt en verloren ging. Het komt in alle

opzichten overeen met de 26 microscopen, die Leeuwenhoek aan de „Royal

Society” heeft nagelaten. Baker [46] had deze microscopen gedurende

drie maanden ter onderzoeking onder zijne berusting en beschrijft ze

zeer uitvoerig. Deze beschrijving nu is zoowel toepasselijk op de hier

bijgevoegde fig. 1 als op fig. 2, daar de laatste alleen daarin

verschilt dat er twee lenzen in zijn en het microscoop alzoo ingericht

was om twee verschillende vergrootingen te geven. Fig. 1 stelt het

microscoop voor met ééne, fig. 2 A en B met twee openingen en aan beide

zijden gezien.

Ook op het physisch kabinet te Utrecht komt een dergelijk microscoop

voor als bij van Haastert is afgebeeld. Onlangs ben ik bekend geworden

met een microscoop van Leeuwenhoek op het physisch kabinet der Leidsche

Academie, een paar jaren geleden ten geschenke gegeven door een

officier van gezondheid, met een paar andere kleinigheden, onder

anderen een rood marokijnen étui, waarop de naam Leeuwenhoek duidelijk

te lezen is. Ook op het Anatomisch kabinet te Leiden is een microscoop

van Leeuwenhoek afkomstig.

Omtrent deze microscopen en den waarschijnlijken gever kan ik

mededeelen, dat ik in het jaar 1872 van den officier van gezondheid

1ste klasse Hallegraeff, sedert overleden, een schrijven heb ontvangen,

mij meldende, dat hij in het bezit was van:

1º. Een microscoop van L. overeenkomende met fig. 1, p. 34 dezer

brochure;

2º. Een microscooptoestel tot onderzoeking van den bloedsomloop (fig.

3, pag. 36);

3º. Een loupe van Leeuwenhoek;

4º. Een rood marokijn lederen étui met vijf in koper gevatte lenzen en

eene lens nog niet in koper gevat, dus in het geheel zes.

Een en ander was uit Rusland weder naar Nederland terug gebracht door

den Hoogleeraar de Gorter, door wiens betrekkingen het aan den vader

van den briefschrijver en later aan hem was present gedaan. Als eene

bijzonderheid meldde hij mij nog dat op het étui met eigenaardige

krulletters geschreven staat „Anth. van Leeuwenhoek”. Tevens berichtte

mij ZEd., dat hij van plan was een en ander aan de Leidsche Hoogeschool

ten geschenke aan te bieden; derhalve zijn de op de Academie berustende

voorwerpen kennelijk de bovenbeschrevene.

Ook is mij bekend geworden, dat er op het stedelijk museum te Gouda een

microscoop aanwezig is.

De beschrijving volgens Baker is de volgende. De voorzijde is fig. 2 B.

Het platte gedeelte A is samengesteld uit twee koperen of zilveren

plaatjes, aan elkander vastgemaakt met kleine klinknageltjes, b b b b b

b. Tusschen deze plaatjes is eene zeer kleine biconvexe lens, in een

holligheid geplaatst, recht tusschen twee gaatjes, tegenover elkander

in de plaatjes gedrild bij c. Aan de eene zijde van de plaatjes is een

koperen of zilveren strookje d met een schroef e gehecht, welk

schroefje door beiden gaat. Een ander gedeelte van dit strookje

winkelhaaks omgebogen schiet onder de plaatjes door en komt aan de

andere zijde uit. Door dit omgebogen einde loopt, recht opwaarts, eene

lange fijndradige schroef, welke in- en uitgeschroefd wordende, de

plaat, waarop het voorwerp gehecht wordt, hooger of lager brengt.

Hierop staat een grof ruw gemaakt pennetje i, waaraan het voorwerp moet

worden vastgehecht en dat door een handvatsel k wordt omgedraaid. Men

kan de vertoonplaat met het pennetje er op, verder van de vergrootende

lens doen afwijken, of nader daarbij laten komen door middel eener

kleine schroef l, die horizontaal door de plaat b loopende en tegen de

achterzijde van het werktuig dragende, als het noodig is deze plaat

verder afdringt. Het eind van de lange schroef g komt door de

vertoonplaat heen bij m, alwaar zij rond draait, maar niet als een

schroef werkt, dewijl haar draad zoo hoog niet reikt. Leeuwenhoek

maakte zijne voorwerpen aan de punt van het pennetje met de eene of

andere klevende stof vast en bewaarde zulk een stel zorgvuldig, zoodat

hij voor ieder voorwerp weder een ander microscoop noodig had en er ten

slotte eenige honderden bij elkander had, zoo als hij zelf zegt in een

brief aan Hans Sloane, Secretaris der „Royal Society” d.d., 24 December

1700 [47]. „Ick hebbe hondert en hondert geslepene vergrootglasen, daar

van de meeste zoo scherp sien, selfs by duystere dagen, en dat by geen

ander als dag ligt enz.” Wanneer het voorwerp alleen kon gezien worden

als het uitgespreid was, deed hij een weinig op een plaatje van zeer

dun glas, dat hij op dezelfde wijze met de klevende stof op de punt

vasthechtte [48]. Voor sommige waarnemingen met vloeistoffen, zoo als

onder anderen, om den bloedsomloop te bezichtigen, wijzigde hij dien

toestel. Hij beschrijft die inrichting zeer uitvoerig in een brief aan

de „Royal Society” van 12 Januari 1689 [49] (Fig. 3). Zij bestond uit

eene aan beide uiteinden rechthoekig omgebogen koperen of zilveren

plaat, a, in welker omgebogen gedeelten b en c de ronde openingen e en

i waren aangebracht, bestemd ter opneming eener glazen buis, die dan

door de veeren r en d werd vastgeklemd. In zulk een glazen buis bracht

hij dan water en een klein vischje of aaltje met de vinnen of den

staart zoodanig er buiten geplaatst, dat men den bloedsomloop er in kon

waarnemen. De lens, die even als bij alle microscopen van Leeuwenhoek,

tusschen 2 plaatjes besloten was, werd dan vóór de buis gesteld door

middel van de rechtopstaande plaat g, die door de beide schroeven h h

op een gedeelte van c bevestigd was, en waaraan de lensplaat door de

schroef f werd vastgemaakt [50]. Leeuwenhoek heeft verscheidene van

deze toestellen vervaardigd, want op den Catalogus zijner microscopen,

die na zijn dood verkocht zijn, worden niet minder dan 8 zilveren en 4

koperen vermeld.

Deze Catalogus, in het bezit van Prof. Harting, voert den volgenden

titel:

„Catalogus van het vermaarde Cabinet van vergrootglasen, met zeer veel

moeyte en kosten in veele jaren geïnventeert, gemaakt en nagelaten door

wijlen den Heer Antony van Leeuwenhoek. In zijn Ed. leven Lid van de

Koninklijke societeit der Wetenschappen te Londen, welke verkogt zullen

worden op Maandag den 29 Mey 1747 binnen de stad Delft, op St. Lucas

Gildekamer, des voormiddags van 10 tot 12 uren, en des namiddags van

half drie tot 5 uren. Te Delft gedrukt bij Reinier Boitet, Stadsdrukker

1747.” Hij is op zwaar schrijfpapier gedrukt, met Hollandschen en

Latijnschen tekst. Voorin bevindt zich eene fraaie op koper gegraveerde

zinnebeeldige plaat, voorstellende een kabinet met laden waarin

microscopen en een paar kinderen deze beschouwende; een hunner heeft

een dito microscoop als in fig. 2 is afgebeeld in de hand, maar dit is

met „drie” openingen voorzien. Eene andere plaat stelt het portret van

Leeuwenhoek voor. De Catalogus, 43 bladz. groot, is geheel doorschoten

met wit papier, waarop de namen van al de koopers en de prijzen die

voor de microscopen besteed zijn, nauwkeurig staan aangeteekend; het

getal nommers is 196, terwijl bijna ieder nommer twee microscoopstellen

aangeeft, de laatste 15 nommers bestaan ieder uit een aantal van 12

koperen plaatjes met vergrootglazen. Daarenboven zijn er nog op vermeld

zeven Japansch verlakte Cabinetjes, benevens een verlakte vierkante

doos en een doos, waarin eenige glazenbuizen met olie, plantgewassen,

drogerijen enz.

Het gezamenlijk aantal der microscoopstellen, met inbegrip der

bovengenoemde plaatjes met vergrootglazen, de meesten met een voorwerp

voorzien waarvan de namen in den Catalogus vermeld zijn, bedraagt niet

minder dan 527. Hiervan zijn er 3 van goud, 147 van zilver, waarvan 1

met drie, 6 met twee, 140 met één en ook zonder objecten. Voorts 5 met

zilver gemonteerde koperen stellen en koperen met drie objecten en 375

koperen met 1 object en zonder.

Als eene bijzonderheid staat bij no. 126 een koperen stel vermeld, dat

„het vergrootglas geslepen is van een sandje en het object is een

sandje.” Bij drie der microscopen staat opzettelijk dat het

vergrootglas is geslepen van Amersfoortsche diamant. Van de gouden

wogen er twee 10 Engels 17 azen, de derde 10 Engels 14 azen. Een der

eerste van deze gouden werd verkocht voor 23 gulden 15 stuivers,

terwijl de beide anderen opgehouden werden. De overige microscopen

golden: de koperen van 15 stuivers tot 3 gulden het paar; de zilveren 2

tot 7 gulden, 1 koperen stel, waarvan het object was „ongeboren

oesters” (!) in een glazen buisje 8 gulden. Een enkel der zilveren gold

10 gulden.

De geheele verkooping bracht de voor dien tijd zeer aanzienlijke som

van 737 gulden en 3 stuivers op.

Al deze microscopen schijnen in ons land gebleven te zijn; ten minste

onder de namen der koopers in den Catalogus heb ik geen buitenlandsche

gevonden. De naam Dirk Haaxman komt op de lijst der koopers herhaalde

malen voor en het is daarom te verwonderen dat er niet meer van deze

microscoopjes in mijne familie, waarvan echter weinig leden der andere

takken mij bekend zijn, gevonden werden.

Daar nu al de lenzen van deze groote verzameling door Leeuwenhoek „met

eigen hand” geslepen zijn en de metalen stellen eveneens door hem

zelven vervaardigd werden, waarbij nog gevoegd moet worden de

verzameling van 26 microscopen, aan de „Royal Society” vermaakt, en nog

een groot aantal, die hij bij zijn leven ten geschenke zal gegeven

hebben, zoo staat men verbaasd, dat Leeuwenhoek, bij den tijd aan zulk

een arbeid besteed, nog genoegzame gelegenheid kon overhouden tot het

nemen zijner proeven, als men weet hoe verbazend tijdroovend het

praepareeren alleen der voorwerpen is om ze geschikt voor de observatie

te maken, terwijl bovendien vele proeven door hem talrijke malen werden

herhaald, eer hij een bevredigend resultaat verkreeg. [51] Hij betuigt

zelf [52] dienaangaande van een door hem ingesteld onderzoek: „Aan dese

geseyde waarnemingen hebbe ik meer tyd besteed als vele zullen

gelooven: dog ik heb ze met genoegen gedaan, en geen agt gegeven op die

geenen die mij zeggen, waarom zoo veel moeyte gedaan, en wat nut doet

het; dog ik schrijf niet voor sulke en alleen voor de wysgeerige.”

Leeuwenhoek was er steeds op bedacht zijne glazen meer en meer te

volmaken. „Wat mijne vergrootglasen aangaan,” zegt hij in een brief aan

de „Royal Society,” d.d. 9 Juni 1699 [53] „daarvan wil ik mij niet

beroemen; ik maak deselve soo goet, als in mijn vermogen is, en moet

seggen, dat wij sedert veel jaren deselve niet alleen beter en beter

hebben gesleepen, maar ook deselve van tijd tot tijd beter gemonteert

hebben, waaraan ook veel is gelegen, en ik hebbe wel behaamt die

vergrootglazen maken, en haar daarover beroemen, die selfs geen

bequaamheit hadden om te oordeelen, of een glas scharp ontdekt; en

gelijk yder een niet bequaam is om van een vergrootglas wel te

oordeelen, veel min kan men bequaam syn, om ontdekkingen voort te

brengen, en dus doende, moet ymant die nieuwe ontdekkingen tragt in ’t

ligt te brengen, niet van één gesigt oordeelen, maar men moet deselve

veel malen sien: want my komt te meer malen voor, dat luyden, siende

door een vergroot-glas seggen, nu sie ik dat, en dan weder dat, en

wanneer men haar onderrigt, sien sy dat ze in haar meyninge bedrogen

syn, en dat meer is, soo kan self die geene die gewoon is door

vergroot-glasen te zien, in syn meyninge verleyt werden.” Men ziet het,

Leeuwenhoek nam niet alles dadelijk voor waar en zeker aan, wat hij op

het eerste gezicht waarnam en logenstrafte daardoor zijne benijders en

bedillers, die hem verweten, dat hij zich veelal maar verbeeldde te

sien, wat niet in werkelijkheid bestond.

De groote lof die overal, vooral in Engeland, van Leeuwenhoek’s

ontdekkingen uitging, had ten gevolge dat velen trachtten zich door

eigen aanschouwing van de waarheid te overtuigen, te meer daar zijne

waarnemingen in vele opzichten geheel nieuw waren en onderwerpen

betroffen, van het hoogste gewicht voor de physiologische wetenschap

van die dagen; want nauwelijks waren er drie jaren verloopen sedert het

begin zijner betrekking met de „Royal Society,” of reeds had hij het

meerendeel der weefsels en vloeistoffen van het organismus in meerdere

of mindere mate onderzocht. Aangespoord door de gelukkige ontdekkingen

die hij deed en geprikkeld door de belangstelling, die men aan zijne

waarnemingen schonk, wijdde hij dan ook zich met zijn geheele ziel aan

zijne geliefkoosde nasporingen.

Doch weldra werd hem eene buitengewone verrassing bereid. Eene geheel

nieuwe wereld van wezens in het water levende en die tot nu toe voor

iedereen verborgen waren gebleven, ontdekte zich aan zijn navorschend

oog. In een enkelen droppel water ontdekte hij vol verbazing eene

ontelbare menigte van de kleinste wezens van den meest verschillenden

vorm, die zich met eene ongeloofelijke snelheid en levendigheid heen en

weder bewogen. Men was tot nog toe gewoon een kaas- of andere myt al

voor het kleinste diertje der schepping te houden, maar met de diertjes

vergeleken, die Leeuwenhoek in water ontdekte, was zulk eene myt als

een reus te beschouwen. Een nieuw veld van beschouwing ontwikkelde zich

door deze ontdekking aan den denkenden geest. Overal in de natuur is

het leven verbreid en dat in zulk eene verkwistende mate als men dit

nimmer zou hebben kunnen vermoeden. Zulks werd door Leeuwenhoek in een

brief aan de „Royal Society,” d.d. 9 October 1676 duidelijk

uiteengezet, welke mededeeling ten gevolge had, dat de „Royal Society”

zich gedurende onderscheidene zittingen van het jaar 1677 met den

belangrijken inhoud dezer missive bezig hield.

Men besloot aan hem te schrijven en hem uit te noodigen om zijne

methode van onderzoek mede te deelen, ten einde de resultaten zijner

nasporingen te kunnen nagaan en waardeeren, terwijl in den boezem der

vergadering zelve de meest geanimeerde besprekingen over dit

ongeloofelijk feit werden gehouden. Wij lezen [54], dat ten gevolge van

de ontvangen mededeelingen van Leeuwenhoek omtrent de ontdekking van

met het bloote oog onzichtbare, uiterst kleine diertjes in regen-,

sneeuw-, wel- en andere wateren, alsmede in water, waarin peper, gember

en andere kruiderijen gedurende eenigen tijd hadden geweekt, dat in de

vergaderingen van 5 April 1677 Dr. Nehemiah Grew werd opgedragen te

beproeven, wat hij in dezelfde wateren kon ontdekken, terwijl in de

vergadering van 15 October aan Robert Hooke dit zelfde verzoek gericht

en deze tevens uitgenoodigd werd een microscoop te maken, dat zoo veel

mogelijk, zoo niet geheel, gelijk was in kracht met dat van

Leeuwenhoek, omdat men te vergeefs had getracht met de hun ten dienste

staande instrumenten deze diertjes te zien.

In de vergadering van 1 November 1677 [55] bracht men verslag uit

omtrent een menigte dunne glazen buisjes van verschillende grootte,

eenige tienmaal dikker dan een hoofdhaar van een mensch, en andere veel

dunner, welke men gemaakt had, om eene bewering van Hooke te

constateeren, ter bestrijding van de waarneming van Leeuwenhoek, dat

men de kleine diertjes in een waterig vocht, in zulke buisjes beschouwd

zijnde, door elkander zou zien wriemelen. Hooke deelde mede, dat deze

alzoo gevulde buisjes zelven als het ware vergrootglazen werden,

waardoor de omvang van zoodanige lichaampjes in het vocht schijnbaar

zeer vermenigvuldigd zich zou moeten vertoonen, vooral aan de zijde van

de buisjes die het verst van het oogglas verwijderd waren. Maar

niettegenstaande dit hulpmiddel, waardoor de sterkte van het microscoop

nog vermeerderd werd, verklaarde men „niets” van dergelijke diertjes te

kunnen waarnemen.

Er werd daarom bevolen, dat tegen de volgende vergadering peperwater

zou worden gereed gemaakt en er ook voor een beter microscoop moest

gezorgd worden, opdat de waarheid of onwaarheid van „Leeuwenhoek’s

bewering” duidelijk mocht blijken.

Vóór dat deze discussiën in de vergadering plaats hadden, schijnt men

reeds aan Leeuwenhoek den twijfel der vergadering over de juistheid

zijner waarneming te hebben kenbaar gemaakt, ten gevolge waarvan hij

het noodig geacht had getuigenissen van geloofwaardige personen over te

leggen, die zijne ontdekkingen konden bevestigen, want zoo voegde men

er bij: „opdat de verzekeringen van Leeuwenhoek zoo mogelijk

proefondervindelijk zouden kunnen onderzocht worden, daar hij zoo vele

getuigenissen had geleverd van hen die ooggetuigen van deze waarneming

geweest waren.” Daarop werden de namen dezer getuigen in de vergadering

gelezen, waaronder er waren van twee predikanten, één notaris en acht

andere geloofwaardige personen, tot staving van de waarheid van zijne

vroegere verzekeringen omtrent het ongeloofelijke aantal kleine

diertjes dat hij in zulk peperwater zich had zien bewegen en waarvan

enkelen het getal op tienduizend, anderen op dertigduizend en nog

anderen op vijfenveertig duizend in een enkelen droppel, ter groote van

een gierstkorrel schatteden. In de vergadering van 8 November 1677 [56]

werd daarop het verslag door Hooke uitgebracht, omtrent het onderzoek

van peperwater, dat aan hem was opgedragen. Hij vertoonde daarop eene

verbeterde inrichting van zijn microscoop, waarin de buisjes

doelmatiger konden bevestigd worden en waarmede ook eene betere

verlichting kon worden aangebracht.... „Maar,” zoo betuigt Hooke,

„hoewel hij het peperwater zeer sterk had gemaakt door weeking van

heele zwarte peper, gedurende 2 of 3 dagen lang met regenwater, zoo kon

er, niettegenstaande zijn microscoop nu veel beter was ingericht dan in

de vorige vergadering, „toch niets van Leeuwenhoek’s diertjes bespeurd

worden.” De vice-president Mr. Henshaw, die toch zijn geloof aan de

waarnemingen van Leeuwenhoek niet wilde opgeven, dewijl hij een te goed

vertrouwen had in de deugdelijkheid zijner observatiën, maakte de

opmerking, dat het wellicht nu in den winter geen geschikte tijd voor

de voortteling van dergelijke diertjes zou zijn, en hij voegde er bij,

dat hij een lid der vergadering gesproken had, die den vorigen zomer

met het microscoop van Leeuwenhoek zelven, deze diertjes in Holland

gezien had, doch ze nu, veertien dagen geleden, niet kon vinden in

peperwater dat hier (in Londen) gemaakt was.”

Niettegenstaande deze gegronde opmerking beweerde Dr. Wistler, dat deze

„denkbeeldige schepsels” inderdaad niets anders waren dan „kleine in

het water drijvende peperdeeltjes” en geen diertjes. Doch deze bewering

werd krachtig tegengesproken door Dr. Mapletoft. Hij repliceerde, dat

Leeuwenhoek stellig verzekerd had dat hij die diertjes, zoowel levend,

als dood had aangetoond, en in den laatsten toestand, zoodra hij azijn

bij het peperaftreksel gevoegd had. Hooke was echter niet gemakkelijk

tot overtuiging te brengen; hij onderzocht nu andermaal het peperwater

met zijn microscoop en verklaarde dat hij de opmerking van Dr. Wistler

als gegrond moest erkennen, want dat hij er thans eene groote

hoeveelheid fijn peperstof in op- en nederdalende beweging in gezien

had. Ten slotte werd het uitzicht geopend, dat hij in de volgende

vergadering een microscoop zou ter tafel brengen, dat nog veel meer

vergrooten zou en dat alsdan de quaestie uitgemaakt zou worden.

Het beslissende oogenblik was aangebroken. De vergadering van den 15den

November 1677 werd geopend, en wat rapporteerde nu dezelfde Hooke? „Dat

hij nieuw peperwater bereid had met zuiver regenwater en eene kleine

hoeveelheid gewone zwarte peperkorrels en dit mengsel gedurende negen à

tien dagen met elkander in aanraking gelaten had,” en „dat hij

gedurende de geheele week lang, een groot aantal buitengewoon kleine

diertjes heen en weder had zien zwemmen,” welke hem, door zijn glas

gezien, toeschenen de grootte van eene myt te bezitten, welk glas

volgens zijne berekening honderdduizendmalen in omtrek vergrootte

(waarschijnlijk een glasbollelje) en dat mitsdien kon worden opgemaakt

dat deze diertjes honderdduizendmaal kleiner waren dan eene myt. Hun

vorm zegt Hooke „kwam overeen met een zeer klein helder blaasje, ovaal

of eivormig van gedaante.”

Men kan zich lichtelijk de verrassing der vergadering voorstellen, toen

de leden ieder om strijd zich rondom het microscoop van Hooke

verdrongen om zich van het ongeloofelijke feit te overtuigen. Al de

aanwezige leden, zegt de verslaggever dezer belangrijke vergadering,

overtuigden zich nu van de waarheid van Leeuwenhoek’s ontdekking. Zij

bevestigden allen, dat zij nu de diertjes zagen en ze op allerlei

wijzen door het water heen en weder zagen bewegen; men verklaarde ze

voor wezenlijke diertjes en erkende dat er geenerlei optische

misleiding kon plaats hebben.

Schitterender kon de reputatie van den Delftschen burger wel niet

gevestigd worden, dan in de erkenning van de waarheid van hetgeen hij

had waargenomen, nu zelfs de meest ongeloovige zich moest gewonnen

geven. De leden der vergadering waren dan ook dadelijk bereid om hun

vorig mistrouwen en ongeloof openlijk te erkennen. Wij lezen namelijk

in de notulen dezer vergadering: „dat er besloten werd nota te nemen

van deze thans zoo goed geconstateerde feiten, en tevens dat er

aanteekening zou gehouden worden van de namen van hen die deze diertjes

met hun eigen oogen hadden gezien. Zulks waren: Mr. Henshaw, Sir

Christopher Wren, Sir John Hoskyns, Sir Jonas Mone, Dr. Mapletoft, Mr.

Hill, Dr. Croune, Dr. Nehemiah Grew, Mr. Aubrey en nog verschillende

anderen, zoodat er niet langer aan Mr. Leeuwenhoek’s ontdekking te

twijfelen viel.”

Omtrent de ontdekking van den eigenaardigen vorm, de soorten en

bijzondere eigenschappen die Leeuwenhoek aan deze kleine diertjes kon

waarnemen, heeft hij zich zeer uitvoerig uitgelaten in een schrijven

aan Constantijn Huygens d.d. 7 November 1676 [57]. Hij zegt daarin,

„dat hij omstreeks half September van het jaar 1675 in regenwater, dat

eenige weinige dagen in een ton gestaan had, kleine diertjes, in zijn

oog meer dan tienduizendmaal kleiner dan het diertje dat Dr. Swammerdam

heeft afgebeeld en met den naam van watervloo of waterluis

bestempelde,” gevonden heeft. De „eerste soort,” die hij in dit water

ontdekte, bestond uit 5, 6, 7 à 8 zeer heldere „globulen”; zij staken

somtijds twee hoorntjes uit het voorste gedeelte van hun lichaam en

dezen waren in voortdurende beweging. Hun lichaam was rondachtig en aan

het achterlijf een weinig spits, waar zij een staart hadden, die

driemaal langer dan het lichaam was. Eene „tweede soort” beschrijft hij

als een eirond lichaam, van boven gezien uit 8, 10 à 12 globulen

bestaande, zij waren zeer helder en konden hun lichaam in een volkomen

ronde gedaante veranderen; iedere globule, zegt hij, verbeeldde zich

als verheven met een puntje uit te steken en voorzien met verscheidene

ongeloofelijke dunne pootjes, die zich snel bewogen; deze soort was een

weinig grooter dan de eerste. Eene „derde soort” was eenmaal zoo lang

als breed en naar schatting wel achtmaal kleiner dan de eerste soort,

hij „imagineerde zich”, dat hij daaraan „vinnetjes of pootjes” kon

waarnemen; zij bewogen zich zeer snel, zoowel in het rond als in een

rechte lijn. De „vierde soort,” die hij waarnam, was zoo klein dat hij

er geen figuur aan kon bekennen; deze waren in zijn oog meer dan

duizend maal kleiner dan het oog van een luis; zij gingen in snelheid

van beweging de bovenvermelde diertjes nog te boven. Verder zegt

Leeuwenhoek, dat hij, behalve deze vier soorten nog verscheidene andere

soorten van diertjes waarnam, waarvan eenigen zeer groot waren, zoo als

een „kleine myter”, anderen wederom waren „zeer monstereus.” Hij

beschrijft deze niet nader, maar zegt er alleen van, dat zij doorgaans

uit zulke zachte deelen bestonden, dat, wanneer het water, waarin zij

lagen, was opgedroogd of weggeloopen, zij uiteen barstten.

Leeuwenhoek zegt in dienzelfden brief, dat op de open plaats achter

zijn huis zich een put bevindt, welke omtrent 15 voeten diep is, en

waarvan het water in het midden van den zomer zoo koud was, dat men er

de hand niet lang in kon houden. Ook in dit water ontdekte hij eene

groote menigte zeer kleine diertjes en wel, wat de grootte betreft,

overeenkomende met de vierde der beschrevene soorten, maar nadat dit

water eenige dagen gestaan had, ontdekte hij er vele andere diertjes in

van verschillenden vorm en grootte. Ook in zeewater nam hij dergelijke

diertjes waar. Verder beschrijft hij de ontwikkeling van diertjes door

peper in sneeuwwater te laten weeken, waarvan ik de bijzonderheden

reeds vermeld heb.

Men kan zich gemakkelijk voorstellen welk eene uitwerking deze

belangrijke ontdekking van het bestaan eener geheele wereld van

schepselen, die tot nog toe geheel en al onbekend waren gebleven, moest

teweegbrengen in een tijd, waarin talrijke ontdekkingen in

onderscheidene gedeelten der natuurwetenschappen, zulk eene groote en

levendige belangstelling niet slechts onder de geleerden, maar zelfs

bij alle menschen van beschaving en verstand hadden opgewekt.

„In onzen tijd,” zoo zegt E. Blanchard, in zijn genoemd artikel in de

„Revue des deux mondes” deze ontdekking van Leeuwenhoek besprekende,

„is het bestaan van myriaden diertjes van de laagste organisatie in

bijna alle wateren aan niemand onbekend, en men stelt ze op openbare

soirees door het hydro-oxygeen-microscoop ten toon, maar nog steeds,

hoe bekend zij zijn, nog steeds schijnen deze diertjes de denkers tot

de ernstigste overpeinzingen uit te noodigen en hen tot de erkenning te

brengen, dat nergens de natuur zoo groot is dan in het oneindig

kleine.”

En van welk eene beteekenis de ontdekking van Leeuwenhoek omtrent

kleine organismen in het water en in de lucht, vooral in onzen tijd

gerekend wordt, kan men afleiden uit het verband dat men in de

geneeskunde heeft gemeend te vinden, tusschen het ontstaan en de

verspreiding van besmettelijke ziekten en het optreden van bacteriën en

aanverwante organismen; een vraagstuk van het hoogste gewicht, voor de

volledige oplossing waarvan echter de tijd nog niet gekomen schijnt.

Vooral verdient daarbij de belangrijke studie de aandacht, die Dr.

Ferdinand Cohn, hoogleeraar te Breslau, in 1872 over bacteriën heeft

nedergelegd in zijn „Untersuchungen über Bacteriën” [58] en zijne

beschouwing over de betrekking waarin deze kleine wezens gebracht

worden tot de belangrijkste probleemen der algemeene natuurwetenschap,

zoodat zij, zoo als Cohn zich uitdrukt, „door eene onzichtbare, maar

tegelijk onweêrstaanbare macht, de gewichtigste gebeurtenissen der

levende en levenlooze natuur beheerschen en zelfs in het bestaan der

menschen tegelijk geheimzinnig en diep ingrijpen.”

Het kan wel niet anders of de gelukkige ontdekking van Leeuwenhoek

moest de geleerden van dien tijd er op bedacht doen zijn hunne

microscopen te verbeteren en zoo mogelijk aan die van Leeuwenhoek te

doen evenaren. Hooke was daarin onvermoeid en vertoonde in de

vergadering van 6 December 1677 [59] een verbeterd samengesteld

microscoop, waarmede hij de kleine diertjes in het peperwater veel meer

vergroot en duidelijker nog dan vroeger liet zien. Dit had hij

vervaardigd door het objectiefglas van een veel kleineren bol te maken.

Verder vertoonde hij een nieuw soort van enkelvoudig microscoop,

waarmede hij dezelfde diertjes vertoonde, die in eene kleine haarbuis

heen en weder zwommen.

Allen die daardoor zagen, verklaarden het voorkomen dezer kleine

schepsels nu veel helderder en duidelijker dan op de andere wijze met

het samengesteld microscoop, hoewel dit een van de beste soorten was.

Geen wonder dat men zeer verlangend was de microscopen van Leeuwenhoek

zelven te zien en de wijze te kennen, die door hem gevolgd was om zijn

glazen zoodanig te slijpen, dat hij er die belangrijke waarnemingen

mede kon doen.

In de vergadering van den 23sten November 1681 [60] sprak Mr. Henshaw

ten gevolge van nieuwe observaties, die Leeuwenhoek aan de Sociëteit

had toegezonden, als zijn gevoelen uit, dat de glazen, waarmede

Leeuwenhoek „deze vreemde ontdekkingen maakte, zeer buitengewoon

moesten zijn en op eene andere wijze gemaakt, dan gewoonlijk bekend en

gebruikelijk was.” Hooke maakte de opmerking dat het geen andere waren

dan die hij zelf vermeld had in de voorrede van zijn „Micrographia,”

namelijk zeer kleine doorschijnende gesmolten glasbolletjes in hun

geheel of door slijpen tot een lens gevormd of op eene andere wijs

gemaakt.

Ook merkte hij aan, „dat de ontdekkingen van Leeuwenhoek zeer geholpen

zouden worden door de wijze waarop hij het licht op zijne voorwerpen

liet vallen en dat hij zeker voor zijne buitengewone onderzoekingen een

geschikte kamer moest bezitten.” Dit laatste wordt echter weêrsproken

door hetgeen Dr. Molyneux er van getuigt, die sprekende van zijn bezoek

aan Leeuwenhoek zegt, „dat hij, tijdens het beschouwen van de

microscopen zich in eene vrij donkere kamer bevond met slechts één raam

voorzien, waar zelfs de zon toen niet op scheen, en dat zich toch de

voorwerpen schooner en duidelijker vertoonden, dan die hij in Engeland

of elders gezien had, ofschoon daar de zon op scheen, of door

weerkaatsende spiegels meer dan gewoon licht ontvingen.”

Ten gevolge dezer discussiën werd door Mr. Henshaw voorgesteld aan

Leeuwenhoek te verzoeken, „dat hij zijn uitvinding mocht willen bekend

maken, indien het iets nieuws was.” Aan dit verzoek werd dan ook door

Leeuwenhoek welwillend voldaan. In de vergadering van 1 April 1685 [61]

werd een brief van Dr. Molyneux voorgelezen van den 14den Maart, waarin

hij mededeelde, dat de glazen, die Leeuwenhoek hem liet zien, de

voorwerpen niet meer vergrootten dan verscheidene glazen die hij zelf

vroeger zag en daardoor alzoo niets meer kon ontdekt worden dan hetgeen

gemakkelijk met behulp van andere microscopen kon gezien worden, zoodat

alzoo een verslag van deze microscopen te geven geenszins voldoende zou

zijn. Doch, voegt hij er bij: „Het zijn alleen zijn eigene glazen, die

deze meer dan gewone ontdekkingen doen.” Daarbij vermeldt hij gehoord

te hebben, „dat hij nooit die glazen van betere soort verkocht.”

Niet alleen verkocht Leeuwenhoek niet die glazen van „betere soort,”

zooals Molyneux zegt, maar geen zijner microscopen was voor geld te

verkrijgen. Uffenbach had daartoe een aanzoek bij hem gedaan, doch

zonder gevolg. [62]

Ook uit een brief van Huygens schijnt te blijken, dat Leeuwenhoek de

kunst, die hij met inspanning van al zijn krachten tot zulk eene hoogte

had gebracht, niet gaarne aan anderen mededeelde. Huygens verhaalt

namelijk, dat toen de Landgraaf van Hessen Cassel hem bezocht en zijn

microscopen verlangde te zien, hij een kast toonde, waarin deze bewaard

waren, doch ze zeer zorgvuldig in de handen hield en, na de

nieuwsgierigheid van zijn bezoeker te hebben bevredigd, voorzichtig de

kast weder sloot, vreezende naar het schijnt dat zij hem door anderen

mochten afhandig gemaakt worden, waardoor men dan in de gelegenheid zou

zijn achter zijn geheim te komen [63].

Dit geheim nu van de wijze waarop Leeuwenhoek zijne lenzen sleep en ze

die buitengemeene helderheid gaf, liet hij zich door niemand ontlokken

en ontweek steeds zorgvuldig daarvan iemand verklaring te geven, of wel

beantwoordde de aanzoeken daartoe met stilzwijgen. Ook had men hem

meermalen aangespoord die kunst aan anderen te leeren en er bij

voorbeeld aan jongelieden onderricht in te geven. Leibnitz schijnt hem

in dien geest daarover geschreven te hebben, waarop Leeuwenhoek hem in

de volgende bewoordingen antwoordde [64]: „Om jonge luyden tot het

slypen van glasen aan te voeren, ende als een school op te regten; daar

uyt kan ik niet sien dat veel soude voortkomen; want door myne

ontdekkingen en slypen van glasen, syn veele studenten tot Leyden

aangemoedigt, ende daar syn drie Glasenslypers geweest, bij dewelke de

studenten het glasenslypen gingen leeren. Maar wat is ’er uyt

voort-gekomen? niets, soo veel my bekent is; omdat meest alle de

studenten daar op uyt komen, om door de wetenschappen gelt te bekomen,

of wel door de geleertheyd geagt te syn; ende dat steekt in het glas te

slypen, ende in het ontdekken van de saaken, die voor onse oogen

verborgen syn, niet. En het staat ook by mij vast, dat van duyzent

menschen geen een bequaam is, om sig over te geven tot soodanige

studie, omdat er veel tijds toe vereyst wert, veel gelt gespilt wert,

ende men gedurig met syne gedagten moet besig wesen, sal men wat

uytvoeren. Ende daarenboven syn de meeste menschen niet weetgierig; ja

eenigen, daar men het niet van behoorde te wagten seggen, wat is ’er

aangelegen of wy het weten?”

Men ziet dat ook in den tijd van Leeuwenhoek de beoefening der

wetenschap om de wetenschap zelve, tot de zeldzaamheden scheen te

behooren en dat ook toen reeds de practische geest bij de studeerenden

was doorgedrongen, die men thans zoo gaarne uitsluitend aan onze eeuw

wil toeschrijven.

Nog zegt hij in een anderen brief aan denzelfden geleerde, van 13 Maart

1716: [65] „Ik hebbe gans geen genegenheyt gehadt om ymant te

onderwysen, want als ik het aan een gaf, soude ik aan meer moeten doen,

omdat verscheyde souden meenen dat ik het aan haar uyt maagschap en

andere om haar gesachlykheyt verschuldigt was; ende dus sou ik my tot

een slaafachtigheyt overgeven daar ik een vry man soek te blijven: en

tragt ook geen loon daarvoor te trekken.” En elders zegt hij: „om wel

te slagen moet men veel tyd aan de studie wyden, veel geldt besteden en

geheel syn siel toewyden aan de overpeinsinge, hetgeen sekerlyk niet

van dien aart is, om een groot aantal jonge lieden aan te trekken.”

Behalve aan het slijpen zijner glazen, hechtte Leeuwenhoek bijzonder

veel aan de monteering er van. In zijn oordeel over een beweeren van

zekeren Dalepatius aan den schrijver van een boekje genaamd: „Nouvelles

de la République”, als zou deze een vergrootglas hebben uitgevonden

„soo goet dat ’er geen beter kan gemaakt werden, dewijl het een

sigtbaar stip, naeuwlyks in groote te boven gaat” enz. repliceert

Leeuwenhoek [66]: „Wat syn vergroot-glas belangt, van soo een ongemeene

kleynheit, en soo goet als er kan gemaakt werden, dat sullen wy daar by

laten. Maar om soodanige glaasjes wel te monteeren daar vereyst meer

oordeel toe, als om deselvige te maken.”

Naar het oordeel van Leeuwenhoek is het juist niet de bijzondere

kleinheid der lenzen, die de deugdzaamheid aan de microscopen

verzekert, want hij zegt daarvan iets verder in denzelfden brief: „Wat

mij belangt, al hoewel ze by my al omtrent 40 jaren geleden van een

ongemeene kleynigheit zijn gemaakt geweest, soo zyn ze by my weynig in

gebruyk, en ze dienen na myn oordeel niet, om eerste ontdekkinge te

doen, en daar toe syn bequaam die geene, die uyt een grooter diameter

syn geslepen.”

Leeuwenhoek maakte ook van een hulpmiddel gebruik om de verlichting

zijner voorwerpen met opvallend licht te versterken. Dit bestond in het

aanwenden van een metalen hol spiegeltje, in welks midden hij zijn lens

plaatste. Dit spiegeltje is verklaard in een brief van 12 Januari 1689

aan de „Royal Society” [67].

Men vindt dit spiegeltje dat Leeuwenhoek in den genoemden brief „een

kommetje” noemt en dat hij aan het microscoop had vastgesoldeerd, zeer

nauwkeurig afgebeeld in de bij dien brief gevoegde plaat, alsmede in

Harting’s „mikroskoop”, deel 3, pl. 1, fig. 8; dergelijke spiegeltjes

zijn geheel op dezelfde wijze later, in 1738, door Lieberkuhn aan zijn

microscopen toegevoegd, aan wien men ten onrechte hunne uitvinding

toeschrijft.

Het blijkt, zoowel uit het kistje met de 26 microscopen, aan de „Royal

Society” nagelaten, als uit andere gegevens en verklaringen van

Leeuwenhoek zelven in zijne brieven, dat hij microscopen vervaardigde

met verschillend vergrootend vermogen.

Baker [68] geeft voor de vergrootingen der bovenvermelde 26

microscopen, voor een duidelijkheidsafstand van 8 Engelsche duimen de

volgende:

één van 40 malige middellijn-vergrooting

één ,, 53 ,, ,, ,,

twee ,, 57 ,, ,, ,,

drie ,, 66 ,, ,, ,,

twee ,, 72 ,, ,, ,,

acht ,, 80 ,, ,, ,,

drie ,, 100 ,, ,, ,,

één ,, 114 ,, ,, ,,

één ,, 133 ,, ,, ,,

één ,, 169 ,, ,, ,,

En dat Leeuwenhoek ook microscopen vervaardigde die een veel sterker

vermogen bezaten, dan het meest vergrootende van de Londensche

verzameling, blijkt uit het boven reeds vermelde exemplaar van hem,

berustende op het physisch kabinet te Utrecht. Dit is in zilver

gemonteerd en vergroot 270 maal, hetwelk dus een aanmerkelijk verschil

is; terwijl de lens, volgens verklaring van den Hoogleeraar Harting,

biconvex geslepen is.

Zonder mij te verdiepen in eene uitvoerige beschrijving op hoedanige

wijze de bepaling van de sterkte der microscopen in vroegeren en

lateren lijd geschiedde, wil ik echter de wijze van bepaling hier

vermelden, waarop deze gewoonlijk geschiedt en met behulp waarvan Prof.

Harting het microscoop van Leeuwenhoek heeft onderzocht [69]. Dit

onderzoek, geschiedt door middel van het zoogenaamde Nobert’sche

proefplaatje. Dit plaatje is beschreven in „Poggendorff’s Annalen

1846”, no. 2 S. 175. Nobert kwam op het denkbeeld om glazen plaatjes te

vervaardigen met een aantal van 10 tot 30 groepen van lijnen; deze

lijnen zijn in de eerste groep het verst, in de laatste groep het minst

ver van elkander verwijderd. Men kan alzoo de verschillende groepen

achter elkander in het midden vrij in het veld brengen en onderzoeken,

welke groep door het microscoop nog in afzonderlijke lijnen kan ontleed

worden. Bij het onderzoek nu van de lens van Leeuwenhoek bleek het

Prof. Harting, dat, bij eene gunstige verlichting, door deze lens, de

3de groep zeer gemakkelijk en de 4de (​1⁄704 mill.) nog met moeite kon

worden opgelost.

Eene niet minder belangrijke zaak bij de beschouwing van Leeuwenhoek’s

microscopen is de wijze te leeren kennen, waarop hij de grootte van de

voorwerpen bepaalde, die door hem werden waargenomen.

Hij koos daartoe nu eens een korrel grof zand, dan weder een gierst- of

mosterdzaadje; of hij vergeleek ze bij de dikte van een hoofd- of van

een baardhaar, ja zelfs van een haar uit zijn paruik! Later weder

gebruikt hij als punt van vergelijking de grootte der bloedbolletjes,

die hem een zijner eerste en zeker een zijner belangrijkste

ontdekkingen herinnerde.

In den aanvang was zijn punt van vergelijking een baardhaar. In een

brief aan Robert Hooke d.d. 12 November 1680 [70] zegt hij daaromtrent

het volgende:

„Ik heb dan een verdeelde copere linie, en neem naeukeurig agt, door

een goet microscope, hoeveel delen, dat een van de dikste hairen van

myn baard, op een verdeelde linie beslaat; als by exempel, een zoodanig

hair syn diameter is so lang, door een microscope te zien, als 50

delen, en als dan trek ik met de punct van een naald op de kopere

lineaal sodanigen streep, die in myn bloote oog, my so te voren komt,

als ik door myn microscope, „de dunste” ader in de vlieg komen te sien,

en ik oordeel, dat als 9 sodanige dunne strepen, als ik met de punct

van een naalde getrokken heb, nevens den anderen lage, een vijftigste

part van de diameter van een hair souden uitmaken. Komen dan 450

diameters van de dunste aderen, die ik in een vlieg seer destinct sie,

uyt te maken een diameter van een hair van myn baard, so is dan een

hair van myn baard 200,000 maal dikker, dan de dunste bloedvaten van

een vlieg.”

Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875 · 第 4 / 9 题