Een paar jaren later bezigt hij, eveneens in een schrijven aan Hooke

d.d. 3 Maart 1682 [71] „een klein sandje, waar hij calculeerde, dat de

vleesstriemtjes (= „fibrillae”) van een os door hem geoordeeld werden

zoo dun te zijn dat 50 van deselvige nevens den andere leggende de

lengte uitmaken van 1⁄20 van een duym, zoodat dan 1000 vleesstriemtjens

in de lengte van een duym, dat is dan 1,000000 vleesstriemtjens met

haar membranen omwonden in een quadraet duym komen”, en een paar regels

verder: „Op een ander tijd sag ik in een ossetonge, drie kleyne

musculen vlees, yder met haar menbraan omwonden, nevens den anderen

leggen, dat wanneer als ik deselvige overdwars hadde doorgesneden, soo

veel plaets niet en besloegen, als een kleyn sandje, (waarvan 100

sanden nevens den anderen leggende, de lengte van een duim maer

uitmaken), zoude die konnen bedekt houden.”

Later bepaalt hij, in een brief aan François Aston, d.d. 25 Juli 1684

[72] deze grootte wat nauwkeuriger, zoodat men nu een eenigszins

beteren maatstaf voor zijn berekening erlangt. Hij zegt, „als ik sedert

weinige dagen doende was met een oog van een manspersoon, zag ik in het

zwartachtig vlies of menbrane uytnemende dunne striemtjens of vaatgens,

en om derzelver dunte my die voor oogen te stellen, nam ik een grof

sant, wiens axe dat seer na 1⁄30 van een duym was, dit sant, door een

microscope siende, oordeelde ik dat deszelfs axe ten minsten 330

deelen, op seekere verdeelde lineaal uytmaekten, en dat, wanneer 8 van

de verhaalde dunne vaatgens nevens den anderen lagen, geen 1⁄330 van de

axe van een sant in lengte souden uitmaken.”

Leeuwenhoek bezigde echter altijd deze bepaling als eene vergelijking

om slechts eene aanschouwelijke voorstelling te geven van de kleinheid

der voorwerpen, door hem met het microscoop waargenomen. In veel later

tijd schijnt hij de onzekerheid van de vergelijking met zandkorrels,

wegens hun groot verschil in grootte, te hebben ingezien, en bedient

hij zich nu van een’ „geerst-greijntje of een mostersaetje”, zooals

bijv. uit een brief aan Hermanus Boerhaave, d.d. 26 Augustus 1717 [73]

blijkt. „Ik hebbe voor desen geseyt, dat ik soodanige kleyne dierkens

in ’t water sag swemmen, dat ze met haar duysent millioenen in groote

geen grof sant souden uytmaken. Maar alsoo der tussen de grove sanden

een groot onderscheyt in groote is, zoo wil ik liever seggen, de groote

van een geerst-greyntje of mostert-saetje, ende seggen dat, by aldien

duysent millioenen van die kleyne diertjes nevens den anderen lagen,

deselve de lengte niet souden bereyken van een geerst-greyntje of

mostert-saetje”. Nog eene curieuse vergelijking in de maatbepaling

vindt men in een brief aan Constantijn Huygens, d.d. 21 Mei 1679 [74].

Zij betreft de grootte der zeer kleine (vooronderstelde) vaatjes in een

diertje in het peperwater. Daartoe bepaalde hij eerst hoeveel

haar-breedten de lengte van een duim uitmaken.

Dit beschrijft hij aldus: „Hebbende dan een koperen lineaal, daer op de

duymen verdeelt waren in dry deelen en yder weder in 10 deelen, is

summa een duym in 30 verdeelt. Op dese verdelinge heb ick geleyt het

haer van myn paruyck, en dat door een microscope geobserveerd en

geoordeelt, dat 20 hair-breeten 1⁄30 van een duym uytmaken, comt dan

600 hair-breeten in de lenghte van een duym”.

De Hoogleeraar Harting, deze maatbepalingen van Leeuwenhoek

besprekende, zegt daarvan, [75] dat als men bedenkt hoe uiterst

gebrekkig de handelwijze van Leeuwenhoek was, men niet nalaten kan zich

te verwonderen over de mate van nauwkeurigheid, die sommige zijner

bepalingen werkelijk bezitten, iets dat men alleen verklaren kan, door

de juistheid van een oog, dat door een jaren lange oefening eene

zekerheid in het bepalen van maten verkregen had, welke een minder goed

waarnemer geheel moet missen. Zoo bepaalt hij bijv. [76] de doormeter

van een bloedlichaampje gemiddeld op dien van 1⁄100 van een zandkorrel,

dat is, (deze 1⁄30 duim in diameter hebbende) 1⁄300 duim; en werkelijk

komt deze bepaling zeer na overeen met de gemiddelde grootte der

bloedlichaampjes, zooals deze tegenwoordig met onze nauwkeurige

hulpmiddelen gevonden wordt.

Deze wijze van maatbepaling bij vergelijking met andere voorwerpen van

bekende grootte, was echter niet alleen aan Leeuwenhoek eigen, maar

werd door beroemde geleerden van dien tijd eveneens gebruikt. Robert

Hooke onder anderen zegt in een brief aan Leeuwenhoek d.d. 18 April

1778 [77] „dat de musculen van kreeften, krabben en garnalen bestonden

uit eene ontelbare menigte zeer kleine draadjes, bijna honderd malen

kleiner dan een haar van zijn hoofd.”

Een tijdgenoot van Leeuwenhoek, Dr. James Jurin, bezigde de volgende

maatbepaling. Hij wond een zeer fijn zilverdraad zoo vele malen om een

speld of eenig ander dun lichaam, dat er geen tusschenruimten meer

tusschen de draden gelaten werden, waarvan hij zich met een

vergrootglas overtuigde. Hij mat nu met een passertje nauwkeurig een

zeker getal dezer omwindingen en door de gevonden maat door het aantal

omwindingen te deelen, verkreeg hij de dikte van het gebruikte

zilverdraad. Nu knipte hij de draad in kleine stukjes en strooide er

eenige van op het voorwerp dat hij onderzocht, als het ondoorschijnend

en er onder als het doorschijnend was en vergeleek dan met het oog de

deelen van het voorwerp met de dikte van zulk een stukje draad. Jurin

zond eenige stukjes van zulk een draad aan Leeuwenhoek [78] die

daarover, naar het schijnt zeer tevreden was, dewijl deze wijze van

maatbepaling door hem bevestigd werd (in de Philosophical Transactions

no. 377), ofschoon hij toch aan zijn eigen methode de voorkeur is

blijven geven.

In het praepareeren van de voorwerpen moet Leeuwenhoek eene bijzondere

vaardigheid gehad hebben, waarbij hem zijn vaste hand, scherp gezicht

en groot geduld uitnemend te stade kwamen.

Daarvan zijn talrijke voorbeelden voorhanden in zijne brieven, waarin

hij omstandig zijne wijze van behandeling beschrijft. Zoo zegt hij in

een brief aan de „Royal Society” [79], waarin hij uitvoerig de angel

eener mug beschrijft en zegt dat die uit vier bijzondere angels

bestaat, die in geschikte orde in elkander leggen: „Soo ymant genegen

waar in het observeeren van de angels van de mugge my na te volgen, soo

wil ik den soodanigen recommenderen dat hij langmoedig is. Want de

gesamenlijke vier werktuigen of angels, die in geschikte orde leggen,

uyt de koker te halen, ende de koker te openen, dat heb ik veelmaal

achter den anderen teweeggebracht, maar dese werktuigen uyt den anderen

te halen, ende die soodanig voor het vergrootglas te stellen, dat men

die instinct aan anderen kan laten sien, daartoe vereyst geen kleyne

moeite. Ik heb meer dan honderd muggen daarom gedoot, ende mijne

observatiën op verscheyden dagen moeten hervatten enz.”

In een anderen brief [80], waarin hij uitvoerig de gedaante en

structuur van de luis, de voortteeling dezer parasiten enz. uiteen zet,

beschrijft hij onder anderen, hoe bij den mannelijken parasiet, geen

eieren zooals hij vroeger gemeend had voorkwamen, maar testikels en dat

er van deze vier in getal waren. „Deze testikels,” zegt hij, „leggen

yder twee soo digt by den anderen, ende wel voornamentlijk met

derselver twee einden, soodanig als of yder afdragent vat te samen

vereenigde, en het veeltijds soo quam te vertoonen, als of deselve maar

een afdragend zaatvat hadde, yder van dese testiculen oordeele ik

omtrent een vierdedeel van de groote van een volmaakte luiseney te

sullen uitmaken.” En iets verder: „Wijders haalde ik veelmaal uit de

mannekens luizen, derselver mannelyke leden, als ook bragt ik veelmaal

de angels tot myn groot genoege uit het agterlyf van de luis, en ook

nam ik die wel uit de luis, doch niet sonder het ontstukken breken van

de dunne hoornachtige deelen die al diep in hun lijf vast waren, enz.”

Verder maakte hij een calculatie van de dikte van den angel der luis en

zegt dat deze wel 700maal dunner was dan een haar van zijn hand.

Deze vaardigheid van hand en scherpheid van gezicht komt vooral ook uit

in de onderzoeking van de oogen van den Rombout, als ook van die van

bijen, muggen en andere insecten. Deze namelijk hebben twee halve

manen, waarin een ongemeen getal kleine halve bolletjes zijn, die met

de uiterste regelmatigheid en netheid in elkander overkruisende lijnen

geplaatst zijn en naar traliewerk gelijken. Deze zijn een verzameling

van facetten (Leeuwenhoek noemt ze gezichten, oogen), die zoo volmaakt

glad en gepolijst zijn, dat ze als zoo vele spiegels, de beelden van

alle uitwendige voorwerpen terugkaatsen. Robert Hooke telde 14,000

halve oogen of facetten in de twee oogen van een hommel; Leeuwenhoek

calculeerde 6236 in de twee oogen van de kapel van den zijdeworm, 7362

in die van den schalbyter, 8000 in die van de gewone vlieg, terwijl hij

er in de beide oogen van den Rombout 25,088 berekende. Hij bemerkte ook

in het middenpunt van iedere facet een klein doorschijnend vlakje, dat

helderder was dan het overige, dat hij voor den oogappel hield, waar de

lichtstralen doorgelaten worden tot op het netvlies.

Leeuwenhoek sneed zulk een oog van den Rombout (ook puistebyter

genoemd) af, reinigde het met een penseel met water van al de

aanhangende vaten en onderzocht het door zijn microscoop. Hij plaatste

het een weinig verder van de lens, zoodat hij den rechten

brandpuntsafstand tusschen dit voorwerp en de lens van zijn microscoop

liet, en toen door beiden, als door een verrekijker, naar den toren van

de nieuwe kerk, welke 299 voeten hoog en 750 voeten ver van zijn woning

verwijderd was, ziende, kon hij duidelijk door ieder facet den geheelen

toren omgekeerd zien, hoewel niet grooter dan de punt van eene fijne

naald, en toen zijn gezicht naar een huis aan de overzijde richtende,

zag hij door een menigte van de kleine halve bolletjes niet alleen den

gevel van het huis, maar insgelijks de deuren en vensters en was in

staat te onderscheiden, of de vensters open of gesloten waren. Van

Haastert [81], die van zoodanig onderzoek ook gewag maakt, voegt er nog

bij, „dat dit verrassend gezicht Leeuwenhoek zoo opgetogen maakte, dat

hij zijne buren tot zich deed roepen om hun dat zonderling gezicht

eveneens te doen opmerken.”

En niet minder komt deze vaardigheid uit in zijne ontleding van de

gezichtszenuwen van een honigbij [82]. Hij nam het hoornvlies uit het

hoofd en beschouwde de stof waarmede dit gevuld was. Terwijl hij

vroeger meende te hebben waargenomen dat het uit een draadachtig wezen

bestond vond hij nu, bij nauwkeurige beschouwing, dat al die deeltjes

ten naasten bij van dezelfde lengte waren, aan het eene einde iets

dikker dan aan het andere en daarbij aan het dikkere einde rondachtig,

en kwam tot de ontdekking, dat ieder dezer deeltjes een gezichtszenuw

was en dat het dikkere of ronde einde geplaatst was in de kleine holte

van ieder oog, dat in het hoornvlies is, „kortom” zegt hij, „soo veel

gesichten in ’t hoornvlies syn, soo veel gesicht-senuwen.” Hij geeft in

genoemden brief eene nauwkeurige afbeelding van een bundel van

zoodanige gezichts-zenuwen en eindigt met de betuiging: „Dese verhaalde

verwonderenswaardige zaken en volmaaktheid in het oog van een vlieg

ontdekt hebbende, moeten wy al weder seggen: Hoe weynig is ’t dat wy

weten! en heeft dit plaats in soo een groote vlieg, soo heeft het alle

die volmaaktheit in al de vliegjens die der zijn.”

Ik kan mij niet onthouden ook nog het slot van denzelfden brief aan te

halen, waarin zijn fijnheid van praepareeren zoo duidelijk uitkomt en

bezig daartoe liefst weder zijn eigen woorden: „Ik hebbe een kleyne

mugge gevangen, die geen angel had om te steken. Dese mugge snede ik

het hoofd af, om uit de oogen, ofte gesigten, de gesigt-senuwen te

halen, maar ik konde die mijn selven niet klaar genoeg voor de oogen

stellen, schoon ik het tot drie à viermalen toe hervatte, in welk

ondersoek my veel malen de hersenen uyt het hooft van de mugge, omset

met een groote menigte van vaaten, die ik vast stelde bloedvaten te

syn, te voorschijn quamen, en gelukte het mij dat ik de hersenen met

derselver bloed-vaaten omvangen, vry ongeschonden uit het hooft van de

mugge haalde, die ik voor het vergrootglas gestelt hebbende den

teykenaar over gaf, om af te teykenen, te meer, omdat my van een

voornaam Heer geseyt was, dat seker persoon, als men van myne

ontdekkingen quam te spreken, veel maal quam te seggen, dat het

onmogelijk was te doen, hetgeene ik quam te seggen, omdat, seyde

denselven, myne instrumenten, die ik daartoe moet gebruyken, hoe kleyn

ik die mogte komen te maken, niet bequaam konden syn, om die

ontledingen te doen, die ik kome te verhalen; maer ik kreune my aan

geen quaatsprekers, het is ligt een van die geenen, die wel wenste mede

sulks te kunnen uitwerken.”

Het is opmerkelijk dat hij dat scherpe oog, zoo onontbeerlijk in het

doen van zulke uiterst fijne onderzoekingen, tot een zeer hoogen

ouderdom behield, zoo als blijkt uit een brief aan zijn neef Abraham

van Bleiswijk van 2 Maart 1717 [83], toen hij dus reeds 85 jaren oud

was.

Hij beschrijft daarin met minutieuse nauwkeurigheid, dat hij de fijne

zenuwen uit het ruggemerg van eene koe gesneden had en bevond dat deze

bestonden uit uiterst dunne vaatjes, waarvan honderden te samen eene

zenuw daarstelden en men zelfs in eenigen openingen van eene

onbegrijpelijke kleinheid vond. Hij maakte van deze zenuw eene

doorsnede ter dikte nauwelijks van een baardhaar, ten einde die door

zijn microscoop te beschouwen.

Bij die gelegenheid werd hem toegevoegd, dat hij zich om zijn hooge

jaren toch niet mocht onthouden om zijne onderzoekingen voort te

zetten, waarvan hij de moeielijkheid zelf inzag en deed opmerken

zeggende: „ende immers is het seer swaar te ontdekken alle die

verdeelingen en men kan bezwaarlijk bekennen, dat soo een dun senutje

in soo vele spranken kan verdeelt worden,” maar dat hij daarom toch

niet mocht stil staan, want „dat de vrugten, die in den herfst rijp

werden, langst konden duren.”

Leeuwenhoek was voor niets zoo gevoelig, als dat men zijn

waarheidsliefde in twijfel trok of verdacht maakte en beweerde dat hij

zich door zijn verbeelding liet misleiden om anderen maar wat wijs te

maken, ’t geen hij zelf beter wist niet zoo te zijn. Wanneer hij de

zaken, die hij mededeelt, niet „met zekerheid” gezien had, waarschuwt

hij er zelf voor „dat het bij hem nog niet tot klaarheid gekomen is.”

Ook wijst hij er herhaaldelijk op, wat hij werkelijk „gezien”, en wat

hij zich „geïmagineerd” heeft.

In een brief aan de „Royal Society” [84] zegt hij: „En nademaal my veel

maal te vooren komt, dat veele myn schryvens niet konnen aannemen, en

stoutelyk derven seggen, dat zy my niet en gelooven, daar ik nogtans

een groot hater van de loogen, en een groot liefhebber van de waarheid

ben enz.” en elders [85].... „Dog ik ben sulks getroost, ik tragt niet

dan waarheden te ontdekken, en soo ik bevinde, dat ik hier of daar in

kome te missen, ik sal gaarne belydenis van mijne dwalinge doen”, en in

zijn brief aan Leibnitz [86] zegt hij onder anderen: „Ik sie wel dat ik

veele geleerde Heeren in myne ware ontdekkinge en ook in myne stellinge

niet sal brengen: ik wil dan liever my selven troosten dan twisten; als

ik maar het geluk mag hebben, gelijk ik besit, dat ook veele groote

mannen myne ontdekkinge aannemen.”

Een der eerste maar zeker belangrijkste ontdekkingen, die Leeuwenhoek

gedaan heeft, had betrekking op de physische samenstelling van het

bloed, en werd door hem reeds op den 15den Augustus 1673 bewerkstelligd

[87]. Tot op zijn tijd toe geloofde men dat het bloed eene gelijkmatig

roode vloeistof was; doch hij erkende, dat deze vloeistof bijna

kleurloos was, maar dat daarin kleine lichaampjes gesuspendeerd waren,

welke eene roode kleur hadden en deze kleur aan de geheele vloeistof

mededeelden. Ofschoon Swammerdam reeds in 1658 in het bloed eener

kikvorsch een onnoemlijk aantal „eivormige deeltjes” had waargenomen,

zoo werd aan deze observatie echter geen publiciteit gegeven, en daar

de geschriften van Swammerdam eerst in het begin der XVIIde eeuw in het

licht verschenen, zoo konden deze geen invloed hebben uitgeoefend op de

ontdekking van Leeuwenhoek, tenzij hij zulks van Swammerdam zelf of van

anderen mocht vernomen hebben.

Ook Malpighi had reeds twaalf jaren vóór Leeuwenhoek, bij het

beschouwen van het bloed eener egel onder het microscoop, roode

lichaampjes onderscheiden, doch hij had deze voor vetbolletjes gehouden

en er zich verder niet mede bezig gehouden. De verdienste van

Leeuwenhoek in dit opzicht blijft dus in zijn geheel. Zoo is het ook

bekend, dat Athanasius Kirscher in 1650 over lichaampjes geschreven

heeft, die hij in het bloed van koortslijders als „kleine wurmpjes”

zeide gezien te hebben. Leeuwenhoek echter onderzocht nauwkeurig het

bloed van den mensch en later ook van verschillende dieren, zoo als van

den os, het schaap, het konijn, de vleermuis, vogels, visschen enz. Bij

de zoogdieren vond hij den vorm dezer lichaampjes steeds rondachtig, op

kleine lenzen gelijkende en noemde ze daarom „globulen”; later zag hij

bij de vogels, kikvorschen en eenige soorten van visschen enz., dat

deze lichaampjes afgeplat en eivormig van gedaante waren [88] en noemde

deze, in onderscheiding der eersten, „particulen”. Latere

onderzoekingen hebben echter geleerd, dat de eersten niet bolrond zijn,

maar platgedrukt, op kleine schijfjes gelijkende, waarom zij thans

„bloedschijfjes” genoemd worden.

Beide deze soorten vond hij drijvende in een helder vocht (serum) [89].

Zijn oordeel over den betrekkelijken diameter van deze bloedlichaampjes

was vrij juist. Zij waren volgens hem zeer klein bij de zoogdieren,

grooter bij de vogels, nog grooter bij den kikvorsch en de visschen. De

grootte dezer bloedlichaampjes bij den mensch, den os, het schaap en

het konijn stelde hij zoo, dat honderd dezer „globulen” naast elkander

liggende nauwlijks de ruimte van een zandkorrel beslaan [90], de

zandkorrel berekend = 1⁄30 van een duim [91] in diameter, alzoo 1⁄3000

duim, welke maatbepaling zeer nabij komt met de grootte der

bloedlichaampjes, zoo als deze later door de juistere maatbepalingen,

door micrometers, zijn waargenomen (​1⁄125 millimeter). Deze diameter

wordt door Rudolf en Hodgein eveneens als 1⁄3000 duim opgegeven; Wagner

stelde ze 1⁄4000​, Paget tusschen 1⁄3500 en 1⁄4000 [92]. Bij de

visschen is deze diameter van 1⁄1800​–​1⁄4000 bevonden en bij de

kikvorschen = 1⁄1200​–​1⁄1920 duim [93].

Niet minder groot is de verdienste van Leeuwenhoek in de waarnemingen

omtrent den omloop des bloeds. De ontdekking van dezen omloop komt

evenwel niet aan Leeuwenhoek maar aan Harvey toe. Leeuwenhoek echter

bestudeerde den bloedsomloop met zeldzame nauwkeurigheid en volharding.

Hij bezigde daartoe bij voorkeur den staart van jonge kikvorschen en

het zwemvlies dat de vingers bij deze dieren vereenigt [94]; deze

leverden hem uitmuntende voorwerpen voor zijne waarnemingen, zoowel

omdat zij uiterst doorschijnend zijn, als dewijl de bloedlichaampjes

bij deze dieren, zoo als wij zagen, grooter zijn dan bij de zoogdieren.

Gaarne nam hij hiertoe ook vleermuizen en bespiedde hare dunne

vliesachtige vleugels, doorsneden met talrijke vaten [95]. Ook bezigde

hij dikwijls het oor van jonge konijnen, waarvan de huid nog zeer

doorschijnend is en onderscheidde daarin den doorgang van het bloed uit

de slagaderen in de aderen [96]. Jonge alen en andere visschen, die hij

daartoe in glazen buizen met den staart er buiten, voor zijn microscoop

plaatste, deden hem dit verschijnsel eveneens bewonderen [97]. Hij

trachtte zelfs de snelheid te berekenen, waarmede de omloop des bloeds,

bij voorbeeld in den staart eener aal, plaats had en berekende, dat,

zoo in deze visch het hart 11 duimen van den staart verwijderd is, het

bloed in een uur 13malen van het hart lot den staart teruggevoerd

wordt; de afstand van den kop tot het hart slechts 1½ duim zijnde, zou

zulks tusschen deze deelen in denzelfden tijd 96maal plaats hebben

[98]. Zijne berekening omtrent de snelheid van den omloop van het bloed

bij den mensch was, dat in één uur tijds de bloedsomloop 45malen plaats

heeft. Volgens Sebastian [99] schijnt die binnen 1–3 minuten plaats te

grijpen, terwijl Leeuwenhoek de grootste snelheid van het hart tot aan

de uiterste deelen van de voeten en van daar weder terug tot het hart,

bepaalde op 2⅔maal, tot aan de vingers en terug naar het hart

4​4⁄1​1maal, in buik en borst 12maal en in het hoofd 8maal in het uur

[100].

Omtrent den doortocht van het bloed door de slagaderen in de aderen

ontstond reeds in den tijd van Harvey grooten strijd. De tegenstanders

van dezen grooten physioloog wierpen hem tegen, dat wanneer het bloed

direct uit de slagaderen in de aderen overging, het de deelen, waardoor

het heen vloeide niet zou kunnen voeden. Het vraagstuk was nog

onbeslist, toen Leeuwenhoek in 1686 aan de „Royal Society” een brief

schreef, waarin hij, in strijd met de opinie van Harvey, meende te

hebben ontdekt, dat de doortocht van het bloed niet onmiddellijk uit de

slagaderen in de aderen plaats had [101]. Later echter, in 1698, toonde

hij, na zorgvuldig microscopisch onderzoek, duidelijk den samenhang van

de slagaderen met de aderen aan en wilde zelfs geen haarvaten tusschen

de beide genoemde vaten afzonderlijk onderscheiden, omdat het, zooals

hij zeide, onmogelijk was te bepalen, noch waar de slagaderen eindigen,

noch waar de aderen beginnen [102]. In dit tijdvak stelde men ook de

chemische theorie op den voorgrond en wilde men de fermentatie van het

bloed als zeker vaststellen, dewijl men bloedlichaampjes voor

luchtbellen aanzag.

Deze hypothese werd krachtig door Leeuwenhoek bestreden en door vele

microscopische waarnemingen overtuigend wederlegd, welke proeven

voldingend aantoonden, dat er volstrekt geen luchtbellen in de

bloedvaten aanwezig waren, hetgeen zeker plaats zou hebben als het

bloed gistte [103].

Het is, omtrent deze waarnemingen aangaande de bloedlichaampjes wel der

vermelding waardig, dat zij den grondslag legden voor de theorie van

onzen beroemden landgenoot Boerhaave over de inflammatie en andere

ziekten [104], terwijl het overigens opmerkelijk is dat een man als

Leeuwenhoek, bij gemis aan fundamenteele wetenschappelijke kundigheden,

door eenvoudige beschouwing van den poot van een kikvorsch, het oor van

een konijn, den staart van een visch enz., een vraagstuk als de

bloedsomloop, dat zoo lang in onzekerheid verkeerd had, voor ieder

belangstellende zoo aanschouwelijk maakte. Ook zijne observaties

omtrent de structuur der capillaire vaten zijn door latere onderzoekers

als nauwkeurig erkend [105].

Behalve bovengenoemde belangrijke onderzoekingen, verdienen zijne

waarnemingen omtrent de „beenderen” en de „tanden”, die eveneens tot de

eerste observaties van Leeuwenhoek behooren, die onder de oogen der

Engelsche geleerden gebracht waren, vermeld te worden.

Hij deelde zijne waarnemingen in 1674 aan de Royal Society mede en

vond, dat zij uit bolletjes bestonden [106]; maar reeds in 1678 kwam

hij van dit gevoelen terug, daar hij opgemerkt had dat deze bolletjes

de uiteinden of topjes waren van buisjes of pijpjes, waaruit de

beenderen bestaan. Hij erkende zijne dwaling in een brief aan de „Royal

Society” [107], zette toen dit onderzoek onvermoeid voort en vond, dat

de vaste deelen der beenderen uit vierderlei pijpjes bestonden, van

verschillende wijdte en kringsgewijs geplaatst.

De Heer van der Boon [108], deze waarnemingen besprekende, merkt

daarbij op, dat, wanneer men deze beschrijving vergelijkt met de

kennis, die men tegenwoordig van het weefsel der beenderen bezit, men

dan te recht zich verwonderen moet over de geringe waarde, die men tot

nu toe gehecht heeft aan het onderzoek omtrent het weefsel der

beenderen door onzen Leeuwenhoek. Nog meer, vervolgt hij, moeten wij

zulks betuigen bij de overweging van de kennis die hij had van het

maaksel der „tanden”, hetwelk zoo volkomen door hem is beschreven, dat

daardoor de eer, die in onze dagen aan Purkinje ten deel viel, namelijk

van de eerste geweest te zijn, die het ware weefsel der tanden leerde

kennen, grootendeels vervalt. [109] In een brief aan de „Royal

Society”, d.d. 4 April 1687 [110] zegt Leeuwenhoek gevonden te hebben,

dat de tanden bestaan uit saamgevoegde, zeer dunne pijpjes, die alle in

het binnenste van den tand aanvangen en aan den omtrek eindigen [111].

Dat Leeuwenhoek ten gevolge zijner nieuwe ontdekkingen en beschouwingen

velerlei tegenspraak moest ondervinden, die hem de vele gelukkige

oogenblikken, door hem genoten bij de waarneming van de wonderen der

schepping en het ontdekken eener nieuwe wereld van wezens, zeer

vergalden, daarvan kan men wel verzekerd zijn; die tegenspraak

ondervonden immers zoo velen, die als hoog geleerd erkend en beroemd

waren en iets nieuws hadden waargenomen, dat aan anderen ontsnapt was

en waarvan de gevolgtrekkingen, geliefkoosde meeningen en theoriën

omverstootten. En zou dan Leeuwenhoek, de ongeletterde, zou een

Kamerbewaarder van Schepenskamer, die zijne waarnemingen zoo eenvoudig,

zoo ongekunsteld en ontdaan van allen uiterlijken glans van geleerde

termen, aan de wereld ter overweging gaf en die zulke lang betwiste,

hoogstbelangrijke vraagstukken golden, zulke tegenspraak zijn ontgaan?

Dat was niet te verwachten en zij werd hem ook geenszins onthouden. In

vele brieven beklaagt hij zich over die tegenspraak en het gelukte hem

vaak die te beschamen, en als al zijne aangevoerde bewijzen en

verklaringen toch bleken niet in staat te zijn om vooroordeelen te

overwinnen, troostte hij zich met zijn vaste overtuiging daar tegenover

te stellen en zeide: „Maar ik en stoor my sulks niet, ik weet dat ik de

waarheyt hebbe” [112], en hij haalt de schouders op over de onkunde en

het vooroordeel dat hy te bestrijden had, waar hy, onder anderen, over

den gewaanden honigdauw sprekende, waaraan men het bederf in de tarwe

toeschreef, zegt: „Ik houd my verseekert, dat het vallen van den

gewaanden honigdauw alleen maar verdigt-selen syn, die ligtelyk van een

out wyfs spinnerokken syn voortgesproten, wy willen het haar niet

qualyk afnemen, dat ze aan de oude dwalinge tot nog toe syn blyven

hangen en wenschen haar toe dat ze hare misslagen mogen leeren kennen,

ende de waarheid omhelsen” [113].

Die tegenspraak werd vooral uitgelokt door zijne ontdekkingen van de

kleine diertjes in regen- en andere wateren en in waterige aftreksels,

zoo als ik die boven beschreven heb en aan welke diertjes, om de wijze,

waarop zij verkregen werden, eene eeuw later de oneigenlijke naam van

„afgietseldiertjes, infusoria”, gegeven werd.

En geen wonder! De ontdekking toch van wezens, wier ontsachelijk

geringe grootte zoo lang aan het menschelijk oog onttrokken was

gebleven, waardoor een nieuw veld van wereldbeschouwing geopend werd en

de waarneming van de omstandigheden, waaronder deze kleine levende

schepselen te voorschijn traden; de voorstelling die hij er van leverde

dat deze, op de eenvoudigste wijze georganiseerde wezens „niet van zelf

ontstonden, maar ieder in hun verschillende soort werden voortgebracht

uit germen of kiemen, die in de lucht aanwezig waren”, druischte zoo

zeer in tegen de algemeen aangenomen begrippen, dat het niet te

verwonderen is dat Leeuwenhoek de hevigste tegenspraak te verduren had.

En wanneer wij ons herinneren, dat nog in onzen tijd groote strijd

gevoerd wordt over het al of niet van zelf ontstaan van levende

organismen, dat nog de „generatio spontanea”, niettegenstaande de meest

overtuigende proeven en redeneeringen het onhoudbare van die stelling

hebben bewezen, nog hare verdedigers vindt onder mannen van naam in de

geleerde wereld, dan verwondert ons de tegenspraak, die Leeuwenhoek

ondervond in geenen deele, en stijgt onze bewondering in geen geringe

mate over het verlichte oordeel van den moedigen en zelfstandigen

denker, die zijn tijd ver vooruit was en zich door geen blind geloof of

gezag liet leiden of beheerschen, maar datgeene trachtte te

doorgronden, waarin door anderen berust werd en die ook moed genoeg had

om voor zijne overtuiging uit te komen, al moest hij daardoor gesmaad

en verguisd worden.

Ook beklaagt hij zich zoo weinig medewerking en hulp bij zijne eigen

stadgenooten te ondervinden. In een brief aan den heer L. van

Velthuyzen d.d. 11 Mei 1679, in het bezit nu van wijlen den Heer van

Dam van Noordeloos te Rotterdam en waarvan ik copie mocht nemen,

schrijft hij „Ick heb soo nu en dan wel te kennen gegeven, dat ick het

bloet van ongesonde menschen etc. etc, genegen was om te sien, maer ick

heb noyt ’t een of ’t ander bekomen en daarom is mijn voornemen geen

versoeck na dees tijd meer te doen.” En aan zeker Ciciliaansch edelman

die hem kwam bezoeken, beklaagde hij zich eveneens, dat hij binnen

Delft geen hulp kon bekomen, waarop deze hem antwoordde „Ick verwonder

my niet, want de Hollanders syn niet genegen als om gelt te winnen.”—

Leeuwenhoek’s grootste strijd met de geleerden van alle landen ontstond

ten gevolge zijner waarnemingen omtrent de zoogenaamde zaaddiertjes en

zijne beschouwingen over de voortteeling, die zoo geheel indruischten

tegen de toen algemeen aangenomen zienswijze over dit onderwerp.

Kort nadat hij de bovenvermelde ontdekking der infusoria gedaan had,

werd er eene andere door hem openbaar gemaakt, die van niet minder

belang te achten is en de hoofden en pennen der geleerden van dien tijd

geruimen tijd heeft bezig gehouden, eene ontdekking, ten gevolge

waarvan de mannen der wetenschap zich als het ware in twee gelederen

schaarden over de gevolgtrekkingen, die Leeuwenhoek er uit afleidde en

zijne theorie over de voortteeling, die hij er op grondvestte. De voor-

en tegenstanders bestreden elkander dikwijls met de scherpe wapenen der

bespotting en verguizing, totdat men, door de ontwikkeling der

wetenschap beter voorgelicht, eene voorstelling aannam, die beter met

de resultaten der ontleedkunde overeenkwam. Deze nieuwe ontdekking nu,

welke wij zullen zien, dat volgens mededeeling van Leeuwenhoek zelf,

niet aan hem, maar aan zekeren Ham moet worden toegeschreven, betrof de

waarneming van levende wezens in het voortteelingsvocht der dieren.

Omtrent den eigenlijken ontdekker dezer „animalcula spermatica,” ook

„spermatozoïden” genoemd, bestond nog veel verschil van gevoelen.

De ware toedracht van zaken nu wordt door Leeuwenhoek aan den Heer

Harmen van Zoelen, Oud-Burgemeester van Rotterdam, in een brief d.d. 17

December 1698 [114] zeer uitvoerig verhaald. Toen namelijk later

Hartsoeker zich de eer der ontdekking wederrechtelijk toeëigende,

rekende Leeuwenhoek zich verplicht dezen brief, in uittreksel

medetedeelen. Hij zegt daarin o. a., dat hij in November van het jaar

1677 aan de Koninklijke Sociëteit te Londen geschreven had, een brief

van den Heer Craanen Hoogleeraar te Leiden ontvangen te hebben, met

verzoek om zijn neef, den Heer Ham, student in de medicijnen eenige

zijner waarnemingen te laten zien, die hem dan ook in Augustus 1677 een

bezoek bracht. Toen deze hem nu voor de tweede maal bezocht, bracht hij

een glazen fleschje mede, waarin hij „eenig ontloopen zaad van een man

medebragt, die bij een ongesont vrouwspersoon hadde geweest.” Deze Heer

Ham had dit vocht door het microscoop bezien en daarin „levende

schepsels” zich zien bewegen en meende dat deze uit bederf waren

voortgekomen. Hij had er staarten aan opgemerkt en bovendien had hij

gezien, dat zij niet meer dan 24 uren in het leven bleven; tevens

verhaalde hij, dat, toen hij de patiënt terpentijn had ingegeven, de

diertjes daarvan stierven. Leeuwenhoek onderzocht nu op zijn beurt het

vocht, door een weinig er van in een haarbuisje te brengen, bezag het

in het bijzijn van Ham en vond zijne ontdekking alleszins bewaarheid.

Onmiddellijk daarop werd dit onderwerp een punt van nauwgezet onderzoek

voor hem. Hij onderzocht herhaalde malen nu ook gezond sperma, vooral

ook van verschillende dieren en vond de waarneming bij allen

bewaarheid. Somtijds vond hij „meer dan duizend levende schepsels in de

quantiteyt materie van een grof sand.” Zij waren kleiner dan de

bolletjes van het bloed, de vorm er van was rondachtig, van onder spits

toeloopende en met een langen dunnen staart voorzien, die circa 5 à

6maal zoo lang was en omtrent 25maal dunner dan het lichaam. Zij

bewogen zich door eene slangsgewijze beweging van den staart.

Tot bevestiging van de waarheid, dat zijne medegedeelde ontdekking

reeds vóór het jaartal (1678), waarin Hartsoeker beweerde dezelfde

waarneming te hebben gedaan, was geschied, voegt hij er nog aan toe:

dat die in zijn schrijven gedateerd, Nov. 1677, was opgenomen in de

„Philosophical Transactions” no. 142 zijnde van December 1677 en

Januari en Februari 1678.

Daar er omtrent den persoon van Ham, zijn waren naam en nationaliteit,

zeer verkeerde lezingen bestaan, acht ik het niet ongepast te dezer

plaatse melding te maken van bijzonderheden, die mij eerst onlangs zijn

bekend geworden uit eene mededeeling in 1862 gedaan door Prof. H. I.

Halbertsma [115] waaruit blijkt, dat niet Lodewijk Ham of Hamme, door

sommigen voor een Duitscher, een jong geneesheer uit Dantzig gehouden,

maar Johan Ham van Arnhem de ontdekker der spermatozoïden is. De

belangrijkheid dezer Nederlandsche ontdekking moge mij ter verschooning

strekken voor de uitweiding over zijn persoon.

Tot de meening dat Ham een Duitscher zou geweest zijn heeft, volgens

Prof. Halbertsma, Haller [116] aanleiding gegeven, als hij zegt:

„Inventorem esse credo, Ludovicum Hamme (auctorem libri de herniis et

de crocodilo) juvenem germanum”.

Kurt Sprengel [117] neemt echter, in later tijd, deze meening van

Haller reeds als eene uitgemaakte zaak aan, waar hij zegt: „Es war in

August des Jahrs 1677, als ein junger Arzt aus Dantzig, Ludwig von

Hammen, die damals in Leiden studirte, den berühmter Anton von

Leeuwenhoek zu Delft besuchte, und diesen zuerst auf die Körperchen im

männlichen Saamen aufmircksam machte, auch sie ihm wirklich zeigte.”

Deze Ludwig von Hammen nu schijnt zich inderdaad in Leiden te hebben

opgehouden, zoo als blijkt uit eene plaats in zijne „Dissertatio de

Herniis”, Ed. tertia L. B. 1681, opgedragen aan Prof. Drelincourt, p.

61, waarin hij gewag maakt van eene waarneming, die hij in „Leydensium

Nosocomio” heeft gemaakt en ook op pag. 76 van eene andere observatie

spreekt, waargenomen „ni fallor, Lugduni ad Rhenam.”

Op het gezag nu van Haller en Kurt Sprengel hebben vele der nieuwere

schrijvers dezen Ludwig von Hammen uit Dantzig voor den ontdekker der

spermatozoïden gehouden, zoo als onder anderen in de „Allgemeine

Encyclopædie” van Ersch en Gruber [118] en Kölliker [119] en Eckhard

[120].

Ook Ehrenberg, Henle en Frey schijnen, volgens Prof. Halbertsma deze

meening aan te kleven, ofschoon zij over Ham niets meer weten te zeggen

dan dat hij een Leidsch student was. Prof. Halbertsma nu toont in

bovengenoemde mededeeling het ongegronde van deze meening aan en

gelooft het bewijs te kunnen leveren, dat deze Ham de voornaam Johan

voerde en dat hij een Arnhemmer, dus een Hollander van geboorte was.

Uit eene korte levensschets namelijk van dezen Johan Ham, in het werk

van Muys [121] citeert Halbertsma de latijnsche zinsnede, aldaar

voorkomende op p. 288, waarin de ontdekking van Ham der spermatozoïden,

in 1677 door hem aan Leeuwenhoek medegedeeld, wordt vermeld en waaruit

verder blijkt, dat hij doctor in de medicijnen was, de practijk heeft

uitgeoefend te Arnhem, dat hij secretaris van Legatie is geweest bij

den keurvorst van Brandenburg en later aan het hoofd van hetzelfde

gezantschap heeft gestaan; dat hij, teruggekeerd in het vaderland,

Burgemeester is geworden van Arnhem en eindelijk Gelderland bij de

Staten-Generaal heeft vertegenwoordigd. Het blijkt hieruit dat Haller,

daar hij dezen schrijver Muys aanhaalt, bekend was met den levensloop

van Johan Ham, hoewel hij desniettemin gelooft dat hij een Duitscher

was.

Prof. Halbertsma heeft allen twijfel die nog mocht hebben blijven

bestaan over de juistheid van hetgeen Muys ons aangaande Ham mededeelt,

opgeheven, door de nasporingen, welke de heer Bakhuyzen van den Brink

in ’s Rijks Archief en de Heer Nyhoff in het provinciaal Archief van

Gelderland, op zijn verzoek hebben in het werk gesteld. Uit dit

onderzoek blijkt, dat Ham niet Ludwig maar Johan en niet von Hammen,

maar kortweg Ham heette.

Onder dien naam komt hij voor in zijn briefwisseling met hunne

Hoog-Mogenden, te vinden in ’s Rijks Archief en ook in de rekeningen

der stad Arnhem. En ten overvloede vindt men dat in den „Catalogus

inscriptionum”, voorkomende in het Archief van den Senaat der

Hoogeschool te Leiden, zijne inschrijving als student op de volgende

wijze staat: „1671 Sept. 16. Johannes Ham, Philosophiae studiosus ann.

20, by Anneken Schepsel in de Nieuwstraat”. Het behoeft geen

verwondering te baren, dat Ham als student in de philosophie werd

ingeschreven en later bij Leeuwenhoek voorkomt als student in de

medicijnen, daar de beoefening van verschillende vakken van wetenschap

niet zoo gescheiden was als thans. De Hoogleeraar Theodor Craanen,

wiens neef onze Ham was, was bijvoorbeeld ook Doctor in de philosophie

en medicijnen en doceerde zelfs deze beide vakken. Daar nu verder geen

bijzonderheden meer omtrent den levensloop van Ham kunnen medegedeeld

worden en hij ook, volgens gedane nasporingen, noch te Leiden, noch te

Harderwijk gepromoveerd is, zoo behoort het niet tot de

onmogelijkheden, dat hij, na zijne studiën te Leiden te hebben

volbracht, den graad van Doctor in het buitenland, bij voorbeeld aan

eene Duitsche Hoogeschool verkregen heeft, eene handeling die niet

zonder voorbeeld is. Ham is vermoedelijk in 1650 of 1651 geboren,

blijkens zijn inschrijving in September 1671 te Leiden als student,

toen hij den leeftijd van 20 jaren bereikt had. Met minder juistheid

nog is zijn sterfjaar op te geven, hoewel met zekerheid is vast te

stellen, dat hij in 1723 nog leefde, daar Ham toen, blijkens de stads

rekeningen van Arnhem, voor de derde maal als Burgemeester van Arnhem

uit de steden van het kwartier van Veluwe gecommitteerd werd ter

vergadering van Hunne Hoog-Mogenden.

Na deze uitwijding over Johan Ham, keeren wij tot de zaak zelve terug.

Op uitnoodiging der „Royal Society” zette Leeuwenhoek nu zijne

waarnemingen over de spermatozoïden met ijver voort, verzekerde zich

van de aanwezigheid dezer lichaampjes bij den hond, de kat, het konijn,

den haan, en vele andere dieren en vond dat ze allen overeenkwamen met

die, welke hij reeds beschreven had. Ook in den walvisch was hij in de

gelegenheid die te observeeren en vond daarbij dat zij in dit groote

dier geen grootere afmetingen bezaten, dan die hij bij de kleine dieren

waarnam. Bij den kikvorsch en in de hom van verschillende visschen, die

hij met hetzelfde doel onderzocht, vond hij ze in een verbazend groot

aantal.

De observatie van Leeuwenhoek was in alle opzichten juist, maar, zoo

als later bleek, vergiste hij zich in de natuur der waargenomen

lichaampjes, daar deze geen diertjes zijn, maar veeleer als celachtige

weefseldeeltjes moeten beschouwd worden.

Deze waarneming van de spermatozoïden bij de mannelijke dieren deed hem

eene theorie der voortteeling bedenken, namelijk, dat van deze diertjes

de grootste zich in de baarmoeder voedden, daar tot wasdom geraakten en

de vrucht of het foetus vormden. Deze theorie, hoewel zij tegen de toen

algemeen aangenomen zienswijze indruischte, werd door velen aangenomen,

zoo als onder anderen door Huygens, Boerhaave, Hartsoeker, maar door

niet weinigen betwijfeld en ontkend, waaronder Harveus, de Graaf,

Kerkringius, Nuck, Swammerdam en anderen.

Intusschen was Leeuwenhoek met hart en ziel en uit volle overtuiging

zijne theorie der voortteeling toegedaan en verdedigde zijne stellingen

met kracht tegen al wie zich met hem daarover in het strijdperk durfde

wagen, zoo als blijkt uit hetgeen hij daarover schreef, toen Dr. Martin

Lister zijne stellingen omtrent de voortteeling uit een diertje van het

mannelijk zaad in de „Philosophical Transactions” had bestreden [122].

„Ik moet” zegt hij [123], „tot UE. Hoog Edele Heeren seggen dat de

gemelde tegenwerpingen mijn gevoelen niet een stip om soo te spreeken,

doen veranderen.”

François Aston schreef hem in Februari van het jaar 1683 over zijne

theorie, „dat deze zeer ingenieus was, maar dat zij veel tegenspraak in

de wereld zou ondervinden.” Leeuwenhoek antwoordde daarop, dat hij dit

ook wel gedacht had: „Want de werelt is met een voor-oordeel omtrent

het eyernest ingenomen maar,” voegt hij er bij „ik heb al veel geleerde

Heeren in ons land gevonden, die myne stellingen approberen.” [124] Aan

Leibnitz schreef hij [125]. „Seker seer verstandig Heer in onze stad,

seyde tot my, Leeuwenhoek, gij hebt de waarheyt, maar bij u leven sal

zy geen ingang vinden. Ende dus komt het my niet vreemt voor, dat ik in

myn leven wert tegengesproken.” In zijne missive van 30 Maart 1683 aan

dezen geleerde schrijft hij [126]: „Ik weet wel, dat myne stellinge

omtrent de voorttelinge by eenige gants verworpen werden, gelyk dan ook

seker Autheur onlangs uitgegeven heeft een boekje, waarin den selven op

telt seventig Autheuren, die geschreven hebben dat alle de vruchten soo

van menschen als beesten uit een ey voortkomen” .... „Maar laat nu

onsen Autheur dit voegen by zyn 70 Autheuren, ja, laat hem (soo hy wil

en kan) met andere tot seventig maal seventig voor den dag komen, die

alle het ovarium ofte eyernest vast stellen, en seggen dat het mannelyk

saat niet in de baarmoeder werd gestort, ik segge dat sy altemaal

gedwaalt hebben, en dat zy nog alle dwalen, die seggen, dat menschen en

dieren uit eyeren voortkomen ende dat geen mannelyk saad in de

baarmoeder komt, ja dat dit al van de onnoselste stellingen syn, die

onder de geneesmeesters in swang gaan.” Men ziet het, Leeuwenhoek dorst

zijn tegenstanders te woord staan en liet zich niet gemakkelijk uit het

veld slaan. Telkens als het pas gaf spreekt hij met groote minachting

van de „gewaande eyernesten”, van „dat tuig, dat men eyeren noemt.”

Vooral was hij scherp tegen Bontekoe [127], die zijne observaties

omtrent de zaaddiertjes en de generatie in een belachelijk daglicht had

trachten te stellen. In een brief aan de „Royal Society” van 30 Maart

1685 [128] laat hij zich over deze handelwijze van Bontekoe aldus uit:

„My is laatst ter hand gekomen een boekje, genaamt „Collectanea

medico-physica”, alwaar, Cent. 5 pag. 8, onder ander geseid werd: „Maar

het allerverwonderenste is, dat ons den geleerden Heer Cornelis

Bontekoe verhaald uit den curieusen Leeuwenhoek, dat ’s menschen sperma

vol soude zyn van kleine kinderkens, en soo voorts en andere dingen na

yders aard.” Waarna hy laat volgen: „’t Is waar dat de Heer Bontekoe my

veel maal met geselschap is wesen besoeken, maar ik heb nooit tegen

hem, ofte tegen iemand ter wereld, die redenen gebruikt, dat ’s

menschen sperma vol is van kleine kinderkens, maar wel geseid, dat het

vol is van levendige dierkens of wormkens die lange staarten

hebben”.... Ik moet dan klaagsgewijze zeggen, hoe dat men myne redenen

niet alleen verdraait, of die qualijk voort seid, maar zelfs die op het

papier met den druk komt gemeen te maken.”

Als een staaltje van de wijze waarop de waarnemingen van Leeuwenhoek

zoowel van het ontdekken der diertjes in het water, als in het sperma

werden gecritiseerd diene het volgende curieus versje, dat ik in een

oud geschrift [129] vond. Daarin wordt op ironische wijze de bewering

van Leeuwenhoek van het vinden van levende diertjes in verschillende

vochten enz. en dat hij wormen meende te zien, waar anderen niet het

minst daarvan konden bespeuren gehekeld, de schrijver is overtuigd dat

men over zijne waarnemingen hetzelfde oordeel kan vellen dat Dr. Becker

in zijn „Närre Weisheit und weise Narheit”, 1682, no. 38 heeft

aangevoerd:

„Die Welt still steht,

Und nicht umgeht,

Wie recht die Gelehrten meynen;

Ein jeder ist Seines Wurms vergewyzt,

Copernicus des Seines,

Und also Herr Lewenhoeck des Seinen”.

Onder de scherpste tegenstanders van Leeuwenhoek, niet alleen bij zijn

leven, maar zelfs na zijn dood, moet men zijn land- en tijdgenoot

Hartsoeker rekenen. Deze geleerde, wiens scherpe critiek zelfs mannen

als Bernard, Leibnitz, Newton en anderen niet spaarde, had zich de

moeite gegeven, om na den dood van Leeuwenhoek zijne brieven te

onderzoeken. Hartsoeker heeft dit onderzoek geplaatst achter zijn

„Cours de Physique, accompagné d’un extrait critique des lettres de Mr.

Leeuwenhoek,” welk werk in 1730 bij Jan Swart te ’s Hage, na den dood

van Hartsoeker, is in het licht gegeven.

Dit critisch onderzoek draagt het karakter van persoonlijken wrok en

geringschatting, waarvan de proeven schier op iedere bladzijde te

vinden zijn.

Een paar voorbeelden van de wijze, waarop Hartsoeker gewoon was in zijn

„Extrait critique” de waarnemingen van Leeuwenhoek te critiseeren,

zullen voldoende zijn, om zijn scherpen toon te leeren kennen.

Van de brieven in het algemeen sprekende, zegt hij daarvan, dat zij

geschreven zijn „dans un stile bas et rampant” hoewel hij niet nalaten

kon te erkennen, dat zij „contiennent parmi quantité d’observations

inutiles et chimériques, quelques unes de très bonnes et qui servent à

l’avancement des sciences.”

Hij spreekt verder met minachting van zijn persoon, en niet zonder

jaloezie, wegens de onderscheiding die hij van anderen ondervond: „Je

n’ai jamais été surpris qu’un homme comme nôtre auteur, dont le genie

étoit assurément au dessous du médiocre, ait parlé comme il a fait des

globules du sang, du lait etc.; mais mon étonnement a été bien grand de

voir que de célèbres médecins et professeurs en philosophie et en

médecine, l’ont cité avec éloge sur sa belle découverte des pretenduës

boules, et ont adopté son galimatias.”

Dat ook Leeuwenhoek zelf niet vriendschappelijk gezind was ten opzichte

van Hartsoeker kan blijken uit de volgende passage uit het genoemde

„Extrait critique”. „J’ai été trois fois chez lui. J’y fus la prémière

fois avec un bourguemestre de Rotterdam et avec mon père vers la fin de

l’année 1672, ou au commencement de l’année 1673, dont il s’est fort

bien souvenu comme on le verra dans la suite. J’y fus la deuxième fois

seul, vers la fin de l’année 1679 à mon retour de Paris. Cette visite,

que je lui rendis, moité dans la ruë et moitié a l’entrée de sa maison,

m’attira son disgrace et m’en fit un ennemis capital, à cause que je

lui fis sur ses ridicules anatomies, quelques objections aux quelles il

ne pouvoit me répondre. Comment faites-vous, lui disois je, pour

disséquer, par exemple, une puce, et qui plus est, une mite, pour tirer

les testicules de leur corps, pour ouvrir ces testicules et en ôter la

semence, enfin pour voir que cette semence est remplie de petits

animaux en forme de petites anguilles fort longues et fort minces; de

quels verres vous servez vous pour faire cette anatomie? Si le verre

est petit, vous n’avez pas assés de lumière, parce que vous le cachez à

vous même; s’il est grand il ne grossit pas assés. Mais de quels

couteaux vous servez vous? Celui qui auroit le tranchant le plus fin et

le plus aigu écraseroit le vaisseau plutôt que de l’ouvrir .... et la

dessus s’ennuiant sans doute de mes objections, il me congédia assez

brusquement, disant qu’il avoit d’autres affaires.”

Zijn derde en laatste bezoek bracht hij aan Leeuwenhoek in 1697 of

1698. Hartsoeker was toen in gezelschap van den Burgemeester van Delft,

wien hij verzocht had zijn naam niet te noemen.

Leeuwenhoek had tot ontvangst zijner gasten alles in gereedheid

gebracht, ten einde hen eenige praeparaten te laten zien. De

burgemeester niet aan dit verzoek van Hartsoeker denkende, stelde hem

aan Leeuwenhoek voor, waarop Leeuwenhoek, zoo zegt H., in zijn Extrait

critique: „me regardant avec un air dédaigneux, et d’un oeil

d’indignation et de mépris, serra d’abord toute la boutique, sans

vouloir nous faire voir la moindre chose, et peu s’en fallut qu’il ne

nous mit par les bras hors de sa maison.”

Aan het slot van de critiek zijner brieven gekomen, zegt Hartsoeker, in

de beoordeeling van zijn laatsten brief, vol van scherpte en

persoonlijke antipathie: „Tout ce qu’il y dit a été dit et redit mille

fois, de sorte que ce ne sont qu’autant de parôles perduës; et pour ce

qui est des figures qu’il a fait graver de ses observations, elles ne

signifient rien du tout, et ne representent que des traits confus”.

Blijkt nu uit al het aangevoerde, dat Leeuwenhoek, wegens zijne

ontdekkingen en vooral zijne „speculatiën” over de voortteeling, veel

tegenspraak ondervond en dikwijls aan hevige aanvallen blootstond, aan

den anderen kant had hij ook warme voorstanders onder de beroemdste en

geleerdste mannen van zijn tijd. Hiervan blijkt ons vooral uit eene

correspondentie met Leibnitz, d.d. 28 September 1715 [130]. Deze had

hem namelijk geschreven, dat de geleerde Vallisnieri te Padua zijne

stellingen ontkende en dat hij (Leibnitz) weldra een werk dacht uit te

geven over dit onderwerp, waarin hij hem recht zou laten wedervaren.

Leeuwenhoek antwoordde: „Wij hebben in ons lant een spreekwoort, dat

ééne bonte kraaij geen koude winter maakt, is de Heer Vallisnieri tegen

myne stellinge, daar syn der wel duyzent voor my.”

Van deze uitspraak van Leibnitz ten gunste van de stellingen van

Leeuwenhoek, alsmede van zijn groote verdiensten, blijkt ons nog nader

uit eene verwijzing naar het boven bedoelde geschrift, de „Theodicae”

van Leibnitz, waarin hij werkelijk deze theorie van Leeuwenhoek

verdedigt.

In een door Prof. C. G. Ehrenberg in 1845 gehouden redevoering in de

vergadering van de Pruisische Akademie van Wetenschappen, ter

herdenking van den geboortedag van Leibnitz [131], wordt namelijk door

genoemden geleerde met de hoogste achting over Leeuwenhoek gesproken,

als van iemand, op wiens oordeel als nauwkeurig, scherp waarnemer,

Leibnitz zeer hoogen prijs stelde.

Na eene korte vermelding van de tusschen Leeuwenhoek en Leibnitz

gevoerde correspondentie in de jaren 1715 en 1716 (toen de laatste 60

en Leeuwenhoek reeds 84 jaren oud was), voornamelijk bevattende de

gevoelens van den laatsten, in antwoord op door Leibnitz aan zijn

oordeel onderworpen vragen, omtrent de physiologische beteekenis der

spermatozoïden, zegt Ehrenberg, dat Leibnitz getuigde: „dat hij de

meeningen van Leeuwenhoek over dit vraagstuk voor zeer waarschijnlijk

hield en die ook in zijn Theodicae [132] had uitgesproken.”

Ehrenberg zelf noemt in genoemde redevoering Leeuwenhoek’s ontdekkingen

der infusoriën in het water en der spermatozoïden in het mannelijk

sperma, „twee der schitterendste en onvergankelijkste

ontwikkelingsmomenten der menschelijke kennis.” Ehrenberg zegt aldaar

verder van Leeuwenhoek, dat hij niet, zoo als Haller in zijne beroemde

physiologie aangeeft, een voormalig brillenslijper te Delft was

geweest, „maar een onafhankelijk, zonder strenge school gevormden, maar

door Boerhaave en Huygens, zijn hoogstverdienstelijke landslieden,

persoonlijk geachten, met vele beroemde mannen van zijn tijd en ook met

Leibnitz in schriftelijke verbintenis staanden man, de onafhankelijke

zoon van een welvarende brouwersfamilie te Delft, wiens

wetenschappelijke trouw, vlijt en geniale ontdekkingen alle erkentenis

en eer verdienen.”

Leeuwenhoek werd door Leibnitz nog in zijn, na zijn dood uitgekomen

„Protogeae”, in het bijzonder met de volgende woorden, welke als

antwoord en dankbetuiging moesten strekken voor den laatsten aan hem

gezonden brief, herdacht:

„Et velim microscopia ad inquisitionem adhiberi, quibus tantum

praestitit sagax Leeuwenhoekii Philosophi Delphensis diligentia, ut

saepe indigner humanae ignaviae, quae aperire oculos et in paratam

scientiae possessionem ingredi non dignatur. Nam si saperemus jam

passim ille imitatores haberet” [133].

Omtrent het gunstig oordeel van Boerhaave over de stellingen van

Leeuwenhoek, zegt hij in een zijner brieven: „de Heer Boerhaave in syn

oratie, verwerpt onder andere de stellinge van verscheyde Heeren

omtrent de voortteelinge, en seyt dat de myne in Italiën, Duytslant,

Engelant, ende Vrankryk, werden aangenomen.”

Leeuwenhoek achtte het vooral noodig de bedenkingen, die bij de leden

der „Royal Society” tegen het groot aantal diertjes door hem in het

sperma waargenomen, gerezen waren, te wederleggen. Hij deed dit in een

brief aan Nehemiah Grew, d.d. 25 April 1699 [134] en zegt daarin het

volgende: „en alhoewel in myn selven versekert dat dese myne verhaalde

observatiën by weynige menschen sullen aangenomen worden, nademaal het

onmogelyk is, sulken grooten getal van levende schepsels in soo een

quantiteit materie te bevatten, soo wil ik alle de geenen die het

selvige verwerpen, het haar ten goede afnemen, te meer, omdat wanneer

ik van het groot getal van levende schepsels in ’t water schreef, by de

Koninglyke Societeyt selfs niet konde aangenomen werden. Maar daar ik

myne calculatie en eenigsints myn methode van doen beschreef, soo heeft

UEd. confrater de Heer Robert Hooke het getal noch vergroot ende my

geschreven, dat zyn Koninglyke Majesteit sulks gehoort hebbende,

begeerig was om hetselvige te sien, ende dat hy hem beliefde, en de

dierkens siende, met verwondering deselve aanschouwde, ende met groot

respect van myn naam sprak. Want soo waaragtig, als ik van de dierkens

in het water heb geschreven, soo waaragtig schrijf ik van de dierkens

in ’t mannelijk zaad van menschen, beesten, vogelen ende visschen, en

het sal my genoeg zyn, soo ik maar credit by UEd. en de geleerde Heeren

Philosophen vinde, waaraan ik ook niet en twijffele.”

Leeuwenhoek was echter, bij al zijn vasthouden aan hetgeen hij voor

waarheid hield, volstrekt niet onvatbaar voor overtuiging, zoo als

sommige schrijvers wel eens hebben gezegd. Dit kan, onder meer andere

betuigingen van hem in zijne brieven, blijken uit zijne volgende

verklaring in een brief aan George Garden [135] „myn voornemen is niet

hartnekkig by myn stellinge te blijven, maar zoo ras, als men my

waarschynlyke redenen te gemoet voert, daar van ik een bevattinge kan

krygen, dat ik de myne sal verlaten, en tot een ander overgaan, te

meer, omdat doorgaans myne tragtingen tot geen ander eynde strekken,

als omme waarheyt, soo veel in myn vermogen is, voor de oogen te

stellen, die te omhelsen, ende myn kleyn talent, dat ik ontfangen heb,

te besteden, om de werelt, van haar Out-Heydens bygeloof af te trekken,

ende tot de waarheyt over te gaan, ende die aan te kleven.” En elders

[136] „Ik weet wel, dat in myne stellinge die ik kome te maken, niet

alle over een komen, maar tegen den anderen strijdende saaken daar

onder gevonden werden, soo sal ik al weder seggen, dat myn doen is,

niet langer myn gevoelen staande te houden, tot der tyd en wyle ik

beter onderrigt werde of dat myne aanmerkingen my tot andere gedagten

doen over gaan en ik sal my noyt schame van dit myn doen af te wyken.”

Dat is de taal van een eerlijk, eenvoudig, oprecht gemoed, en

onwillekeurig worden wij met eerbied vervuld voor den man, die pal

stond tegen onwaardige verguizing en bespotting, maar vatbaar was voor

overtuiging. Hoe meer men de brieven van Leeuwenhoek doorleest, hoe

meer men versterkt wordt in deze gunstige opinie omtrent hem, die wel

niet vrij was van gebreken, gedeeltelijk ook toe te schrijven aan zijne

beperkte ontwikkeling, maar die overigens edel van hart en eenvoudig

van zin was en daarvan talrijke bewijzen gaf.—

Bij het doorlezen zijner brieven treft ons zijn onbevangenheid van

oordeel, zijn oorspronkelijkheid in het verklaren en beoordeelen van

feiten door hem waargenomen, en zijn helder inzicht in vele zaken,

waardoor hij bleek een zelfstandig denker te zijn, die weinig behebt

was met de vooroordeelen van zijn tijd, deze, waar hij kon, bestreed en

zich alzoo in de eeuw waarin hij leefde, als een man van vooruitgang

deed kennen.

Vooral werd de lichtgeloovigheid der groote menigte scherp door hem

bestreden; dit bleek o. a. als hij in de gelegenheid was te waarschuwen

tegen vreemde geneesheeren en het gelooven in hunne hoogdravende

aankondigingen van zoogenaamde onfeilbare middelen tegen allerlei

kwalen. Hij doet dit met ernst en overtuiging en wij zien daarin het

bewijs, dat Leeuwenhoek reeds twee eeuwen geleden wijzer was dan zoo

velen van onzen tijd. „Het is te beklagen” zegt hij [137] „dat veele

menschen in ons lant soo ligt-geloovig zyn, want laat maar een vreemde

geneesheer in ons lant komen, die sig selven beroemt van groote cure

gedaan te hebben, gelyk ze gemeenlyk doen, en haar roemen met veel

leugens weten op te pronken. Dit pochen en snorken vint veeltyds niet

alleen ingang by den gemeenen man, maar het gaat ook over tot luyden,

waarvan men een beter oordeel verwagte; en als men deze vreemde

opsnuyvers omtrent saken, die ze behoorde te weten, komt aan te

spreken, bevind men haar slegte knegten te zijn. Eenigen tijd geleden

en is in ons land gekomen, een grooten, botten opgever en leugenaar,

zynde een Hoogduytser, die sig beroemde, door syn poeder „Sympatie”,

alle gebreken die men hem kwam te noemen, te sullen genesen. Dezen

pofhans die bragt men uyt een nabygelegen stad, met een karos aan myn

huis, opdat ik soo een wonderlyke geneeser soude aanschouwen; dese syne

geneesinge bestond alleen door syn poeder Sympatie te gebruyken op de

urine van de lyder. Nadat ik de opsnorkinge van geneesinge in ’t breede

soo lang hadde aangehoort, dat het my verveelde, versogt ik de vryheid

te mogen hebben, om myne gedagten soo als ze by my lagen, te uytten,

dat my wierd toegestaan, waarop ik, sonder veel omwegen, op het eerste

seyde, dat wy Hollanders sulks niet en sullen gelooven, enz. en op het

tweede dat ik het agte een onmogelijkheid, en dat alle, die sulke taal

voeren, door my voor desen was geseyt, en nog staande gehouden wierd,

dat het maar bedriegers syn; in ’t kort, hy verhaalde soo vele

geneesinge en door sulke wegen, die geen de minste schyn van waarheden

konnen hebben, en die by alle verstandige verworpelyk syn. Ja soodanig,

dat ik my schaamde over syn onnoselheid, en gelyk ik voorseyd hadde,

dat ze alle sullen bedrogen werden, die met hem aanslaan, gelyk gevolg

sulks geleerd heeft, want hy is met schande vertrokken”.... „Is ’t niet

miserabel”, zegt hij iets verder, „dat onse natie haar aan sulke

menschen overgeven, daar ze ten genoege konnen gedient werden van oude

ervaren geneesmeesters, onze inboorlingen en die door de bank meer

begaaftheden bezitten, als de vreemde die we behaamt hebben” .... „Ons

leert de ondervindinge hoe onervarender in konsten en wetenschappen,

voornamentlijk in de genees- en heelkunde, hoe grooter roemers.” Ten

slotte betuigt hy het zyn roeping te achten tegen al dergelyke dwaling

te stryden en te waarschuwen: „dese opmerkinge komende van iemant die

de waarheden omhelst en de werelt, soo veel als in syn gering vermogen

is, van de dwalinge ende het vooroordeel, die niet als te veel nog in

swang gaan, af te leyden.”

Het blijkt dat Leeuwenhoek’s helder oordeel en zijn kennis van vele

zaken door zijne stadgenooten en ook elders langzamerhand algemeen

bekend was geworden en men hem over allerlei aangelegenheden kwam

raadplegen. Zoo werd hij niet zelden door geneesheeren geraadpleegd

over verschillende verrichtingen in het menschelijk lichaam en trachtte

hij meermalen hunne in zijn oog verkeerde denkbeelden, door bewijzen te

wederleggen, waarbij hij zich niet altijd van zekere bijtende scherpte

onthouden kon, want hij was een man, die zonder aanzien des persoons

zijn gevoelen rond weg uitsprak en wien, zoo als men zegt, het hart op

de tong lag. Niet zelden geraakte hij dan ook met hen aan het

discuteeren en veroordeelde met scherpte hunne verkeerde zienswijzen.

Men oordeele over de volgende staaltjes [138]. „Weynige dagen geleden,

kome ik by eene vrouwe, die eenige kleyne uytsypelinge van vogtigheden,

beneden aan het been hadde”.... „Om nu het verhaalde ongemak te

genezen, hadde seker geneesheer alle syne bedenkelyke middelen in ’t

werk gestelt dog alles te vergeefs en tusschen beyde verscheyde

purgeerende medicamenten ingegeven, onder anderen had ze een dag à twee

daar te vooren een kleyn poeyertje ingenomen, waarvan ze wel agt

afgangen hadde gehad. De geneesmeester sulks geseyt werdende, bekende

dat het te veel ware, en dat drie afgange genoeg hadde geweest”.... „De

lydster is van geen starkte en daar by mager en gelijk wel 25 andere

geneesmeesters, haar souden aanraden het matelyk theedrinken, soo

verbied sulks haar genees-meester. Dese mishandeling van stark purgeren

en hoorende dat haar ligchaam met roode puysten was uytgeslagen

geweest, dede my uytbarsten met een hevigheid te seggen, soo een swak

ligchaam soo een poeyer in te geven, sulken werkinge te veroorsaken is

eer een moortmiddel, dan een geneesmiddel. Naderhand versta ik, dat het

poeyertje, dat de afgange hadde veroorsaakt, omtrent een aas zwaarte

heeft gewogen, dat geen tienduysenste gedeelte van een pont is. Als nu

soo een kleyne quantiteit stoffe, sulke beweginge in maag en darmen kan

te weeg brengen, mogen wy niet met regt soodanige stoffe een

„Moortpoeder” noemen”?

Nog verhaalt hij [139] dat zeker Doctor in de medicynen hem een

papiertje vertoonde, waarin eenige kleine deeltjes waren, door zekere

jufvrouw in haar urine geloosd, met verzoek die te examineeren. Hij

beschouwde deze voorwerpen door zijn microscoop en bemerkte al

dadelijk, dat het zaadjes uit de aalbes waren. De geneesheer, die hij

dit mededeelde, wist daar geen verklaring van te geven, en scheen niet

ongenegen om de zaak voor mogelijk te achten, doch Leeuwenhoek bewees

duidelijk, dat zulke zaadjes onmogelijk door de maag en ingewanden in

de blaas konden geraken, maar was van gevoelen, dat eerder een der

dienstboden die zaden in den waterpot zou geworpen hebben, „om door

sulk doen, haar juffrouw te meerder kon beklaagt werden.” „Wij vinden

menschen,” vervolgt hij, „die de naam wel willen dragen van doorgaans

siekelyk te syn, omdat men haar beklagen en medelyden souden hebben.”

Van wege de „Royal Society” werd hem het onderzoek van haren

opgedragen, die zeker geneesheer uit Pleymouth, Yonge genaamd, aan dat

collegie had toegezonden, met mededeeling dat deze haren, volgens

zeggen, door eene vrouw in hare urine geloosd waren. Hij voldeed aan

die opdracht en ontdekte dat het niets anders was dan schapenwol,

zoodat hier bedrog in het spel was [140].

Leeuwenhoek verhaalt in dienzelfden brief nog een ander geval, waarin

hij verzocht werd een steen te onderzoeken, die door zekere vrouw zou

geloost zijn en waarvan hij het bedrog onmiddellijk aantoonde. „Een

seker vrouwspersoon,” zoo verhaalt hij, „maakte de onnosele menschen

wys, dat zy verscheyde steenen, door ordinaire waterloosinge, met smert

quyt wierde. Dit geloofde ook in die tijd seker geneesmeester, en ook

eenige kerkelyke personen, soo dat vele medelyden met haar hadde, en

groote opschuddinge in de stad maakte. Seker geneesheer (dien hij

echter niet noemt waarschynlijk om de lichtgeloovige te sparen) gaf my

soodanigen steen in de hand, om die te examineren. Maar ik gaf hem

aanstonts over, nadat ik alvooren met myn sleutel op deselvige hadden

geslagen, en daardoor met het bloote oog gesien, dat het een stuk van

een gebakke vloersteen was. En sulks wierd ook by eenige

Hooge-leeraars, die deselvige ten proeve hadden gestelt, bevestigt, en

sedert dat deze valsheyt ontdekt was, heb ik niet gehoort, dat sy meer

veynsde steenen quyt te worden.”

Overigens was zijn oordeel over geneeskundigen en het gebruiken van

geneesmiddelen alles behalve gunstig. Hij was te zeer gewoon geraakt om

de verrichtingen in het dierlijk lichaam nategaan en zal daar zeker

veel over gelezen hebben, zoodat hij zich over de werking der

geneesmiddelen een eigen oordeel en verklaring gevormd had, en vooral

over de verandering, die het bloed door vermenging met zekere zouten

onder het microscoop ondervond. Hij meende dan ook, dat het op gelijke

wijze inwendig een dergelijken invloed zou ondervinden; vandaar dat hij

vele ongesteldheden toeschreef aan den te dikken toestand van het

bloed, zoodat het te traag door de nauwe capillaire buisjes vloeide.

Hij meende dat veel drinken deze dikke bloedmassa weder zou verdunnen

en paste deze theorie dan ook getrouwelijk op zijn eigen lichaam toe;

zoo was zijn gewoonte [141] als hij des avonds wat overvloedig

gesoupeerd had, den anderen morgen meer dan gewoonlijk koffie te

gebruiken en wel zoo heet en schielijk mogelijk, ten einde zweeten te

bevorderen, „en soo door sulk doen” zegt hij, „mijn lighaam niet kan

herstelt worden, een gantschen Apoteecq, beeld ik my in, sal soo veel

tot herstelling van myn lighaam niet konnen uytleveren, en dit is ook

het eenigste middel, die ik sedert veel jaren hebbe in ’t werk gestelt,

als ik een koorts gewaar werd, alleen met dat onderscheyd, dat ik my

ook door thé-drinken soo doe sweeten.” Na eene lange redeneering over

de gevolgen van het te dik zijn van het bloed, de vertraging der

circulatie en het ontstaan hierdoor van allerlei ongesteldheden,

besluit hij met de volgende, gansch niet malsche tirade, waarbij ook de

Apotheker zijn deel krijgt:.... „Dit soo synde, is het te beklagen, dat

de geneeskunde geoeffent werd van soo veele, by de welke geen goet

oordeel is, want wat Apoteeker, wat Chirurgyn isser, die sig niet

onderwint in geringe voorvallen, purgeerende saaken in te geven, en dit

is by veele het eenigste dat sy verrigten konnen, waardoor ze veele

haar eynde komen te verhaasten, want de meeste hebben gants geen kennis

van het maaksel van ons lighaam, veel min dat ze de bequaamheid hebben,

om de sieke wel te ondervragen, en dan te overwegen waaruyt de

ongemakken syn voortkomende. Het werd by eenige geoordeelt datter

geneesmeesters gevonden worden, die maar om welstaans wille en als niet

te vergeefs by de sieken te komen, het eene ofte het andere

ordonneeren, en ten anderen, omdat ze de medicamenten souden leveren,

of ook wel om de Apoteeker gelt in de beurs te jagen”.... Zelf had hij

dan ook weinig vertrouwen in de geneesheeren en was er niet toe te

brengen, bij voorkomende ongesteldheid, geneesmiddelen te gebruiken.

„Wat my belangt,” zegt hy, „wij sullen wel wagt houden, dat soodanige

moort-poeders [142] uyt ons lighaam blyven, en ook wel wagten voor alle

geneesmeesters, die diergelyke lighaam schade toebrengende, sulke

saaken in ’t werk stellen. Want soodanigen medicament berooft het

lighaam van de dunne stoffe, die de menigvuldige vaatgens, leggende in

de holligheden van de darmen, uyt de chyl soude overgenomen, ons bloet

en andere sappen verdunt, en voedsel toegebracht hebben. Ook blykt

klaar, dat meest alle de geene die heden door purgeren verscheyde

afgangen hebben gehad, des anderen daags hardlyvig sullen syn, welke

hardlyvigheid alleen veroorsaakt werd, beeld ik my in, omdat het

lighaam des daags te vooren, door het ontydig wegstooten van de chyl,

gebrek aan genoegsamen vogt geleden heeft, nu alle de vogt uyt hetgeene

men genuttigt heeft, soodanig uit het lighaam heeft overgenomen, dat de

excrementen hard syn.”

Ook had hij dikwijls langdurige gesprekken met geneeskundigen over de

voeding en de verteering der spijzen, over de circulatie van het bloed

door het ligchaam en over de bestrijding van de toen heerschende

meening, dat het bloed, door de lucht die in de longen door het

inademen komt, in een gistenden toestand geraakt. Hierover laat hij

zich aldus uit [143]: „Ik heb sedert eenige jaren tegen verscheyde

doctoren tragten staande te houden, dat ’er geen fermentatie in het

bloed is, en onder anderen ook op wat manier ik my imagineerde, dat het

bloed door het lighaam wierd voortgestooten, hoe hert en pols in een

koortsige stark slaande, egter de circulatie van het bloet (meest)

langsamer is; hoe onse vlees draatjens, schoon er geen bloedvaatjens

door loopen, egter van het arteriaal bloed gevoed werden; hoe de spys

in de maag en darmen verbryselt werd. Onder de doctoren was er een die

my meenigmaal quam besoeken; dese verhaalde in presentie van andere

Heeren, dat hy een groot gevallen had gehad in myne stellinge; dat hy

laatst van my vertrekkende met nog een doctor, die in ’t geselschap

was, den gantschen nagt, over myne redenen, die ik gewisselt had, hadde

gephilosopheert; dat hy daarover soude schryven, maar my de eer soude

geven, alsoo hy met een ander zyn gedagten niet wilde pronken.”

Leeuwenhoek had echter ook zonderlinge denkbeelden over sommige zaken;

zoo schreef hij de oorzaak, waarom bij voorbeeld azijn en andere zuren

een zuren smaak bezaten, daaraan toe, dat de aan beide zijden scherp

toeloopende kristalletjes, die hij onder het microscoop waarnam, als

hij azijn op een glaasje van zelf liet verdampen en die hij „het zout

van den edik” (azijn) noemde, met deze scherpe of nijpende deelen op

den tong prikken en het gevoel veroorzaken, dat wij zuur noemen!

Eveneens schrijft hij het gevoel van hitte of branden van de peper op

de tong toe, aan de scherpe naaldvormige kristallen, die hij door

aftrekken van peper in water onder het microscoop bekwam en die hij de

„soutdeelen der peper” noemde; deze deelen nu zouden dan met hun

scherpe deelen zoodanig op de tong of in den mond steken, of kwetsen,

dat men daardoor de bekende heete of brandende smaak ondervond. Zoo ook

schreef hij de vergiftige werking der kwikzouten daaraan toe, dat de

puntige scherpe uiteinden der microscopische kristalletjes, de

darmwanden en bloedvaten verwondden en daardoor dikwijls de dood

veroorzaakt werd!

De zoete smaak werd volgens Leeuwenhoek veroorzaakt, doordat de deelen

van de suiker, hoewel uit scherpe punten of hoeken bestaande, in het

vocht van den mond de scherpte verliezen en eene zoo zachte buigzame

gedaante aannemen, dat, wat zij op de tong ontmoeten, daarvoor buigen

moet waardoor deze zoo aangenaam daar zijn, dat zij ons den smaak van

zoet doen gevoelen [144].—

Vragen van allerlei aard werden dikwijls aan zijn oordeel onderworpen

en men ging zelfs zoo ver, dat men aan hem de kennis over verborgen

zaken toeschreef, oordeelende dat de ontdekkingen, die hij bekend

maakte, tot de onmogelijkheden behoorden en alleen met behulp van

geheime kunsten konden bewerkt worden. „Ik weet wel,” zoo zegt hij in

een brief aan zijn neef Dr. Abraham van Bleyswyk [145], „dat dit mijn

schrijven bij eenigen niet zal aangenomen werden, als oordeelende dat

de geseyde ontdekkingen onmogelijk zijn te weeg te brengen; maar ik

trek mij zoodanig tegenspreken niet aan. Men seyt tegenwoordig by de

onverstandige nog van my, dat ik een tovenaar ben; ende dat ik de

menschen vertoon dat ’er niet en is, dog het is haar te vergeven, zy

weten niet beter.”

Allerlei onderzoekingen werden hem opgedragen, door aanzienlijke

stadgenooten, geleerden, corporatiën en handelaars. Ieder stelde prijs

op zijn ervaring en doorzicht en hij was er de man niet naar om een

onderzoek, dat hem was opgedragen, niet met ernst te ondernemen, of te

rusten, voor dat hij een bevredigend resultaat van de hem voorgestelde

onderzoekingen kon geven. De Royal Society noodigde hem onder anderen

in 1680 uit om zijne proeven, over de werking van sommige scheikundige

praeparaten, waarover hij reeds vroeger zijne bevinding had

medegedeeld, voort te zetten. Zij voegde er bij „dat zijne speculatiën

over dit onderwerp ten hoogste waardig waren om verder te worden

vervolgd ter ontdekking der verborgen werking der geneesmiddelen in het

menschelijk lichaam.” Zij bevalen hem dit onderzoek aan met hartelijke

toewensching van een goed succes [146].

Leeuwenhoek bleef niet in gebreke aan die vereerende opdracht te

voldoen. Dit onderzoek bepaalde zich bij de waarneming met het

microscoop van de verandering die de bloedlichaampjes ondervonden, als

zij met sommige stoffen, vooral sal volatile oleosum werden vermengd.

Hij zag dan bij dit laatste dat het bloed dadelijk eene veel lichter

roode kleur verkreeg, terwijl hij waarnam dat de bloedlichaampjes

binnen een kwart minuut verdwenen waren. Deze kleursverandering en

oplossende werking moet aan de ammonia worden toegeschreven, waaruit

dit praeparaat hoofdzakelijk bestaat, zijnde een mengsel van ammonia

liquida, met barnsteen-, muscaatnoot-, anijs-, en kaneel-olie.

Paulus Hermanus, Hoogleeraar in de Kruidkunde te Leiden, stelde zijn

groot cabinet van zaden voor hem open, daar hij Leeuwenhoek’s

belangrijke waarnemingen omtrent de structuur van het hout en andere

merkwaardige onderzoekingen betrekkelijk de planten-physiologie

waardeerde en persoonlijk met hem bekend was. Hij noodigde Leeuwenhoek

uit de zaden, die hem behaagden, ter onderzoeking er uit te nemen.

Onder meer andere viel zijn aandacht op het „Carpok-zaad”, hetwelk hij

beschrijft [147] als de zaaddragende vrucht van Panjala sive Arbor

lanigera Bontii, in den „Hortus Malab.” T. III pag. 59. Wij maken hier

alzoo kennis met dezelfde stof, welke wij als kapok kennen [148].

In het jaar 1685 werd door Constantijn Huygens zijn oordeel gevraagd

over de mogelijkheid, dat boomen, omgekeerd in de aarde geplant,

wortelen, en de takken en bladeren in den grond tot wortelen zouden

kunnen groeien [149]. De bewoordingen van dien brief van den beroemden

Huygens zijn zoo vleiend voor Leeuwenhoek en getuigen zoo zeer van de

hooge achting, die Huygens voor hem koesterde, dat ik mij niet kan

onthouden deze hier in te voegen.

Hage den 17 December 1685.

Monsieur Leeuwenhoek,

Ik en werde nooyt moede UE. onvermoeyde neerstigheyt te pryzen, in

’t ondersoek van geheymenissen die weynig van onse voor-ouderen in

gedachten syn gekomen, en veele van onse nakomelingen tot een licht

en spoor sullen strekken, om dieper en dieper waarheden op te

delven. UE. is daartoe tegenwoordig op een fraay pad, daar van niet

ligt en behoort te scheyden; soo groot is ’t gevolg van aller

dingen eerste begintselen, soo UE. meer en meer staat gewaar te

werden.

Ik weet niet of gy ooyt kennisse hebt gehadt van het planten van

boomen averegtsom, soo dat de wortelen in de lucht tot takken

uytgroeyen. Verstaat Lindenboomen. Tot nog toe en hebben ’t myn

hovenieren niet te wege konnen brengen. Maar myn autheur is al te

aansienlyk om my daer aan te laten twyfelen. Dat was voor eenige

jaren den Heer Churfurst van Brandenburg hier synde met syn tweede

Churfurstinne, die my beyde in vollen ernst confirmeerden, menigte

van experimenten van sulke wortel-boomen onder haar gebied te

hebben, uytstekende in groote wijdte, boven het gewoonlyk gewas.

Myn zoon van Zeelhem [150] sedert met syn Hoogheyt in die landen

geweest, verklaart er sig mede getuyge af.

UE. discoursen van ’t gewas van de boomen en kruyden hebben my dit

weder in gedenken gebragt. UE. kan der op speculeren en bedenken

hoe het overeen kan gebragt werden, met hetgeene UE. ondervind in

de maximen van de nature u soo verre bekent. Ik blijve

Uw altoos dienstwillige vriend en dienaar,

C. Huygens, V. Z.

Leeuwenhoek oordeelde dat dit zeer wel kon, als de klapvliezen

(schuinloopende streepen) in de groote vaten zoo ver konden gebracht

worden, dat zij door het opgestooten vocht, averechtsom gedrukt werden,

en dat hij dit reeds twintig jaar geleden bij een wijngaard had

opgemerkt, waarvan hij eene jonge plant in het midden dwars doorsneed

en den een onderst boven naast den anderen in den grond plantte, en

nadat deze wijngaart twee a drie jaren gestaan had, kon hij geen

onderscheid aan beiden zien en droegen beiden goede vruchten. Ook liet

hij nu in zijn tuin twee jonge lindeboomen planten, de een op de gewone

wijs en de andere met de wortels naar boven, welke laatste, hoewel

aanvankelijk trager in het groeien, zich toch later goed ontwikkelde en

wortelde.

In 1690 onderzocht hij de zoo schadelijke insecten, die hunne eieren in

het koren leggen en zoo doen ontstaan wat men gewoonlijk de klander

noemt.

Het wormpje door de korenkopers en bakkers „wolf” genoemd, beschrijft

hij uitvoerig, gaat zijn metamorphose na, totdat het als een vliegend

motje uit het omwindsel van de pop te voorschijn komt. Hij had

opgemerkt dat eenige dezer motjes, die hij in een glazen buis had

gesloten waarin hij de damp van brandende zwavel had laten komen,

daardoor stierven. Aanstonds was zijn practische geest gereed dit

verschijnsel in het groot toe te passen op het verdrijven van deze

plaag van de graanzolders. Uit de grootte van het buisje dat hij

gebezigd had en de hoeveelheid zwavel door hem gebruikt, maakte hij

eene berekening hoeveel zwavel er noodig zou zijn, om een korenzolder

te zuiveren en vond dat daartoe een pond zwavel voldoende was, als men

dit in twee a drie potten op den zolder geplaatst liet verbranden,

waarbij dan alle openingen goed gesloten moesten worden; deze zwaveling

moest men doen zoodra de motten bespeurd worden en vóór dat zij in de

gelegenheid waren eieren te leggen, en deze bewerking eenige dagen

achter elkander volhouden [151].

Deze zelfde zuiveringsmethode paste hij ook toe, naar aanleiding van

een verzoek van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, om

maatregelen te beramen tegen den worm in de muscaatnoot. Hij was van

oordeel, dat, wanneer de zolders, waar de nooten bewaard werden, alle

maanden goed werden gezwaveld, de levende insecten, die uit de wormen

kwamen, zouden gedood en dus het verder doorknagen der nooten zou

voorkomen worden. Ook achtte hij het zwavelen van het ruim der schepen,

waarin men de nooten inlaadde, zeer dienstig, ter verjaging van dit en

ander ongedierte [152].

In 1696 werd hem door Nicolaas Witson, President Burgemeester van

Amsterdam, uit naam van Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, het

onderzoek opgedragen van een mineraal uit Tartarije afkomstig. Dit

bleek hem bij verhitting in een glazen buis veel lood te bevatten.

Later onderzocht hij nog een ander uit Sumatra en vond daarin goud en

zilver, benevens zwavel, dat hij in een gesmolten toestand verzamelde

[153].

Hij onderzocht ook het katoenzaad en merkte onder anderen op dat het

veel olie bevatte, en dat men, door die af te zonderen, er een groote

hoeveelheid van in den handel zou kunnen brengen, ten einde voor

velerlei doeleinden gebruikt te worden [154]. Tarwe, rogge, gerst,

boekweit en een menigte andere zaden werden door hem ontleedkundig

onderzocht en tevens de zetmeelbolletjes er uit afgezonderd, die hij

nauwkeurig beschrijft en afbeeldt; dit deed hij ook van rijst, boonen,

erwten, enz. en beschreef de verandering, die zij ondergaan, wanneer

zij, na met water verwarmd te zijn, door het microscoop beschouwd

worden [155]. Verder ontdekt hij dat het onderscheid tusschen witte en

zwarte peper alleen daarin gelegen is, dat de laatste het onrijpe zaad

is, nog bekleed met zijn buitenste omkleedsel terwijl de inwendige

rijpe witte korrel de witte peper is, die dan ook krachtiger is dan de

onrijpe zwarte peper [156].

Belangrijk is ook zijn onderzoek naar het ontstaan en den aard der

zoogenaamde galnoten, waarvan hij den waren aard goed waarnam en het

insect beschreef, waaraan zij hun ontstaan te danken hebben [157]. Wij

hebben boven gezien dat hij op een zijner portretten, in het bezit van

Dr. van Kaathoven, met een met galnoten voorzienen eiken tak is

afgebeeld, hetwelk op dit onderzoek doelt. Zulk een met galnoten

voorzienen eiken tak vindt men ook in den geciteerden 50sten Brief

afgebeeld op blz. 44, met doorgesneden galnoten, en het insect dat wij

kennen als galwesp, (Cynips Gallae tinctoriae).

Nog vond hij dat het branden of steken der brandnetels veroorzaakt

wordt door een vocht, dat zich bij de aanraking der fijne haartjes

waarmede de stengels en bladen bezet zijn, daaruit ontlast en in de

huid dringt [158]. Ook het steken der mieren en het brandend gevoel en

de opzwelling daardoor waargenomen, schrijft hij toe aan een scherp

vocht, dat deze insecten bij het steken uit hun angels ontlasten [159].

Evenzoo bestudeerde hij het vlies, dat het wit der eieren onder de

schaal bedekt en vond dat dit uit onderscheidene zeer dunne vliezen

bestond, waarvan hij er acht waarnam [160].

De vorm der gistcellen ontsnapte evenmin aan zijne nasporingen; hij

onderzocht biergist en vond dat die uit zeer vele kleine ronde

„globulen” bestond, waarvan er dikwijls 2, 3 en 4 samen gevoegd waren;

het is niet te verwonderen dat hij omtrent het ontstaan en den waren

aard der gist geen juiste voorstelling had, daar men eerst in veel

lateren tijd daaromtrent tot klaarheid is gekomen. Hij beschrijft ze

als door de hitte van het water „ontdane deeltjes van de tarwe, gerst,

enz. die, als het bier koud geworden was, weder stremden en alzoo de

zeer kleine deeltjes of globulen in het bier vormden”.

Aan Leeuwenhoek komt ook de eer toe het eerst zoetwater-polypen (?) te

hebben waargenomen, doch de hier volgende beschrijving toont, dat het

door hem waargenomen dier geen zoetwater-polyp kan geweest zijn, maar

waarschijnlijk Vaginicola crystallina. Hij deelde deze waarneming mede

aan de Royal Society in zijn missive van 4 November 1704 [161], terwijl

hij in een anderen brief, eveneens aan dit collegie, d.d. 28 Juni 1713

[162] het maaksel van dit diertje, dat in een kokertje, onder aan

eendekroos vastgehecht, geplaatst was, beschrijft. Hij deelde mede dat

dit kokertje aan het uiterste einde iets dikker was dan een hoofdhaar

en bestond uit kleine ronde bolletjes. Hij zag dat als het diertje zijn

lichaam uit het kokertje bracht en de raderen en tandsgewijze deeltjes

in het rond bewoog, er dan zulk een rond deeltje uit eene

doorschijnende plaats te voorschijn kwam, welk deeltje, in grootte

toenemende, zeer snel om zijn as draaide en onveranderlijk zijn plaats

bleef behouden, tot zoo lang het diertje zijn lichaam voor een gedeelte

in het kokertje plaatste en dit alzoo met een rond bolletje vergroot

werd. Door de groote beweging, die het diertje met zijn raderwerk in

het water teweegbracht, werden vele kleine deeltjes naar hetzelve

heengevoerd, die het met groote gulzigheid tot zijn voedsel bezigde.

Hij beschrijft verder nog eene andere soort, die met een „langen

staart” [163] aan de worteltjes van het eendekroos waren vastgehecht,

en die, door het uiterste van hun lichaam snel rond te draaien, het

water in groote beweging brachten. Deze konden hun „staart” snel in- en

uittrekken, waardoor het water van plaats veranderde, en zij

gelegenheid hadden hun voedsel tot zich te trekken. Hij zag er nog

andere, die veel grooter waren, met een kort en dik lichaam, die

eveneens met een „staartje” aan het kroos vast zaten; deze konden zich

verplaatsen en maakten met het voorste gedeelte van hun lichamen eene

ronddraaiende beweging.

Bij de vermelding van de hoogst belangrijke ontdekkingen en

waarnemingen van Leeuwenhoek, die onze aandacht hebben bezig gehouden,

zou ik zijne verdiensten te kort doen, indien ik niet te dezer plaatse

opzettelijk stilstond bij zijne ontdekkingen op het gebied der

planten-anatomie, waarvan de Hoogleeraar H. C. van Hall getuigt [164],

„dat deze inzonderheid, wanneer wij den tijd nagaan, waarin Leeuwenhoek

leefde, van veel gewicht zijn en talrijke microscopische ontdekkingen

bevatten, welke velen gewoon zijn als uit lateren tijd afkomstig aan te

merken.”

Zijn eerste belangrijke onderzoeking op het gebied der plantenkunde,

die wij van hem beschreven vinden, is vervat in een brief aan Robert

Hooke, d.d. 12 Januari 1680 [165] en betreft de inwendige vorming van

het hout. Hij beschrijft daarin de groote opgaande vaten van het

eikenhout en toont aan dat deze ieder voorjaar het eerst in het hout

gevormd worden [166], waardoor de afscheiding der verschillende

jaarkringen duidelijk wordt. Hij wees aan, hoe deze vaten van binnen

gevuld zijn met blaasjes, die uit zeer dunne vliesjes bestaan en

beeldde deze ook af.

Deze groote opgaande vaten zijn de Holz-zellen van Schultz [167].

Leeuwenhoek spreekt ook nog van kleiner opgaande vaten en wijst

duidelijk aan, dat de vliesjes, waaruit deze bestaan, gestippeld zijn

met deeltjes, die hem „als globulen” voorkwamen [168]. Daar nu

Leeuwenhoek (volgens van Hall) reeds in 1680 het aanzijn der stippen

aanwees, wordt hij te recht gehouden voor den ontdekker der, door de

nieuwere plantkundigen aldus genoemde gestippelde vaten (vasa spiralia

punctata). De derde soort van opgaande vaten, die Leeuwenhoek waarnam,

beschrijft hij als „zeer klein en in groote menigte aanwezig, bestaande

mede uit zeer dunne vliesjes” [169]. Dit zijn volgens van Hall de

verlengde cellen van Kieser of de vasa fibrosa van Link. Verder wees

Leeuwenhoek de schuins loopende streepen op de gestippelde vaten aan en

beeldt deze zeer duidelijk af [170].

Van de mergstralen (radii medullares) onderscheidt Leeuwenhoek de

groote mergstralen van de kleinere, die tusschen de opgaande vaten

(verlengde cellen of vasa fibrosa) zijn samengedrongen [171]. De

afbeelding, die hij van deze mergstralen tusschen de verlengde cellen

in het olmenhout geeft, is zeer fraai en duidelijk.

Leeuwenhoek heeft veel bijgedragen tot de kennis der eenvoudige

spiraalvaten en ontdekte deze het eerst in den wortel van den

muscaatnootboom. Hij leverde daarvan reeds in 1695 eene zeer duidelijke

afbeelding en beschrijft [172] zulk een spiraalvat, dat ten deele uit

zoodanige kringsgewijze deelen is samengesteld, even als of, zegt hij

„wy ons inbeelden te hebben eene seer dikke spelt ende dat wy om

soodanige spelt digt omwonden hadden een seer dun koperdraatje, en dat

wy, na de omwindinge, de spelt uyt het koperdraat hadden getrokken, als

wanneer het dunne koperdraat de omwindinge voor het meerendeel hadde

behouden.” De bladen der boomen, zegt hij [173] bestaan uit deze

eenvoudige spiraalvaten, als ook de zaadstrengen van den amandel,

hazelnoot enz.

Leeuwenhoek moet ook gehouden worden voor den ontdekker van de niet

ontrolbare spiraalvaten (Treppengange), die hij in 1692 in het

lindenhout beschreef [174].

Als bovenal merkwaardig wijst Prof. van Hall op de nasporingen die

Leeuwenhoek nog na zijn 80ste levensjaar in het werk gesteld heeft

omtrent de inwendige samenstelling van het hout van den kokosboom. Hij

beschrijft namelijk in een brief aan Boerhaave, d.d. 28 Sept. 1716

[175], de van die onzer gewone boomen geheel verschillende vorming van

dit hout en wijst aan [176] hoe deze soort van palmboom geen eigenlijk

gezegde schors bezit; geen horizontale vaten of mergstralen [177]; hoe

de bundels spiraalvaten in dit hout niet in een jaarkring vereenigd,

maar verspreid staan [178]. Eindelijk geeft Leeuwenhoek eene

beschrijving van de „witachtige stoffe, die van binnen tegen de harde

schors van de noot aanligt en mede uit spiraalvaten schijnt

samengevoegt te syn;” de daarbij door hem gevoegde afbeelding geeft,

volgens van Hall, een zeer klaar denkbeeld der zoogenaamde vasa

vermiformia.

Zijne verdere waarnemingen over de poreuse cellen [179]; de eigene

bewegende bolletjes in het eigen sap (succus proprius) [180]; de

verklaring van de eerste wording der cellen [181]; de vorming van

nieuwe cellen uit de oudere [182]; de beschrijving der samengestelde

cellen in de mattebies [183]—dit alles doet hem kennen als een

nauwkeurig waarnemer, en bevat veel dat door de nieuwere

natuuronderzoekers op gelijke wijze geleerd wordt [184].

Minder gelukkig, zegt Prof. van Hall, is Leeuwenhoek geweest ten

aanzien van de vorming der vrucht en van het zaad. Hij verviel namelijk

door zijne vergelijking van de voortteeling der dieren met die der

planten wel eens in verkeerde begrippen. Leeuwenhoek’s beschrijving en

afbeelding echter van de wijze, waarop de zaadlappen (cotyledones) in

het zaad van de boekweit zijn omgeplooid en opgevouwen in het midden

van het meel (albumen) [185], waaruit dit zaad hoofdzakelijk bestaat,

noemt van Hall „opmerkenswaardig”. Leeuwenhoek vestigt de aandacht op

het nut van deze meelachtige stof tot voeding der kiemende plant en

leert ons, hoe die stof niet aanwezig is in vele andere zaden, waarin

dan de geheele holte van het zaad door de kiem zelve wordt aangevuld.

Verder heeft Leeuwenhoek het een en ander opgeteekend over de

ontkieming der planten en heeft het eerst de kieming van het fijne

pluizige zaad der wilgen, in 36 uren tijds, beschreven en afgebeeld

[186] enz. enz.

Uit deze opgaven ziet men, dat Leeuwenhoek niet minder dan in het

dierenrijk, ook in het plantenrijk hoogst belangrijke ontdekkingen en

onderzoekingen heeft bewerkstelligd, die recht geven hem ook in dezen

tak der natuurwetenschap onder de beste onderzoekers te tellen.

De getuigenis die G. R. Treviranus [187] van Leeuwenhoek geeft: „dat

hij, niettegenstaande de mindere volkomenheid zijner werktuigen, toch

vele zaken beter dan latere waarnemers met veel sterker vergrootende

microscopen, gezien heeft,” is wel verdient, en Kieser zegt [188] van

de vier voornaamste grondleggers van de ontleding der planten het

volgende:

„Hooke geeft slechts enkele, doch bruikbare microscopische

afbeeldingen, Grew is het bevalligste, Malpighi het uitvoerigste, maar

Leeuwenhoek het getrouwste. Malpighi en Grew hebben zich dikwijls door

vooraf opgevatte meeningen laten wegslepen, doch hunne werken zijn

systematisch. Leeuwenhoek geeft slechts alleen staande, doch rijke en

tot nu toe vaak miskende bijdragen tot de hoogere planten-anatomie.” En

het mag dan ook eene welverdiende hulde genoemd worden aan den

onvermoeiden natuuronderzoeker, dat de beroemde Engelsche plantkundige

R. Brown een nieuw planten-geslacht uit Nieuw-Holland ter zijner eere

naar zijn naam, Leeuwenhoekia, genoemd heeft. „In memoriam,” zegt hij,

„Antonii van Leeuwenhoek, micrographi celeberrimi, in cujus operibus

plures et perpulchrae observationes de plantarum structura exstant”

[189].

Het is niet doenlijk al den arbeid door Leeuwenhoek behalve het reeds

opgenoemde verricht, in al de bijzonderheden te vermelden; wij zouden

anders nog stil moeten staan bij de ontdekking der „aalachtige

diertjes” in den azijn, de bacteriën in het vuil en slijm der tanden,

de kristalvorm die hij van een groot aantal verschillende zouten

beschreef, de pissteenen en mineralen die hij analyseerde, de

koraalgewassen die hij onderzocht; in een woord, schier geen voorwerp

was er dat zijn aandacht ontsnapte en waaraan hij niet zijne krachten

beproefde, ten einde zijn weetlust te voldoen en den waren aard, de

eigenschappen en samenstelling er van te leeren kennen.

Die lust tot werken bleef hem onafgebroken gedurende zijn geheele leven

bij, en verflauwde niet bij het klimmen zijner jaren en „zelfs nog 36

uren vóór zijn dood, toen hij bijna 91 jaren oud was, en zijn leden al

begonnen te verkleumen (zoo verhaalt ons Boitet, „Beschrijving van

Delft, pag. 768”), gloeide het vuur van yver noch soodanig, dat hy met

zyn byna versteve en stamelende lippen zyn gedachten noch op het papier

liet stellen, over eene soort van zant, ’t geen hem door zeker

aanzienlyk Heer en Bewinthebber der Oost-Indische Compagnie behandigt

wiert, om te zien of ’er ook eenig gout onder verborgen was” [190].

Zeer veel van de belangrijkste voorwerpen, welke Leeuwenhoek gedurende

zijn lang leven onderzocht, bewaarde hij, ieder met het daarbij

behoorend microscoop-stelletje, ten einde die van tijd tot tijd aan

eene nadere beschouwing te kunnen onderwerpen, of ze aan zijne vrienden

of belangstellenden, die hem van heinde en ver kwamen bezoeken, te

vertoonen. Volgens den Hoogleeraar Harting [191] was Leeuwenhoek de

eerste, die gezegd kan worden eene verzameling van microscopisch

anatomische praeparaten te hebben aangelegd. En dat hij in de

vervaardiging daarvan bijzonder uitmuntte, blijkt zoowel uit de door

hem zelven gegeven beschrijvingen als uit de getuigenis zijner

tijdgenooten, die in de gelegenheid waren zijne praeparaten te zien.

Folkes, een tijdgenoot en president der „Royal Society” te Londen,

deelt daaromtrent het volgende mede [192]:

„Bovendien moeten wij niet vergeten, dat hij door eene bijzondere

bekwaamheid uitmuntte in het praepareeren zijner voorwerpen, ten einde

die op de geschiktste wijze door het microscoop te beschouwen en ik ben

overtuigd, dat iedereen dit met mij eens zal zijn, die eenige van deze

voorwerpen zelf zal willen onderzoeken, zoo als die nog goed

geconserveerd door zijne lenzen te zien zijn. Wat mij aangaat, zoo heb

ik zoo veel moeilijkheid ondervonden in deze toebereiding der

voorwerpen, dat er bij voorbeeld een zeer groot verschil bestond in het

voorkomen van een en hetzelfde voorwerp, en dat, zoo als het door Mr.

Leeuwenhoek gepraepareerd was, toen het door mij zelf werd onderzocht.

Ik heb nu deze opmerking gemaakt, opdat men zich wel wachten zou

voorbarig een der observaties van dezen Heer te veroordeelen, wanneer

het niet gelukt die door zijn eigen glazen te verifieeren. Wij voor ons

zijn in dit opzicht in veel ongunstiger voorwaarden geplaatst, doordien

Leeuwenhoek veel meer ondervinding heeft dan wij, en hij zelf heeft ons

gewaarschuwd, dat zelfs zij, die het meest geoefend zijn in het gebruik

van zijne lenzen, zich nog kunnen bedriegen, indien zij hun oordeel

gronden op hetgeen zich aan hun oog voordoet, voordat zij zich door

herhaalde proefnemingen er van verzekerd hebben. Maar wij hebben zulk

een groot aantal zijner verrassendste ontdekkingen gezien, die door de

meest oordeelkundige waarnemers zijn bevestigd geworden, dat wij zeker

geen de minste reden hebben zijn getrouwheid te wantrouwen in al de

andere waarnemingen, die niet zoo herhaaldelijk en met zulk een groote

zorg zijn onderzocht geworden als deze.”

Dat Leeuwenhoek zijne praeparaten een aantal jaren in goed

geconserveerden staat wist te bewaren, kan ook blijken uit zijn eigen

bewoordingen in een brief, d.d. 17 November 1716, aan Leibnitz

geschreven [193]. „Ik hebbe sedert eenige weynige weeken aan twee

Heeren Professoren van grooten naam de doode (zaad) diertjes, soo als

ik deselve wel twaalf jaren geleden op een seer dun glaasje hadde

geplaatst, laten sien, waaraan men seer bescheydelyk het lighaam en de

staart konde bekennen.”

Men kan aannemen, dat de praeparaten die door Leeuwenhoek bewaard

werden geen andere bewerking ondergaan hebben, dan dat zij gedroogd

werden; eene handelwijze, zoo als de Hoogleeraar Harting zegt, die tot

voor korten tijd schier de eenige was, die men tot dit oogmerk bezigde.

De verzameling microscopische praeparaten, die Leeuwenhoek heeft

nagelaten en die met de daarbij behoorende microscoopstellen voorkomen

in den Catalogus der verkooping, die daarvan na zijn dood te Delft

gehouden werd (zie bl. 38), bestond uit de volgende voorwerpen:

Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875 · 第 5 / 9 题