VOORBERICHT.

Op den 24sten September van het jaar 1874, bij gelegenheid der 47ste

Vergadering van Duitsche natuuronderzoekers en artsen te Gratz ving Dr.

Ferdinand Cohn, Hoogleeraar aan de Universiteit te Breslau zijn

redevoering „Over de onzichtbare vijanden in de lucht” aan met de

volgende woorden:

„Wanneer in het volgend jaar de Vereeniging van Duitsche

natuuronderzoekers weder in Gratz bijeenkomt, zal het juist tweehonderd

jaren geleden zijn, dat het door vergrootglazen gescherpt oog van

Antony van Leeuwenhoek voor het eerst de aanschouwing van een wereld

vergund werd, die niet alleen de aarde en het water, maar het geheele

luchtruim met een onzichtbaar leven vervult.”

Toen het nu uit eene correspondentie van Prof. Cohn met een mijner

vrienden, over den juisten datum waarop Leeuwenhoek deze groote

ontdekking gedaan had, gebleken was, dat de herinnering aan de

ontdekking der infusoriën van onzen beroemden landgenoot in een

wetenschappelijken kring in Duitschland feestelijk zou herdacht worden,

vond een der leden van de „Nederlandsche Dierkundige vereeniging” zich

daardoor opgewekt, in de Vergadering van den 21sten Juni 1874 te

Middelburg gehouden, op dit voornemen de aandacht te vestigen en werd

naar aanleiding daarvan door hem de vraag gedaan, of Nederland daarbij

mocht stilzitten en of ook bij ons deze Nederlandsche ontdekking niet

gevierd behoorde te worden. Dit denkbeeld, al dadelijk toegejuicht, gaf

aanleiding, dat in de volgende najaarsvergadering te Amsterdam

gehouden, een voorstel met betrekking tot deze feestviering werd

aangenomen en niet lang daarna eene uitnoodiging van wege het bestuur

der Dierkundige Vereeniging, aan de verschillende geleerde

Genootschappen in Nederland werd gericht, om tot verwezenlijking van

dit plan mede te werken.

Deze uitnoodiging werd met sympathie ontvangen, en later afgevaardigden

tot eene Vergadering te Amsterdam bijeengeroepen, alwaar dit plan tot

eene feestelijke herdenking dezer groote ontdekking op den 8sten

September 1875 vastgesteld en eene commissie tot regeling dezer

feestviering benoemd werd.

Het was met het oog op dezen aanstaanden herinneringsdag aan de

belangrijke ontdekking van Leeuwenhoek gewijd, dat het vroeger reeds

bij mij gerezen voornemen, om een nieuwe uitgave van mijne

„Levensbeschrijving van Antony van Leeuwenhoek”, die in het jaar 1871

in het Nederlandsch Tijdschrift voor geneeskunde was opgenomen, te

bewerken en uittegeven, tot uitvoering kwam.

Het portret van Leeuwenhoek is gecopieerd naar het schoone en geloof ik

eenige, in olieverf geschilderde, toebehoorende aan den WelEd. ZGel.

Heer Dr. C. H. W. van Kaathoven te Leiden, die daartoe, met zijne

bekende welwillendheid zijn toestemming gegeven heeft.

De gedenkpenning, afgebeeld in het bekende werk van Mr. Gerard van Loon

„de Nederlandsche Historiepenningen,” is met de meeste getrouwheid

daarnaar vervaardigd. Beide deze afbeeldingen zullen voorzeker den

vereerders van Leeuwenhoek niet onwelkom zijn.

Nog enkele aanteekeningen, die ik aangaande Leeuwenhoek, sedert de

eerste uitgave, in de gelegenheid was te verzamelen, zijn hier

ingevoegd, waaronder vooral belangrijk zijn, de weinig bekende, mij

eerst onlangs onder de aandacht gekomen bijzonderheden, omtrent Johan

Ham van Arnhem, in de brieven van Leeuwenhoek vermeld als de ontdekker

der spermatozoïden, in het jaar 1862 medegedeeld door Prof. H. I.

Halbertsma, in de „Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie

van wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde.”

Ten slotte acht ik het niet onnoodig melding te maken van een verschil

dat er bestaat omtrent de maand van het jaar 1675, waarin Leeuwenhoek

de infusoriën in regen- en andere wateren heeft waargenomen en welk

verschil Prof. Cohn aanleiding gaf, na mijne levensbeschrijving van

Leeuwenhoek gelezen te hebben, nadere opheldering daaromtrent te

vragen.

In Duitschland namelijk heeft men, op gezag van Prof. C. G. Ehrenberg

te Berlijn, deze datum in April gesteld, en in navolging van dezen

geleerde hebben alle schrijvers, die over dit onderwerp gehandeld

hebben, deze tijdsbepaling van de ontdekking der infusoriën door

Leeuwenhoek overgenomen.

Genoemde geleerde had namelijk in zijn brochure „die Infusionsthierchen

als vollendete Organismen”, 1838 p. 528 geschreven, dat Leeuwenhoek de

„Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische

Aufgussthierchen” in April 1675 gemaakt had, terwijl die in 1677 door

de Royal Society te Londen is medegedeeld geworden.

Toen ik nu onlangs de eer had, op verzoek van Prof. Ehrenberg, een

exemplaar van mijne brochure over Leeuwenhoek aan hem toe te zenden en

hij mij later een afdruk toegezonden had van het „Sitzungs-Bericht der

Gesellschaft naturforschende Freunde zu Berlin, März 1875,” las ik

daarin op pag. 53 het volgende:

„Herr Ehrenberg erinnerte daran, dass Leeuwenhoek seine folgenreiche

Entdeckung der Belebung des Wassers durch mikroskopische

Aufgussthierchen im April 1675 gemacht und 1677 der Londoner Society of

Sciences mitgetheilt habe, und das diese von ihm selbst später noch

vielfach erweiterte Entdeckung in diesem Jahre ihre 200 jährige Weihe

erhalte, so dass die Aprilsitzung dieser Gesellschaft geeignet sei,

dies speciell auszusprechen.”

Ik was toen dadelijk er op bedacht de aandacht van Prof. Ehrenberg te

vestigen op eene dwaling waarin hij verkeerde, namelijk, dat de maand

van het jaar 1675 waarin Leeuwenhoek de diertjes in regenwater enz.

waarnam, niet de door hem genoemde, maar „half September” was; en dat

deze naar mijne meening juistere tijdsbepaling volgde uit de

bewoordingen, vervat in een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek aan

Constantijn Huygens d.d. 7 November 1676, berustende in de verzameling

manuscripten der Leidsche Hoogeschool, van welken brief benevens van

alle door Leeuwenhoek aan andere geleerden geschreven en in die

verzameling voorkomende, ik door de zorg van Dr. du Rieu, conservator

der manuscripten aan genoemde Akademie, afschriften mocht bekomen. Daar

nu deze brief niet gevonden wordt, noch in de Latijnsche, noch in de

Hollandsche verzameling van de brieven van Leeuwenhoek in 5 deelen in

4º. welke met den 28sten brief aanvangt, en wel van 1679, en deze brief

aan Constantijn Huygens van 7 November 1676 gedateerd is, zoo kon Prof.

Ehrenberg daarvan geen kennis dragen en berustte zijne opvatting, als

zou deze ontdekking in April 1675 zijn gedaan, op eene onnauwkeurigheid

of onduidelijkheid in den text van de Philos. Transactions Vol. X p.

821, waaruit Ehrenberg genoemden datum van April zou kunnen ontleend

hebben.

Eenigen tijd daarna ontving ik een schrijven van Prof. Ehrenberg, in

antwoord op mijn brief, waarin hij mij berichtte, dat hij door mijne

mededeeling in eene voor hem nog niet te verklaren tegenstrijdigheid

met het geprojecteerde Jubilé van Leeuwenhoek geraakt was; dat hij op

zijn hoogen leeftijd en om de moeilijkheid aan de nasporing der

oorspronkelijke bronnen verbonden bezwaarlijk dit verschil kon

oplossen, waarom hij mij verzocht dit onderzoek voor hem te willen

bewerkstelligen.

Ik heb aan dit verlangen van den grijzen geleerde volgaarne voldaan en

hem medegedeeld, dat de door hem genoemden datum van April 1675 op

eene, voor hem echter begrijpelijke, dwaling berustte, doordien hij,

niet bekend zijnde met den brief aan Huygens, het verband niet kon

opmerken, dat er bestond, tusschen dezen brief en de mededeeling in de

Phil. Transactions van 25 Maart 1677, waaruit Prof. Ehrenberg zijn

datum ontleend had.

Deze brief van Leeuwenhoek aan de Royal Society, gedateerd 9 October

1676 begint aldus:

„In the year 1675 I discover’d living creatures in Rain water,” enz. en

daarop volgen dan, als vervolg op den inhoud van dezen brief van 1676,

eenige observaties, gedaan den 26, 30 en 31 Mei en 9 Juni, doch het

jaartal staat er niet bij vermeld. Wanneer men nu de oorspronkelijke

brief van Leeuwenhoek aan C. Huygens van 7 Nov. 1676 daarmede in

verband brengt, dan wordt het duidelijk dat, òf in de Phil. Transact.

het jaartal 1676 verzuimd is te drukken achter de datums van Mei en van

9 Juni, òf dat Leeuwenhoek die verzuimd heeft te schrijven, want de

inhoud van dezen brief aan Huygens van 9 Juni, komt geheel overeen met

dien in de Phil. Transact. van 9 Juni, behalve dat bij den laatsten geen

jaartal vermeld wordt.

Genoemde brief aan Huygens begint aldus:

„Omtrent half September 1675 ontdekte ik in regenwater, dat eenige

weinige dagen in den zon gestaan had, kleine diertjes” enz. en hij

vervolgt, na de beschrijving der verschillende door hem waargenomen

soorten aldus:

„Den 9 Juni 1676 heb ik in een porceleinen schotel het water zoo zuiver

gevangen als mij doenlijk was en in een schoon rein glas gedaan..... en

na verloop van 24 uren daarin levende schepselen gezien”, terwijl in de

Phil. Transact Vol X p. 823 staat: „June 9th.” (zonder Jaartal) „having

received, early in the morning, some Rain water in a dish as before and

poured it in to a very clean wine glass, and exposed it in to the air”

enz.; en iets verder leest men in den brief aan Huygens „Op mijn plaats

in de open lucht staat een put die omtrent 15 voet diep is”..... „dit

water is des zomers zoo koud, dat men er de hand niet lang in kan

houden”..... „In dit water heb ik een groote menigte zeer kleine

dierkens ontdekt” enz. En in de Phil. Transactions p. 826 leest men:

„In the open Court of my House I have a well, which is about 15 foot

deep”..... „This water is in Summertime so cold, that you cannot

possibly endure your hand in it”....... „Not thinking at all to meet

with any living creatures in it, looking upon it in September of the

last year” (dus 1675), „I discover’d in it a great number of living

animals” enz.

Nu is het duidelijk, dat, als Leeuwenhoek aan Huygens schrijft, dat hij

„half September 1675” die diertjes ontdekte en hij het vervolg van dit

onderzoek op den 9 Juni 1676 mededeelt, de datum van die ontdekking

onmogelijk April 1675 kan geweest zijn, maar dat in Leeuwenhoek’s brief

in de Phil. Transactions, bij de vermelding van zijne Observaties in

Mei en vervolgens, het jaartal 1676 verzuimd is te plaatsen. Hierdoor,

schreef ik aan Prof. Ehrenberg, is het duidelijk, dat de verwarring,

door dit verzuim in de Phil. Transact. ontstaan is en zijne opvatting,

als zoude de vermelde datums van Mei, Juni enz. op het jaar 1675 en

niet op 1676 waarin de brief van Leeuwenhoek geschreven is, slaan,

verklaarbaar is.

Ik meende deze wederlegging van een schrijver van zoo groote autoriteit

als Prof. Ehrenberg, eenigszins uitvoerig te moeten behandelen, ten

einde eene dwaling voor goed uittemaken, waarin opvolgende schrijvers,

op het voetspoor van dezen geleerde, geraakt waren; deze uitweiding

hier ter plaatse moge daarom verschooning vinden.

Overigens hoop ik dat, nu mijne Levensbeschrijving van Leeuwenhoek in

anderen en beteren vorm, in een wijderen kring zal worden verspreid, op

een gunstig onthaal en een welwillend oordeel.

Rotterdam, Augustus 1875.

Antony van Leeuwenhoek, de ontdekker der infusorien, 1675-1875 · 第 3 / 9 题