Dit echter was juffrouw Dientje niet gewoon, dat dominee op
Zaterdag-avond, wanneer hij zijne preek placht te »memoriseeren", zich
vermeidde met orgelspel. Een koraal of een preludium had er misschien
mee doorgekund; doch een lied van zóó wereldschen toon.... Desniettemin
haastte zij zich naar het studeervertrek, om, volgens gewoonte, een paar
kandelaars te ontsteken, en die aan weerszijden van de toetsen neer te
zetten. Terwijl zij dit deed, brak de dominee plotseling zijn spelen af.
En toen zij daarop vroeg of »dominee nog iets beliefde", gaf hij geen
antwoord, maar keek haar aan met zulk eenen vreemden glimlach, met zoo
iets afgetrokkens in zijne oogen, dat de goede ziel den moed niet had om
hare vraag te herhalen.--»Hij heeft zeker eene overheerlijke gedachte
in zijn hoofd", mompelde zij bij het nederdalen naar de keuken: »zoo'n
gedachte alsof de engelen uit den hemel ze hem hadden ingegeven!"--Reeds
spitste zij zich op de preek van morgen. En zij zou het zich even zwaar
hebben toegerekend, haren leeraar bij het uitwerken zijner rede te
storen, als een lekkerbek het eene zonde geacht zou hebben zijnen kok
uit de keuken te roepen te midden van de bereiding eener kostelijke
truffelpastei.
Een half uur later echter, toen zij dominee zijne thee bracht, trof
zij hem bij het raam zittende, en welgevallig de sleden in oogenschouw
nemende, die uit de vier richtingen van den kruisweg met hare vrachten
»concertbezoekers" kwamen aangestoven. Het waren meest plompe baksleden;
maar er liepen knappe paarden voor, die in hun tingelend tuig blijkbaar
even veel schik hadden als een kind in zijne rinkelbel. De boereknapen
schreeuwden elkander toe; terwijl hunne roodwangige en breedgerokte
vrijsters groepjes vormden op het brugje over de sloot, om dan, gearmd,
al gichelend naar binnen te hollen, zoo vlug en sierlijk ongeveer als
eene kudde vaarzen die men in de klaver drijft. Baas Harmsen had, tot
opluistering van het feest, en mede tot het practische doeleinde van
verlichting, aan weerskanten van zijn hek een paar brandende pektoortsen
in den grond gestoken, wier walmende vlammen het geheel in eenen
helrooden gloed wikkelden, in schilderachtig contrast met het
bleekgrauwe duister van den besneeuwden achtergrond. Een verbazende
ommekeer, na de kleurlooze, roerlooze stilte van een uur te voren.
»Wat een oploop!" riep Berendina. »'t Is of er de zaligheid mee te
verdienen valt!"
»Och", sprak de predikant vergoelijkend: »de meesten zijn jongelui, zie
ik."--Hij wist immers zelf zoo goed wat het zeggen wil, jong te zijn.
»Als ze ooit maar zoo druk naar de kerk liepen!" hernam juffrouw
Dientje.
»Nu--de kerk hebben ze altijd bij zich.... En wie weet", liet de dominee
er op volgen:--»Misschien ligt het wel aan mijne manier van preeken, dat
de opkomst niet meer is als vroeger. Ik word oud, Dientje. Ik voel wel
dat ik den geest van het jonge geslacht zoo niet meer vatten kan. Als
men eenmaal de zestig achter den rug heeft--"
Doch verder wou Dientje niet hooren. Haar leeraar aldus zelf twijfelend
aan datgene wat voor haar zoo vast stond als de kerktoren: de
onovertrefbaarheid van zijne preeken--dit was de bescheidenheid wat
al te ver gedreven.--»Foei neen!" riep zij: »zóó mag dominee niet
spreken!--Maar ik zie het wel: dominee haalt zich van avond allerlei
muizenissen in het hoofd!--Kom! die mooie vertooning bij Arie Harmsen is
begonnen. Laat mij den boel nu eens wat opfleuren: dan kan dominee aan
den slag. 't Is niet goed voor een mensch, zoo alleen in het donker te
zitten turen!"--Meteen paarde de trouwe zorg de daad aan het woord. Zij
stak de lamp aan, liet de gordijnen neder, legde haar meesters lange
pijp naast zijnen tabakspot, schoof zijnen stoel bij de schrijftafel--en
wenschte dominee verder »eene gezegende studie"; hetwelk zooveel gezegd
was als: »Nu niet langer gesuft en getreuzeld! Aan uwe preek!--anders
zitten ik en uwe gemeente morgen zonder!"
De waarheid was, dat de heer Malthus dien avond geene nieuwe preek
behoefde gereed te maken, aangezien hij van zins was zich morgen maar
eens met eene oude te behelpen. Onder het uitkijken echter naar de
bezoekers van Signor Buonaventura's concert, had hij plotseling den
lust in zich voelen opkomen om zijne kudde eens te onderhouden over een
onderwerp, dat in eene dorpskerk al zeer zelden tot tekst dient, maar
dat morgen in de =zijne= nu juist bijzonder van pas zou komen:--de
kunst, en haar invloed op het leven van den mensch. Kon hij den
tingeltangel niet weren, hij zou ten minste het onding in al deszelfs
gedrochtelijke leelijkheid ten toon kunnen stellen, en daar nevens
in reine vormen het beeld ontwerpen van hetgeen waarlijk schoon en
liefelijk is. Het landvolk zou er misschien luttel van meedragen; maar
licht toch zou er een woord of een wenk hier en daar in goede aarde
belanden. Hoe het wezen mocht--het denkbeeld sleepte hem mee: de stof
bezielde hem.
Geen wonder. Was hij er niet altoos nog vol van? Kon hij over deze zaak
niet spreken uit rijke, al te rijke ervaring?--Muziek was levenslang
zijne aangebedene geweest; en zijn verleden had meegebracht dat hij
de wereld der muziek doorwandelde in al hare rijken: van het hoogste
tot het laagste. Hij had menschen vol schoone belofte zich zien
verliederlijken in hare prostitutie; en anderen, die der vertwijfeling
nabij schenen, had hij redding en heil zien vinden in haren eeredienst.
Behoorde hij zelf niet tot die laatsten? Was diezelfde kunst, die hem in
zijne jeugd op een struikelpad gelokt had, en die hij later bij zijne
omzwervingen had leeren kennen in hare diepste vernedering, als eene
verworpelinge, eene veile, schaamtelooze voetwisch--, was diezelfde
kunst, van alle zinnelijks gelouterd, niet zijne troosteresse geworden,
zijne heilige, zijne godin?--Ja waarlijk! over kunst en hare zedelijke
waarde kon hij iets meepraten--zoo niet voor boeren, dan tot zijne
eigene stichting allicht.
Hij schreef. Gedachte bij gedachte welde er op uit zijnen geest, sneller
dan zijne pen ze kon neerkladden op het papier;--gedachten, waarvan hij
er vele ook bannen moest, omdat zij geheel buiten de bevatting zouden
gelegen hebben van zijne gemeentenaren. Want mocht hij soms vergeten
hebben voor wie =hij= schreef--het zou hem wel herinnerd zijn geworden
door den wind, die, allengs opstekend uit het noordoosten, telkens
een flauw gerucht van het tieren in de nabijzijnde herberg tot hem
overdroeg.... Het programma moest wel uitermate in den smaak vallen.
Hoor! Werd temet dit algemeene gelach uitgelokt door hetgeen Frans en
Fransientje van elkaar bespieden konden door »het scheurtje in het
kamerschut"? Loonde wellicht dit daverende getrappel, vermengd met
schor gebrul, het duo van Signor Vincentio Buonaventura en Mademoiselle
Celestine: »_Reik mij de hand, mijn leven! Kom in mijn slot met
mij!_"----Och, och! »_Là ci darem la mano!_"--Men kan het voordragen
op verschillende wijs: als een gevallen engel, en als een krolsche
kater--gelijk men aan Eros offeren kan als eene Aspasia, en als eene
straatdeern...... Maar dominee Malthus verdiepte zich hierin niet.
Hij schreef. Hoe echte kunst uit God is, en tot God ons opvoert; hoe
kunst-=verachters= gelijk zijn aan hen die, hongerende, een hemelsch
manna zouden versmaden--en kunst-=misbruikers= de zonde begaan, die er
met straf bedreigd staat in het tweede gebod; hoe op het gemoed niets
verfrisschender werkt dan =ware= kunst, en niets verderfelijker dan
=valsche=; hoe het ook aan den kleinste gegeven is, aan den veldarbeider
in zijne hut, aan den landman op zijne hoeve, kunst te beoefenen, aan de
bron van het eeuwig liefelijke zich met eene teug te laven, elk naar
zijnen aard, zijne behoeften en zijne vermogens--dit alles schreef hij
neder met gloed en klaarheid.
Middelerwijl scheen daar naast het concert afgeloopen te zijn, en de
dans eenen aanvang te hebben genomen. De al aanzwellende noordooster
toch woei af en toe de gillende tonen over van eene viool en eene
klarinet--arme instrumenten, die in hunne betere dagen misschien eervol
hadden dienst gedaan in eene symphonie-orkest, en nu te klaaglijker
jankten over de vernedering van te moeten opspelen bij eene
klompen-polka....... Maar dominee Malthus lette er niet op en ergerde
zich er niet aan. Hij schreef.
Het uurwerk op den schoorsteenmantel sloeg twaalf--: en de preek was af.
Nooit had de dominee geschreven met zooveel bezieling; en toch nooit
ook had hij eene preek opgesteld, die zóó weinig op eene preek geleek,
als deze. Innig tevreden over zijnen arbeid, wilde hij ter ruste gaan;
hij wilde insluimeren met het gevoel van bijna goddelijke weelde, dat
den dichter, den kunstenaar, den leeraar vervult, wanneer hij met een
goed stuk werk het bewijs mocht afleggen hoe de vonk in hem nog niet
uitgedoofd is. Opeens echter werd hij uit de kalme vreugde van dit
zelfbehagen opgeschrikt door een wild rumoer.