II.

Dit echter was juffrouw Dientje niet gewoon, dat dominee op

Zaterdag-avond, wanneer hij zijne preek placht te »memoriseeren", zich

vermeidde met orgelspel. Een koraal of een preludium had er misschien

mee doorgekund; doch een lied van zóó wereldschen toon.... Desniettemin

haastte zij zich naar het studeervertrek, om, volgens gewoonte, een paar

kandelaars te ontsteken, en die aan weerszijden van de toetsen neer te

zetten. Terwijl zij dit deed, brak de dominee plotseling zijn spelen af.

En toen zij daarop vroeg of »dominee nog iets beliefde", gaf hij geen

antwoord, maar keek haar aan met zulk eenen vreemden glimlach, met zoo

iets afgetrokkens in zijne oogen, dat de goede ziel den moed niet had om

hare vraag te herhalen.--»Hij heeft zeker eene overheerlijke gedachte

in zijn hoofd", mompelde zij bij het nederdalen naar de keuken: »zoo'n

gedachte alsof de engelen uit den hemel ze hem hadden ingegeven!"--Reeds

spitste zij zich op de preek van morgen. En zij zou het zich even zwaar

hebben toegerekend, haren leeraar bij het uitwerken zijner rede te

storen, als een lekkerbek het eene zonde geacht zou hebben zijnen kok

uit de keuken te roepen te midden van de bereiding eener kostelijke

truffelpastei.

Een half uur later echter, toen zij dominee zijne thee bracht, trof

zij hem bij het raam zittende, en welgevallig de sleden in oogenschouw

nemende, die uit de vier richtingen van den kruisweg met hare vrachten

»concertbezoekers" kwamen aangestoven. Het waren meest plompe baksleden;

maar er liepen knappe paarden voor, die in hun tingelend tuig blijkbaar

even veel schik hadden als een kind in zijne rinkelbel. De boereknapen

schreeuwden elkander toe; terwijl hunne roodwangige en breedgerokte

vrijsters groepjes vormden op het brugje over de sloot, om dan, gearmd,

al gichelend naar binnen te hollen, zoo vlug en sierlijk ongeveer als

eene kudde vaarzen die men in de klaver drijft. Baas Harmsen had, tot

opluistering van het feest, en mede tot het practische doeleinde van

verlichting, aan weerskanten van zijn hek een paar brandende pektoortsen

in den grond gestoken, wier walmende vlammen het geheel in eenen

helrooden gloed wikkelden, in schilderachtig contrast met het

bleekgrauwe duister van den besneeuwden achtergrond. Een verbazende

ommekeer, na de kleurlooze, roerlooze stilte van een uur te voren.

»Wat een oploop!" riep Berendina. »'t Is of er de zaligheid mee te

verdienen valt!"

»Och", sprak de predikant vergoelijkend: »de meesten zijn jongelui, zie

ik."--Hij wist immers zelf zoo goed wat het zeggen wil, jong te zijn.

»Als ze ooit maar zoo druk naar de kerk liepen!" hernam juffrouw

Dientje.

»Nu--de kerk hebben ze altijd bij zich.... En wie weet", liet de dominee

er op volgen:--»Misschien ligt het wel aan mijne manier van preeken, dat

de opkomst niet meer is als vroeger. Ik word oud, Dientje. Ik voel wel

dat ik den geest van het jonge geslacht zoo niet meer vatten kan. Als

men eenmaal de zestig achter den rug heeft--"

Doch verder wou Dientje niet hooren. Haar leeraar aldus zelf twijfelend

aan datgene wat voor haar zoo vast stond als de kerktoren: de

onovertrefbaarheid van zijne preeken--dit was de bescheidenheid wat

al te ver gedreven.--»Foei neen!" riep zij: »zóó mag dominee niet

spreken!--Maar ik zie het wel: dominee haalt zich van avond allerlei

muizenissen in het hoofd!--Kom! die mooie vertooning bij Arie Harmsen is

begonnen. Laat mij den boel nu eens wat opfleuren: dan kan dominee aan

den slag. 't Is niet goed voor een mensch, zoo alleen in het donker te

zitten turen!"--Meteen paarde de trouwe zorg de daad aan het woord. Zij

stak de lamp aan, liet de gordijnen neder, legde haar meesters lange

pijp naast zijnen tabakspot, schoof zijnen stoel bij de schrijftafel--en

wenschte dominee verder »eene gezegende studie"; hetwelk zooveel gezegd

was als: »Nu niet langer gesuft en getreuzeld! Aan uwe preek!--anders

zitten ik en uwe gemeente morgen zonder!"

De waarheid was, dat de heer Malthus dien avond geene nieuwe preek

behoefde gereed te maken, aangezien hij van zins was zich morgen maar

eens met eene oude te behelpen. Onder het uitkijken echter naar de

bezoekers van Signor Buonaventura's concert, had hij plotseling den

lust in zich voelen opkomen om zijne kudde eens te onderhouden over een

onderwerp, dat in eene dorpskerk al zeer zelden tot tekst dient, maar

dat morgen in de =zijne= nu juist bijzonder van pas zou komen:--de

kunst, en haar invloed op het leven van den mensch. Kon hij den

tingeltangel niet weren, hij zou ten minste het onding in al deszelfs

gedrochtelijke leelijkheid ten toon kunnen stellen, en daar nevens

in reine vormen het beeld ontwerpen van hetgeen waarlijk schoon en

liefelijk is. Het landvolk zou er misschien luttel van meedragen; maar

licht toch zou er een woord of een wenk hier en daar in goede aarde

belanden. Hoe het wezen mocht--het denkbeeld sleepte hem mee: de stof

bezielde hem.

Geen wonder. Was hij er niet altoos nog vol van? Kon hij over deze zaak

niet spreken uit rijke, al te rijke ervaring?--Muziek was levenslang

zijne aangebedene geweest; en zijn verleden had meegebracht dat hij

de wereld der muziek doorwandelde in al hare rijken: van het hoogste

tot het laagste. Hij had menschen vol schoone belofte zich zien

verliederlijken in hare prostitutie; en anderen, die der vertwijfeling

nabij schenen, had hij redding en heil zien vinden in haren eeredienst.

Behoorde hij zelf niet tot die laatsten? Was diezelfde kunst, die hem in

zijne jeugd op een struikelpad gelokt had, en die hij later bij zijne

omzwervingen had leeren kennen in hare diepste vernedering, als eene

verworpelinge, eene veile, schaamtelooze voetwisch--, was diezelfde

kunst, van alle zinnelijks gelouterd, niet zijne troosteresse geworden,

zijne heilige, zijne godin?--Ja waarlijk! over kunst en hare zedelijke

waarde kon hij iets meepraten--zoo niet voor boeren, dan tot zijne

eigene stichting allicht.

Hij schreef. Gedachte bij gedachte welde er op uit zijnen geest, sneller

dan zijne pen ze kon neerkladden op het papier;--gedachten, waarvan hij

er vele ook bannen moest, omdat zij geheel buiten de bevatting zouden

gelegen hebben van zijne gemeentenaren. Want mocht hij soms vergeten

hebben voor wie =hij= schreef--het zou hem wel herinnerd zijn geworden

door den wind, die, allengs opstekend uit het noordoosten, telkens

een flauw gerucht van het tieren in de nabijzijnde herberg tot hem

overdroeg.... Het programma moest wel uitermate in den smaak vallen.

Hoor! Werd temet dit algemeene gelach uitgelokt door hetgeen Frans en

Fransientje van elkaar bespieden konden door »het scheurtje in het

kamerschut"? Loonde wellicht dit daverende getrappel, vermengd met

schor gebrul, het duo van Signor Vincentio Buonaventura en Mademoiselle

Celestine: »_Reik mij de hand, mijn leven! Kom in mijn slot met

mij!_"----Och, och! »_Là ci darem la mano!_"--Men kan het voordragen

op verschillende wijs: als een gevallen engel, en als een krolsche

kater--gelijk men aan Eros offeren kan als eene Aspasia, en als eene

straatdeern...... Maar dominee Malthus verdiepte zich hierin niet.

Hij schreef. Hoe echte kunst uit God is, en tot God ons opvoert; hoe

kunst-=verachters= gelijk zijn aan hen die, hongerende, een hemelsch

manna zouden versmaden--en kunst-=misbruikers= de zonde begaan, die er

met straf bedreigd staat in het tweede gebod; hoe op het gemoed niets

verfrisschender werkt dan =ware= kunst, en niets verderfelijker dan

=valsche=; hoe het ook aan den kleinste gegeven is, aan den veldarbeider

in zijne hut, aan den landman op zijne hoeve, kunst te beoefenen, aan de

bron van het eeuwig liefelijke zich met eene teug te laven, elk naar

zijnen aard, zijne behoeften en zijne vermogens--dit alles schreef hij

neder met gloed en klaarheid.

Middelerwijl scheen daar naast het concert afgeloopen te zijn, en de

dans eenen aanvang te hebben genomen. De al aanzwellende noordooster

toch woei af en toe de gillende tonen over van eene viool en eene

klarinet--arme instrumenten, die in hunne betere dagen misschien eervol

hadden dienst gedaan in eene symphonie-orkest, en nu te klaaglijker

jankten over de vernedering van te moeten opspelen bij eene

klompen-polka....... Maar dominee Malthus lette er niet op en ergerde

zich er niet aan. Hij schreef.

Het uurwerk op den schoorsteenmantel sloeg twaalf--: en de preek was af.

Nooit had de dominee geschreven met zooveel bezieling; en toch nooit

ook had hij eene preek opgesteld, die zóó weinig op eene preek geleek,

als deze. Innig tevreden over zijnen arbeid, wilde hij ter ruste gaan;

hij wilde insluimeren met het gevoel van bijna goddelijke weelde, dat

den dichter, den kunstenaar, den leeraar vervult, wanneer hij met een

goed stuk werk het bewijs mocht afleggen hoe de vonk in hem nog niet

uitgedoofd is. Opeens echter werd hij uit de kalme vreugde van dit

zelfbehagen opgeschrikt door een wild rumoer.

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 23 / 24 题