Wat was er?----

Bij Harmsen viel eene deur met eenen zwaren slag dicht; vensters werden

opgerukt; schorre stemmen schreeuwden door elkander--een kluwen van

rauwe vloeken en bitse uitroepen. Hier had men het obligate naspel van

eene muziekuitvoering met dans ten plattelande: eene kloppartij.

Het was iets zóó gewoons, en de veldslagen van Noordhollandsche

boerejongens, hoe rijk aan grof kanonvuur van verwenschingen,

veroorzaakten in den regel zóó weinig bloedvergieten, dat de heer

Malthus zeer zeker in deze gebeurtenis geene aanleiding zou gevonden

hebben om zijne welverdiende nachtrust op te schorten--indien het hem

niet duidelijk ware geworden, dat de strijdenden, langs den weg elkander

nazettende, zich met groote snelheid over het brugje van de pastorie

bewogen: dat daarop de wijkende partij zich in den rug zocht te schutten

met behulp van dominees huisdeur, en dat aanstonds dus het gevecht op

dominees stoep dreigde beslecht te worden. Dit liep den man des vredes

nu toch te spaansch. Hij schoof zachtkens een raam open, stak het hoofd

buiten, en zag (want de donkere gestalten teekenden zich tegen den

sneeuwgrond scherp genoeg af) eenen man, die zich met eenen stok zoo

goed hij kon verweerde tegen een drietal jonge kinkels. Het liet zich

denken dat de aldus besprongene, uit de danszaal gegooid en verder met

een duchtig pak slaag bedreigd, al vluchtende deze strategische beweging

naar de pastorie had volvoerd, in de hoop van daar binnen, waar hij nog

licht had zien branden, wijkplaats of bescherming te zullen vinden.

»Pakt beet den Spanjool!" brulden de boeren: »Wacht, snoeshaan, sinjeur

Bonneventuur!--Als je avonturen wilt, hier heb je er een! We zullen jou

leeren om een braaf Hollandsch meissie te behandelen als een.......

Hier, schoelje! Draait hem den nek om, jongens!"

De aangevallene schold met heesche stem terug; zuiver Hollandsche

scheldwoorden, die niemand dan een geboren Nederlander ter beschikking

heeft, doch die hij uitsprak met eenen sterk Duitschen tongval. Tevens

verdedigde hij zich als een wanhopige. Hij scheen in het schermen met

den korten stok niet onbedreven, zoodat hij nog steeds het drietal op

zekeren afstand hield. Eindelijk echter gelukte het eenen der boeren,

hem achter den rug te komen. In eenen oogwenk was de rotting hem uit de

vuisten gewrongen--lijf aan lijf grepen de woedenden elkander aan. Hunne

schoppen en stooten bonsden tegen de deur.

Daar kon een moord uit worden, meende de predikant: want hem dacht dat

hij in de hand des vreemdelings een mes had zien blinken. IJlings stak

hij eene kaars aan, greep uit eene kast--meer instinctmatig dan met

bewustheid--een ouden maskerade-degen, haastte zich naar beneden, rukte

de deur open, en stond op den drempel.

Zijn plotseling opdagen werkte op de worstelenden als een tooverslag:

zij lieten elkander los, en deinsden hijgende achterwaarts. Licht

verklaarbaar. Zooals de grijsaard daar stond, in zijne lange kamerjapon,

blootshoofds, met bestraffenden blik, den degen in de rechter, den

kandelaar in de linker hand, zweemde hij voor de drie boeren naar eene

geestverschijning. Zichzelven echter, hadde hij zich in eenen spiegel

weerkaatst gezien, moest hij op treffende wijze het beeld te binnen

geroepen hebben van den Gouverneur in het eerste tooneel van _Don Juan_,

als deze naar buiten treedt om zijne dochter te ontzetten. Inderdaad,

deze overeenkomst bleek ook terstond in het oog te vallen van den

persoon, dien de boeren afgerost en Bonneventuur genoemd hadden.

»_Davvéro!_" riep hij, met een dronken lachje, te gelijk naar adem

happend en zich met de mouw het voorhoofd afwisschend: »_Davvéro!--il

commendatore!_"

Het kaarslicht viel op des sprekers gelaat----en de kandelaar plofte uit

dominees hand op de steenen.

»_Animo, Signore!_" hernam de vreemde man, terwijl hij, om de onthutste

boeren blijkbaar zich niet meer bekommerend, zich in postuur zette als

een duellist:--»Hebt ge lust, oude patroon?--_Frisch auf! Zieh' den

Degen!_ Il Commendatore tegen Don Giovanni----ha ha ha ha ha!----Don

Juan del Mulino!----Of wilt ge mij helpen tegen deze lompe vlegels,

die zich zoo boos maken om een kus?----Nun! bedankt inmiddels voor de

tusschenkomst. _Buona notte!_----En u ook, heeren", (dit was tot de drie

boerenlummels gericht)--»u ook, heeren! schönen dank voor de hartelijke

aufnahme!--_Addio!_ Wel te rusten!--_Wir treffen uns schon wieder,

Halunkenpack!_"----Met dezen groet keerde hij zich om, en liep het

brugje over, den weg op, terug naar Harmsen's herberg.

Dominee Malthus had nog geen woord gesproken. Eerst nu de vreemdeling

uit het gezicht was, opende hij de lippen.

»Vrienden", stamelde hij tot de boeren: »'t is zondag-nacht.... Gij hebt

me .... erg doen schrikken. Gaat nu rustig naar huis .... en .... wat ik

u bidden mag .... laat .... laat dien man verder ongemoeid."

Hij sloot de deur, gaf op de vragen van zijne doodelijk ontstelde

huishoudster geen antwoord, en waggelde de trap op naar zijne kamer,

waar hij voor de sofa geknield bleef liggen.

Nu wist hij alles. Het lange gissen was knaging geweest. Maar de

plotselinge zekerheid trof als een dolkstoot.

* * * * *

En als na slapeloozen nacht de ochtend grauwde voor dominee Malthus,

sloeg hij zich voor het hoofd, zich nogmaals verwijtend zijne zwakheid,

zijne lafheid, zijn plichtverzuim. Beklonken echter was zijn besluit in

die bange uren. Wat hij gisteren niet had =kunnen= van zich krijgen,

dat zou hij heden volvoeren--dezen zelfden dag nog, onverwijld. Er was

gevaar in dralen. Die man kon heden zijnen naam vernemen, en tot hem

komen met de bedreiging: »Ik ken u: geef mij geld: of ik stel u op de

kaak!"--Dit mocht niet wezen. Hij zelf wilde tot dien ongelukkige gaan,

en tot hem zeggen: »Ik ben Lodewijk Malthus: ik erken u als vleesch van

mijn vleesch: deel met mij wat ik heb!"--Daarna zou hij zich tot de

wereld wenden, en openlijk verklaren, voor allen die het hooren wilden:

»Deze ellendige hier, deze dronkaard, deze verloopen kermisschuimer,

deze zedelooze potsenmaker--is (hoort ge wel?) is =mijn zoon=!"......

God wist wat het hem kosten zou! Zijn ambt, de achting zijner

medemenschen, zijn gerief en zijne liefhebberijen--waaraan een grijsaard

nog méér gehecht is dan een kind aan zijn speelgoed--, letterlijk alles!

En dit voor eenen rampzalige, die toch door geene menschenmacht meer tot

mensch te maken was...... Doch zóó zou het geschieden. Hoe zwaarder en

oogenschijnlijk nutteloozer dit tweede zoenoffer wezen zou, des te meer

kans dat het den Hemel aannemelijker zou zijn dan het vroegere.

Over een uur moest hij preeken..... Wat preeken!--Hij had heel zijn

leven te veel al gepreekt. Nu eindelijk zou hij eens handelen!.... Maar

stil: hij wilde ook hierin zijnen plicht vervullen tot het laatste.

Preeken zou hij dus. Doch niet de preek die hij gisteren-avond zoo vol

edel vuur had neergeschreven. Thans over kunst en wankunst te spreken,

zou hem onmogelijk zijn, al hadde hij met elk woord zijn leven een jaar

kunnen verlengen.

Het deed er trouwens weinig toe, wat of hoe hij leeraarde dien ochtend.

Want de jongere helft zijner gemeente sliep hare roes uit van den

vorigen avond; en de oudere helft bleef tehuis om den sneeuwstorm,

die al wilder en dichter kwam aangereden sedert het ochtend-uur. Ware

juffrouw Berendina niet in de kerk geweest, aandachtig voor eene gansche

schare, de dominee zou in den kansel gestaan hebben voor stoelen en

banken.

Terstond na kerktijd begaf hij zich naar Arie Harmsen, die zich al

schrap zette toen hij hem naderen zag, verwachtende dat dominee hem

een strafsermoen kwam houden wegens het gebeurde in dien nacht. Tot

's mans verbazing repte de heer Malthus over het geheele concert

en bal geen woord, en wenschte hij enkel het adres te weten van den

directeur der troep, Vincentio Buonaventura. Die inlichtingen kon

de kastelein verstrekken: Monsieur Bonneventuur en gezelschap hadden

hun hoofdkwartier opgeslagen in een armoedig logement van het naburige

marktstadje; van daar uit bereisden zij de omliggende dorpen......

»Maar wat" (vroeg Arie Harmsen aan zijne vrouw) »wat drommel kon dit den

dommenei schelen?"--Dien dag vroegen al de bezoekers van de herberg, en

den volgenden dag vroegen al de bewoners van den polder elkander af:

»wat, in liefdes naam, den dommenei nu toch met dien Spanjoolschen

liedjeszanger kon uitstaande hebben?"

In het middaguur reeds was des dominees tuinman op weg naar de stad,

met een briefje van zijnen meester aan den heer Vincentio Buonaventura,

houdende verzoek aan dien persoon om zich dienzelfden dag nog te

vervoegen bij den predikant, ten einde van dezen zekere omstandigheden

te vernemen, voor hem, Buonaventura, van het grootste belang.

Zoo bracht dan elke schrede van den minuutwijzer het oogenblik der

vreeselijke ontmoeting nader. En elk uur deed ook het noodweer nog

aanwakkeren, daar buiten over de uitgestorvene velden. De gierende

stormwind joeg de poedersneeuw schier horizontaal voor zich heen, of

deed, wanneer een plotseling uitschietende zijwind hem in de flank

tastte, haar opstuiven in toomeloos gedwarrel, om straks te woedender

haar tegen den bodem te ploffen. De binten van het oude huis kraakten

onder den last en den druk; het geboomte steende als in doodsstrijd.

Zou hij komen?--Geen twijfel.

Maar zou hij =kunnen= komen?....... De dominee wachtte en keek uit.

Zijne koortsige gejaagdheid maakte plaats voor eene onbegrijpelijke

kalmte. Des te beter; kalmte juist zou hij wel noodig hebben. Toch speet

het hem, dat hij geen uur had bepaald. Wachten is zoo pijnlijk--vooral

wanneer men weet dat hetgeen er komen moet het pijnlijkst zal zijn van

alles.

De schemering daalde; het duister viel. Niemand!--De avond verstreek; de

nacht was aangebroken. Niemand nog!

Dien nacht ook weder kwam geen slaap den gemartelden grijsaard

verkwikken. Hij bleef zitten wachten, of die man nog komen zou. Hij

luisterde naar het razen van den storm, naar het ritselen van de scherpe

sneeuwkorrels tegen de glasruiten. Elk rammelen van een venster, elk

klepperen van een blind deed hem de ooren spitsen, ofschoon hij wel

wist dat nu zijn wachten ijdel was. In het huilen der vlagen door den

schoorsteen meende hij soms een kermend hulpgeroep te hooren--in het

gieren der rukwinden over het dak, het wraakgeschrei der hellegeesten

die Don Juan ten afgrond sleurden.... Eindelijk, verstijfd van koude,

legde hij zich te bed, waar een stuipachtig sluimeren hem zwevende

hield tusschen angstig waken en benauwd gedroom.

Des morgens was het weder bedaard. Vroeg reeds maakte hij zich op,

gedreven door eenen martelenden angst, en tegelijk door eene heimelijke,

ontzettende hoop, die hij met alle macht zocht terug te dringen in den

afgrond van zijn binnenste. De angst was uit God, de hoop was uit den

Duivel. Zóó zijn wij arme stervelingen geschapen.

Hij wilde naar het stadje. Rijtuig of slede kon door de opgehoopte

sneeuw niet heen. Te voet ging hij dus.

Een moeizame tocht. Hier en daar was er haast geen dóórkomen aan den

weg, die van de volgesneeuwde slooten nauwelijks te onderscheiden viel.

De halve gang echter werd den wandelaar uitgespaard. Want ginds op het

veld bespeurde hij een viertal mannen, zelf tot hunne heupen in de

sneeuw verzonken, bezig met iets zwarts uit eene greppel te zeulen.

Hij zag niet wat het was; maar hij voelde wat het wezen =moest=......

»Triomf!" juichte de stem der zelfzucht in hem: »Lodewijk Malthus, gij

kunt blijven wie ge zijt!"....... De schok deed hem wankelen.

Bewusteloos zeeg hij neder in de sneeuw.

* * * * *

»Ja", zeiden de boeren: »was dat nu ook een tocht voor den dommenei! Wat

deed zoo'n ouwe man met zulk een weer nu alleenig op den weg!----Maar"

(lieten zij er fluisterend op volgen), »dat hij zoo deerlijk bedroefd en

verslagen stond bij het dooje lijk van dien dronken spullevent--dát was

toch rarig, hè?"

* * * * *

Hij liet ook nu de menschen praten. Kalm, na die ééne losbarsting van

vadersmart, heeft hij zijnen dooden zoon aanschouwd, toen het lijk was

neergelegd in zijne stille binnenkamer. Dien nacht, bij het kaarslicht,

had hij Carlotta's trekken in hem herkend, verwrongen door dronkenschap

en strijd. Thans, nu de dood de rimpels van vermoeienis en uitspatting

had weggestreken: nu de arme verworpeling daar rustte in zijnen eeuwigen

slaap, koud en bleek, en schoon haast als zijne móeder in hare

jeugd--thans was de gelijkenis nog sprekender.

Onwaardige moeder! onwaardige zoon!....... Maar wat!--=Hij= had ze

liefgehad, die twee onwaardigen! Boven alles op aarde had hij ze

liefgehad!

* * * * *

Onder de iepen achter het polderkerkje ligt Don Juan del Mulino

begraven.

Vaak in den vroegen ochtend, of 's avonds in het schemeruur, slentert

dominee Malthus achter het bedehuis om, en staat hij even in gepeins bij

het schamele graf.

De oude man is nog stiller geworden. Maar Dientje--die trouw hare

muschjes blijft voederen, en niet aflaat, al zijn de kraaien brutaal--,

juffrouw Dientje verklaart dat hij in zichzelven gelukkiger is dan

vroeger ..... vroeger, weet ge--vóór dat ongeluk met dien liedjeszanger,

dat dominee zich zoo aantrok--niemand begreep waarom. »Ja ja", zucht

Berendina, als het hierover te praten komt: »We meenen elkaar te

kennen--maar we zijn allemaal raadselen voor elkander; en God alleen

weet wat ieder onzer zoo al in zijn binnenste verborgen houdt!"

Vaker dan ooit zit dominee Malthus aan zijn harmonium. Soms breekt hij

plotseling den stroom van zijne geliefde koralen en preludiën af, om met

zachte registers aan te heffen:

»_Là ci darem la mano!_"----

De zang der verlokking ruischt dan als een lied der verzoening--als eene

bede om vergiffenis voor den misstap die zoo ras begaan werd, en zoo

lang geboet.

Chiaroscuro.

_Clair--obscur--

C'est un mystère,

Qui souvent me trouble l'esprit:

L'oeil parfois, que le jour éblouit,

Perd son chemin dans la lumière,

Tandis que, égaré, obscurci.

Il voit un phare dans la nuit._

Het was al tamelijk laat in den avond, toen de omnibus van het station,

na veel hotsen en botsen, mij door zijn stilstaan te beduiden gaf dat

ik mij bevond aan de deur mijner bestemming: de deur, of liever de

poort, van het wijdvermaarde _Rothe Haus_ te Trier. Ik stapte uit. De

gebruikelijke kellner (gij kent hem: den bewusten met de bij afwisseling

zwarte en blonde bakkebaardjes: denzelfden die bij de aankomst van elken

omnibus heeft post gevat voor de deuren van alle hotels ter wereld)

maakte de gebruikelijke Judas-achtige buiging; wij wisselden de

gebruikelijke vragen en antwoorden--en ik verloor daarna geen oogenblik

om de eetzaal binnen te gaan, waar mij zonder dralen een bord van de

gebruikelijke watersoep werd onder den neus geschoven, als inleiding

tot de gebakkene aardappelen en kalfscoteletten, dewelke, gelijk

gebruikelijk, niet nalaten zouden zoo aanstonds te volgen.

Ik had in den trein, van Straatsburg komende, reeds opgemerkt dat het

een zeldzaam schoone nacht beloofde te worden: de volle maan rees als

een rijpe granaat-appel boven de golvingen van het Badensche gebergte.

In den omnibus was het mij niet ontgaan, dat ik doorreed onder den

holklinkenden poortboog van een donker gevaarte--de Porta Nigra, naar

een mede-passagier mij konddeed. Ik had voorts gelezen dat het logement

waar ik mijnen intrek nam, het Roode Huis, gerekend wordt tot de

merkwaardigste gebouwen van Rijnland's merkwaardigste stad. Doch met

voorbedachten rade had ik noch op het een, noch op het ander acht

geslagen, getrouw aan mijnen stelregel om zoo min mogelijk de waarneming

van het schoone te doen samengaan met de nijpingen van eene hongerige

maag en eenen dorstigen gorgel. De wolf in u, o mensch, gevoelt voor het

verhevene niets. Werp hem eene kluif toe, vóór gij uit bewonderen of uit

mijmeren gaat, opdat hij u met zijn blaffen niet store.

Eerst bij het ledigschenken van mijn tweede halfje Brauneberger

bespeurde ik dat ik niet alléén gegeten had. Rechts en links van mijnen

stoel aan het boveneinde van den disch zaten op geringen afstand twee

vrouwen, waarvan de eene met een boek, de andere met een handwerk zich

onledig hield. Vreemd! Ik meende toch wel zeker te zijn dat er daareven

nog, buiten den knecht en mijzelven, niemand in de zaal was geweest. Hoe

was het mogelijk, dat ik van het binnenkomen dezer nieuwe gasten niets

bemerkt had? Hier waren geene deuren die onhoorbaar als zefirs om hare

hengselen zwenkten; hier was geen perzisch tapijt waarover de voetstap

geruchtloos henenglipt;--de planken vloer lag zelfs vrij dik met zand

bestrooid. Kon de gulzigheid des hongers mij blind en doof hebben

gemaakt? Maar zóó streelend voor het verhemelte had ik toch waarlijk de

opgewarmde klieken uit deze Triersche vetpotten niet gevonden, om onder

het genot er van al mijne overige zintuigen uit wandelen te laten gaan.

Vreemd inderdaad! van welke zijde ik het ook bekeek. En tevens voor mij

wel een weinig beschamend. Het kwam in mij op, dat ik mij in de oogen

dezer dames moest hebben aangesteld als een hyena tijdens de voedering.

Niet ééns te hebben opgekeken van mijn bord, terwijl zij binnentraden,

met eene minzame neiging misschien--en mij de eer bewezen, zoo dicht in

mijne nabijheid aan de tafel plaats te nemen!--Ik begreep mijzelven

niet--en nog minder begreep ik het raadselachtige opduiken van deze twee

dischgenooten.

Intusschen, hoe zij er dan ook gekomen waren--daar zaten zij, zwijgend

tegenover elkander, de zichtbare, desnoods tastbare bewijsstukken van

mijne onverklaarbare onoplettendheid: de eene in de weer met haar

saffraangeel borduurpatroon van zonderlinge, geheel oud-modische

teekening; de andere gebogen over eenen sterk beduimelden

roman--Engelsch, naar het afzichtelijk roodbonte omslag te oordeelen.

Hoewel ik nu, gelijk gezegd, mij ietwat met mijzelven verlegen voelde,

bleef ik toch mans genoeg om aan mijne oogen den kost te geven. De beide

dames verdienden inderdaad eenige opmerkzaamheid.

Die met het naaldwerk was eene oude, die met het boek eene jonge vrouw.

De oude droeg op haar gerimpeld gelaat de deerlijk verweerde sporen van

eene indrukwekkende maar strenge schoonheid; de jonge, met hare gladde

doch onregelmatige trekken, zou ik eer mooi dan schoon hebben willen

noemen--piquant zeer zeker. De oude had, onder twee fronsende

wenkbrauwen, een paar oogen van smeulend vuur, en tusschen die oogen

eene groeve, waarin een foliant vol diepe gedachten en eene gansche

kroniek vol sombere herinneringen schenen verholen te liggen;--de blik

der jonge was als staal zoo grauw, zoo hard, zoo blinkend en zoo

koud--en toch met zijne levendigheid niet zonder iets, dat sommige

mannen verlokkend vinden, andere brutaal. Statig en stokrecht zat de

oude op haren stoel, met de dunne lippen op elkander genepen, al de

leden roerloos, de hand alleen met de gedrildheid van een uurwerk nieuwe

steken toevoegend aan het gewirwar van arabesken op het stramien.

De jonge daarentegen bleef geene tien seconden achtereen in dezelfde

houding; nu wierp zij zich achterover, dan zijlings op den rechter-,

zijlings op den linker-elleboog, straks voorover met het kroezig gelokte

hoofd tusschen de op de tafel gestutte armen. Haar lezen was een

ongedurig glippen van bladzijde op bladzijde, met sprongen over geheele

hoofdstukken heen; en niet minder bewegelijk dan haar lichaam was haar

gelaat: onophoudelijk, als weerlicht in eenen zomernacht, schoten uit

de hoeken van haren fijnen mond de trekjes van spot en van spijt, van

humor, hoon, vernuft en gemelijkheid;--het leek wel of er kwik voor

bloed stroomde door hare slangachtig ranke gestalte--maar kwik op

koortshitte dan. De kleeding der twee liep al evenzeer uiteen; de oude

was gehuld in eenen pij-achtigen mantel van donkere stof; de jonge

droeg een nauwsluitend, lichtbruin reiskostuum, zeer sierlijk, doch meer

mannelijk dan vrouwelijk van snit. Een gouden kruis slechts sierde der

hoogbejaarde, eene zilveren hoepelslang der jeugdige de borst. Wat

echter, bij al dit snijdende verschil in doen en wezen, mij bijzonder

trof, was eene verre, niet aan te duiden, maar daarom niet minder

onmiskenbare gelijkenis tusschen die strakke grijsheid en die tintelende

jeugd: iets als tusschen oudtante en achternicht--een familie-trek. Een

familie-trek, die het paar echter niet weerhield van over de tafel heen

elkander hoogst onvriendelijke blikken toe te werpen: vonken van

dreigenden toorn uit de koolzwarte oude, flitsen van tartende minachting

uit de staalgrauwe jonge oogen.--Ik begreep er minder van dan ooit.

Middelerwijl gaf niemand geluid;--die doodsche stilte in de holle,

spaarzaam verlichte eetzaal begon onaangenaam te worden. Ik had koffie

besteld. Was de kellner met de kamermeid aan het minnekoozen, dat hij

mij dien drank niet bracht?--Zeldzaam geval! Minder om de koffie dan om

den kellner was het mij op dat oogenblik te doen. Mijne verlegenheid van

daareven maakte namelijk allengs plaats voor eene zekere beklemdheid,

eene gewaarwording alsof ik wel gaarne weg =wilde=, maar niet weg =kon=

uit dit gezelschap. Hoe boezemden opeens die twee vrouwen mij zulk eene

wonderlijke belangstelling in? Van de oude voelde ik mij vreemd, en toch

tot haar aangetrokken. Aan de jonge voelde ik mij verwant, en toch van

haar afkeerig. Wie waren zij? Waarom gingen zij om de ure elf (de klok

had geslagen) niet behoorlijk naar hare kamers? Hoe ketenden zij mij zoo

machteloos aan mijnen stoel met haren onheilspellenden oogenstrijd?--Ik

wil bekennen, dat het opdagen van een gewoon menschelijk individu, zelfs

van eenen kellner, mij aangenaam ware geweest.... Maar de slungel

volhardde in zijne afwezigheid. En opstaan en heengaan, ik =kon= het

niet.

Juist zocht ik, mij vermannend, naar eene niet àl te lamme phrase om

het nare zwijgen te verbreken, toen de oudste der beide dames--half tot

mijnen schrik, half tot mijne verademing--haar hoofd naar mij toewendde

en aldus tot mij sprak:

»Gij maakt weinig haast, vreemdeling, om de merkwaardigheden van Augusta

Trevirorum te bezichtigen."--Eene stem als uit een grafgewelf; toch rijk

van toon en week van trilling.

»Mevrouw", antwoordde ik, terwijl ik bij het hooren van mijn eigen

geluid weer eenen riem onder mijn hart voelde--»ik ben eerst heden avond

hier beland. Morgen vroeg denk ik--"

»De vroege morgen is bedrog!" viel zij mij in de rede: »De nacht slechts

spreekt hier waarheid. Dit is eene stad om bij maanlicht te

doorwandelen."

»Gij kunt gelijk hebben. Ik zou inderdaad, daar de avond zoo schoon is,

en als ik naar mijnen lust te werk ging--"

»Volg mij!" gebood zij, in hare volle lengte oprijzend van haren zetel:

»Ik wil uwe leidsvrouw zijn."

Ik keek haar nog eens terdege aan. De verwarde grijze lokken, de puntige

neus en kin, de ingevallen mond, de tanige, diep doorploegde wangen....

Wel! dacht ik: indien zij met dit nachtelijk avontuur haren eigen

eerbaren naam niet vreest te verspelen--de mijne loopt er zeker geen

gevaar bij.

»Gaarne, mevrouw!" riep ik: »recht gaarne. Uwe bereidwilligheid is

inderdaad.... Als gij ooit in Rotterdam mocht komen----"

»Genoeg!" sprak zij: »ik ben gereed."

Op mijne buiging voor de jongere dame kreeg ik niets terug dan een

allerverachtendst opkrullen van de koraalroode bovenlip, zoodat de

tanderij er onder zichtbaar werd--als een snoer van paarlen, zoo gij

wilt--maar juister gesproken, als het gebit van eenen hond.

* * * * *

Tragisch gedrapeerd in haren wijden mantel, waarvan zij de kap zich

over het hoofd had getrokken, schreed de oude mij vóór--de breede

Simeonsstraat af, naar de Porta Nigra. Weldra stonden wij voor den

machtigen steenklomp stil.

Wij waren alleen; van de wakkere Trevieren waakte er geen enkele meer;

zelfs geene nachtwacht verstoorde met loggen tred het plechtige zwijgen

dezer aan den droom gewijde ure. De volle maan, onbeneveld, glansde

halverwege aan den hemeltrans. Kan deze bekoorster eenen glimp van

schoonheid spreiden zelfs over eene moderne huizenrij, zoo laat het zich

denken hoe magisch een spel zij drijft met een bouwstuk als dit: een

monument uit den Romeinen-tijd: een gewrocht dat in letterlijken zin

is zwart geëtst door den aanslag van vijftienhonderd jaren--toch geene

ruïne nog, maar stevig genoeg om het front te bieden aan evenveel eeuwen

van toekomst, als het reeds eeuwen tartte van verleden. Wonderbaar

goten zich de kille maanstralen door de ledige boogramen in de hoogte;

prachtig lagen de zwarte slagschaduwen gelegerd tusschen de zuilen en in

de diepten der beide poortgewelven. Geene windvleug zuchtte er in het

ommestaand geboomte. Zóó kalm, zoo klaar en luw was de nacht, dat het

scheen of Rome's eigen zomerhemel zich welfde boven dit ontzaggelijke

handenwerk van Rome's zonen.

Mijne geleidster stond, en tuurde het aan. Om haar een teeken van leven

te ontlokken (want het ging er naar zweemen of zij mede in eenen zwarten

steen veranderd was), stiet ik een schuchter kuchje uit. Het hielp

niet.--»Dit is dan", begon ik, »het trotsche gedenkstuk--"

»Bah!" smaalde zij: »een toren van Baäl. Maar het bloed der martelaren

heeft de smet der afgodendienaars er van weggewasschen."

»Met uw verlof", hernam ik, versteld van deze zonderlinge taal: »die

afgodendienaars--"

»Stil!" beet zij mij toe: »Oreer niet, maar geef acht!..." Zij greep

mij heftig bij den arm.--»Voelt gij den bodem niet dreunen onder den

tred der krijgsknechten?--Het is de dappere Claudius met zijn cohort.

Zij gaan de poort bezetten, om den aanval af te slaan van de zwermen

barbaren, die aanrukken over de bergen. Hoor! de wapenkreten--de schok

der zwaarden tegen de schilden--het gekerm der snevenden!--Heere, hoe

doet gij de heidenen vallen gelijk halmen onder de sikkel, opdat uw

woord te spoediger zegeviere over hen allen!"--

Om de waarheid te zeggen, ik voelde bij deze beschrijving niets, dan

het nijpen van hare vingeren in mijn vleesch; en ik vernam geen ander

gerucht dan, heel in de verte, het gejoel van een troepje Triersche

nachtbrakers, vroolijke bruiloftsgasten naar alle waarschijnlijkheid.

Deze vrouw verkeerde blijkbaar in eenen uiterst overspannen

toestand:--eene gemesmeriseerde misschien?--Nochtans maakte haar

spookachtig pathos op mij eenen zekeren indruk.

»Victorie!" voer zij voort: »De bespringers neergeworpen! de grond

bezaaid met hunne lijken!.... Het is waar, ook Claudius en zijne beide

broeders liggen daar onder de rochelenden--mijne kloeke zoons, mijne

edele knapen! Maar--Christus zij geloofd!--wat wil eene moeder beter,

dan dat hare kinderen hun hartebloed vergieten onder Zijne banier!....

Kom, vreemdeling! Wandel verder met mij door de eeuwen van mijn lijden

en van mijne kracht!"

»Dit was", vervolgde zij, terwijl ik aan hare zijde ging, beangst

en toch geboeid door de geheimzinnige majesteit van haar woord en

wezen: »dit was nog de minst bittere teuge uit den kelk. Zacht was

de heldendood mijner zonen: als de kus eener moeder kort en zoet,

vergeleken bij het uiteinde van Thyrsus hunnen vader, dien de heiden

Rictiovarus spijkeren deed aan het kruis, omdat hij niet wierook wilde

plengen in de offerschalen der afgoden. Hier was het!" riep zij, naar

eene verhevenheid wijzende, die wij door eene enge steeg langs den

voormaligen wal genaderd waren, en waarop nog een brokstuk van eenen

ouden toren stond: »Hier, ja!.... Hij was jong; ik was schoon; oneindig

minden wij elkander. Met ééne bede, met éénen traan--ik wist het--hadde

ik hem het gemoed week kunnen maken, zoodat hij den Heiland hadde

afgezworen, en gered ware geweest. Ik sprak die bede niet uit; dien

traan drong ik naar binnen. Ik zag de nagels hem door handen en voeten

klinken; ik zag hem oprichten aan het hout, ten prooi aan langzame

foltering. Rechtop stond ik onder het kruis, hem vermanende tot roemen

in zijn martelaarschap. Zijn bloed drupte mij op de schouders. Hij

smeekte om drinken--ik weigerde het hem. Méér dan Christus zou hij

lijden--méér dan Maria ik."

De ontzettende waarheid van uitdrukking, waarmede dit verhaal haar van

de lippen rolde, had mij zóó aangegrepen, dat ik mij bij lijve in het

gehoorde verplaatst voelde. Het kwam niet in mij op, dat slechts eene

schim of eene krankzinnige zoo spreken kon. Elke critische overweging

bleef mij verre. Ik doorleefde mee dit verleden van heldenmoed en smart.

»Ongelukkige!" riep ik--»en gij hadt de kracht--?"

»Zijne ziel was mij liever dan zijn lichaam", antwoordde zij. »Mijne

kracht kwam van boven. Mijn kruis is mijn heil.... Doch stil! Ik ben nog

niet aan het einde."

Eene zijstraat voerde ons op de markt. Wij stonden naast de granietzuil

van den aartsbisschop Heinrich. Achter ons rees dreigend de zware St.

Gangolphs-toren. Vóór ons was het Roode Huis, stedelijk raadhuis in

de middeneeuwen--sedert verlaagd tot eethuis en herberg. Maar in dit

uur zou niemand het zijn verval in waardigheid hebben aangezien. Het

hooge, spitse leiendak, blinkend in den maneschijn, deed het zweemen

naar een kasteel. De beelden der heiligen en ridders tusschen de

spitsboogvensters schenen van hunne voetstukken te treden. En als de

vurige letteren in Belsazar's zaal, glom aan den muur het trotsche

stedelijke devies: _Ante Romam Treviris stetit annis mille trecentis._

»Dáár zaten zij", hernam mijne gezellin--»op dezelfde plek waar gij

zoo even hebt geavondmaald. Het was vóór vierhonderd jaren eene opene

zuilengalerij; eene tribune stond er opgeslagen voor de heeren van den

clerus en van den raad. Daar zaten zij--heilige mannen en erntfeste

regenten. En tegenover hen, naast deze zuil, was een mutserd aangericht

van goed droog sparrehout. Het armezondaarsklokje luidde; monniken

rondom den brandstapel hieven een _Confutatis_ aan. Toen naderde, met

vasten tred en opgeheven hoofd, eene frissche jonge maagd--de papieren

mijter op de golvende lokken, om de slanke leden het gevlamde kleed.

=Mijne= dochter, verstaat ge? =mijn= éénig overgebleven kind!--»Ten

vure met de ketterin!" schreeuwde het volk: »ten vure!".... En ik, hare

moeder, hare aanklaagster--ik smeekte niet voor haar, ik dekte haar

niet met mijn lichaam tegen den beul en zijne fakkel. »Bekeer u!"

maande ik haar. »Nooit!" was haar antwoord: »ik kan sterven zoo goed

als mijn vader!"--»Sterf dan!" riep ik--»en door =mij=, opdat dit

allerzwaarste wee om der waarheid wille u misschien genade doe

erlangen!".... Met deze hand, ziet ge? heb ik den beul de spaan uit de

vuist gerukt; met deze hand heb ik den brand gestoken in het stroo.

Knetterend joeg de vlam omhoog. Zij zengde mij de haren: zij dreef mij

den walm van het brandoffer in de neusgaten. Maar geen duimbreed week ik

achterwaarts:--ik bleef, zelve meebrandend, totdat mijn liefste door den

gloed verteerd was.... Eeuwig zal ik voor haar bidden, dat het vuur hier

op aarde haar aflaat doe vinden van het vuur der hel. Maar vuur slechts

kon haar louteren. Wat ik deed, was recht. Hier sta ik. God richte mij!"

Eene rilling voer mij door het ruggemerg. Ik blikte om mij heen;--het

was of het bleeke maanlicht zich doormengeld had met een bloedrood

schijnsel; of al de oude gevaarten in het rond, die van dit gruwelstuk

getuigen waren geweest, den rossen gloed weerkaatsten van het

maagdenmoordend _auto-da-fé_. Eindelijk vond ik de spraak terug:

»Ontzettende! gedrocht en heldin, die een bloedspoor achterlaat waar gij

treedt--wie zijt gij dan toch?"

Zij sleepte mij voort naar de Domkerk; de zware deur week open bij haar

naderen--en dreunend klonk hare stem door die weidsche ruimte, waar

honderd marmeren beeldengroepen, wit als geesten in den door de vensters

brekenden maneschijn, de vingeren gericht hielden naar den hemel:

»Wie ik ben?--Ik ben, die dezen tempel gebouwd heeft, en al de tempelen

van den waren God, zoo wijd het kruis heeft gezegevierd op aarde. Ik

ben, die niets te lief heeft geacht--gade, noch kroost, noch mijn eigen

hartebloed, om het weg te geven voor den triomf der Alléénzaligmakende.

Ik ben, die barrevoets door de sneeuw van het Noorden waadde, en door de

blakende zandwoestijnen van het Zuiden, die honger en dorst, gevangenis

en geeseling duizend malen heb getart, om ééne heidenziel te winnen

voor het eeuwige heil. Ik ben, die eeuwen lang de volkeren geknield heb

gezien aan mijne voeten, de vorsten wedijverend om eenen kus te mogen

drukken op mijne hand. Ik ben--=het oude geloof=..... Neen--veins geen

ontzag! Van u verwacht ik niet dat gij u voor mij in het stof zult

buigen. Ik weet dat gij neigt tot diegenen, die mij verfoeien als genius

der duisternis, terwijl zij die andere--de schaamtelooze deern--ten

troon willen heffen als genius des lichts.... Ik vloek u niet: in

mijne grijsheid werd ik het vermaledeien moede. Maar dit zeg ik u,

vreemdeling--zoo ik er velen gevloekt heb, méér nog heb ik er gezegend;

zoo ik er duizenden lijden deed, millioenen heb ik er onder lijden

getroost en staande gehouden; zoo ik natiën tot vertwijfeling dreef,

geslachten op geslachten, eeuw in, eeuw uit, deed ik leven in hope en

sterven in vrede. Dit zeg ik u:--=daar was in mijne duisternis een

licht--en daar is in uw licht eene duisternis=!"

* * * * *

Hoe ik uit den Dom weer op de markt, van de markt in het Roode Huis

gekomen ben, en verder, door den doolhof van gangen en trappen in het

middeneeuwsch getimmerte, mijne kamer en mijn bed gevonden heb--dit

staat mij niet helder voor. Zóóveel slechts heugt mij, dat ik een

duchtig gat in den dag sliep, en dat ik nooit in mijn leven zulk een

kluwen van ventende en koopende vrouwen, en zulk een gebergte van hoopen

fruit en stapels groenten bijeenzag, als toen ik mijn hoofd uit het

venster stak. Boeren en lanterfanters krioelden tusschen het kakelende

vrouwvolk heen. De zwaar beladen marktkarren knarsten over de

straatkeien. De voerlui schreeuwden ho! en hoist! of floten hunne

paarden en de voorbijtrippelende dienstmeisjes toe. En hoog boven dit

alles deden de klokken van St. Gangolphs en den Dom, Onze Lieve Vrouwe

en de H. Drievuldigheid, St. Gervasius en St. Antonius--en wat al kerken

het heilige Trier nog meer bezitten mag--de zonnig blauwe lucht vroolijk

meedansen met haar gebeier. Het was de woeligste markt- en heiligedag

dien men zich denken kan. Welk een verschil tusschen de wereld die is,

en de wereld die men zich kan droomen!--in tweeërlei zin, helaas!

Maar =had= ik gedroomd?--Ik kon het nauwelijks gelooven. Eenen droom is

men gewoonlijk na het wasschen vergeten. De ontmoeting van dezen nacht

daarentegen stond mij zoo levendig, zoo in al het geziene en al het

gehoorde klaar en scherp voor den geest. En toch....

De éénige intusschen, die mij omtrent dit punt zekerheid verschaffen

kon, was de kellner.

»Vriend", vroeg ik den jongeling, nadat de drie of vier overige

ontbijtgasten waren heengegaan: »zeg mij eens, zijn die twee dames nog

hier?"

»Welke twee dames?"

»Wel, die oude en die jonge, die gisteren-avond met mij in de eetzaal

zaten."

Hij gaapte mij verwonderd aan.--»Twee dames?--Mijnheer was

gisteren-avond moederziel alleen in de eetzaal."

»_Alle Wetter!_ Er was toch eene oude dame die borduurde, en eene jonge

die in eenen roodbonten roman las. Ik heb toch nog oogen in mijn hoofd?"

De verbazing op zijn meelkleurig gelaat week voor een oolijk lachje.

»Ik zeide het mijnheer gisteren immers!" grinnikte hij: »Van alle

Moezelwijnen is de Brauneberger wel de koppigste. _Ich könnte

Geschichtchen davon erzählen, oho!.... Komme schon!_" riep hij--en wip,

met zijn servet over den arm, hippelde hij naar een tafeltje waar men

hem klopte.

De vlegel!--Hij had mij voor den neus geknipt, maar daarmee nog niet

overtuigd. Die Brauneberger, _nota bene!_ Eéne enkele flesch--en dit

voor mij!--Belachelijk! Ik zag toch wat ik zag!--Die verschrikkelijke

oude mocht dan misschien een spookbeeld zijn geweest, een phantasma,

uit mijn brein voortgekomen tengevolge van de hersenschuddingen bij den

langen spoorwegrit. Maar de jonge, met haar drieste oogen, hare malsche

lippen, haar hondegebit.... Wie zag er ooit een droombeeld met een

Rembrandt-hoedje gekapt? of een phantasma bladerende in eene Engelsche

shillings-editie?

Met dit al niet wetende wat ik van het geval te denken had, nam ik mijne

beenen op, ten einde het Duitsche Rome en zijne wandeldreven nu ook eens

bij het licht des daags te bezien.

* * * * *

De vijfde namiddag-ure had geslagen, toen ik den door de geschiedenis

gewijden cirkel betrad, die even buiten de stad tusschen groene

wijnbergen verscholen ligt: het amphitheater, de arena, in welke eenmaal

het heidendom der Imperatoren al zijne weelde ten toon spreidde, en al

zijne gruwelijkheid. Ik had met voordacht den vóóravond bestemd tot dit

bezoek; half de kunst van zien bestaat in het juiste kiezen van den

tijd waarop en van de stemming waarin. Ik heb reeds gezegd: ga niet

uit bewonderen wanneer u dorst, noch uit mijmeren wanneer u hongert.

Ik voeg er bij: zoek het overschot van een Druïden-woud niet op bij

middagzonneschijn, en eenen bouwval der oudheid niet in den jubelenden

ochtendstond.

Wèl mocht eene lichte huivering mij bevangen, als ik, versch van de

lectuur des historie-schrijvers, den voet zette binnen die eenzame

ruimte, van zoovele ijselijkheden het schouwtooneel.

Het moet omstreeks deze zelfde ure zijn geweest, dat menschen, wier

beschaving en daden nog steeds der menschheid bewondering afdwingen,

op deze plek eene orgie van wreedheid vierden, van hartloos zwelgen in

anderer pijn--een bloedfestijn, bij welks herinnering zelfs de minst

evangelischgezinden onder ons den Hemel danken moeten dat zij Christenen

zijn.

Tot op de bovenste omgang saamgepakt, verdringen zich de tienduizenden

ongeduldige toeschouwers; en op het hooge _podium_, onder den purperen

troonhemel, zit Keizer Konstantijn, ontstuwd van zijne senatoren,

consuls, praetoren en gezantenstoet. Het gedruisch der menigte is als

dat eener onstuimige zee: zij weet het, dit gaat een dag der dagen

worden: de Caesar wil op zijne zege over de Franken de kroon drukken

met een schouwspel, waarvan Rome zelfs de weerga nog niet zag;--tot

hunkerens gespannen is dus de bloedige verwachting. Dierengevechten

strekken tot inleiding;--men acht ze ditmaal slechts voor kinderen de

aandacht waard. Daar schettert opnieuw het trompetsignaal. Een Lybische

leeuw springt uit een der holen in den ringmuur te voorschijn. Door

dagen vastens uitgehongerd, verbijsterd door het licht en de kleuren,

getergd door de kreten en door den reuk van de menschen in het rond,

stuift hij woedend tegen de omschutting op, om zich eene prooi naar

beneden te sleuren;--doch het metselwerk is te stijl: hij moet brullend

afdeinzen. Ziet--daar is ook reeds een lichter te grijpen buit hem in

het oog gevallen. Een jonge man, schoon en fier, staat daar midden in

den circus. Het is Ragaïs, de overwonnen Frankenvorst. Men heeft hem

uitgedost als jager; eene pardelhuid hing men hem over de schouders,

eene lichte werpspies gaf men hem in de hand: want hij mag zich

weren--wel niet met eene kans om den leeuw te verslaan, maar om zijnen

eigen doodstrijd en het vermaak van zijne vijanden te verlengen. Kalm

blikt hij langs de rijen der gierige kijkers. Als hij Konstantijn speurt

in den gulden stoel, keilt hij bliksemsnel zijn wapen door de lucht,

zoodat het neerdrilt voor des Keizers voeten. Dan opent hij voor het

aanspringende monster zijne armen, en steekt zijnen hals in den gapenden

muil.

Op den leeuw volgt een tijger; op Ragaïs volgt Ascarik, de tweede

Franken-koning. En is ook dit tweede stuk vorstelijk aas besprongen en

verscheurd, dan eerst komt er rechtaf leven in het tooneel. Van vorsten

was de voorraad schaarsch; van edelen en gemeenen is zij overvloedig.

Bij gansche troepen jaagt men de weerlooze krijgsgevangenen in het perk;

bij dozijnen laat men de grimmige bestiën--leeuwen, tijgers, panthers

en beren, allen door honger tot het uiterste van woede en vraatzucht

aangedreven--onder hen losbreken. Eenige duizenden strijdbare mannen

geven op dien éénen namiddag onder klauw en tand den geest. En hoe

hooger de stapels worden van lillend menschenvleesch, waarin de

gedierten wroeten, des te doller wordt het razen van het dus onthaalde

volk. De rood beloopen oogen puilen uit de kassen; de vastgeklemde

tanden knarsen over elkaar; de scheefgetrokken monden brullen en gillen

van genot........ Om de zinnen wat te bekoelen, besproeit men van tijd

tot tijd de rijen met eenen stofregen van rozenwater--den geur van

wellust, dien dit geslacht, verfijnd in geneugte en in wreedheid, het

liefst had nà den geur van bloed.

Ziedaar het Triersche amphitheater op eenen zomerschen namiddag in het

jaar onzes Heeren 306.

En nu--welk een verval! en welk een vrede!--Eenige vormlooze

steenbrokken aan weerszijden van den ingang, eene rest van den

ringmuur--dit is alles wat de tijd van het trotsche bouwwerk overliet.

Waar de drom van tierende kijkers rist aan rist gestapeld zat, daar

stonden nu bloeiende wijnstokken geschaard; waar de gladiatoren kampten,

de dieren en hunne offers over elkander rolden in de doodstuip, daar

knabbelde een geitje aan eenen heester, en tjilpte een krekeltje in het

gras. Stilte, de liefelijke stilte van den zomer-avondstond, vervulde

met haar gefluister dezen ontredderden kuil der gruwelen.

En straks werd die stilte verbroken door kindergezang, dat naderde uit

de verte..... _O tempora, o mores!_ Een schoolmeester schreed den cirkel

binnen, aan de spits van een peloton pupillen. Zijne stem klonk als die

eens hoofdmans over honderd; ontzagwekkend kliefde hij de lucht met

zijne paraplu. Hij stelde de knaapjes in twee gelederen, deed hen de

wandelstokken schouderen, en kommandeerde: »Rechts, richt u! Voorwaarts,

marsch!"--of iets dergelijks. En rap rap rap rap! gingen de korte

beentjes van de jongens, en de lange beenen van den onderwijzer.... Na

de militaire kwamen de athletische oefeningen. Op het tempo »_eins!_"

werden al de wandelstokken met beide handen vastgegrepen; op »_zwei!_"

rezen zij alle horizontaal boven de hoofden; op »_drei!_" hurkten al

de heupen neer--en op »_vier!_" begon zich het gansche gezelschap in

beweging te zetten op die eigenaardige wijze, minder uit een aesthetisch

dan uit een gymnastisch oogpunt aan te bevelen, die men in studentikose

kringen pleegt aan te duiden met het verbum »kikkeren".--»Hiep,

hoep!" schreeuwde de paedagoog, met koene sprongen zijnen leerlingen

vooruithuppend op de baan der lenigheid. Want tot 's mans eer moet ik

betuigen, dat hij niet slechts in het kommando groot was, doch het ook

geenszins beneden zich achtte al de afgeroepene evolutiën _in propia

persona_ mee te maken--en dit, ondanks zijnen blauwen bril en zijnen

zwartlakenschen kuitendekker, met bewonderenswaardige gratie en

vaardigheid. »Hiep, hoep!--Stilte, lummels! Wie lachen durft, conjugeert

mij vijf-en-twintig maal het werkwoord _risum tenere!_--Hiep, hoep!

hiep, hoep! hiep, hoep!----Halt!--_Eins! Zwei! Drei!_"----en daar

stonden zij allen weer in »_Reihe und Glied_!" met hijgende borsten

en hoogroode wangen.... Och jemini! dit was koddig! O ironie der

geschiedenis! Het Romeinsche amphitheater te Trier diende dus ook

thans nog tot arena!.... De éénige wreedheid echter, die ik er plegen

zag, bestond in eene vermaning met de paraplu, door 's meesters hand

toegebracht op den ronden kop van eenen in het kikkeren waarlijk àl te

onleerzamen scholier. De jongen wreef zijnen knikker, en griende even.

Maar bij het afmarscheeren blaatte hij weer mee uit volle keel:

»_Was frag ich viel nach Geld und Gut

Wenn ich zufrieden bin!...._"

Ja ja, beste jongen!--_Wenn ich zufrieden bin!_--dáár zit hem de

knoop!...

* * * * *

Ik slenterde mijmerend stadwaarts:--langs de schoone ruïne der

Romeinsche Baden, over de duizend- en nogmaals duizendjarige

Moezelbrug--tusschen ruige bouwvallen en popperige villa's--het

wonderlijkste _durcheinander_ van doode kolossen en levende

nietigheden. Daarna volgde ik de rivier totaan het dorpje Palliën, waar

ik, links afslaande, de twee- of driehonderd in de rots gehouwen treden

beklom, die opvoeren tot het meest bezochte bedevaartsoord van burgers

en vreemden te Trier: de restauratie _Schneiders Hof_. Hier, op de

breede veranda gezeten, in het altoos onderhoudende gezelschap van

mijnen geestigen vriend Brauneberger, genoot ik in de genoegelijkste

stemming een der liefelijkste uitzichten ter wereld. De spiegelgladde

Mosella, zich slingerend tusschen de roode, met woud en wingerd bewassen

zandsteenrotsen, de kring van rijk bebouwde hoogten in het verschiet, de

oude brug, de stad met al hare torenspitsen.... Ach! hoe minzaam lachend

zijn de steden der menschen, hoe vredig en kinderlijk schijnen zij zich

te vleien aan den boezem der moederlijke natuur--als men ze slechts uit

eene verte en van eene hoogte gadeslaat!

Terwijl ik dan zoo stil mijn hart aan dit alles zat op te halen,

bemerkte ik dat er iemand plaats nam op den stoel die bij mijn tafeltje

nog ledig stond, en hoorde ik eene stem, rad en schel, maar niet

onwelluidend:

»Aha, jonkman! Dus nog onder de levenden?"

Ik wendde mij om en bevond mij van aangezicht tot aangezicht met--men

raadt het al--: die andere, die jongere, met het kroeshaar, en de slang

zonder eind op hare borst.... Gerechte Hemel! zoo was het dan toch alles

werkelijkheid geweest. Die oude vrouw van heden nacht, met hare

kruisingen en hare brandstapels--zij was dan toch geen nevenbeeld. Of

zou ten slotte misschien ook déze hier....

Ik wreef mijne oogen eens uit .... daar was zij wel, met den staalglans

in haren blik en het sarcastische trekje om hare lippen, terwijl zij

het schenkmeisje toeriep: »Hola, Kellnerin! nog een glas hier! en doe er

meteen maar eene portie knakworst bij."--Zij schonk, zoodra het bestelde

haar gebracht was, zich dapper in uit mijne flesch, en verorberde haar

avondbrood met opmerkelijke gezwindheid.... Hoe dan had ik aan hare

vleeschelijkheid kunnen twijfelen? Er zijn voorbeelden van geesten,

die bij gelegenheid een stevig glas wijn ergens in hun onstoffelijk

binnenwerk wisten weg te stouwen. Doch dat iemand uit het schimmenrijk

knakworst met mosterd nuttigde, dit was iets volslagen ongehoords.

»Nog onder de levenden, waarde heer en vriend?" herhaalde zij met vollen

mond: »Men heeft u dus niet opgegeten?"

»Eilieve", antwoordde ik, ietwat kregel: want ofschoon dit jonge ding

mij een weinig had doen schrikken, ontzag boezemde zij mij met hare

geëmancipeerde manieren volstrekt niet in:--»eilieve, mejuffrouw--waarom

zou ik =niet= meer onder de levenden zijn? En wie zou er met

mogelijkheid zulk eenen verbasterden appetijt hebben gehad, om mij op te

eten--zoolang er namelijk nog knakworst in deze goede stad te krijgen

is?"

»O, wat dát betreft", hernam zij al kauwende--»het monster heeft er wel

taaiere verslonden met huid en haar!"

»Maar wie bedoelt ge dan toch, als ik u bidden mag?"

»Wie anders, o snuggere man, dan uwe leidsvrouw van gisteren-avond?--De

duffe mummie, die 's nachts tusschen brokkelende puinhoopen spookt,

en over dag zich schuil houdt in graftomben? De domme drijfster, die

zichzelve de karwats over den rug legt, als zij het anderen niet kan

doen! De stekeblinde aardmol, die zich, oho! deze wereld tot eene

werkelijke hel maakt, om eene denkbeeldige hel daar ergens =buiten= de

wereld te ontloopen! De heks! De vampyr! De beulspatronesse!"--

Hare oogen sparkelden van kwaadaardigheid; het badientje in hare hand

hieuw al fluitend de bladers af van de wingerd-ranken boven haar hoofd.

»Bedaar, lieve juffrouw!" zoo brak ik den stortvloed van invectieven af:

»Die eerwaardige oude dame, in wier gezelschap ik u dan toch aantrof, en

die mij, naar zekere gelijkenis te oordeelen, wel uwe grootmoeder

scheen--"

»Mijne overgrootmoeder, sapprement!--en mijne aartsvijandin. Want zij

wil ook mij naar haar pijpen doen dansen, en mij gelijk maken aan

haarzelve. Maar nooit zullen wij twee iets gemeen hebben--nooit! Noemt

zij zich vol wrevel =het oude geloof=--ik--wandelaar, let wel!--ik noem

mij vol trots het =nieuwe=--"

»=Ongeloof=?" wierp ik half luid in het midden.

»--Het =nieuwe= geloof", sloeg zij door: »het geloof in den mensch en in

zijne zelfgenoegzaamheid. Zie! hier is mijn symbool: de slang die haren

staart opeet, zinnebeeld van de godheid Materia in hare eindeloozen

kringloop. Hoor! ginds klinkt mijn psalmtoon: de stoomfluit eener

locomotief. Lees! dit is mijn evangelie: =Kennis is macht. Genieten is

plicht. Zelfverloochening is krankzinnigheid. Er is geen licht dan het

licht der wetenschap. Al wat gij daar buiten zoekt, is waan der

duisternis.="

Het spreken maakte haar zóó dorstig, dat ik eene tweede flesch

Brauneberger moest doen aanrukken.

»Ha!" begon zij opnieuw: »Wie heeft het volk tot =menschen= gemaakt,

vrij en gelijk?--Ik.--Wie heeft de brandstapels en marteltuigen van

mijne overgrootmoeder doen verzinken?--Ik.--Wie heeft de kloosters doen

instorten, de monniken uitgedund, de priesters in hunne schelp doen

kruipen?--Ik.--Wie zal binnenkort ook al die daarginds nog overgeblevene

tempelen van bijgeloof doen afbreken, om ruim baan te maken voor

scholen--scholen waar de jeugd niets anders zal leeren dan dat tweemaal

twee vier is?--Ik, ik, ik!.... Maar sta op, en ga mee--dan toon ik u

mijnen =fiersten= triomf!"

Zij leidde mij met snellen tred naar buiten, de helling af, het dal

door, en langs een kronkelend bergpad weer naar boven. Hier staat op den

hoogsten top, vlak tegenover de stad, een reusachtig Mariabeeld, met

eene forsche zuil tot voetstuk. Het gevaarte is een vijftig voet hoog,

een baken voor geheel het omliggende land.

»Dáár nu!" kraaide de jonge schoone: »Hier heeft mijne macht het

bijgeloof verwonnen in zijne laatste sterkte. Zie op, en oordeel!"

Ik keek op, en bespeurde inderdaad iets zonderlings. Men heeft het beeld

der Madonna gewapend met--eenen bliksem-afleider!

»Ha ha ha!" gilde mijne geleidster: »de Koningin des Hemels kan niet

eens zichzèlve meer beschermen tegen des hemels vuur! Lieve Sint Jozef

de timmerman, weet gij daar van? Zij hebben mevrouw uwe gade eene stang

door haar onbevlekte lijf gestoken, opdat zij bij eene donderbui niet

naar beneden tuimele! De Moeder Gods om haar eigen bestwil gespietst

door de profane menschelijke rede! Hi hi hi hi!"

Haar lachen klonk demonisch. Ik kon het niet aanhooren: zoo voor iemand

ter wereld, dan had ik voor Maria nu het hoofd willen ontblooten. Ik

wendde mij af en zette mij neer op eene der treden van het voetstuk,

om stichting te vinden in den aanblik van het heerlijke vergezicht,

waarover de schemering nederzeeg.

Toen vernam ik aan weerszijden een geprevel. Links zag ik de jonge

vrouw, en rechts de oude--beiden geknield, de handen gevouwen, het hoofd

opgericht naar het Madonna-beeld.

»Wat doet gij?" riep ik der oude toe.

»Ik aanbid het beeld des geloofs, dat door het wangeloof geschonden

werd."

»En gij?" vroeg ik der jonge.

»Ik kniel voor de almacht der wetenschap, die met hare speer het

bijgeloof heeft doorboord."

En zij drongen op mij aan, die beide spookselen. »Kies tusschen ons!"

schreeuwden zij met heftige gebaren, alsof zij mijn lichaam in tweeën

wilden scheuren.

Maar met kracht weerde ik ze af. »Voort!" riep ik: »voort gij beiden!

Ik ga mijnen eigen weg. =In naam van God en van vrijheid=--voort!"....

Zij vloden--de eene rechts, de andere links den berg af. En mijn oog,

met bovenmenschelijke scherpte toegerust, zag de oude ijlings verdwijnen

in het duister der Triersche Domkerk, de jonge in de stoompijp van eene

machinenfabriek.

De eerste starren fonkelden aan den hemel--en eenzaam daalde ik omlaag.

In de herberg het Roode huis teruggekeerd, deed ik mij terstond het

gastenboek geven. Daar las ik, op de laatst beschrevene bladzijde, vlak

onder mijnen eigen naam, in eene wilde, krabbelige hand:

=Er is geen licht dan het licht der wetenschap. Al wat gij daar buiten

zoekt, is waan der duisternis.=

En daaronder, in hoekig gothisch schrift:

=In mijne duisternis was een licht--en in uw licht is eene duisternis.=

* * * * *

»Kellner", vroeg ik: »wat staat hier geschreven?"

»Mijnheers naam", antwoordde de knaap, mij nogmaals voor gek

aanstarende.

»En verder?"

»Verder is er niets dan wit papier."

»Kellner", hernam ik: »ik geloof waarlijk dat gij gelijk hebt: die

Brauneberger slaat erg naar het hoofd."

»Ik geloof het óók, mijnheer!"

»Kellner--naar úw geloof vraagt niemand. Breng mij een ander merk."

»_Zu dienen, Herr, zu dienen!_"

+--------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst |

| aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: BOBSON'S POOLREIS 38 |

| C: BOBSON'S POOLREIS 39 |

| B: van eene schilpad had de figuur |

| C: van eene schildpad had de figuur |

| B: liet, al grinnekend en knikkend, |

| C: liet, al grinnikend en knikkend, |

| B: als de stukken rooktopaas waarover |

| C: als de stukken rooktoopaas waarover |

| B: ons na: »_Auf Wiedersehen!_' |

| C: ons na: »_Auf Wiedersehen!_" |

| B: nooit een woord gegewisseld. Mijn |

| C: nooit een woord gewisseld. Mijn |

| B: met schommelen en slechten drank |

| C: met schommelen en slechten drank. |

| B: verbroken. Justus Eykendal kende |

| C: verbroken. Justus Eykendaal kende |

| B: levens, |

| C: levens. |

| B: maakt uit lammeren._" |

| C: maakt uit lammeren._ |

| B: »Alle duivels!" wat neemt |

| C: »Alle duivels! wat neemt |

| B: jaar, elken zaturdag-avond vast. |

| C: jaar, elken zaterdag-avondvast. |

| B: hier te lande, Sedert vond |

| C: hier te lande. Sedert vond |

| B: uit zijn koel papadijs,--»_hinauf |

| C: uit zijn koel paradijs,--»_hinauf |

| B: »_Va bene! eh?_--en ik verwachtte |

| C: »_Va bene! eh?_"--en ik verwachtte |

| B: schier onmiddelijk aan den rand |

| C: schier onmiddellijk aan den rand |

| B: ein unbegreiflich hohes Wunder!_" |

| C: ein unbegreiflich hohes Wunder!_"" |

| B: snellen oopopslag, onuitwischbaar |

| C: snellen oogopslag, onuitwischbaar |

| B: mijne kamer, Maar des klokkenisten |

| C: mijne kamer. Maar des klokkenisten |

| B: vol quijnende ongenuchten_--maar |

| C: vol quijnende ongenuchten_"--maar |

| B: joa joa. Moar, juffer, z'ak oe |

| C: joa joa. Moar, juffer, za'k oe |

| B: Zij echter, wie al dit gevraag |

| C: »Zij echter, wie al dit gevraag |

| B: riep hij, »»heeft ooit iemand nog |

| C: riep hij, »heeft ooit iemand nog |

| B: voor mij =was= het Het moge |

| C: voor mij =was= het. Het moge |

| B: kleurloosheid,Hooger en hooger klom |

| C: kleurloosheid. Hooger en hooger klom |

| B: »Kijk! »_Frans en Fransientje, |

| C: Kijk! »_Frans en Fransientje, |

| B: la mano!...._ Veertig jaren |

| C: la mano!...._" Veertig jaren |

| B: quell' alma ingrata--_ |

| C: quell' alma ingrata--_" |

| B: verstrekken Monsieur Bonneventuur |

| C: verstrekken: Monsieur Bonneventuur |

| B: ontzettende hoop. die hij met alle |

| C: ontzettende hoop, die hij met alle |

| B: maar geef acht!...Zij greep |

| C: maar geef acht!..." Zij greep |

| B: allen weer in _Reihe und Glied_!" |

| C: allen weer in »_Reihe und Glied_!" |

| B: Was frag ieh viel nach Geld |

| C: Was frag ich viel nach Geld |

+--------------------------------------------+

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 24 / 24 题