Op eenen avond, kort na het eten, had ik bij eenen mijner kennissen een

boek te halen. Het mistte zwaar--juist als ongeveer een jaar geleden;

alleen, het was nu geen natte, grauwe, maar een droge en witte nevel,

uit welken de profeten vorst voorspelden. Pas buiten de deur, bespeurde

ik aan den hoek der straat twee schimmen. Argeloos liep ik voort. Toen

zag ik dat het een man was, die met uitgestoken armen een meisje zocht

te omhelzen, dat zich heftig tegen hem weerde. Onmiddellijk herkende ik

Suzette;--den man, met den rug naar mij toegewend, kon ik niet in het

aangezicht zien. Hem toornig in den nek te grijpen en aan eenen kant

slingeren, met een: »kerel, laat af van die dame!", was het werk van

eene seconde. Zijn antwoord was een duchtige vuistslag op mijn linker

oog;--meteen had ik hem met het rechter herkend:--Duplis, een halfbloed,

onder al de studenten gevreesd om zijne tijgerachtige lenigheid en

kracht. Maar hier toch was de _karbau_ den _matjan_ te sterk. De woede

staalde mijne zware knoken tot plethamers. Eén slag tapte hem het bloed

uit den neus; een tweede dreef hem de tanden door de lip. Daarop den

gelen aterling bij den strot vattende en hem achterover wringende, zou

ik hem de ribben gebroken hebben over een ijzeren hek--indien niet

Suzette mij met stevigen greep weerhouden had.... Als een vos die in

eene klem zijnen staart heeft laten zitten, zoo droop Zwartjan den hoek

om.

Suzette stond eerst roerloos; toen legde zij den arm in den mijnen, en

zoo gingen wij den korten afstand huiswaarts. Ik voelde haar lichaam

beven. Zij zeide niets. Maar even vóór de deur brak zij in een heftig

snikken los. »O!" stiet zij uit, terwijl hare vuist zich balde en hare

oogen vonken schoten door de tranen heen: »die ellendelingen!--En dat

noemt zich heeren! dat noemt zich mannen!... Meneer Heise, laat ik u

verder niet ophouden. Ik dank u!"--Zij drukte mij de hand, en liet mij

mijns weegs gaan.

En ik?.... »Spreek dan toch! Nu of nooit!" had eene innerlijke stem

mij toegefluisterd. Want nog nooit van mijn leven had ik mij zóóveel

mans gevoeld: nog nooit voelde ik mij zoo sterk om mij met deze zelfde

knuisten door alle hindernissen, zelfs door mijne vermaledeide blooheid

heen te slaan.... Maar aan den anderen kant vond ik het zoo min,

het ontdane kind thans om liefde te vragen, alsof ik eene belooning

verwachtte voor den kleinen dienst van daareven. Ik zweeg dus. Morgen

misschien! Morgen! dacht ik.

Morgen echter had ik een blauw oog. Suzette zond mij door het

dienstmeisje eene zalf om er op te smeren; maar zelve kwam zij niet

om die operatie te bewerkstelligen. Op morgen volgde overmorgen;

op déze week de volgende; op November December. Mijn oog had in dien

tusschentijd al de kleuren van het spectrum doorloopen: van blauw was

het groen, van groen geel, van geel weder normaalkleurig geworden. Maar,

in welke dezer schakeeringen ook, Suzette was er niet naar komen zien.

En naar gelang het eereteeken van mijne ridderdaad verdween, voelde ik

ook mijnen vrijersmoed mij weer in de schoenen zinken, en mijne blooheid

er uit oprijzen.

Daar dwarrelde zacht de eerste sneeuw omlaag: fijne, schuchtere vlokjes,

door grootere straks in dichteren drom gevolgd.--»Suikerstrooisel!"

riepen de kinderen. Inderdaad, het was de dag er voor. Sint Nicolaas

reed over de daken. Voor ieder bracht hij wàt--maar voor mij het

allerbeste!

In den avond van den 5den December 1866 zat ik eenzaam in mijne kamer.

Het gejoel op de straat trok mij niet aan. Bovendien, ik had voor

Suzette eene kleine verrassing besteld: eenen prachtband van Chopin's

_Notturnos_. Ik wilde wachten of zij behoorlijk bezorgd zou worden.

Terwijl ik dan zoo over een dictaat zat, lezende zonder te verstaan,

trad er opeens iemand, zonder kloppen, mijne kamer binnen, en sloot de

deur achter zich toe. Suzette stond vóór mij, met het bewuste muziekboek

onder den arm. Er was een vochtige glans in hare oogen, eene ongewone

bleekheid op haar gelaat.

»Meneer Heise", sprak zij zacht, terwijl ik opgerezen was en bedremmeld

tegenover haar stond: »deze muziek heb ik van u.... Neen, ontken het

niet! Er is niemand anders in Delft, die mij zúlk een cadeau zou

zenden."

Ik stotterde iets--dat het zoo gering was--en dat ik ook mijzelven

zooveel genoegen beloofde van het hooren spelen mijner lievelingsmuziek

door haar.

Zij legde het boek op de tafel, nam een papier op, dat zij om haren

vinger rolde, en zweeg eene wijle, met neergeslagene oogen. Verlegen

scheen zij--haast even verlegen als ik.

»En wat", vroeg zij fluisterend--»wat heeft Sint Nicolaas ú wel voor

_surprises_ gebracht?"

»Mij?" riep ik: »mij? Wie ter wereld zou =mij= met _surprises_

bedenken?"

»Nu", hernam zij even zacht--»dan heb =ik= er eene voor u--ten minste

als gij ze wilt aannemen. Ik breng u----"

»Suzette!" stamelde ik.

Zij sloeg hare oogen rein en helder tot mij op. Om haren fieren mond

speelde een mij nog onbekende, een onbeschrijfelijk lieve glimlach. Twee

tranen glipten haar over de wangen. Hare lippen beefden, haar volle

boezem zwoegde--maar nu niet van toorn.

»Ja", voer zij voort: »ik geloof wèl dat gij ze aannemen wilt, mijne

arme _surprise_. Ik weet dat ge mij lief hebt; en ik begrijp waarom ge

't mij niet zeggen durft. Wij beiden gaan onder dat zwijgen ten gronde:

ik in dit rampzalige huis, gij in uwe troostelooze afzondering. Als ge

gelooven wilt dat ook ik je liefheb, als ge het hart vertrouwen wilt van

een meisje dat arm is, dat de dochter is van eenen dronkaard, en dat

zichzelve aanbiedt----Herman--hier, dan breng ik je mijzelve----"

»Suzette!--lieveling!"...................

* * * * *

»Riep je, mijn jongen?" vroeg eene stem achter ons.

»Halloh! daar is zij al weerom!" schreeuwde mijn vriend Herman, aldus

plotseling in het boeiendste van zijn verhaal gestoord; en hij sprong

op, en sloot zijne prachtige blonde vrouw in de armen, en kuste haar

met al het vuur eens bruidegoms.--»Suzet! ik heb juist onzen gast hier

zitten vertellen hoe we aan elkaar gekomen zijn. En als je niet een

kwartier te vroeg van je uitgang terug waart, dan had ik hem óók nog aan

zijn verstand gebracht hoe je eenen =man= van mij gemaakt hebt; eerst,

met eenen kus of wat, eenen zaligen gek--en daarna, met tact, geduld

en liefde, een sterk, gelukkig mensch! Hoe ik aan je arm een held werd,

dien de drommel nu mag doen blozen! En hoe we nu al tien jaren na dien

gezegenden December-avond----"

»Ta ta!" lachte Suzette, terwijl zij zich voor het klavier zette, en

eenige mollige _arpeggio's_ ruischen deed:--»Beste jongen, hoe kan je

zoo dóórslaan?--Het was immers alles de mist die het deed!"

Mevrouw de Douairière.

_En hare plaats kent haar niet meer._

Ik smaakte dezen herfst het genoegen, een paar dagen door te brengen

als gast van een oud academievriend, secretaris, en tevens archivaris

van eene kleine, maar door hare oudheid belangwekkende stad in het

oostelijke deel van Gelderland. Wij hadden ons voorgesteld eens flink

op onzen wandel te gaan door de fraaie, houtrijke omstreken, en zoo,

al dolend onder Wijnmaands bonte loovers, naar hartelust, als eertijds

onder de schaduwen van de Delftsche kerktorens, weer eens te kouten over

los en vast. Doch die eeuwige spellebreker, het weder, verkoos ons dit

onschuldige genoegen niet te gunnen; en daar het ons wel kende als

personen die zich door eene matige regenbui niet van wandelplannen laten

afschrikken, zoo goot het zijnen wrok over ons beiden en de rest van het

geschapene uit in den vorm van eene onophoudelijke stortvlaag, schuin

gedreven door eenen killen, kwaadaardigen blazer uit het noordwesten.

Toch hadden wij den hemel misschien nog durven trotseeren; maar de

aarde, het mulle slib der bosch- en heidepaden--onmogelijk!--Zoo dan,

nadat wij voorshands een weinig uitgepraat waren, en ook reeds van de

biljart- en kegelballen in het societeitsgebouw het uiterste tot onze

verstrooiing hadden gevergd, begonnen wij ons recht eendrachtiglijk te

vervelen. Juist waren wij gevorderd tot dat schrikkelijke stadium van

landerigheid, waarin de mensch zóó verre al zijne aanspraken op den

titel van redelijk wezen vergeet, dat hij aan het uitvaren slaat tegen

de elementen--toen mijn gastheer zich plotseling het bestaan herinnerde

van een kabinet van oudheden in het stedeken zijner inwoning. Het was

ten raadhuize, een antiek gebouw, op zichzelf al bezienswaardig.

»Heel interessant", zeide hij: »werkelijk!"

»Ge bedoelt", spotte ik, »als een laatste heul voor ongelukkigen, die op

eenen druipnatten namiddag ten einde raad zijn met zichzelven?"

»Neen, tóch niet!" hernam hij: »het is eene wezenlijk belangrijke

verzameling; en ik zal het mijzelven nooit vergeven dat ik je niet

terstond bij je aankomst er heb heengesleept:--ik, die nog wel zooveel

als ouderling en diaken er over ben, in goed vertrouwen aangesteld om

de belangen er van te behartige en den bloei er van te bevorderen! O

schande over mijn hoofd!--Doch kom! nu ook geene minuut langer hier

onzen luttelen levensduur verschalkt met geeuwen. Hier is je hoed--daar

je paraplu--voorwaarts!"

Wel, wij gingen;--en ik twijfel geen oogenblik, of mijn vriend had ten

volle recht, wanneer hij de collectie rijk en belangwekkend noemde. Zij

moet het in hooge mate wezen voor eenen kenner van vuursteenspitsen,

heidensche urnen, romeinsche munten, middeneeuwsche gedenkpenningen,

verroeste wapenen, oorkonden, handvesten, gildeboeken en wat dies

meer zij. Mijn leekenoog echter had van deze voorwerpen al ras zijne

bekomst, en wendde zich telkens nieuwsgierig naar eene verzameling

tapisseriewerk, die, aan den versten zijwand bevestigd, mij reeds op

eenen afstand door hare fraaie kleuren en levendige figuren aangetrokken

had. Mijn geleider bestrafte mij wegens deze afdoling mijner aandacht;

hij wilde dat ik alles recht wetenschappelijk bezichtigen zou volgens

den chronologisch opgemaakten catalogus: eerst de merkwaardigheden

van het jaar nul, en zoo, al opklimmende, die van het jaar 1880,

voor zooveel aanwezig.--»Geduld toch!" riep hij: »het jongste 't

laatst!"--Nadat hij mij aldus door de antiquarische stoflagen van ik

weet niet hoeveel duizend jaren had doen heenwurmen, landden wij

eindelijk bij de tapisserieën aan.

»Ja", sprak hij, terwijl wij, van het drentelen moe, op eene rustbank er

vóór ons nederlieten: »dit is nu eigenlijk volstrekt niet oud--jonger

nog dan de haren op onze betrekkelijk jeugdige schedels; maar over

honderd jaar zal menige edele Brit zijnen cylinderhoed vol goud er

voor bieden. 't Is het werk en het geschenk van eene douairière Van

Nijenhorst, vóór een paar jaren op haar kasteel, hier niet ver vandaan,

overleden. Bekijk het eens terdege. Het is belangwekkend, ziet ge, in

eenen =dieperen= zin."

De nadruk dien hij op deze woorden legde, terwijl hij zich in

beschouwende houding achterover vlijde, deed mij vermoeden dat hij zelf

inderdaad op dit jongste stuk in zijn museum van oudheden méér prijs

stelde, dan op al het gesnor uit heidensche grafheuvels of romeinsche

kampen.

Het zijn twaalf stuks ramen, elk ter grootte van eenen vierkanten meter

ongeveer, op zwaar doek gespannen en in eenvoudige zwarte lijsten gevat,

met het geslachtswapen der Nijenhorsten gekroond. Ze bij gobelijns

te vergelijken, ware aan die beroemde gewrochten der oude Fransche

kunstnijverheid onrecht doen. Gij vindt hier niet de zuiverheid van

lijnen, noch de rijke en zorgvuldige kleurenmengeling, die gij in

gindsche groote muurtapijten zoozeer bewondert. Op de teekenkunst der

douairière valt heel wat aan te merken; vele harer figuren zijn, op

den keper beschouwd, niets meer of minder dan wanstaltig; om licht-

en schaduwzijde heeft zij zich niet zwaar bekommerd; en niet zelden

zondigde zij schromelijk tegen de regelen der perspectief. Maar ter

vergoelijking van die feilen strekt, dat hier, wat de hoofdzaak betreft,

niet naar modellen, doch geheel uit eigene phantasie gearbeid werd. En

dan is er in de wijze van voorstellen, bij groote historische juistheid

in de onderdeelen, en bij eene scherpheid van uitvoering, welke op

eenigen afstand het stiksel van wol en zijde naar penseelwerk zweemen

doet, eene naïeve, hoekige kracht, eene intensiteit, die u aangrijpt en

u onwillekeurig aan de waarheid er van doet gelooven. Men voelt hoe het

der maakster ernst was met haren arbeid: hoe het haar bij dit werk te

doen moet geweest zijn om iets hoogers dan tijddoodend geknutsel.

»Gij zult zoo zonder toelichting er niet veel van begrijpen", merkte

mijn vriend na een vrij langdurig stilzwijgen op.

»Dat is wel waar", antwoordde ik: »een beredeneerde catalogus ware bij

dit nummer, voor oningewijden, evenmin overdaad als bij uwe onkenbare

muntspeciën en onleesbare perkamenten."

»Tot zulk een boekdeel hebben we het hier nog niet gebracht. Doch wilt

ge u met mijn mondelijk commentaar behelpen----"

»Onschatbare! wat kon ik beter wenschen!"

* * * * *

»Het eerste raam", zoo begon hij zijne toelichting, »vertoont u de

Nijenhorst zooals zij stond opgebouwd vóór vijfhonderd jaren: een

geduchte burcht, met dubbele grachten en ringmuren, gekanteelde torens

en valpoorten. Niets bijzonders overigens: juist een steenklomp zooals

er destijds een vijftig tusschen de wouden en moerassen van het

Geldersche genesteld lagen, land en landvolk verplettende onder hun

gewicht. Deze afbeelding kan trouwens slechts de copie wezen van eene

latere, wellicht geheel apocriefe teekening.

»Nummer twee van de rij is het portret van den bouwheer dezer sterke

veste: ridder Huibert, bijgenaamd de Ever. Wèl verdiende hij dezen

toenaam. Een massieve kop, een vierkante neus, een wreede mond,

scherpe kleine oogen onder borstelige wenkbrauwen--eene echte

wildzwijnen-tronie, niet waar?--Van beroep was hij vrijbuiter. Merkt ge

die fijne roode streep wel op, om zijnen hals?--Hij werd er mee geboren,

verzekert de huiskroniek der Nijenhorsten; en hij zelf wist zeer goed

wat voor eenen dood deze grimmige speling der natuur hem voorspelde.

Doch hij placht te zeggen dat de scherprechter zijn hoofd toch nooit

hebben zou, want dat het aan den Duivel toehoorde, die het van hem

gekocht had ten gebruike bij hoogstdeszelfs kegelspel. Herhaaldelijk

(men schreef het aan assistentie van Zijne Helsche Majesteit toe)

wist hij aan de wraak der lang geplaagde poorters van deze stad te

ontspringen. Maar ten leste deed toch het zwaard der gerechtigheid aan

de roode streep bescheid, en moest de koene bandiet zijne schuld laten

vereffenen--, ten minste als het zoo heeten mag, wanneer men met slechts

éénen kop het gelag betaalt voor honderd welgeslaagde roof-, brand- en

schaakpartijen. Zeker niet te duur! Ook had inderdaad die kop, na van

den romp te zijn gescheiden, zijne rol volstrekt nog niet uitgespeeld.

Een feit, waarvan ook stedelijke bescheiden gewag maken, moet het

geweest zijn, dat Huibert's hoofd na de terechtstelling nergens te

vinden was. Men doorsnuffelde de woningen rondom de richtplaats; men

zocht in de stad en er buiten; men spande den beul, zijnen knecht, en

nog een dozijn andere stakkers, die men van medeplichtigheid aan het

goochelstuk verdacht, op de pijnbank,--alles vergeefs: het hoofd van den

Ever bleef spoorloos verdwenen. Dit werd eene geruchtmakende rechtszaak;

uit mijn archief zou ik u nog documenten kunnen voorleggen, die er

betrekking op hebben. Het einde was, dat men het geval op rekening

van mijnheer den Satan schoof, die, gelijk gezegd, reeds meermalen aan

Huibert van de Nijenhorst dienstvaardigheid heette betoond te hebben.

Het groteske verhaal leefde in den volksmond voort; en--zooals het

gewoonlijk met dergelijke overleveringen ging--er werd door den eenen of

anderen sterrekijker eene soort van berijmde voorspelling aan verbonden,

hierop neerkomende, dat, als ooit de kop van den ridder teruggevonden

werd, de val van de Nijenhorst nabij zou wezen. Legende en profetie

vormden langen tijd een der geliefkoosde volkssprookjes van deze streek.

»Hoor!" zeide de boeren tot elkaar, wanneer in den winternacht de

rukwinden over de heide gierden: »de duivel is weer aan 't kegelen--met

heer Huibert's kop!".... Maar de revolutie en de stoom hebben ook de

sprookjes uit de wereld gejaagd. Tegenwoordig zou geen boer u meer de

legende van Huibert den Ever kunnen vertellen.

»De negen tafereelen die nu volgen, veraanschouwelijken een aantal

heuglijke episoden uit het gulden tijdperk van de Nijenhorst en hare

bewoners. Hier ziet ge Huibert's achterkleinzoon, den schoonen Reinier,

als overwinnaar in het tournooi den gouden eereketen ontvangen uit de

handen van Maria van Bourgondië. Dáár eenen anderen weerbaren telg, met

zijn slagzwaard den schedel klievende van Aremberg te Heiligerlee. Ginds

eenen Nijenhorst, met groote staatsie binnengeleid als afgezant van de

Generale Staten bij het Portugeesche hof. Dan een bruiloftsfestijn:

een heer van Nijenhorst huwt in 1730 de schatrijke dochter van een

Amsterdamsch handelspatriciër, en beide familiën geven in praal en

overdaad elkander niets gewonnen. Fraai getroffen is deze reigerjacht,

door eenen der baronnen aangelegd ter eere van Prins Willem V. Die heer

op het witte paard is de Prins; die rijk gekleede dame naast hem, op den

isabel, de overgrootmoeder van wijlen onze douairière. Verder hebben

we, nummer elf, eene voorstelling hoe Koning Willem II, als gast op de

Nijenhorst, aan tafel eenen dronk wijdt aan de gezondheid van de vrouw

des huizes. Een aardig regiment champagner-flesschen, dat daar op het

buffet staat!....... _A propos!_ Het moet u opvallen hoe treffend

(ofschoon zeker geheel zonder oogmerk) deze reeks tafereelen de opkomst

en de verbastering illustreert van de Nederlandsche aristocratie in

den loop onzer geschiedenis. Eerst straatroof; dan ridderlijkheid;

vervolgens echte heldenmoed; daarna staatsmansbeleid; straks

weeldedienst; en eindelijk nog slechts eene slemppartij.

»Maar zoo zijn wij nu gevorderd tot het twaalfde en laatste nummer van

de rij--: het schoonste misschien--stellig het zinrijkste. Zie! niets

dan eene kale, eindelooze heidevlakte, gehuld in schemergrauw. Ter

zijde, in het verschiet, een enkele boomstronk, versplinterd alsof de

bliksem hem trof. Geen levend wezen: geen raaf zelfs, die krast op den

knoest. Boven den somberen horizon slechts eene smalle streep van het

matste avondrood, ter herinnering dat ook de volle middagzon de plek

beschenen heeft, waar eeuwen lang de Nijenhorst te midden van haar

woudpark stond."

* * * * *

Zoo sprekende, had mijn vriend zich van mij afgewend en ging hij voor

het venster in de grauwe regenlucht staan turen, blijkbaar in gedachten

verzonken. Spoedig echter keerde hij zich weder tot mij, en zeide:

»Er is aan dit legaat, waarmede aan onze jeugdige oudheidkundige

vereeniging boven menig aanzienlijker zustergenootschap eene niet

geringe onderscheiding bewezen werd, eene geschiedenis verbonden: eene

zonderlinge, _unheimliche_, en toch aandoenlijke geschiedenis. Waarlijk,

om haar aandoenlijk te vinden, behoeft men geen aristocraat te

zijn--zooals ik!" voegde hij er met eenen zwaarmoedigen glimlach bij.

Ik moet hier aanstippen dat mijn vriend de telg is van eene adellijke

familie, eenmaal hoog gezien in den lande--thans onbemiddeld, en bij

gevolg niet meer in tel. In de praktijk geen humaner en vrijzinniger

man, dan hij; nooit echter heeft hij zich van zekere traditioneele

begrippen, of wanbegrippen, van zijnen stand geheel kunnen losmaken:

iets wat hem, in mijne oogen althans, slechts tot eer verstrekt, en aan

zijne persoonlijkheid, ook in den omgang met hen die de dingen uit een

verschillend standpunt beschouwen, eene ongemeene bekoring, eene

eigenaardige distinctie bijzet.

»Gij zijt", vervolgde hij, »geen oudheidsman, jammer genoeg! Maar van

het romantische, ik weet het, kan men u nooit verzaden. Komaan! het

regent nog altoos voort. Ik heb lust u een klein opstel voor te lezen,

dat ik kortelings in deze rustige kamer neerschreef, en dus ook hier

maar wegsloot. Het handelt--zoo half beschrijving, half studie--over het

bestaan van de zonderlinge oude dame, die dezen ontzaglijken arbeid daar

in enkele jaren tijds met hare handen volbracht. Ik heb haar persoonlijk

nog gekend--voor zoover zij zich kennen liet. In hoofdzaak is mijne

schets historisch; wat nevenwerk heb ik uit mijne verbeelding moeten

aanvullen--niet al te onjuist, durf ik hopen."

Hij kreeg uit eene lade een handschrift, zette zich naast mij op de

divan, en las hetgeen hier volgt.

* * * * *

»Verleden jaar stond het er nog. Thans is het verdwenen.

»Het stond er als Simson onder de Philistijnen: Simson van zijn

hoofdhaar beroofd, gekneveld en blindgepriemd: altoos, ook zóó nog,

eene ontzaggelijke gestalte--doch de sterke en gevreesde held niet

langer: een groote romp nog slechts, weerloos en machteloos, gesmaad,

geschonden en ten doode gedoemd. Simson's hoofdhaar zou weder

aanwassen, zoodat hij, éénmaal sterk nog vóór zijnen val, in den dood

nog met vreeselijke wraak zijne beulen overstelpen zou. Voor het arme

kasteel echter was niet eens zulk een heldeneinde weggelegd; geenen

enkelen steen zijner torens heeft het op de hoofden van zijne sloopers

kunnen doen nederploffen.

»Ik bedoel het kasteel waarin mevrouw de douairière woonde. Onder de

Philistijnen versta ik den papiermolenaar, den vernisstoker en den

fabrikant van zweedsche lucifers, welke zich met ploertige

vrijpostigheid reeds dicht aan zijne ringgracht hadden genesteld;

benevens de Aziaten, de beunhazen en de kleine industrieelen, die

speculeerden op zijne afbraak. Zij wisten, deze brave burgers, tot op

eenen stuiver de waarde te ramen van elken boom die er nog overeind

stond in het alreeds deerlijk geslonkene en verwaarloosde slotpark; zij

rekenden u voor, hoeveel honderd karrevrachten puin en lood en goede

brokken eikenhout er zouden weg te rijden vallen; zij telden op hunne

vingers de perceelen bouwgrond, in welke het terrein geveild zou worden,

wanneer het plantsoen gerooid en de gracht gedempt, wanneer er van

den burcht geen steen meer op den anderen zou zijn. Als mevrouw de

douairière maar eenmaal verkoos uit te stappen! Het wonder was, hoe zoo

een oud en miserabel schepsel nog zulk een taai leven hebben kon!--In

waarheid, de oudroesten en opkoopers sloegen aan het wanhopen. Het

geldschietend Israël begon zich de haren uit te rukken van wege zijne

traag beloonde grootmoedigheid.

»Nu, aan dat taaie leven was dan toch op het lest een eind gekomen.

Mevrouw de douairière had werkelijk op zekeren dag--onverwachts nog,

eene ware verrassing--aan den algemeenen wensch gevolg gegeven. Zij had

begrepen dat zij al die eerlijke huisvaders nu niet langer mocht laten

zuchten naar hunnen rechtmatigen buit. Zij zette zich dus in haren ouden

leuningstoel, en blies den adem uit haar afgesleten lichaam. En in

hetzelfde oogenblik hadden onzichtbare vingeren het doodsmerk gedrukt op

het breede front van de oud-adellijke huizinge harer vaderen.

* * * * *

»Dit doodsmerk--och! vijftien jaren geleden reeds hadden matig scherpe

oogen het er op kunnen waarnemen. Ook toen reeds had sedert lang de

onverbiddelijke macht, die men Tijdgeest noemt, het vonnis van ondergang

geveld over burchten en kasteelen, ridders en douairières, over alles

wat zijn recht op voortbestaan nog slechts ontleende aan een afgedaan

verleden. Maar toch was toen onder de Geldersche boeren een edelman nog

een edelman, en een adellijk slot had, in den Achterhoek althans, nog

ruimte om te ademen. Zoo stond dan ook de trotsche Nijenhorst, als van

eeuwen her, nog schijnbaar veilig te midden van hare uitgestrekte

woudgronden; en haar bewoner, binnen hare sterke muren gezeten als op

het voetstuk van eene nog niet ganschelijk neergerukte traditie, genoot,

zoo niet meer de macht en de voorrechten, dan ten minste nog het aanzien

van een adellijk heerschap op zijn domein. Helaas echter! zijn opvolger,

de laatste baron, had het tij geheel verloopen gevonden. Het

menschengeslacht, dat bij zijn opgroeien den matten naglans der feodale

overleveringen nog had aanschouwd, was sedert ook in de Graafschap

uitgestorven;--wat de vaders niet meer gevreesd, maar toch uit een

overgeërfd gevoel nog geëerbiedigd hadden, dat bleef in het oog der

zonen slechts een log en tergend anachronisme, van welks karakter zij

niets meer begrepen, welks geschiedenis hun geen belang inboezemde,

welks eerbiedwaardigheid hun belachelijk voorkwam: een onding, dat hun

door zijne aanmatigende grootte hinderlijk was, en dat dus voort moest.

Voort ging het dan ook. De Tijdgeest is als Juggernaut's wagen: eene

zegekar voor wie hem volgen: doch wat hem in den weg staat, dat

vermorzelt hij. De Joden en de dorpers nu kwamen àchter den wagen. De

Nijenhorst en haar heer stonden er vóór. Zij moesten er dus onder.

»Was er dan voor deze beiden geen uitwijken mogelijk geweest?--Zeer

zeker. Onze moderne samenleving heeft aan haren breeden boezem plaats

genoeg zoowel voor den afgedankten edelman als voor den souvereinen

kinkel. Hadde de Nijenhorst zich slechts laten verbouwen tot eene

sigarenfabriek, of tot eene ijzersmelterij, misschien ware zij gespaard

gebleven. Mocht haar heer slechts hebben kunnen besluiten om bij de

Geldersche boeren de klandisie af te bedelen als wijnkooper, of als

leverancier van comestibles, vermoedelijk had hij zijn hoofd boven water

kunnen houden--misschien zelf den stam van zijn doorluchtig geslacht

kunnen overplanten in eenen vetteren bodem, waar de oude boom in de

toekomst meer eetbare, zij het dan ook minder edele vruchten zou

gedragen hebben: eene goede vracht sappige peren, bij voorbeeld, in stee

van eenen wrangen oranje-appel of wat. Doch men weet het: wien de Goden

verderven willen, dien benemen zij eerst het verstand. Het kasteel

verkoos met steenen onverzettelijkheid een kasteel te blijven, de baron

met middeneeuwschen hoogmoed een baron. En dan--wat spreek ik van zijn

geslacht!--Had hij er nog een? Hij en zijne gade--neef en nicht, die

denzelfden naam droegen en de Nijenhorst tot hun gemeenschappelijk

stamhuis hadden--waren zij niet de laatsten van dien naam en van dat

huis? Moest niet de vloek hen treffen, die sneller nog dan de geest des

tijds onzen ouden adel wegslinken doet: de vloek der kinderloosheid,

vergelding misschien voor de weeldezonden van zoo menigen àl te

vruchtbaren onder hunne voorvaderen?--Alles in het verleden dus; niets

in de toekomst!--Zoo sloeg dan den man de moedeloosheid om het hart;

en het korte =heden= werd zijn afgod. Echtelijke liefde bond hem niet.

Arbeid, dien hij voor eenen zoon wellicht zich had willen getroosten,

dacht hem voor hemzelven nutteloos, zoo niet vernederend. Hatelijk werd

hem de aanblik van den somberen ouden burg, boven welken hij de mokers

van een geminacht plebs reeds zweven zag; hatelijk de klank van den

titel, die hem geene eer meer aanbracht; hatelijk het gezelschap van de

reeds bedaagde vrouw, die hem geenen stamhouder had kunnen schenken.

Genot slechts lachte hem nog toe. Hij volgde het voorbeeld van zoo

menigen onwaardigen standgenoot, het voorbeeld zelfs van tot hooger

geroepenen dan hij----en Parijs verslond hem--de lichtekooi van Europa,

die in haren onverzadelijken schoot al méér deftige ridderhoven heeft te

loor doen gaan, dan de Noordzee schepen in hare kolken. Zij at hem op:

hem en zijn slot, zijne bosschen en zijn zilverwerk, zijne akkers en

zijn porcelein.--Laden wij dus, willen wij billijk zijn, niet op

Juggernaut alléén de schuld, wanneer wij van de Nijenhorst enkel de

fundamenten, van hare beukenlanen slechts de reeds vermolmde

wortelstronken nog overig vinden.

»Na enkele jaren--het had niet lang meer moeten duren, of Lutetia zou

den ongelukkige uitgestooten hebben, gelijk de spin eene leeggezogene

vlieg uit hare webbe werpt--na enkele jaren dan, had gelukkig een hevige

aanval van jicht den heer baron genoopt een einde te maken aan zijne

slemperij, en naar huis te keeren, om (beter laat dan nooit) zich met

den Hemel te verzoenen, en kort daarop te sterven. Niets was het zijne

meer; alles was beleend: doch op eene voorwaarde, door welke hij ten

minste gedurende zijn leven zijnen stand nog verzekerde, en, moest hij

vóór haar heengaan, ook den stand van haar, die hij wel nooit had kunnen

liefhebben, maar die toch zijnen naam nog zou blijven dragen, die van

zijn eigen edel bloed was, ja, die immers niet minder dan hij zelf

betrekking had op het dak dat hij boven haar hoofd zou laten--háár

voorvaderlijk erfgoed ook, waarvan hij tot de laatste roede gronds

verslingerd had aan de sletten van het Bal de l'Opéra. De Nijenhorst,

met al wat er in en om en aan haar was--zoo bepaalde het verdrag met

de firma Ruben Shylock & Co. te Amsterdam--, alles zou ongerept gelaten

worden zoolang de baronesse onder de levenden verkeerde; bovendien zou

de firma aan de weduwe tot haren dood een bescheiden jaargeld uitkeeren,

dat, nevens het vruchtgebruik van het nog maar magere goed, haar in

staat zou stellen, voor het oog der wereld althans, op den ouden voet

te blijven voortleven. Zij zelve (het lag voor de hand) mocht geenen

vlierstruik doen omhakken, geen meubel verwisselen; en zoodra de laatste

snik haar over de lippen was, zou Shylock komen om zijn pand.

»Nu begrijpt men waarom Israël jubelde aan den Amstelstroom, toen de

tijding kwam dat eindelijk, eindelijk mevrouw de douairière het besluit

had kunnen vatten om uit dit tranendal te scheiden.

* * * * *

»Het spreekt van zelf, dat er van de bovenvermelde schikking wel iets

uitgelekt was onder de bedienden en in het dorp. De vreemdelingen

echter, die in vrij aanzienlijke getale uit een naburig, zeer bezocht

zomerkwartier de Nijenhorst plachten te komen bekijken (van buiten,

wel te verstaan: het inwendige was voor niemand toegankelijk)--de

vreemdelingen, zeg ik, konden er bezwaarlijk iets van gissen. Wat

zouden zij er zich ook het hoofd mee gebroken hebben! Wat raakten hen de

laatste stuiptrekkingen van eenen verloopen adel!--Zij kwamen: sommigen,

om een doel te hebben voor een rijtoertje; anderen, omdat men toch de

weinige merkwaardigheden der streek niet onbezocht mocht laten; enkelen,

die in de overtuiging geleefd hadden dat adellijke kasteelen nog slechts

in de verhitte verbeelding van romanschrijvers te vinden waren, uit

wezenlijke nieuwsgierigheid. Deze laatsten schenen dan in den waan, dat

er straks uit de slotpoort, over de steenen brug, een geharnast ridder

te voorschijn rijden moest, of minstens eene freule met ellenlangen

sleep, gevolgd door eenen sierlijken page met eenen valk op de vuist; en

niet weinig voelden deze naïeve zielen zich teleurgesteld, bekocht voor

hun goede geld, wanneer hun aan het venster van eene der torenkamers

eene oude dame gewezen werd als de burchtvrouw--eene heel alledaagsche

oude-juffrouwen-figuur, die, volmaakt als nichtje Alida of tante Louise,

naald en draad hanteerde, waarmede zij zóó bedrijvig scheen, dat zij

zich den tijd niet gunde om even op de bezoekers van haar erf eenen blik

te werpen. Allen echter, de teleurgestelden zoowel als de opgetogenen,

de wereldwijzen zoowel als de onnoozelen, toonden zich min of meer

getroffen, wanneer de mededeelingen van den ouden tuinman, die hun tot

cicerone diende, hen tot de gevolgtrekking hadden geleid, dat deze oude

dame in dit groote, holle kasteel nu al eene reeks van jaren geheel

alléén had gewoond. In den regel ontspon zich dan tusschen den grijzen

Bartel en de bezoekers een gesprek van den volgenden aard:--

»»Moederzoalig allinnig, joa, joa! Met Sunt Jan al zeuventien joar",

mompelde de witkop.

»»Geen sterveling", vroeg men, »met haar in het slot?"

»»Nou joa, wijlui binnen er: ik en mijn vrouw, die de kokerij bezorgt,

en Kris de huusknecht. Moar ik bedoel nou eigenlijk minschen van haar

eigen slag, weet ge--zoo van haar eigen kaliber, za'k moar zeggen."

»»Geen zoon of dochter dan? Geen bloedverwanten?"

»»Kiend noch kroai, men lieve meheer!--Wat neefkes en nichtkes in 't

butenland--moar die hoeven hier niet an te kloppen--en die kommen ook

alêvel niet woar niks te oazen valt. Veur de rest, vrind noch moag.

Altoos allinnig!"

»»Ook geene gezelschapsjuffrouw?"

»»Niks nimmendal. Veur joaren het ze eens zoo'n pertret in huus genomen;

moar die kon de kleuren niet uut mekoar houwen--van sajet, weet ge--want

doar is ze den godganschbren dag mee doende. Doarom het ze die mammesel

al gauw weggejoagd. En sedert wou ze er gien van dat spul meer onder

hoar oogen zien. Joa joa!"

»»Maar krijgt zij geen bezoek nu en dan?"

»»Zoo veul as nooit, meheer, zoo veul as nooit. Of 't most wezen, vier

moal in 't joar, een heerschap uut Amsterdam"----doch hierover scheen de

oude zich niet te durven uitlaten.

»»Toen de baron nog leefde, toen was het toch anders, niet waar?"

»»Wel, nou--wat za'k oe zeggen--wel wat anders, moar alêvel niet veul

beter toch. Den baron, die had zoo zen gezelligheid buten 's huus, zoo

op zen eigen gelegendigheid, weet ge. Moar de baronesse--kiek, 't wordt

straks al veertig jaor da'k hier dien--maar 'k kan oe wel verkloaren,

nooit heb ik haar anders gekend as moar zoo oakelig op heurzelf--nooit

met een schepsel eris vertrouwelijk!"

»»Dus--eene menschenhaatster?"

»»Krek, joa joa! As een uil in een boom. En altoos veur dat eigen

venster doar in dien toren, metter tappestrie, zooas ze 't noemen, van

den vroegen uchtend tot voak loat in den nacht. Wat zoo'n minsch zich

verkniezen en vergrimmen mot, hè?"

»»Verschrikkelijk!" bracht het eene of andere vrouwelijke lid van het

gezelschap in het midden. »En is zij niet bang?"

»»Bang? Hoe meint de juffer dat?"

»»Wel, voor dieven."

»»Och jee, wat zou ze! Dievengespuus hebben we hier niet in de

Graofschap; en die weten ook wel terdege goed dat hier 's nachts de

deuren niet op een kier stoan. Nee nee!"

»»Nu ja--al is het dan niet voor dieven----hoe zal ik 't zeggen----ik

bedoel, als men in zoo'n groot oud huis zoo heel alleen----"

»Dan boog de oude Bartel het hoofd diepzinnig op de borst, en zeide,

terwijl hij veelbeteekenend op zijn snuifdoosje klopte: »O zoo! joa, as

de juffer op dát sapiter komt--en as ik uut de school wou klappen--hè,

nou--dan zou 'k oe roare dingen kunnen vertellen. Want zoo'n oud huus,

zie je, dat het zoo zen griezeligheden, joa joa. Moar, juffer, za'k oe

eens wat zeggen?--Er binnen van die minschen, die eigenlijk gezeit geen

minschen meer binnen, moar zooveul als levende doojen. Van de wereld

bin ze afgesturven. Veur niks of niemand hebben ze hart meer. En as den

Euvele hun temet eris over den schouwer kiekt, dan droaien ze zich om op

hun stoel--en dan hebben ze zóó iets lelliks in hun oogen, weet ge, dat

ie 't op een loopen zet, krek as een jonge hoas veur een windhond!--Zoo

binnen er, joa joa! zoo binnen er!"

»En Bartel, zijn snuifje genietende, schuifelde naar het hek, om het

gezelschap uitgeleide te doen en zijn fooitje in ontvangst te nemen.

Want als een kunstenaar in zijn vak, werd hij eerst spraakzaam tegen

dat de wandeling was afgeloopen, en bewaarde hij zijn geheimzinnig

knaleffect, dat hij meestal op de eene of andere manier wist te pas te

brengen, geregeld tot op het laatst. Hij had gesnapt, de slimmert met

het domme gezicht, dat de stadslui hem zoodoende voor eenen origineel

versleten, en hem daarom te milder bedachten. Wie er al niet komedie

speelt!

* * * * *

»Zij echter, wie al dit gevraag en gebabbel betrof--wat was er van haar?

Hoe leefde zij?--Was zij werkelijk zoo troosteloos aan de verlatenheid

overgeleverd, zoo altoos en volslagen alleen, als de dorpsmare wilde?

Verkniesde en vergrimde zij zich zoo? Had zij inderdaad haar gemoed

zoo verhard tegen alles menschelijks--ja (de tuinman had er immers op

gezinspeeld), tegen de booze geesten zelfs, die er spoken in de leegte

welke de mensch aanricht tusschen zichzelven en zijne medeschepselen?

»In zekeren zin, ja. Maar toch, de dorpspraat verkondigde slechts half

de waarheid: en zelfs de wijsheidkramende Bartholomeus was met al zijne

diepzinnigheid niet veel dieper in dit levensraadsel gedrongen, dan

zijne schoffel placht te wroeten in de aarde. Hij toch besefte zoomin

als de meeste andere lieden het verschil tusschen geestelijke en

persoonlijke eenzaamheid. Niets is ondragelijker dan de eerste. De man

die in zijn binnenste nog slechts eene versteening voelt, afgestorven

van alles wat hem eenmaal lief of belangwekkend of heilig was--die

man is als een op den oceaan verlorene te midden zelfs van het

drokste maatschappelijk verkeer, ook waar hij zich opwindt om met de

luidruchtigsten luidruchtig te zijn in het vroolijkste gezelschap;--aan

krankzinnigheid ontsnapt hij slechts door zich te werpen in eenen tuimel

van zinnelijke verstrooiingen. De andere daarentegen, de persoonlijke

eenzaamheid, heeft meer den schijn dan het wezen van de zaak. Zij

is eene levensgesteldheid bij welke het gemoed, na al kampend en

werend geheel de have van algemeen menschelijke neigingen, behoeften,

gevoeligheden en illusiën te hebben moeten prijsgeven, met zijn

laatst en veelal dierbaarst goed--gelijk een monnik met een kostbaar

handschrift in zijne kluis--zich heeft opgesloten in zichzelven, en,

aldus gewapend, in zichzelven de genoegzaamheid gevonden heeft. Dit

moogt gij, al naar uw wijsgeerig standpunt, samentrekking noemen,

of afstomping, een heldhaftig individualisme, of eene treurige

monomanie--zeker is het, dat die gesteldheid minder deernis behoeft

te wekken, dan de naar alles grijpende, van alles proevende, maar van

niets verzadigde alledags-menschen haar in den regel meenen te moeten

waardig keuren. Het leven is een puinhoop geworden; van wederopbouwen

kan geene sprake meer zijn. Doch de geest heeft uit dien puinhoop éénen

schat gered: eene gril, eenen waan, eene ijdelheid misschien--maar aan

welken hij zich toewijdt met het gansche overschot van zijne liefde en

kracht, en door welken hem op het lest soms eene stille vergoeding nog

gewordt voor datgene, wat hij aan geluk in den gewonen zin heeft moeten

derven.

»Zóó stond het ook met die oude vrouw daar in den slottoren. Wel als

begraven woonde zij daar voor alles buiten haar om, maar nog geenszins

dood voor zichzelve. Wel eenzaam was mevrouw de douairière, maar niet

alleen; wel zonder vreugde, maar niet zonder troost. Want uit den

bouwval van haar bestaan had zij één enkel klein talent weten te

behouden, dat haar op den ouden dag geworden was als den kloosterling

zijn kunstig manuscript of zijn met zorg gekweekt moestuintje.

»Natuurlijk was dit ook voor haar eerst na bitteren kamp zoo geworden.

Men betrekt niet rustig eene kloostercel, dan na de schipbreuk van een

fortuin of na het breken van een hart:--en geen varensman van eer laat

zich in den grond boren, geen moedig hart laat zich verbrijzelen,

zonder tegenweer. Lang en folterend was het lijden geweest van deze

vrouw; doch met dit al van zoo bijzonderen aard, dat hare tijdgenooten,

hadde zij het hun geopenbaard, het haar eenvoudig als krankzinnigheid

zouden hebben toegerekend. Niet allereerst toch had zij geleden voor

datgene wat elke vrouw het diepst gegriefd zou hebben: de onverholen

liefdeloosheid van haren echtgenoot te haren opzichte. Och neen! Uit

liefde immers schonk zij den bloedeigen neef hare hand niet; huiselijk

geluk behoorde niet tot de traditiën van haar geslacht; en zij had van

hare verlooving af geene reden gezien om zich op het stuk van echtelijke

trouw met een beter lot te vleien, dan aan hare moeder en aan hare

grootmoeder ten deel gevallen was. Veel minder als gade had zij geleden,

dan als baronnesse; veel minder als vrouw, dan als adellijke. Geleden

had zij onder hare kinderloosheid: niet, zooals andere vrouwen, uit

verlangen naar de zorgen en vreugden van het moederschap, maar omdat zij

eenen erfgenaam wenschte voor haar bloed, haren naam, haar wapenschild

en haar kasteel. Geleden had zij onder de losbandigheid van den baron:

niet omdat hij zichzelven er mee ten gronde richtte, maar wijl hij

zijnen en haren oud-adellijken naam er door in smadelijke opspraak

bracht: hij, de laatste drager van dien naam. Geleden had zij onder

zijne latere grove verkwistingen: alweder niet uit beduchtheid voor de

strenge tucht der armoede--maar omdat zij erger nog dan den hongerdood

de vernedering vreesde van bij haar leven nog door de firma Shylock &

Co. te worden weggedreven uit den burcht harer vaderen. Kortom, de

marteling van haar leven had bestaan in de voortdurende krenking, de

geleidelijke slooping en het onherroepelijk tot niet gedoemd zien worden

van eenen adeltrots, die, als een machtig instinct, al haar voelen en

denken en handelen beheerschte. Zij nu had dit knagende leed niet kunnen

en niet willen verdooven met genot. Integendeel: zij had het levendig

gehouden met alles wat haar eenzaam verblijf in het kasteel er voedsel

aan bieden kon. Gespijsd had zij het gelijk eene slang met haar vleesch.

»Dit had vele jaren zoo geduurd. Jaren lang nog, na het overlijden van

den baron, had zij gehaat te leven, en toch gevreesd te sterven. De

dood--hoe welkom zou hij haar zijn geweest, indien hij slechts als

de verderver van haar lichaam ware opgedaagd. Maar o! die folterende

gedachte, dat alles, wat haar gewijd en dierbaar was, tegelijk met haar

aan het einde zou gekomen zijn; dat haar naam en titels mèt haar in het

graf zouden zinken; dat al hare deftige erfstukken, de oude meubelen en

het familie-zilver, de wapenrustingen en de schilderijen, verstrooid

zouden raken onder de Semieten; dat de boomen van haar park vallen

zouden tot den laatsten; dat haar slot zelfs, eeuw op eeuw de trots

en het bolwerk der landstreek, zou weggekruid worden om als puin eenen

modderkuil te dempen, of als gruis op eenen kleiweg door boerenklompen

vertreden te worden!.... Neen! en dit was geen schrikbeeld, dat zij

zich maar in het hoofd haalde;--eene onafwendbare zekerheid was het.

Het =moest= gebeuren--spoedig al--morgen reeds, indien zij heden kwam te

sterven..... Dan sprong zij van haar leger, in het holle van den nacht,

en ontstak eene kaars, en waarde rond door de zalen en kamers, om het

oude slot en wat er in was--dat alles waarmede hare verbeelding, haar

trots, geheel haar wezen zoo onafscheidelijk inééngevlochten was--nog

ééns, nog éénmaal toch te zien. Want morgen, straks reeds, kon zij

weggeroepen worden----en dan moest dit alles verstuiven als het

tooverpaleis in een sprookje!

»Was het wonder, dat destijds onder het landvolk het gerucht zich

verspreidde van een spooksel in het kasteel?--Een licht, flikkerend van

kamer in kamer--eene witte gedaante, voorbij een venster sluipend----wat

wilde men méér!

»En deze spookmare was in hoogere mate belangwekkend geworden, toen men

op zekeren ochtend, nadat in den nacht wederom de verschijning dolende

was gezien, mevrouw de douairière bewusteloos had vinden liggen in de

groote ridderzaal, vlak nabij het portret en de daaronder geplaatste

helmlooze wapenrusting van den bouwheer der Nijenhorst, den grimmigen

heer Huibert. Men nam haar op en bracht haar te bed. Verscheidene dagen

lag zij in ijlende koortsen. Toen zij na bangen strijd weder tot

zichzelve kwam, waren hare haren als witte zijde geworden.

»Wat haar overkomen was--niemand heeft het ooit uit haren mond vernomen.

Men mompelde in keuken en tuinmanswoning, straks ook in de dorpskroeg,

vreemde dingen: iets van eene oude voorspelling die vervuld, van een

vreeselijk voorteeken dat geschied zou zijn--doch waarvan geen mensch,

zelfs de oude Bartel niet, het eigenlijke meer wist. De tuinmansvrouw,

die de zieke opgepast had, verzekerde dat deze van tijd tot tijd

zich plotseling in haar bed had opgericht, en dan met een gebaar vol

ontzetting had uitgeroepen: »Het hoofd! het hoofd! Genade!" Ook beweerde

Kris de huisknecht bij hoog en bij laag, dat hij dien ochtend, toen

men de baronnesse zoo vond, op den stalen kraag van ridder Huibert's

harnas eene vlek ontdekt had, die er te voren niet op was geweest, en

die----»'t kon wel roest zijn, maar 't had veel meer van bloed!"--En

toen deze geruchten zich verspreidden, liet er zich ergens achter het

plaggenvuur van eenen heiboer een stokoud, reeds half versuft besje

vinden, dat, zeker door deze reminiscentiën geprikkeld, zich de geheele

legende van Huibert den Ever weer herinneren kon: hoe hij met den Booze

heulde, hoe zijn afgeslagen hoofd den Duivel tot kegelbal werd, en hoe

de voorspelling luidde, dat

_Werd de kop ooit weergevonden,

Dan was Nienhorst voor de honden--_

--of iets in dien trant! En liefhebbers van curiositeiten snuffelden er

oude kronieken op na, waarin werkelijk breedvoerig te lezen stond----

»Maar gij kent reeds die historie. Dit kan ik dus overslaan."

* * * * *

Hier poosde de lezer. Hij stond op, stapte een paar malen de kamer op en

neer, en sprak, half tot mij, half tot zichzelven:

»Het heugt mij nog heel goed hoe de menschen hier in de stad over het

geval redeneerden. 't Is nu--laat eens zien .... vijftien, zeventien,

negentien jaren geleden. Juist was ik met kerstvacantie naar huis

gekomen.

»Sommigen geloofden stellig en vast, dat de douairière eene verschijning

gezien had; anderen, dat zij nu volslagen krankzinnig geworden was; nog

anderen, onder welken een plattelandsheelmeester, dat zij den avond

te voren wat zwaar gesoupeerd moest hebben. Ikzelf, in die dagen een

_esprit des plus forts_, deelde het gevoelen dezer laatsten; en ik

herinner mij hoe ik, met al de beslistheid van mijne achttien jaren,

mij in dien zin uitliet tegenover mijnen vader, die een weinig naar

mysticisme overhelde. Ik schreeuwde dat het niets kon geweest zijn dan

eene hallucinatie, eene _deceptio visus_.

»»Inderdaad?" antwoordde mijn vader: »is dat zoo zeker?"

»Ik vroeg hem of hij dan werkelijk in het algemeen aan de mogelijkheid

van geestverschijningen geloofde.

»»De ónmogelijkheid er van", hernam hij, »is althans onbewezen en

onbewijsbaar. En wat dit bijzonder geval aangaat, zoo is het niet de

vraag wat =ik= geloof, of wat =gij= gelooft, maar wat de baronnesse

geloofde; en, bijgevolg, wat de baronnesse gezien kan hebben in dien

nacht--met =hare= oogen namelijk: niet met de uwe, ook niet met de

mijne, maar met de =hare=. Het eene oog ziet niet als het andere. De

hond is in het donker blind voor dingen die de kat zeer duidelijk

waarneemt; evenals de nachtvogel in het zonlicht datgene niet zien

kan, wat de wakkere hen er met eenen oogopslag in bespiedt."

»»Maar", voerde ik aan, »dit heeft betrekking op tastbare, niet op

ontastbare zaken: op feiten, niet op hersenschimmen."

»»En heeft ooit iemand", riep hij, »heeft ooit iemand nog tusschen het

tastbare en het ontastbare de grens kunnen bepalen? of ooit kunnen

aanwijzen wáár het rijk der feiten eindigt, het rijk der schimmen

begint?.... Loop heen toch met uwe quasi-wetenschappelijke machtwoorden!

Er overkomt mij iets, dat noch ik noch gij noch iemand verklaren

kan, maar dat mij vreeselijk aangrijpt. O! roept gij: dat is niets!

belachelijk!--eene hersenschim! eene hallucinatie!... Maar hier: mijne

haren zijn er wit door geworden, mijne gemoedsstemming is er door

omgeslagen, levenslang moet ik onder den indruk er van blijven.... Wat

raakt het mij nu, of gij heel wijsgeerig mij komt vertellen dat =zoo

iets niet wezen kan=, dat het eene hersenschim van mij geweest moet

zijn!--Te drommel! kunnen of niet, voor mij =was= het. Het moge voor u

en uwe philosophie eene hersenschim zijn geweest--voor mij en mijn leven

was het een feit!"

»Ik heb dat antwoord nooit vergeten. En ik wil u wel zeggen dat

eene andere gedachtenrichting dan die van mijne jeugd, misschien

ook eene enkele ervaring, mij sedert met het aanwenden van die

quasi-wetenschappelijke machtwoorden, zooals mijn brave vader ze

noemde----

»Doch waartoe eene bekentenis, die nu eenmaal in de wereld van het

hedendaagsche denken niet meer thuis behoort, en die bij mijne meer

verlichte tijdgenooten slechts lachlust wekken kan!....... Kom! het

begint zoowaar al te schemeren. Willen we ons etensuur niet verzuimen,

dan moet ik met het slot van mijne historie wat spoed maken. Gij wilt

het toch hooren?"

»Tot elken prijs!"

Hij zette zich weer tegenover mij, en las verder.

* * * * *

»Wat er dan ook in dien nacht gebeurd moge zijn, wat de baronesse gezien

hebbe, of zich verbeeld hebbe te zien--zóóveel is zeker, dat zij, toen

zij van haar leger verrees, een veranderd mensch bleek te zijn. De zware

ziekte, die haar lichaam had verzwakt, bleek ook haren wrevel gebroken,

den geest van verzet in haar gesust te hebben. Of wel, had inderdaad

een onheilspellend visioen haar verschrikt, zoo scheen daaruit kalmte

over haar neergedaald te zijn: berusting, die zich wellicht hierdoor

verklaren laat, dat zij van nu af in den aanstaanden ondergang van haar

huis niet langer het werk van menschen zag, doch de vervulling van het

fatum haars geslachts. Moest de Nijenhorst verdwijnen--zij deed het ten

minste zooals van haren aanvang af verordend was, volgens hare eigene

aloude legende.

»Nogeens, hoe dit geweest zij--op de kranke ziel der oude dame scheen de

geheimzinnige gebeurtenis heelend te hebben gewerkt. Geene nachtelijke

dwaaltochten weder; geene doffe wanhoop meer in haar traanloos oog,

geen werkeloos neerzitten in stomme vertwijfeling. Het heden kwelde,

de toekomst benauwde haar niet langer; van nu af verkeerde haar geest

enkel nog in het verleden. Zij sloot zich op in de ronde torenkamer,

verdiepte zich in oude familie-papieren, sloeg eenen grooten voorraad

benoodigdheden voor vrouwelijk handwerk in, en wierp zich met

rusteloozen ijver op den éénigen arbeid dien zij verstond: het

tijdverdrijf dat door haar zelve en door de vrouwen van haar

voorgeslacht steeds met smaak en vaardigheid beoefend was: de kunst

van de borduurnaald. Voor haar echter was thans dit werk geen ijdel

tijdverdrijf meer, doch eene heilige taak, tot wier voltooiing zij zich

haasten moest gedurende het korte overschot haars levens. Voor haar

werd van nu af die kunst, die kleuren en beelden stikt in het stramien,

een als uit den hooge haar aangewezen middel om nog, zooveel in haar

vermogen was, der wereld een gedenkstuk na te laten van den glans der

adellijke familie die straks uitgestorven, van de sterkte des stamburgs

die weldra spoorloos weggevaagd zou wezen. Dag en nacht repte zij de

naald; tafereel op tafereel, uit de geschiedenis van haar huis, maalden

de bonte draden op het gaas. Hoe sloofde zij zich af over dezen arbeid,

tot vaak de oude oogen en de stramme vingers haar den dienst weigerden.

Dan, als zij een beeld voltooid had, hing zij het op aan den wand

harer kluis, en zat uren lang in beschouwing er van, met eene schier

kinderlijke voldoening. Want dit toch behoorde haarzélve nu toe: dit was

niet begrepen onder Shylock's inventaris: dit toch zou na haren dood de

uitdrager niet te koop kunnen hangen in zijne voddenkraam. Het zou haar

en haar slot nog eeuwen kunnen overleven, om te midden eener passende

omgeving haren naam in aandenken te houden. Zij had het bij testament

vermaakt, dit harer handen werk, aan eene naburige stad. Dáár zou

het prijken in de oudhedenkamer van het antieke raadhuis, als een

_monumentum aere perennius_ van de Nijenhorst en haren ridderstam.

* * * * *

»Zóó dus had die vrouw in hare stille afzondering datgene gevonden, wat

aan vele dier drokke wereldlingen, die haar uit den slottuin aanstaarden

als ware zij een levend fossiel, wellicht nog niet toebedacht was: eene

roeping, die haar heure eenzaamheid bevolkte met de schepselen der

herinnering en der phantasie.

»Achttien jaren was zij onafgebroken met dit naaldwerk bezig. Ter wereld

niets anders beslommerde haar meer.

»Toen zij met het laatste en twaalfde stuk gereed was, bevestigde zij

ook dit nevens de elf vorige aan den wand. Vervolgens tooide zij zich

met een oud satijnen staatsiekleed--hetzelfde dat zij, veertig jaren

geleden, gedragen had toen haar Koning gast was aan hare tafel. Hare

ringen stak zij zich aan de vingers; hare diamanten hing zij zich in de

ooren; hare witte tressen kapte zij zich als voor een feest. Zóó gedost,

verliet zij de torenkamer, met langzamen, statigen tred. Geheel het

slot doorwandelde zij--al de gangen en zalen en kamers; en voor elk der

antieke meubelen stond zij even stil, als om er afscheid van te nemen,

met eenen kalmen blik en eene lichte hoofdbuiging. Ook voor elk der

portretten in de ridderzaal hield zij stand, met dien blik en die

buiging: het eerst en het kortst voor dat van wijlen haren echtgenoot;

toen voor dat van diens vader--en zoo de rij af, het laatst en het

langst voor het dreigende gelaat en het helmlooze harnas van Huibert den

Ever. Dan klom zij op den grooten toren, en zag rond over het landschap,

dat met vredigen glimlach zich koesterde in de namiddagzon. Hierna

daalde zij weder af, keerde terug in haar vertrek, schoof den grendel op

de deur, kreeg uit eene kast in den muur eene wijnkaraf en een fleschje,

schonk zich uit beiden eenen roemer vol, en zette zich daarmede in

haren armstoel.--»Zoo!" prevelde zij: »zoo is het wel!..... God,

mijn Heer! vergeef het mij!--het is genoeg geweest!--laat alles zich nu

vervullen!"..... Aandachtig beschouwde zij nog eens, beeld na beeld, het

werk van hare handen. Voor elk der ramen, datzelfde hoofdneigen. En toen

haar blik op het twaalfde te rusten kwam, toen speelde er een straal

van de middagzon, door het looverschut der beuken heengebroken, op dit

tafereel eener troostelooze verlatenheid. Zij tuurde, en tuurde, alsof

zij iets vreemds bespeurde aan het doek;--iets vreemds inderdaad: want

het gulden licht had al de somberheid van het schemergrauw uit het

beeld doen verdwijnen; en het leende aan de bruine erica's er op eenen

weerschijn als stonden zij in bloei; en het deed de bleekroode zijde

van het avondluchtje glanzen, als ware het een vroolijk morgenwolkje,

vóórboô van den schoonsten dag. En ach!--de lippen der oude vrouw

begonnen te trillen, hare handen te beven, hare oogen zich te benevelen

met eene vochtigheid, die zij er sinds lange, lange jaren niet meer

in had voelen opwellen. Zij zag op de zonnige heide zichzelve weder

dartelen--vlinders jagend en bloempjes plukkend--een argeloos meisken,

een kind als andere kinderen, dat van adel nog niet afwist en van een

fatum nog nooit had gehoord. Zij zag er zich als jonkvrouw wandelen,

mijmerend wellicht over eene verbodene teederheid--eene maagd als andere

maagden, óók met eene kans nog op geluk, vóór zij tusschen haar hart

en haren naam, tusschen hare liefde en haren trots, het =slechte= deel

gekozen had.... En plotseling liet zij het glas aan scherven vallen, en

de saamgevouwen handen preste zij zich heftig op de borst.... »Neen,

mijn God!" snikte zij: »zóó toch niet!... Het einde! het einde!... Neem

mij weg, o God! neem mij weg!... Maar zóó toch niet!"

»Stond werkelijk hare ure alreeds op het slaan? Of heeft dezelfde

wilskracht, die den dood op eenen afstand hield zoolang de taak haars

levens nog niet volbracht was, thans, nu het genoeg was geweest, haar

hart gedwongen het kloppen te staken?

»Ik weet het niet.

* * * * *

»Weinige dagen later reeds zag men het zaad Abraham's vergaderd in de

Nijenhorst, door de poorten in- en uitgaande met gansch zeer groote

bedrijvigheid. De wijze Ruben zelf pakte het familie-zilver in; Zebulon

de voorzichtige het kostbare porcelein. Middelerwijl torschte Isaschar,

de sterke, het portret van Huibert den Ever onder zijnen arm; en

Naphtali, die schoone woorden geeft, laadde op zijn handwagentje de

helmlooze wapenrusting.--»Nah!" riep hij--»heeft meneer de ridder in

de bathalje zijn khopshtuk feloren?--'k Zal meneer helpen, wacht!"--En

hij duwde in den ijzeren halskraag eene mutsenbol, roodwangig en

onnoozel----waarom al de twaalf stammen lachen moesten, dat hun de

tranen langs de neuzen biggelden.

* * * * *

»Wandelt gij thans naar de plek waar de Nijenhorst gestaan heeft, en

denkt gij daar neer te zitten om u door den heidewind te laten vertellen

van den luister en den trots, het verval en het lijden, den langen

doodstrijd en de smadelijke verstrooiing van het fiere huis--zoo wacht

u eene teleurstelling, mijn vriend. Gij zult er niets hooren dan het

geklop van hamers en het tikken van troffels--eenen vloek en een deuntje

wellicht ook uit den mond der werklieden, die bezig zijn er eene

plankenzagerij te bouwen."

Alpengloeien.

Het stond bij het brugje, dat den bruisenden bergstroom overspant. Een

paal, manshoog; en daar op een houten hokje of nisje, zoo ruim als twee

handen saamgebogen; en daar in een madonna-beeldje, zoo groot als een

pink--een tinnen popje zoowaar, geen zier kunstiger of kostbaarder dan

de soldaatjes, waarvan er een heel bataljon zich kazerneeren laat in

eene spanen doos. 't Was het kinderachtigste wat ik ooit ontmoet heb van

dien aard.

Glimlachend hielden wij even er bij stil. »Hoe 't mogelijk is!" zweefde

ons beiden op de lippen. »Hoe 't mogelijk is, voor zóó iets te gaan

knielen in een land, waar de Schepper als met eigene hand de

zegeteekenen van zijne grootheid uit de aarde oprijzen deed!"

En wij slenterden verder, opklimmende naar het doel van onze wandeling.

* * * * *

Toen wij boven waren, en ons nederlieten op de mosbank onder de sparren,

prijkte bij dalenden avond het Alpenland in volle heerlijkheid. Diep

in het dal was reeds de schemering begonnen haar floers te spreiden.

Purpere dauw zweefde over de akkers. Donker legerden zich de wouden

langs de hellingen. Maar omhoog baadde nog alles zich in stralenglorie.

Sneeuwtop bij sneeuwtop stond nog te glanzen in den kring--zonnig

verlicht, zilverhel, zoo koel en kuisch zich spitsend tegen het diepe

blauw des hemels.

Wonderbeelden, voor hem die getreden komt uit de drassigheid der

polderstreek, uit het kille slib der venen. Wonderbeelden, welker

pracht de stoute phantasie dan eindelijk rusten doet, verwonnen,

ontvleugeld door de stoutere werkelijkheid!--Het oog staart ze aan,

opgetogen--hetzij een woeste nevel ze omkleedt met ontzetting, of een

zonnestraal ze pralen doet in milde majesteit. En de herinnering neemt

ze in zich op, om zich er aan te verlustigen na jaren nog, wanneer des

wandelaars leden stram worden en zijne middagen grauw.

Wonderbeelden!... Wij tuurden rond en opwaarts. Wij blikten elkander in

de oogen;--wij vonden geen woord te zeggen. Maar stil in die heilige

stilte bad vurig en innig ons hart.

* * * * *

Och, dat eene ure als deze wat toeven wilde! De macht van eenen Jozua,

om te gebieden: zonne, sta stil! Om den avondstond te doen luisteren

naar het smeeken: »_Verweile doch! du bist so schön!_"

Maar de tijd weet van geen talmen. Of pijn u slapeloos woelen doet op uw

leger--de slinger schommelt er niet sneller om. Of gij voor 't eerst arm

in arm gaat met de geliefde--niet trager bewegen de wijzers zich over de

plaat. Zelfs niet voor zaligen staken de seconden hare vlucht.

Aldus was ook de weelde van het alpengloeien, zoo zeldzaam, zoo

onbeschrijfbaar heerlijk, slechts weinige oogenblikken ons gegund.

Het zilver der sneeuwspitsen zagen wij goud worden. In vuur ontstoken,

blonken de toppen ons toe: een vuur, dat weldra verglommen

was--vergrauwd, door karmijn en purper heen, tot doffe, looden

kleurloosheid. Hooger en hooger klom het duister uit de diepte. De

laatste landelijke klanken van het dal verstierven: het laatste getingel

van het stalwaarts gedreven rund, het laatste gejodel van den zangerig

gestemden herder. De nacht brak aan, in welken geene stem gehoord zou

worden, dan die van de stortende wateren.

* * * * *

Wij daalden afwaarts. En zie! wat kwam daar aangestrompeld over het

brugje?

Een vrouwtje, eindeloos oud--een bundeltje knoken en lompen--met eene

vracht gesprokkelde takken op den krommen rug. Van onder den rooden

hoofddoek golfden hare witte lokken te voorschijn, zilver als het schuim

der beek. Tokke, tokke, ging haar stokje; loom sloften hare schreden

elkander na over de planken. Zij leek wel moe, tot stervens moe. Moe van

het sprokkelen? Moe van het leven?--Ik weet het niet. De bergen zag zij

niet aan, noch de rozeroode wolkjes, noch den wild voortschietenden

stroom, noch de zwarte wouden rechts en links. Maar bij het

madonna-popje richtte zij het hoofd op, liet den takkebos zich van de

schouders zakken, en knielde neder in het stof, ongezien, zoo meende

zij, behalve van God en van Maria.

Ook zij aanbad. Ook zij stortte daar, stil in de heilige stilte, vurig

en innig hare ziel uit voor het Hoogere.

* * * * *

Kort, moedertje! maak het kort, opdat het duister niet te ver van huis

u verrasse. Een kruis geslagen, den last u weer opgeladen--en verder het

oude lichaam opgezeuld tegen het steile bergpad.

Doch Maria de Maagd had er een wonder verricht aan deze grootmoeder

van vele kinderen. Want trots het klimmen, was des oudjes tred

veerkrachtiger geworden. Rechter droeg zij het grijze hoofd; minder

zwaar scheen de vracht haar te drukken. En ik zeg u: daar speelde

een trekje van jeugd om haren mond, daar lichtte een vonkje van

blijmoedigheid in hare half gebroken oogen, als zij op zijde stapte

om voor ons ruimte te maken op het smalle pad, ons nazendend de vrome

begroeting van vóór duizend jaren: »_Grüss Gott, Herrschaften! Grüss

Gott!_"

* * * * *

Wij hebben niet geglimlacht, toen wij wederom voorbij het popje gingen

over de brug.

Gij Eeuwige, leer ons wormen elkander begrijpen!--Wat raakt het, welk

het teeken zij, waarin wij U erkennen?--Zou een sneeuwberg ook méér zijn

in Uw oog, dan de boersche beeltenis eener kinderdragende vrouw?--Wat

raakt het: Montblanc of een tinnen figuurtje--indien slechts de

=gedachte= er door gewekt wordt, die loutert en sterkt en opheft?

Gij Eeuwige, leer ons elkander verstaan!

Don Juan del Mulino.

_Cupidon pour dieu adoré

Tire d'un petit arc doré

Deux traicts de différente sorte;

L'un d'eux rend l'amour honoré,

Et l'autre trouble et malheur porte._

De predikant Malthus zat aan een der ramen van zijne studeerkamer, en

tuurde naar buiten.

Voor zoover het daarbij op het gebruik zijner oogen aankwam, had hij die

even goed kunnen sluiten: want hij keek naar niets--en er viel ook niets

te kijken, dan een Noordhollandsch weiland, overdekt met sneeuw. Dit was

het uitzicht noordwaarts heen. Ook tegen het westen had het vertrek een

paar vensters; maar ook daar kon de bewoner niets bespeuren dan eene

besneeuwde vlakte, benevens eenen half ontwiekten watermolen aan het

einde van eene dichtgevrozen wetering. Waren bovendien nog de beide

andere wanden open geweest voor het karige licht van den Januari-dag--de

dominee zou ook in het zuiden en in het oosten niets hebben opgemerkt,

wat aan zijnen lusteloozen blik eenige verstrooiing hadde kunnen

verschaffen. Want de pastorie lag met het kerkje en de daaraan grenzende

herberg midden in den polder, een half uur minstens van het naaste dorp,

een uur wel van het naburige marktstadje. Er lagen een aantal flinke

hoeven verspreid in het rond--alle ver af; er stonden een tien of twaalf

iepen bij de kerk, wat schrale esschenstammetjes langs den straatweg,

een rijtje knotwilgen hier en daar aan eene sloot; dan, wijd aan den

horizon, eene enkele boomgroep en een paar dorpstorens,--ziedaar geheel

het landschap. En dit weinige was nu door de dikke sneeuwlaag zoo

goed als uitgewischt, althans tot de meest volslagene eentonigheid

ineengedoezeld. In het eerst had dit schouwspel de vluchtige bekoring

geboden van het nieuwe. Later, toen de zon er op scheen, was het

verblindend, vermoeiend geweest. Thans echter, nu een vale, roerlooze

hemel zich er over welfde, die sneeuw beloofde, nóg meer sneeuw--thans

stemde het dominee Malthus onbeschrijfelijk neerslachtig. Hij was op het

stuk van natuurschoon zekerlijk niet verwend; zelfs op den zonnigsten

Juni-ochtend was het groen der eindelooze grasvelden van het koeienland

zóó rijk niet geschakeerd met paardebloemen en roode klaver, om hem

de zinnen te bedwelmen met kleurenweelde. Maar toch, deze volstrekte

afwezigheid van =alle= kleur, reeds weken lang nu, maakte op den

eenzamen man steeds dieper en dieper den indruk van eene grenzenlooze,

hopelooze somberheid....... Noem =wit=, niet zwart, de verf des doods.

In zwart liggen alle tinten verholen; uit het diepste zwart flitst te

voorschijn de vuurgloed der hel:--warmte, leven dan toch. Maar wit is

de ledigheid, de ijlheid--, het koude, stoffelooze, wezenlooze Niet.

Het is moeilijk te zeggen, ja dan neen, of deze zelfde gedachte ook

dominee Malthus door het hoofd maalde, terwijl hij daar zoo zat te

staroogen in het doffe verschiet. Te vermoeden valt het veeleer, dat op

dit oogenblik zijn brein in eenen toestand van werkeloosheid verkeerde,

of, zoo het al met iets bezig was, dan met mijmeringen even vaag en

flets als de streep langs welke de bleeke aarde en het bleeke zwerk

samenvloeiden daarginds aan de noorderkim.

Intusschen--nu opeens keek hij toch naar iets, en zeer aandachtig.

Juffrouw Dientje, zijne oude huishoudster, had namelijk een overschotje

van het middageten uit het keukenraam gegooid, voor de muschjes, die

verkleumd tusschen het groen van een paar hulstboompjes scholen. De

hongerige diertjes vlogen er gretig op af; maar nauwelijks hadden

zij al tjilpend hunne vreugde te kennen gegeven over het onverwachte

maal, of daar kwamen uit de iepen een paar ruwe snuiters van kraaien

neergestreken, die het arme kleine grut met snavelstooten verjoegen, en

nu aan het voedsel zich tegoeddeden met echten bandietenlust. »Vort,

leelijkers, vort!" riep Berendina, ten toppunt van verontwaardiging.

De roovers slokten er slechts te gulziger om. Eene pantoffel plofte

tusschen hen neer in de sneeuw;--zij hupten even zijwaarts, doch

hervatteden terstond hun festijn. Toen ondernam mejuffrouw Dina

persoonlijk eenen uitval, ten einde de drieste schurken te verjagen. Te

laat! Het leste brokje aardappel was juist in eene der zwarte snebben

verdwenen.

De dominee glimlachte bitter. Zoo treffend paste dit kleine tooneel in

het kille, meedoogenlooze winterlandschap. Was het geene satire op de

leer die hij morgen weer verkondigen zou in zijne kerk: de leer van de

liefde en van der liefde almacht: de leer van dien Vader der Schepping,

zonder wiens wil geen muschje ter aarde valt?--Zie! hier was nu deze

Schepping: eene barre ijsklomp, voor geen vogeltje zelfs maar een

kruimpje voortbrengend. En daar was ook de liefde. Zie! Wat zij offerde

voor de muschjes--de kraaien gingen er straffeloos op te aas.... Toch,

eene satire is nooit meer dan eene =halve= waarheid. Want de ware liefde

laat niet af. Zie wederom slechts! Juffrouw Dientje was naar buiten

gegaan, om nogmaals haren beschermelingen wat voor te werpen. Mocht ook

die tweede poging mislukken, zij waagt er eene derde. Gij kunt zeker

zijn, dat zij dien namiddag hare breikous niet voor den dag gehaald en

hare voeten niet op haar warm stoofje gezet heeft, alvorens zij de

muschjes had verzadigd.

Dit tweede bedrijf van het stukje _morale en action_, waarbij zijne

getrouwe huisverzorgster en het vogelenheir de hoofdrollen vervulden,

had den predikant weer een weinig opgebeurd. Hij rees van zijnen stoel,

en bemerkte nu dat hij al mijmerend een stuk papier had saamgevouwen

tot eene veelhoekige meetkunstige figuur. Onwillekeurig bracht hij het

velletje tot zijne oorspronkelijke gedaante terug, sloeg een oog op den

gedrukten inhoud van het verfrommelde strooibiljet, en las als volgt:

»_Op Zaterdag den 17 Januari (volle maan) in het lokaal van Ari Harmsen,

te Polderbroek,_

$Groote Voorstelling$

_door het gezelschap Acrobaten, Pantomimisten, Café Chantantes en

Vaudevillisten, onder directie en met medewerking van den heer Vincentio

Buonaventura, eersten bariton van de groote Opera della Scala te Milaan.

Schitterend succes in het Paleis voor Volksvlijt te Amsterdam, in het

Feestgebouw te Rotterdam en in La Sodalité te Antwerpen._"

Dominus Malthus fronste de wenkbrauwen. Hij was voorwaar geen

kunst-verfoeiend puritein; maar juist als vurig muziekvriend had hij van

den tingeltangel eene niet uit te spreken walg; en dat die inrichting

nu al aan de steden niet meer genoeg had, doch het platteland begon

af te stroopen, om ook de boeren te verliederlijken--dit vond hij

treurig en ergerlijk. En deze orgie van gemeenheid, deze muziekmoord

en kunstbezoedeling zou hier plaats hebben naast zijne deur! Buurman

Harmsen, anders een degelijke kerel, leende daartoe zijne eerzame

bovenzaal!--En het brutale program van al die ploertigheid had zich

zelfs eenen weg gebaand tot in de pastorie: tot in des dominee's

studeervertrek, waar hij zijne preeken schreef, waar zijne boekenkast

naast zijn harmonium stond, waar de portretten van zijne groote dichters

en kunstenaars geschaard hingen aan den wand!--Hoe kwam dit vieze vod

hier tusschen zijne vingers? Vermoedelijk doordien hij het in zijne

verstrooidheid had opgenomen van de tafel. Maar hoe dan was het op

zijne tafel verdoold geraakt?--Dáárover moest de huishoudster ter

verantwoording geroepen worden. De heer Malthus schelde. Berendina kwam.

»Zeg eens, Dientje", begon hij, op eenen toon waarin hij vergeefs zekere

strengheid poogde te leggen: »Ik vond hier dit papier liggen. Weet ge

daar van?"

»Dit pampiertje?" vroeg mejuffrouw Dina, terwijl zij haren bril in

positie bracht en het bewuste stuk uit de hand van haren meester

overnam: »Dit pampiertje?--Ik weet van niets, dominee. Er is niets

bezorgd. 't Heeft dan zeker tusschen de krant gezeten."--Maar toen zij

de eerste regels gelezen had, steeg haar het bloed naar het hoofd.--»Wel

goddeloos!" riep zij, de armen over hare maagstreek kruisende: »Wie had

er nu zoo iets van Arie Harmsen kunnen denken!--Kijk er eens hier!"--en

zij begon uit het programma der voorstelling de zoodanige nummers

af te lezen, die het levendigst hare verbolgenheid gaande

maakten.--»_Arabische luchtsprongen, uit te voeren door mesjeu

Lamberti._ En dat nog wel een gewezen ouderling!"--doelende niet op

Monsieur Lamberti, maar op Arie Harmsen.--»Numero drie: _Coupletten,

»Als men iets verloren heeft", te zingen door mammezel Celestine._

Moesten de sletten zich niet de oogen uit haar hoofd schamen!--Numero

zeven: _De Broedermoord, of de Doodslag van Kaïn aan zijnen broeder

Abel, tableau-vivant met bengaalsche verlichting._ Ziedaar nu! niet

eens Onze Lieve Heers eigen woord kunnen ze buiten het spel laten, die

aterlingen! Numero negen: _Duo uit de opera Don Juan: »Reik mij de hand,

mijn leven!" voor te dragen door den heer Vin.... Vincentio Buona....

Buonaventura_--een mooi avontuur, ja, op den avond vóór den Zondag!--_en

mammezel Celestine voornoemd._ Nu, dat lievertje zal wel niet neen

zeggen. Maar ik voór mij, eer dat ik me met zoo'n schorriemorrie----"

De goede juffrouw had in haar vuur niet opgemerkt hoe de dominee, die

eerst maar met een half oor toegeluisterd had, plotseling, haast als met

eenen schrik, aandachtig was geworden bij de vermelding van dit nummer

negen op het biljet.--»'t Is wèl, Dientje", zeide hij, met een

kalmeerend handgebaar: »laat de rest nu maar ongelezen. We zijn dwaas,

er ons zoo warm over te maken!"

»Warm over maken?" hernam Berendina: »Zou ik me daar niet warm over

maken, over zulke spectakels, haast op den drempel van Gods huis, en dat

wel op den avond vóór dat dominee preeken moet!--O dominee! dominee!

dat er nu toch geen wet of geen autoriteit bestaat om zóó iets te

verbieden!--Zie er eens aan! Dan geven ze ook nog een komedie-stuk.

Kijk! »_Frans en Fransientje, of het scheurtje in het kamerschut",

voddeviel met zang in één bedrijf._ En dan--alsof 't dan nóg niet genoeg

was--dan moeten ze nog dansen. Jawel! dan moeten me die lompe machines

van boeremeiden----"

»Genoeg, Dientje, genoeg!" viel dominee haar glimlachend in de rede:

»Ga nu heen: ik moet studeeren. En neem dit papier maar weer mee. Of

neen--ge kunt het nú ook wel hier laten."

»Zeker, dominee, zeker!"----en het trouwe schepsel had, onhoorbaar,

de kamerdeur reeds achter zich gesloten. Geen hooger machtwoord toch

voor juffrouw Dientje, dan dat de dominee »studeeren moest". Voor des

leeraars studie koesterde zij eenen onbegrensden, bijna godsdienstigen

eerbied. Zij stelde zich voor hoe hij daar dan ging zitten in zijnen

armstoel, met zijne lange pijp in den mond, om, als uit den hooge

bezield, die stichtelijke predicaties neer te schrijven, die schoone

gedachten uit te denken, die troostende waarheden te vergaren, waarmede

hij elken zondag-ochtend haar ontvankelijk gemoed verkwikte. De stille,

altoos zachtzinnige grijsaard, met wien zij de vijftien jongste jaren

haars levens in schier volslagen afzondering gesleten had--hij was haar

afgod. Zij aanbad zijnen persoon, en (uiterst zeldzaam geval bij lieden

van haar slag en in hare betrekking) ook zijne leer aanbad zij. Zich het

Nederlandsche Gereformeerde Kerkgenootschap te denken zonder =hem=, was

voor Dientje even onmogelijk, als zich hare keuken te verbeelden zonder

hare glanzende koperen braadpannen; en hoe Onze Lieve Heer het stellen

zou op aarde, als dominee Malthus er niet meer was--ziedaar een

vraagstuk in hetwelk zij zich maar liever niet verdiepte.

Hadde zij thans echter zich zóóver kunnen vergeten van door het

sleutelgat te gluren, dan zou zij bespeurd hebben dat dominee's

studeeren, terstond na haar vertrek, zich richtte op heel iets anders

dan zijne leerrede voor morgenochtend of morgenmiddag. De heer Malthus

had het strooibiljet van den tingeltangel weer van de tafel genomen;

hij staarde er eene wijle op, diep in gepeins verzonken, en ging er

vervolgens mee op en neer loopen, neuriënd, zachtkens voor zich heen,

den onvergankelijken minnezang uit _Don Giovanni_:

»_Là ci darem la mano,

Là mi dirai di si._"

Daarna zette hij zich in zijnen armstoel bij den haard, wierp brandstof

op het vuur, en blikte, altoos nog met het papiertje in de hand, in den

opflikkerenden gloed.

Wat hij er in zag?----Och, wat ziet men in het vuur van zijnen haard,

wanneer men oud geworden is, en eenzaam op eenen grauwen winterdag in

zijne kamer zit, en zoo juist een liedje geneuried heeft, waaraan de

geur nog hangt van den bloeitijd eener wilde jeugd?

* * * * *

Dominee Malthus dacht aan iets, dat hem eigenlijk geen enkel uur uit de

gedachten bleef, maar dat thans met eene ongewone levendigheid zich

opdrong aan zijne herinnering.

»_Là ci darem la mano!...._" Veertig jaren her--jawel, het was

veertig op eenen prik--, had zekere Lodewijk Malthus, student in de

godgeleerdheid, het hooren zingen in den schouwburg van Neerland's

grootste academie-stad. Daar kwam toen maandelijks eene Italiaansche

opera-troep uit Amsterdam spelen. Op eenen avond gaven ze _Don

Giovanni_. De bariton was voortreffelijk; Donna Anna eene fiere

_grandézza_; Zerlina een snoepig bekje. De jonge theologant echter had

oog en oor slechts voor Donna Elvira, de tragische.

Deze dame behoorde dan ook ontegenzeggelijk tot de belangwekkendste

artisten van het gezelschap. Geene schoonheid naar den regel--maar

een weelderige bouw, gloeiende oogen, eene milde altstem, een

hartstochtelijk spel. Zij was het kind van eenen Berlijnschen

bierkneiphouder, tijdens de kracht zijner jaren in zekere kringen eenige

vermaardheid verwierf door zijn vermogen om _weissbier_ te zwelgen

tegen drie brouwersknechten op, en van eene Veroneesche moeder, wier

veelbewogene jeugd begon met het vlechten van stroohoeden, en eindigde

op de planken van een klein theater, waarna zij eerbaarheid gevonden en

zwaarlijvigheid opgedaan had onder het echtelijke dak van den eigenaar

der bierhalle _Zur goldenen Bratwurst_. De dochter uit dit huwelijk

sprak dus zoo vloeiend als haar vader het zuiverste Berliner Duitsch;

en tevens zong zij zoo vlot als hare moeder de taal van den zwaan van

Pesaro en van den Abbate del Ponte. Haar eigenlijke naam luidde Lotchen

Müller; doch in de kunstwereld kende men haar niet anders dan als

Carlotta del Mulino.

Carlotta nu, als Donna Elvira, overtrof dien avond zichzelve. Het was of

zij meer dan ooit hare ziel legde in wat zij zong. Toen zij opkwam in

hare zwarte _mantilla_, en hare heerlijke aria voordroeg:

»_Mi tradi quell' alma ingrata,

quell' alma ingrata--_"

toen scheen zij inderdaad weg te krimpen van wee over hare

rampzalige liefde voor den onverlaat die haar ten gronde richtte. Zij

zag zoo bleek; zoo welsprekend was elk harer wanhopige gebaren; zooals

het =echte= snikken van smart klonken de tonen harer weeke stem. Het

gansche publiek schreeuwde _brava! bravissima!_ en klapte in de handen,

opgetogen over zóóveel waarheid in de kunst. Alleen de student Malthus,

hoewel hij slechts om harentwille scheen gekluisterd te zitten aan

zijnen stoel in eene der achterste loges, verroerde hand noch lip. Toch

had Elvira's zingen blijkbaar op niemand eenen dieperen indruk gemaakt,

dan juist op hem: toch deed die kunst, die zoo het stempel van waarheid

droeg, geen muzikaal gemoed in de gansche zaal heftiger meetrillen, dan

juist het zijne..... Roerend schoon had Elvira ook in de balkon-scène

gezongen; en vervolgens nog in het onvergelijkelijke sextet. Het was

(men zeide het algemeen) eene puik-opvoering van Mozart's wonderwerk.

Ongelukkig--tegen het eind moest er toch een klein _contretemps_

zich voordoen. Nadat de gordijn was opgehaald voor de tweede finale,

kwam namelijk de regisseur aankondigen dat Signora del Mulino door

overspanning plotseling onpasselijk was geworden, weshalve het geëerde

publiek haar zeker wel haar laatste optreden bij Don Giovanni's

avondmaal goedgunstig zou willen kwijtschelden. Het geëerde publiek,

volstrekt niet goedgunstig, mompelde dat het niets was dan eene kwade

bui van de Signora, die wel meer aan zulke plotselinge onpasselijkheden

leed. Lodewijk Malthus echter had nauw de mededeeling van den gerokten

man vernomen, of hij was uit zijne loge verdwenen. Hij ijlde achter de

schermen, waar hij als een goede bekende toegang had. Dáár trof hij

Donna Anna en Don Ottavio, Zerlina en Masetto en heel het personeel

van mannelijke en vrouwelijke koristen in eenen staat van volslagen

verwildering, door elkander loopend, elkaar iets in het oor fluisterend,

de handen in de lucht slaande, met gesmoord lachen, met moeielijk

bedwongen uitroepen van spot, verbazing en ergernis. Hij wilde de

kleedkamer binnen. Maar voor de deur stond de heer _impresario_, die hem

drie woorden toevoegde, welke hem verstijven deden. De Signora was....

De Signora kon.... In 't kort, de kunst der Signora was maar al te zeer

tot waarheid geworden; en de heer Lodewijk Malthus, die de opvoering van

_Don Giovanni_ was gaan bijwonen als toeschouwer, verliet haar als Don

Giovanni in eigen persoon. Hem was achter de coulissen een zoon geboren.

* * * * *

De Utrechtsche burgerij kreeg eerst den volgenden ochtend lucht van

het schandaal; en, gelijk zich denken laat--zij schaterde. De dames

giebelden achter hare zakdoeken; de heeren sloegen zich proestend

op hunne buiken. Drie weken lang had men er pret van. Het was dan

ook----onbetaalbaar! kolossaal!--Die snaaksche Moeder Natuur had er eens

eene grap mee willen hebben! Had zij haren tijd wel guitiger kunnen

kiezen?--O Donna Elvira! Nú begreep men hoe het haar zoo ernst was met

haar »_Mi tradi quell' alma ingrata!_" Ja ja! nú begreep men het!--En

wie mocht wel de vader zijn van den jeugdigen Giovannino? Wie had er

de rol van Don Juan vervuld in dit àl te wel afgespeelde stuk?----Men

kende en noemde hem weldra. Doch helaas! men had er het ware pleizier

niet van. Want hij was gevlogen.

Trouwens, al zou hij gebleven, en van heel dit pelotonsvuur van

hartelooze aardigheden het mikpunt geweest zijn--het zou hem luttel

gedeerd hebben. Laat de wereld grinniken! Hare vroolijkheid is niet

minder kortstondig dan wreed. Indien er op de overtredingen van den

hartstocht geene ergere naweeën volgden, dan de vluchtige spot onzer

medestruikelaars--wat zou het!

Neen, niet tegenover anderen: tegenover zichzelven had Lodewijk Malthus

het zwaar te verantwoorden gehad. Zij toch, die hem al schertsend voor

eenen Don Juan deden doorgaan, belasterden hem schromelijk. Hij was

geen lichtmis--de statige jonge man, met het ernstige voorhoofd en de

droomige oogen. Dit avontuur met eene tooneel-prinses was voor hem geen

romanesk hoofdstukje in zijn levensboek, hetwelk hij later, zoo met een

zuchtje en een lachje, nog af en toe eens overlas;--integendeel: het

was in dat boek de ééne, de éénige bladzijde op welke iets geschreven

stond--geschreven met tranen en met bloed. Al de bladen die er aan

voorafgingen en er op volgden, waren ledig gebleven. Al de dagen vóór

dien dag hadden hem een korte droom--al de jaren nà dien dag eene lange,

lange rouw geschenen. Want hij had haar liefgehad, de jonge zangeres,

uit geheel de diepte van zijne dichterlijke, innig muzikale natuur: met

al de toewijding van een ridderlijk gemoed voor eene vrouw, welke het

niet slechts aanbidden, maar ook redden kan. Dat die liefde, in het

eerst zoo zelfverloochenend, ten slotte een verterend vuur geworden

was--dit was meer háre fout geweest dan de zijne. Zij immers wilde wèl

van hem aangebeden zijn, maar niet van hem gered. Niets had ernstiger

kunnen wezen, dan zijne bedoelingen te haren opzichte. Hij had haar

gesmeekt op zijne knieën, terwijl zij het pasgeboren wichtje in hare

armen had, om toch haar eigen leven en het leven van dit schepseltje

te beveiligen en te louteren door zijne vrouw te worden. Vergeefs! Zij

had hem afgewezen. Als een wild theater-kind was zij gelukkig geweest:

een wild theater-kind wilde zij blijven. Zijne liefde had haar eene

pooslang geboeid gehouden; doch hare kunst en hare vrijheid waren haar

dierbaarder. Niet voor het huwelijk was zij geboren--ten minste niet

voor een huwelijk zooals deze Hollandsche minnaar vorderen zou: een

huwelijk in vollen ernst. Hartstocht was de drijfveer van haar bestaan:

maar een hart bezat zij niet. Want toen hij bleef aandringen--om hun

kinds wille, om den wille van =haar= behoud en van =zijne= gemoedsrust;

toen hij eenen toon aansloeg alsof hij haar wilde =dwingen= om met hem

in een nieuw land een nieuw leven te beginnen--toen klopte hij op eenen

goeden ochtend vergeefs aan hare deur. Zij had voor hem een briefje

achtergelaten, waarin zij hem meldde dat zij was weggereisd; dat hunne

banen elkander gekruist hadden als twee vuurpijlen, maar van nu af weer

uiteenliepen; dat hij haar dus nooit terug zou zien; en dat hij moest

trachten haar zoo snel mogelijk te vergeten, gelijk zij het zeer stellig

hem zou doen.--»Wij hebben", schreef zij, »elkander eenige uren bezorgd

van gelukzaligheid. Zou dit nu eene reden moeten wezen om elkaar geheel

de rest van ons leven ondragelijk te maken?"--Wat het kind betrof,

zoo deed een postscriptum hem weten dat zij het had uitbesteed bij

boerenlieden in zeker Hollandsch dorp. Verkoos hij de opvoeding van den

kleinen Ludovico (zoo had zij hem genoemd) voor zijne rekening te

nemen--niets zou haar liever wezen. Haar beroep toch was wisselvallig,

en hare toekomst onzeker. »De jongen", voegde zij er bij, »moet eene

stem in de keel hebben. Zorg dat er een fameuse Don Giovanni uit hem

groeit!"

O oogenblik van harden strijd tusschen plichtbesef en zelfzucht in den

jonkman!--Het eerste echter zegevierde. De meesten in zijn geval zouden

gemeend hebben dat zij tegenover eene vrouw als déze nu genoeg hadden

gedaan om des gewetens wille. Hij niet. Na zich vergewist te hebben dat

het kind goed bezorgd was, reisde hij haar na. Maanden lang zocht hij

haar aan alle Duitsche theaters. Ten leste vond hij haar terug, onder

eenen anderen naam, als primadonna in eene Hongaarsche stad. Zij schrok

van hem toen hij haar aansprak, meenende dat hij haar vervolgd had om

het verleden haar voor de voeten te werpen. Doch toen hij haar nogmaals

bezwoer terug te keeren tot haren plicht als moeder en als vrouw, en

wederom zijne min en trouw haar aanbood in ruil voor de hare--toen

lachte zij hem uit in zijn gezicht. Hare trouw?--Hoe kon zij geven wat

niet in haar was!--Hare min?--Die had zij immers eenen anderen alweer

geschonken!--Had hij dan haren brief niet begrepen?--Overigens kon zij

hem niet lang te woord staan. De jonge Bojaar, wiens bezoek zij wachtte,

kon elk oogenblik komen. En de man was als een tijger zoo jaloersch....

Dit was hunne laatste ontmoeting geweest. Diep verslagen aanvaardde hij

de terugreis--genezen van zijne liefde, doch met eene ongeneesbare wonde

in de ziel.

Twee jaren sleet Lodewijk Malthus doelloos en lusteloos in de

hoofdstad. Zijne ouders hadden hem eenig vermogen nagelaten; broers

of zusters bezat hij niet; aan niemand dan zichzelven was hij dus

rekenschap schuldig van zijn doen. Na verloop van dien tijd echter

was de zin weder in hem ontwaakt om zijne vroegere studie--in welke

de kennismaking met Carlotta zulk eene min harmonische storing had

gebracht--te hervatten. Sterker dan te voren was in hem weder de roeping

geworden tot het predik-ambt, als het éénige dat strookte met zijne

teruggetrokkene en toch sympathieke natuur, het éénige ook waarin hij

meende nog nut te kunnen stichten. Persoonlijke eerzucht had er nooit in

hem gewoond: tot krachtig arbeider, ontbrak hem de innerlijke prikkel

zoowel als de uiterlijke drang; doch het stille, beschouwende leven in

eene landelijke pastorie, met de natuur en zijne boeken en muziek tot

gezelschap, en op zijne schouders geene zwaardere taak, dan een aantal

eenvoudige lieden met wat zachtheid te vermanen en met wat hartelijkheid

op te beuren--zie! dit lachte hem toe als eene vluchthaven na den storm,

en tevens--laat mij het er bijvoegen--als eene soort boetedoening door

ontzegging. Hij deed zich derhalve, op vijf-en-twintigjarigen leeftijd,

nog als student inschrijven aan eene andere universiteit. Ook dáár woei

het gerucht van zijn opera-avontuur hem wel na--maar och! niet tot zijn

nadeel. In de oogen der jongen immers hechtte het hem de riddersporen

aan de hielen; en in die der ouden----bah! zij verkneukelden zich nog

eens over hunne eigene pekelzonden, en herinnerden zich meteen hoe

er, van den heiligen Augustinus af, steeds uit de wildste studiosi de

kloekste theologanten gegroeid waren...... Hij liet hen allen denken

wat zij wilden. Hij promoveerde; wachtte nog een paar jaren op een

beroep; en zag zich eindelijk (en zelfs dit nog niet zonder veel moeite:

want hij schitterde noch door het geijkte preektalent, noch door de

gangbare orthodoxie) als herder en leeraar aangesteld in een Geldersch

dorp aan de grens. Hem was het wèl zoo. Voor eene aanzienlijker

standplaats zou hij bedankt hebben. Hij had gevonden wat hij wenschte:

een rustig plekje, ver van de wereld, waar hij op zijne eigene stille

wijze leven en arbeiden, mijmeren en musiceeren--kortom, zijne

medemenschen en zichzelven stichten kon.

Onder die bedrijven begreep hij dat het hoog tijd geworden was om het

lot van Carlotta's kind zich nader aan te trekken. De jonge predikant

had geen oogenblik geweifeld over hetgeen hem op dit stuk te doen stond.

Hij haalde het jongsken weg van zijne boersche pleegouders, en nam het

bij zich in huis, voor niemand er een geheim van makend dat het zijn

zoon was: vast besloten om door alle middelen binnen zijn bereik het

levensgeluk van deze vrucht zijner rampzalige minnarij te verzekeren.

De goede gemeentenaren keken wel vreemd op, en staken de hoofden bij

elkander; maar daarbij bleef het. Die Gelderslui waren een schappelijk

slag van menschen. Sommigen zeiden dat het royaal was van den dominee;

en de anderen vonden de zaak niet erg genoeg om zich er voor in het

harnas te steken. De dominee leefde immers voorbeeldig; hij preekte

hun naar den zin; hij was gul voor de armen, innemend in den omgang,

zachtmoedig in zijn oordeel over den naaste:--wat zouden zij dan gaan

wroeten in zijn verleden? Laat men zich ook niet veel liever gezeggen

door een gemoedelijk medezondaar, dan door iemand wien men het recht

niet betwisten durft van zich te plaatsen op het voetstuk van eenen

heilige?--Bovendien, het bleek maar al te duidelijk: zoo de man

gezondigd had, hij had er zijn kruis voor meegekregen.

Ja, dit kind van wilde passie was zijn vaders kruis. De kleine Ludovico

werd hem door de boerenlieden afgeleverd als een bijster ondeugend

perceeltje, waarmee al in de wieg geen huis te houden was. Nu, het zou

wel aan gemis aan tact bij die brave menschen gehaperd hebben--meende de

predikant. Hoe zou het fazanten-hoen in de ganzenkooi passen!.......

Maar was hemzelven dan het opvoedkundige beleid, de kalme en toch

onverzettelijke wilskracht geschonken, om deze woeste natuur te

teugelen?--Hij moest er straks, tot zijn bitter leed, aan beginnen te

twijfelen--te wanhopen. De knaap was onhandelbaar: hij scheen volslagen

naar zijne moeder te aarden: enkel hartstocht--geen hart. Al wat geduld

en zachtheid vermochten, werd door den vader beproefd. Strengheid

alléén echter, ijzeren tucht had dit dwars gewassen riet kunnen

rechtbuigen:--en dáártoe stond de hand van Lodewijk Malthus niet. Na

eene lange, smartelijke worsteling, bij welke hij voelde dat hij meer en

meer het onderspit dolf, moest hij het opgeven. Ten einde raad, deed hij

den bengel op eene naburige kostschool, wier meester bekend stond om

zijne vaardigheid als temmer. Helaas! Monsieur's methode was aan Van

Aken's beestenspel ontleend: zijne overredingsmiddelen beperkten zich

tot rotting-olie en hongerstraf. Toch zou het misschien nog zoo mis niet

geloopen zijn, hadde het noodlot niet gewild dat er op het instituut, na

verloop van een jaar of zoo, een nieuwe ondermeester moest in functie

treden, die, uit het Sticht afkomstig, met geheel de historie van

Lodewijk Malthus en Lotchen Müller, van Donna Elvira en Giovannino's

merkwaardige geboorte, in kleuren en geuren bekend was. Deze snapper,

tuk om zijnen patroon eens te doen bemerken dat hij méér wist dan

tweemaal twee is vier, vertelde alles in vertrouwen aan den

kostschoolhouder. Deze bracht het onder de roos aan zijne vrouw over.

De vrouw weder aan hare oudste dochter; de oudste dochter aan de

dienstmaagd; de dienstmaagd aan eenen kweekeling; de kweekeling aan

eenen der scholieren; en de scholier aan al zijne kornuiten. Zoodat

straks de zoon van dominus Malthus door zijne schoolmakkers niet anders

meer toegesproken werd dan als Don Jantje, of wel, als Don Juan del

Mulino. Hij ranselde zijne laffe beleedigers;--doch daar zij dertig

tegen één waren, beliep hij slaag op slaag. Het gevolg van dit alles

liet zich voorspellen. Op eenen fraaien ochtend had de dertienjarige

Ludovico de plaat gepoetst.

Zijn vader reisde hem niet na over de landpalen. Hij had er den moed

niet toe. Hij overdacht nog hoe hij met de moeder van dien jongen

woesteling gevaren was--hij legde er het hoofd bij neder, met het

gevoel, dat God hem nogmaals strafte voor de overtreding zijner jeugd,

en dat hij deze tuchtroede ook ditmaal niet kon afwenden. Welkom was

hem een beroep naar eenen anderen uithoek van het vaderland: naar den

Noordhollandschen polder, waar hij rekenen kon dat niemand hem het

drama van zijn leven tot een verwijt maken zou. De tijd trouwens had al

gaandeweg de stoflaag der vergetelheid gestrooid over deze gebeurtenis.

Wie spreekt er nog over drama's van twintig jaren geleden?--Indien wij

slechts oud genoeg mogen worden, dan is er niets in ons leven, wat niet

wordt alsof het nimmer geweest ware.

En Ludovico?--Het weinige dat de heer Malthus ooit omtrent den lotsloop

van zijnen verloren zoon te weten gekomen was, stond vervat in den

volgenden brief, die hem, nu acht jaren geleden, door de tusschenkomst

van eenen neef en naamgenoot te Amsterdam was in handen geraakt:--

»_Carissimo!_--Van eenen handelsreiziger uit Amsterdam vernam ik dat gij

toch nog _pfarrer_ geworden zijt, en ongetrouwd gebleven. _Du lieber

Kerl!_--en dat om mij!--_Wahrhaftig_, ik denk nog dikwijls aan u, nu ik

vet ben geworden en mij vergenoegen moet met de duenna-rollen. Maar

hoe vet ook, eene goede predikantsvrouw zou ik ook thans nog niet

wezen.--Onlangs ben ik onzen Ludovico tegen het lijf geloopen. Wij

werkten eene pooslang samen aan het Regensburger theater: ik als tweede

alt, hij als derde bariton. Al had hij mij niet verklapt wie hij was,

ik zou hem terstond herkend hebben aan mijn eigen neus en oogen; doch

natuurlijk zeide ik hem dit niet. Waartoe zenuwschokkende familiescènes,

wanneer men toch niets voor elkaar wezen kan, dan opeters!... Ach, mijn

brave Ludwig! gij zijt goed voor hem geweest, en hebt het beste met hem

voorgehad, evenals met mij;--maar wij Zigeuners van de kunst en van de

liefde, wij hebben niet gewild. Intusschen moogt ge uw fatum danken,

dat hij, evenals ik, van u weggeloopen is. Onder ons gezegd, _Luduigo

caro_--wij leggen niet veel eer in met dat zoontje van ons. De schelm

moet eene prachtige stem in den gorgel hebben gehad; maar hij heeft niet

willen leeren, zelfs geene _solfeggi_. Eens probeerde hij den Don Juan

te zingen;--hij stuurde de heele voorstelling in het honderd, en

men floot hem de planken af. Sedert heeft hij den dienst van Venus

afgezworen, en zich aan Bacchus gewijd. Hij zuipt, _amico mio_. Van zijn

kostelijk orgaan bleven nog slechts eenige flarden over. Ik zie voor

hem geen ander einde dan het hospitaal. _Schade um den schönen Bursch!

Aber--che volete!_ Hij is de zoon zijner moeder!...... Wat mijzelve

betreft, maak u over mij niet bezorgd. Als ik op de planken mijn laatste

kruit verschoten heb, dan zet ik eene bierkneip op, gelijk mijn

onvergetelijke vader zaliger...... Gij inmiddels, voortreffelijke

Ludwig, trek gij u niets van al deze dingen aan. Bewandel gij,

eerlijkste aller menschen, in vrede uwen vromen levensweg. En zoo gij

vlijtig bidt voor de arme zielen in hel en vagevuur--doe dan ook

somwijlen eens een goed woord voor een paar zondaars, wien de duivel

hier op aarde het vuur al warm genoeg stookt!--Carlotta."

Inderdaad, het was weinig geweest--maar toch méér dan genoeg; het

aanvullen van deze korte schets kon dominee Malthus wel aan zijne

verbeelding overlaten. Steeds had hij zich gevleid met de hoop, dat de

jongen wel zijnen weg zou gevonden hebben: als soldaat, als zeeman, als

opera-zanger desnoods. Maar dit! Een verloopen korist!.... Hij had

terstond aan Carlotta geschreven, om haar en haren zoon de geringe

geldelijke hulp te bieden, welke nog in zijn vermogen stond: eene hulp

trouwens, die =zij= niet behoefde, en die Ludovico niet baten kon. Noch

op dien brief noch op eenen tweeden was éénig antwoord gekomen. Toen had

de wroeging hem opnieuw het hart doen bloeden. Hij verweet zich dat hij

niet genoeg gedaan had, voor dien knaap althans: dat hij niet krachtiger

geweest was in zijnen plicht: dat hij, toen de jongen ontvluchtte, hem

niet nagezet en met sterke hand gegrepen en teruggehaald had. De ware

liefde laat niet af!--zoo had hij ook daareven immers nog gedacht,

toen zijne huishoudster de hongere muschjes voederde met zoo taaie

volharding. Was hij zelf in het groot naar dit kleine voorbeeld te werk

gegaan? Had zijne liefde voor die twee ongelukkigen niet afgelaten? Had

hij niets ontzien: naam, noch stand, noch persoonlijk gerief, noch het

oordeel van de wereld--om van die twee het verderf af te weren, dat hij

over hen had helpen brengen toen hij in wellusts armen de wereld vergat?

* * * * *

Het woelde hem alles door het hoofd--herinnering, en zelfverwijt, en

machteloos leed--terwijl hij daar zat in zijne sombere kamer, met het

papiertje in de hand, staroogend, beurtelings op de haast verglommen

kolen van zijn haardvuur, en naar buiten in den winternacht.

Eindelijk rees hij van zijnen stoel, zette zich in het duister aan zijn

harmonium, en speelde met zachte registers:

»_Là ci darem la mano,

Là mi dirai di si._"

En de toovermacht der melodie vaagde de nevelen weg van zijnen geest,

zijne knagende smart verkeerende in stillen weemoed. Al voort-orgelend,

voelde hij eenen zonnestraal doorbreken in het donker van zijn

binnenste. Hij voelde de zaligheid der jeugd weer opbruisen in zijne

aderen, Carlotta's kussen weer branden op zijne lippen--en Mozart's

geest zwevende boven hen beiden, bemiddelend, bij den God die immers ook

de min ontstak in der menschen harten:--»Vergeef hun! Zij waren jong!"

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 22 / 24 题