Wat ging zij doen?--

Ik meende haar plan te raden:--ik vergiste mij niet. Eerst hoorde ik

haar in Werner's tuinkamer zachtkens de instrumenten stemmen. Een

oogenblik later zweefden hare vingers over het klavier.

Nooit heeft een gevoelvol spel mij dieper aangegrepen.

Door de open vensters stroomden de accoorden, kalm uiteenvloeiend in

de stilte van den herfstavond, gelijk het water van eene rivier zich

verliest in den oceaan. Een _Lied ohne Worte_ van Mendelssohn, een

Beethoven'sch _adagio_----en dan--eene siddering beving mij: het was of

ik de spraak van den doode vernam--dan paarde zich hare weeke altstem

aan eene welbekende begeleiding:

»_Hab oft im Kreise der Lieben

In duftigem Grase geruht,

Und nur ein Liedlein gesungen,

Und alles war hübsch und gut._"

»Help mij!" had zij mij gesmeekt. Dát zou ik!... Ik ijlde naar

binnen--ik nam Werner's viool op--ik stond aan hare zijde, en speelde

mee:

»_Hab' einsam auch mich gehärmet,

In bangem, düsterem Muth,

Und habe wieder gesungen,

Und alles war wieder gut._"

De deur ging zoetjes open--er naderde iemand met schuchteren tred. Wij

zagen niet op; maar terwijl wij voortspeelden, zwol ons duo aan met de

smeltende tonen van Hugo's alt:

»_Und manches, was ich erfahren,

Verkocht' ich in stiller Wuth;

Und kam ich wieder zu singen,

War alles auch wieder gut._"

Men sprak geen woord en wisselde geenen blik;--men speelde slechts.

Alleen bespeurde ik in den spiegel, dat nogmaals de deur zich opende.

Een hoofd gluurde naar binnen, en trok zich haastig terug. Maar het kwam

weerom, gevolgd door den ganschen Walter, die stil de cello ter hand

nam, en mee den stok deed glijden over de snaren:

»_Sollst nicht uns lange klagen

Was alles dir wehe thut;

Nur frisch, nur frisch gesungen!

Und alles wird wieder gut._"

»Walter! Hugo!" snikte Gisela--»laat alles weer goed zijn!"....

Ik hoorde twee kussen. Ik zag twee handen in elkander leggen.... Wat er

verder plaats had, kan ik niet vermelden. Ik meende dat ik hier gemist

kon worden.

* * * * *

De muzikanten bliezen hunne treurtonen; de kluiten ploften op de kist

in de groeve. En de talrijke ommestanders konden maar niet begrijpen

waarom die twee jongelingen, de kleinzonen van den overledene, zoo

hartstochtelijk en onder bitter schreien elkander in de armen drukten.

Genoeg echter, dat wij vieren het begrepen. Genoeg voor ons, dat hij,

dien de aarde daar dekte, zijn laatste lied toch niet vergeefs gezongen

had.

Harmonia! suizelde het voor ons door de herfstloovers--Harmonia!

In den Hobbelstoel.

_Finis Coloniae._

De heer Dorus Dadelboom, meester in de rechten en beambte ter

Secretarie, zat in zijnen wipstoel, buiten onder de kolonnade van zijne

woning in de Berendrechtslaan.--»Voorgaanderij", zouden de meeste

Hollanders zeggen. Maar Dorus, als academisch gevormd man, verkoos het

uitheemsche en klassiek klinkende woord, omdat het hem denken deed aan

heerlijke Grieksche tempels. Dit is eene verbeeldingsweelde die den

Bataviaan niet àl te veel inspanning kost. Het is zeker, dat de kolommen

zijner kolonnade in den regel niet gebeiteld zijn uit Parisch marmer.

Doch witkalk (zoo troost hij zich) kan nog blanker wezen.

Hij zat en hobbelde zich.--Er steekt achter dat eeuwigdurende gehobbel

van Indische menschen méér, dan een oppervlakkig waarnemer zoo wel

vermoedt. Het kan namelijk bestudeerd worden als eene vrij vertrouwbare

aanduiding van de gemoedsstemming der hobbelaars. Allen hobbelen--maar

met verschil. Wie bij voorbeeld vergenoegd of satiriek gehumeurd is,

laat zijnen stoel korte, scherp afgebroken wipjes maken. Wie zich

landerig gevoelt of onlekker, beweegt zich langzaam, droevig, mat. Wie

toornig of in vervoering is, gaat hurre hurre, hop hop hop--als rende

hij op een strijdros, met geweldige sprongen, in tuimelenden galop, het

voorwerp van zijnen haat of van zijne liefde te gemoet. En zoo voorts.

Een fijn opmerker vindt het aantal schakeeringen eindeloos.

De heer Dorus zat dan, en hobbelde zich met zachte, wellustige

golvingen. Hem dacht, hij kon den ganschen nacht zoo wel voorthobbelen,

en zich er bij denken dat Hoeri's hem wiegden. Zóó behaaglijk voelde hij

zich.

Het was inderdaad een behaaglijke avond voor hem geweest. De vrienden,

die te zijnent het oude jaar zijne uitvaart hadden helpen vieren, waren

zooeven vertrokken--machtig joviaal. De heeren hadden wat quadrille

gespeeld, wat muziek verbroddeld, en daarna, als jonggasten die zij

waren, zeer opgewonden gekwaakt over koloniale politiek: over wat er

edels en dols is in het hollen der radicalen, over wat er verstandigs

en hatelijks is in het vastklampen der behoudsmannen: over Nederland's

roeping en Indië's bestemming--over allerlei mogelijke en onmogelijke

toekomst-dingen.

Wat liefde voor den inlander had daarbij geblaakt! Wat geestdrift

voor zijne vrijwording, verheffing en veredeling! Wat ridderlijke

verontwaardiging over de barbaarsche misbruiken, die hem koffie doen

zweeten voor het Gouvernement, en buffels voor de Pangérans!

»De Javaan moet niet langer dienstbaar zijn!" had er een geroepen: »_Hé,

sepada! kassih api, lekas!_"[1]

[1] »Hé, wie daar! Geef vuur, gauw wat!"

»De Javaan moet een vrij man worden!" schreeuwde een ander: »vrij met

zijnen eigendom, vrij bij zijnen arbeid, vrij in zijn opstaan en

nederliggen!--_Sidin, loe monjet, djangan tidor di sini! Kassih anggor,

anak babi!_"[2]

[2] »Sidin, jou aap, wil je wel eens niet slapen hier! Geef den wijn

aan, varkenskind!"

»De Javaan moet onze gelijke zijn voor de wet, voor de maatschappij,

voor de rechtbank van het zedelijk gevoel!" betuigde een derde, die een

half uur later in kleuren en geuren het gezelschap meedeelde hoe hij

eene jonge Maleische huishoudster-sultane, van wier liefkoozingen hij

genoeg had, zonder veel omhaal van woorden had op de straat gejaagd.

Intusschen was des gastheers zorg geweest, bij die gesprekken een

handzaam wijntje gul te doen vloeien. Men heeft ze namelijk nat te

houden, die koloniale onderwerpen, trots alle geestdrift. Met goeden

drank en geurige sigaren moet men ze besproeien en bewierooken. Anders

worden zij licht als zaagsel in den mond, en als oude staatsbladen duf

in de neusgaten.

* * * * *

Een vroolijke avond dus--en een schoone nacht. Zoete maneschijn;

fluweelen schaduwen;--geene miasmen, en eene ongewone afwezigheid van

gevleugeld ongedierte;--de temperatuur oostersch, en toch niet drukkend;

de boomen roerloos; alles stil, behalve het heir der cicaden, wier

biljoenen de lucht vervulden van een droomig suizen..... Was 't wonder,

terwijl de flesch nog wijn bevatte en de manilla nog dampte, dat

Dorus van slapen niet weten wou?--Hij genoot rustig de kostelijke,

de zeldzame, de ras voorbijgaande stemming, welke druivennat en

gezelligheid somwijlen achterlaten in den mensch: eene stemming van

volkomen onbezorgdheid, van tevredenheid met zichzelven en alle de

dingen rondom: eene stemming die het midden houdt tusschen de kalmte

van den lotus-kauwer en de zaligheid van den haschiesch-eter, tusschen

Nirwana en het Paradijs. Naar soezen stond Dorus' zin. Naar hobbelen

bovenal....... Hop, hop, ging dus zijn wipgestoelte--of het een bootje

ware, door zefirs voortgeblazen over de blauwe deining, uit welke straks

vrouw Venus opduiken zou.

Nu--vrouw Venus bleef hem verre, tot zijn geluk. Maar wèl begon hij,

al soezend en schommelend, tot het bewustzijn te geraken, dat hij niet

langer alleen was: dat er dicht naast hem ook een andere stoel hop hop

ging--een stoel die zooeven nog roerloos gestaan had en ledig. Hij

blikte zijdelings--en zoo waarlijk! daar zat in dien stoel een oud heer,

een hoog bejaard man, met kalen schedel, langen grijzen knevelbaard,

en gehuld in eene kleedij--half pij, half regenmantel--die Dorus op

het vermoeden hielp dat hij de verrassing van dit onverwachte bezoek

verschuldigd was aan eenen korist uit de Fransche Opera, waar dien avond

_La Favorite_ was ten tooneele gevoerd. Zóó vast verkeerde Dorus in dien

argwaan, dat hij opstoof met een: »_Monsieur, que me voulez-vous?_"

»De vrede zij met u! Blijf zitten, mijn zoon!" antwoordde de grijsaard

in goed Hollandsch, met een handgebaar vol zalving: »Ik ben niet wat gij

gist. Ik zing tenor noch bariton. Mijn naam is Sylvester."

»Sylvester?" riep Dorus, ten hoogste verbaasd over 's mans gave van

aldus zijne gedachten te lezen: »Sylvester?--Ik ken geen Sylvester hier

te Batavia."

»Maar ge hebt er eenen gekend in uw moederland."

»Sylvester, zegt ge?"

»Den ouden heilige van den oudejaarsnacht!"

»O ja!"

»Gij hebt hem gekend en liefgehad, niet waar?"

»Zeker! Ik heb altoos trouw aan hem geloofd--ofschoon ik in Holland

nooit het genoegen had zoo van aangezicht tot aangezicht--"

»Dat was braaf van u. Gelooven zonder zien is juist het ware. Maar wat

bevreemdt u dan mijne komst in dezen nacht?"

»Vergeef mij!" sprak Dorus: »Wij zijn hier verre van het land der

liefelijke winter-verschijningen. Ik wist niet dat uwe tochten, heilig

man, zich uitstrekken tot bezuiden den Equator."

»Overal ga ik rond", zoo luidde het plechtige antwoord: »overal ga

ik rond, waar bij het verscheiden van den laatsten December een schot

gelost wordt te mijner eer, en menschen warm elkaar de hand drukken bij

het dreunen van den klokslag twaalf. Gij begrijpt dit niet?"

»Ik beken, o weleerwaarde vader, dat het mij raadselachtig voorkomt, hoe

iemand--"

»Op twintig-duizend plaatsen te gelijk kan zijn?"

»Juist zoo! Gij doorziet mijne overdenkingen, alsof ze van kristal

waren; en gij steelt mij de woorden van de tong, als waren het paarlen

van grooten prijs."

»Kortzichtige! Zaagt gij de glanzende lichtbaan, die de zon werpt over

de golven?--Zij is hier, zij is ginds, zij is duizend mijlen naar het

westen, en duizend mijlen naar het oosten: zij is overal waar de zon

straalt boven de zee, en waar een menschenoog is om op haar te turen.

Zóó ben =ik=. Ik klotste dezen avond door de modder van Londen en

door het slijk van Bucharest. Ik zat aan bij oestermalen in pronkerige

salons te San Francisco, en tevens hielp ik den feestschotel van _olla

podrida_ opdragen in de hut van den Castiliaanschen boer. Ik waadde door

drie voet sneeuw te Archangel, en tegelijkertijd klopte ik te Melbourne

mij het heete stuifzand uit den baard. Ik was hier, en ginds--duizend

mijlen naar het noorden, duizend mijlen naar het zuiden--overal waar het

oude jaar wegstierf van de aarde, en waar een menschenhart het eene

dankbede nazond of eenen zucht."

Bij deze toespraak zag Dorus den oude nogmaals aan. Weg was alle

twijfel. Het moest Sylvester wezen, ja! Zijn toon roerde Dorus. Zijne

vriendelijk ernstige trekken deden in hem herinneringen ontwaken van

het verlaten huis. Dorus meende sneeuw te bespeuren op dat eerwaardige

hoofd; hij meende kerstlichtjes te zien glanzen in des grijsaards

goedige oogen:--vóór hem, aan den zilverblauwen hemel, ontrolde zich

een visioen van ijs en schaatsenrijders, baanvegers en warme melk, door

twee kokospalmen omlijst. Hier zat hij, in den luwen tropischen nacht

van dezen eersten dag des jaars: Sylvester--de genius der noordsche

huiselijkheid, der wintersche poëzie. Hier zat hij--en hobbelde zich.

* * * * *

»Ik heb mijnen marsch volbracht. Ik zag hier licht, en goede dingen op

de tafel. Laat mij hier een weinig rusten."--Zóó sprekende, greep de

oude de flesch, schonk zich een boordevol glas in, en ledigde het met

toewijding.--»Kom", vervolgde hij: »wij willen, zoo het u wèl is, het

gesprek van daareven samen voortzetten."

»Welk gesprek, hoogwaardige? Over wat?"

»Over de koloniale politiek immers, die u en uwe vrienden zoo in vuur

bracht. Ik mag die praat wel eens een enkel maal, bij een glas en onder

vier oogen."

»Neen, Sylvester, neen!" smeekte Dorus. »Al wat gij wilt, maar dát niet!

Smaakt de champagner u, tast toe dan, heilig man! Doch meng mij geen

veegsel uit het Binnenhof in mijnen beker. Zie! de nacht is schoon als

de droom eens bruidegoms! Laat ons meedroomen--van het verleden--van de

toekomst. Gij hebt mee doorleefd wat was; gij blikt als ziener in de

dingen die komen moeten. Eilieve, vertel mij wat!"

De grijsaard trok zich den monnikskap half over het hoofd, leunde

achterover in zijnen stoel, keek naar het Zuiderkruis--en hobbelde zich.

* * * * *

Hoe lang zij beiden zoo hobbelden naast elkander, is met geene juistheid

te bepalen. Eindelijk hoorde Dorus zijnen geheimzinnigen gast, met eene

stem die hem zacht en vreemd klonk als kwam zij uit de verte, aldus

beginnen:

»Wèl moogt gij zeggen, jonge man, dat ik mee doorleefd heb de dingen

die voorbij zijn--ook in =dit= land, al was het maar op éénen dag in

elk jaar. Ik zag Batavia geboren worden en groeien; ik kende het benard

maar moedig; sterk maar gewetenloos; rijk maar wreed; weelderig maar

verloren. Ik woonde bij, hoe deze stad zich uit de luiers vocht als eene

jonge leeuwin; hoe zij groot werd en eenen koninginne-titel voerde; hoe

zij Europa's lot beslissen hielp door het gewicht harer schatten; hoe

zij allengs verzonk in overdaad; hoe zij onderging in bederf; hoe zij

den hiel des vreemdelings voelde op haren nek; en hoe zij ten leste,

genadig van dien druk bevrijd, haar uitgemergeld leven te hernieuwen

zocht door een nieuw stelsel van uitmergeling. Hare geschiedenis was

een verloop van snelle wording en rasse ontbinding. Reuzen hebben haar

gegrondvest; dwergen hebben haar voltooid;--naar gelang zij wies, werden

hare burgers kleiner. Maar in één ding bleef zij gedurende dat wisselend

verleden zichzelve gelijk. Steeds was geldwinnen het doel--en was list

het eerste, geweld het tweede middel van haar bestaan.

»Het was op Sylvester-dag A. D. 1618, dat ik de eerste maal deze kust

betrad. In eene veege sterkte, ginds aan het drassige strand, vond ik

eene luttele heldenschaar opgesloten--belegerd door duizendmaal haar

aantal, ingesperd te land en ter zee. Geen uitzicht op ontzet--en in

de veste zelfs geen kruit haast meer om te schieten. Maar stalen moed,

wilskracht en zelfvertrouwen schutten beter nog dan wallen en kanon. Elk

dier mannen was eene vesting in zichzelven, en nooit, zeg ik u, heb ik

hartiger en hoopvoller de oudejaarsavond-bekers hooren klinken, dan in

dien reddeloozen kring. Die helden waren uwe vaderen, jonge man!

»Ik was getuige, jaar op jaar na dien dag, van hunne stoutheid en hunne

fortuin. Ik kwam en ging, honderd malen--en telkens droeg de wind mij

geruchten toe van hunne veroveringen. Zij reden als een tijgerkat op

den rug van een kameel, en woelden met klauw en tand zich dieper en

dieper in het vleesch. Niets verschoonden zij; niets lieten zij zich

ontglippen; mededoogen was hun vreemd. Zij hielden--in aantal geringer

dan elk hunner vijanden afzonderlijk--met de linkerhand de volkeren van

het Oosten in bedwang, terwijl zij dan de rechter nog vrij hadden om

Britten en Franschen ruim baan te doen maken voor het rood-wit-blauw.

Zóó wakker, zóó fier, zóó sterk waren zij toen.

»Zij werden rijk. En let nu op, jonge man! Nooit waren zij angstig

geweest voor hun lijf en bloed:--zij zouden het worden voor hunne

schatten. Angst maakt wreed. En achter wreedheid schuilt onbewust reeds

een eerste besef van verzwakking.--Ik herinner mij den Sylvester-nacht

A. D. 1721. In dien nacht hadden een paar booswichten der goede burgerij

eene verrassing toegedacht, van welke zij niets zou hebben naverteld.

Ik beefde voor de snood belaagde stad.--Doch een jaar later stapte ik

voorbij de schandzuil, die men den verfoeilijken Pieter Elberfeld had

gebouwd. Uwe vaderen, vriendlief, hadden met de hun eigene beradenheid

het gevaar weten af te wenden. Zij hadden het moordkomplot ontdekt,

de samenzweerders gegrepen. De twee ergste boosdoeners hadden zij op

ijzeren kruisen gebonden, hun de rechterhand afgehouwen, het lichaam

met gloeiende tangen gekneed, het hart uit 't lijf gescheurd en

in het aangezicht geworpen, vervolgens hen onthoofd en eindelijk

gevierendeeld--na al hetwelk men genoegzame zekerheid meende te mogen

koesteren, dat deze slechte sujetten hun vergrijp niet licht zouden

herhalen. Vier medeplichtigen werden levend op het rad gezet; tien

werden er geradbraakt zonder den genadeslag te ontvangen; en drie

schuldige vrouwen werden geworgd. Den dag na deze terechtstelling vierde

men als plechtige dank-, vaste- en bededag. Batavia ademde weder. Het

loofde de wrekende Voorzienigheid, en zong den Heere psalmen.

»Desgelijks deed het (en met niet minder reden) in den Sylvester-avond

van den jare 1740, terwijl de wegen nog glibberig waren van het bloed

van tienduizend schuldeloos geslachte Chineezen. Ha! dat moet voor

Janmaat een festijn zijn geweest! Het bloed der heidenen stroomde ter

hoogte van de enkelen langs de straten--zóó verhaalde men mij; en de

Hemel had blijkbaar deze vermaledijde afgodendienaars met verlamming

geslagen: want als kudden schapen lieten zij zich afmaken, zonder den

minsten weerstand te bieden!--_O dies irae!_--Het was in Wijnmaand van

dat jaar. Als ik in mijnen December-nacht door de geredde stad de ronde

deed, hing er eene lijkenlucht als een nevel boven de daken; en de

zee wierp een roodachtig schuim op de kust; en de kaaimans aan den

riviermond versmaadden het spartelend levend aas--zóó verzadigd waren

zij van dooden.--Maar de Compagnie was behouden. Hosanna! Hallelujah!

galmde het opwaarts uit de Kruiskerk aan het Stadhuis-plein.

»Edoch, geene tale Kanaän's mocht hier baten--zoomin als de

nieuwjaarsgift die de heer Gouverneur Jacob Mossel op den 1sten van

Louwmaand 1755 den Batavianen te huis zond. Deze gift bestond in eene

ordonnantie, strekkende tot beteugeling van de overmatige weelde, die

stap bij stap in de bezittingen der Compagnie de overhand verkregen

had, en nu hooger geklommen was dan ooit. O zotte waan! Alsof dit kwaad

door psalmtonen of plakkaten zich weren liet, terwijl de actiën der

Maatschappij tot 600 procent gerezen waren! Alsof men mannen weer vroom

en vroed kon maken door hun de gouden knoopen van den rok te snijden;

vrouwen weer spaarzaam en kuisch door het aantal slavinnen te beperken,

die haar de satijnen zonneschermen boven het hoofd, de fluweelen slippen

achter de hielen droegen!--Het gif zat dieper dan op de kleederen. Het

zat in de spieren, die het verslapte; in het hart, dat het verkankerde;

in de hersens, die het verbijsterde, daar alle vernuft zich spitste op

zingenot. Zie, mijn zoon! indien geduld en eenvoud de steen der wijzen

zijn, die modder omzet in goud--de steen der dwazen is overdaad, die

goud verkeert in modder.

»Zoo was dan de bijl aan den boom gelegd. Ruim vijftig jaren daarna trof

ik den Landvoogd Daendels aan het werk. De Compagnie lag toen ter aarde

besteld:--zij had zich volgezwolgen aan wijn, en was aan waterzucht

bezweken--juist als zoo menige van hare aandeelhouders. Maar voor den

armen inlander bleef haar naam toch voortleven, en haar zwelgbewind. Een

prachtige weg, vindt ge niet dien de mannetjes-man banen deed van Anjer

tot Banjoewangi's uithoek?--Wee!--indien gij een duizendste gehoord hadt

van het kermen en krijten, van de rottingslagen op naakte lendenen, van

de verzuchtingen en de vervloekingen, die als de muziek waren op wier

maat men spade en houweel bewoog; indien gij een duizendste aanschouwd

hadt van den jammer en den nood, die deze weg aan een millioen

menschen heeft gekost--gij zoudt hem betreden gelijk men een slagveld

betreedt--met gebogen hoofd, en met eene stemme des bloeds in de ooren,

roepende tot u van den aardbodem!--Wee!

»Toen de Brit zijne korte rol hier had afgespeeld; toen de politiek

van ontginning, onder de Compagnie beoefend te hooi en te gras,

door het Koninkrijk der Nederlanden in toepassing werd gebracht als

kunstig geordend stelsel--toen vloeide de maat des onrechts over.

Daar brak de opstand los. Het stond hachelijk met de Batavianen in den

Sylvester-nacht van het jaar 1825, toen Diepo Negoro waarlijk een knap

stuk op weg was om al wat er op Java Hollandsch sprak moedernaakt in

zee te jagen.--Doch wederom zegevierden uwe vaderen, jonge man. Wederom

triomfeerde een handjevol geweldenaars, die vochten om gewin, over een

volk dat kampte om vrijheid. Zoo Java ooit eene ster had aan den hemel,

dan ging zij onder en werd uitgebluscht in die dagen, als eene fakkel

die men dompelt in den oceaan.

»Maar zeg, vriend, slaapt gij?"

* * * * *

»Slapen!" riep Dorus: »slapen terwijl gij spreekt, man van ervaring! Eer

zou ik slapen als de engel Israfil hier naast mij zat, blazende op zijne

bazuin!--Gij haaldet op van booze dingen. Hier! laat ons op de betere

tijden drinken! _Ad fundum!_"

»Recht gaarne!--Inderdaad", voer Sylvester voort: »men heeft sinds

kort naar beter getracht hier te lande. Sedert vond ik vrede hier, van

jaar tot jaar. De meester was begonnen den slaaf te sparen;--gelijk

men de heesters niet meer vernielde, die de kostbare specerijen

droegen, zoo dunde men de arbeiders niet langer uit, die de nog

veel kostelijker tonnen gouds voortbrachten. Dit was economie. Later

werd het philantropie. Als uw Sidin morgen goedvindt, bij wijze van

nieuwjaars-begroeting, u te verzekeren dat gij een aap zijt, en gij

waagt 't hem daarvoor te straffen met eene schuchtere oorveeg, dan zet

men u op water en brood, terwijl Sidin zich inmiddels vermeien mag met

uw bruin liefje!--Haha!--De meester streelt dus al zijnen slaaf!--Of

wat?--zijnen slaaf?--Zijnen evenmensch, zijnen naaste, zijnen jongeren

broeder, moet ik zeggen! Hij wil hem beschaven, polijsten, verheffen,

veredelen tot zijn evenbeeld. Hij is hem gaan loven, bewonderen,

berijmelen, bezingen...... Ik ben benieuwd, jonge man, waarmee hij

eindigen zal!"

»Benieuwd?" hernam Dorus: »Grijsaard, wat heeft men benieuwd te zijn

naar hetgeen men weet? De toekomst legt immers voor u haren sluier af?

Gij voorziet immers de dingen die zij brengen zal?--Ai, verklap ze mij!

Ik gaar uwe woorden als goudkorrels!"

Sylvester tuurde alweder naar het Zuiderkruis, dook nog dieper in zijnen

kap, hobbelde zich eens, en vervolgde al fluisterend:

»Ik zie het, ja--zoo heel ver niet weg tusschen de sterren en de aarde.

»Duizend voet boven de naar Buitenzorg verlegde hoofdstad zweven

reusachtige, met vlaggen en wimpels getooide ballons, die vrachten

torschen van burgerlijke en militaire beambten in gala-kleed, van

schoone vrouwen in zijde en satijn, van bonte muzikanten en

trommelslagers. Men gluurt door groote trechters over de zee. Blijkbaar

wil men iets of iemand feestelijk opwachten.

»Daar komt door de lucht een vliegtuig aangestevend uit het westen;--als

men het even pas zag opdoemen boven de kim, is het reeds genaderd met

de snelheid van eenen orkaan. Men wuift met dundoek; kanonnen bulderen;

kelen schreeuwen zich schor; »_Wien Neerlands bloed_" en »_Wilhelmus_"

schetteren door de wolken. »Hoezee voor den nieuwen Gouverneur-Generaal

van Nederlandsch-Indie!"--En de Landvoogd, dien welkomstgroet vernemend

uit de vlakte, diep onder zijne voeten, is zijner blijde ontroering niet

langer meester. Hij schiet zijne vliegmachine aan, springt over boord,

gevolgd door zijnen stoet van gevleugelde adjudanten--en strijkt

klapwiekend neer onder de jubelende menigte.

»Een man van enkel vlerk en geest, zou men zeggen. Als éénig zoon en

erfgenaam van eenen _selfmade man_ (eenen Amsterdamschen melkboer,

die zich zijn groot fortuin verwierf door louter voortvarendheid en

pompwater), staat hij verheven boven elke verdenking van gehechtheid

aan oude vooroordeelen, van heulen met reactie. Voorwaarts, Tiberius

Voorwaarts is zijn naam--en voorwaarts streven zijne daden. Het is

noodeloos, u uiteen te zetten hoe hij van pleidooiloos pleiter opklom

tot gemeenteraadslid, van gemeenteraadslid tot volksvertegenwoordiger,

van volksvertegenwoordiger tot koloniaal Kamer-specialiteit, van

specialiteit tot orakel, en eindelijk van den drievoet tot de best

bezoldigde waardigheid in deze gewesten. De gymnastiek toch, welke bij

het beklauteren van deze ladder dient, zal over honderd jaren niet

aanmerkelijk verschillen van de huidige. Genoeg dus, dat de heer mr.

Tiberius Voorwaarts tot op eenen prik de persoon bevonden was om aan de

emancipatie van Insulinde de allerlaatste hand, op de beschaving van het

Maleische ras het finale politoersel te leggen.

»Ik zie den man aan zijnen volmakings-arbeid. Gerechte Hemel! Ik ken

Java niet terug--en nog minder den Javaan; zelf sta ik verbaasd over

hetgeen mijn zienersblik mij openbaart. Hoe! deze luchtkasteelen,

vliegende boven de bergen; deze electrische manen, den nacht verkeerende

in dag; dit net van ijzerdraden, die voor woord en toon den afstand

vernietigen: deze prachtige havens, deze wegen van asphalt, deze

onmeetlijke plantages van koffie en tabak--zij zijn het werk van

Nederlanders! Er zal dan nog eenmaal weder geestkracht gevaren zijn

in de Hollandsche natie?----Maar ik begrijp het: de coupon-knippende

lijzigheid is er eindelijk uitgewrongen, sedert Rusland's en

Oostenrijk's bankroet!

»En Sidin! Is dit Sidin, die zijne gamelan aan de Joden overlevert

als oud koper, en zich een electro-dynamisch draaiorgel aanschaft,

met de geheele _Götterdammerung_ er op? Sidin, die voor zijne Adinda

geabonneerd is op _De Huisvrouw_, en voor zijnen Kromo op de _Vragen

des Tijds_? Sidin met handschoenen over zijne kneukels? Sidin met eenen

knijpbril op den neus? Sidin kiezer? Sidin socialist?

»Het is veel. Maar nog zal het den Landvoogd Tiberius Voorwaarts niet

genoeg wezen. Niet tevreden met de handschoenen, zal hij nog de

kneukels, die bruin bleven, veredelen willen tot blankheid. Onvoldaan

over de knijpbrillen, zal hij nog de neuzen, die plat en ingedeukt zijn,

hervormen willen tot rechtheid.

»Dan echter----"

* * * * *

Sylvester zweeg.

»Welnu!--dan?" vroeg Dorus Dadelboom in ademlooze spanning.

»Vraag niet verder, jonge man!--Als de adelaar zijnen kiekens vliegen

leert, verwacht hij dan dat zij in het nest zullen blijven? of dat zij

straks vrij zullen drijven op eigen wiek?--_Finis! finis! finis

Coloniae!_"

»Sylvester--in 's Hemels naam!"

»Neen!" klonk de stem: »Ik heb eenen haan hooren kraaien: ik moet voort.

Dit slechts wil ik u nog zeggen:

»Het zal een schoone dag zijn voor Nederland, wanneer het zal kunnen

heenwijzen naar een bloeiend rijk in het verre Oosten, en verklaren:

»Dáár ligt mijn werk:--mijne bezitting niet langer--maar mijne

stichting. Ik heb genomen. Ik heb tienvoudig teruggegeven. Mijne schuld

is gedelgd.""

* * * * *

»Sylvester!" riep de advokaat: »nog één woord!--De band tusschen kolonie

en moederland? De Indische baten? De kruk van ons nationaal

bestaan?"----

Vergeefs. Niemand hoorde hem meer. De oude was verdwenen. De stoel

alleen, in welken hij gekeuveld had, hobbelde nog zachtkens in het

maanlicht, neigende als ten groet.

Eene min in den zonneschijn.

_Dahin! Dahin

Möcht' ich mit dir, o heiss geliebte, ziehn._

Hoog op de rotsen aan den westelijken zoom van het Garda-meer ligt een

schamel gehucht, Tremosine geheeten.

Tremosine .... het klinkt, niet waar? als een nachtegaalslag, of, liever

nog, als de naam van eene schoone vrouw. Mij dunkt, die klank alleen

moest er reizigers heenlokken: sentimenteele, wel te verstaan. En

nochtans behoort het tot de zeldzaamheden, dat een vreemdeling zich van

de voorbijvarende stoomboot hier aan wal láat zetten. Want men zij nóg

zoo sentimenteel, toch beklautert men niet gaarne eene ladder Jakobs,

zonder vooraf te weten of er daar op de bovenste sport wel iets te zien

valt, of er (het klimmen maakt zoo dorstig) wel eene herberg is, of

er (zoo al geene engelen) ten minste geene bandieten wonen,--altemaal

punten omtrent welke de reisboeken een geheimzinnig, schier

onheilspellend stilzwijgen bewaren. Men vergenoegt zich derhalve met

het hoofd in den nek te leggen, en op te staren tegen den vervaarlijk

hoogen rotswand, met de vraag op de lippen: wáár dit Tremosine wel

schuilen mag? Zóó steil toch rijst hier het oevergebergte uit het meer,

dat het dorpje, ofschoon dicht aan den rand er van gelegen, van beneden

niet zichtbaar is.

Wie het Lago di Garda niet kent, wie slechts de smallere wateren

en de tammere stranden bezocht van Como of Maggiore, die maakt zich

geen denkbeeld van het ontzaggelijke karakter der rotspartijen langs

de noordelijke oevers, noch van de wijde, naar eene zee zweemende

uitgestrektheid der twee zuidelijke waterboezems van dit grootste,

schoonste en minst bezochte der Italiaansche meren. Eens, in der Aarde

jeugd, als zee en bergen nog eene ziel hadden, strekte de blauwe

Adriaticus, verliefd op het blank en de schoone vormen der verre

sneeuwtoppen, al minnekoozend eenen zijner voelhorens uit tot diep in

het Tiroler gebergte; en hij vergat dien weer in te trekken, toen hij

later, oud en mat, in zijne bedding terugslonk. Zoo is dus de Benacus

een afgehouwen zeearm, verloren tusschen de bergen. Denk u eenen woesten

Noorschen fjord, heengetooverd onder Italie's hemel, gesmukt met

Italie's plantengroei. Denk u de strenge verhevenheid van het Noorden,

en den glans, de weelde, de kleurenpracht van het Zuiden, aan elkander

grenzend, met elkander ineenvloeiend. Denk u den eeuwigen winter zijde

aan zijde met de eeuwige lente, den granaat en den olijf dicht aan

den voet van gevaarten op welke de sneeuw nooit smelt, fonkelende

gletscherspitsen nederblikkend op het lommer der citroentuinen, op

sappig vijgenloof en bleeke wingerdranken...... O hemelsch oord! uwe

heugenis blijft mij een zonnebeeld in de duisternis van mijne

winterdagen!

Wel----maar Tremosine?

Het is boud gesproken, misschien--doch ik zou wel eene weddenschap

durven aangaan, dat er, buiten mijzelven, nooit een bewoner van het

polderland dit dorpje betrad. En vermoedelijk zouden, om al het

hierboven aangevoerde, ook mijne schreden er nooit zijn heengericht

geweest, indien ik niet met den jonkman Angelo Rubato--mijnen gids en

roeier, mijnen schipper en visscher langs de boorden en op de wateren

van het Garda-meer--zekeren ochtend een gesprek had gevoerd, waarvan ik

u zoo aanstonds verslag ga geven.

Vooraf dient deze knaap wel met twee vluchtige trekken geschetst.

* * * * *

Eene kleine, maar krachtig en sierlijk gebouwde gestalte, een bruine

kroeskop en een paar oolijke zwarte oogjes, een kortgeknipte baard, die

hem totaan den neus wies, en een altijd lachende mond vol hagelwitte

tanden--dáár hebt ge hem, zooals hij onder zijnen gelen stroohoed, in

zijne witte broek en blauwe boezeroen, en met zijnen Pius-penning op de

ruige borst, in zijne gelapte schoenen stond. Laat geen sterveling mij

kwaad van hem zeggen: want schoonere uren sleet ik met geen manspersoon

op aarde. Hij had zijne zwakheden, ongetwijfeld. Een onbewaakte

sigarenkoker was in zijne nabijheid niet boven bedenking veilig; en

eens betrapte ik hem op heeter daad in eene ongeoorloofde betrekking

met mijne eau-de-cologne-flesch. Doch wie onzer is vuurproef tegen alle

verzoeking? En wat scheldt men niet kwijt aan eenen goeden wil en een

onverstoorbaar goed humeur, aan iemand in wien des hemels zon zelfs een

welbehagen scheen te vinden, daar zij altoos doorbrak waar hij zeilde

of ging?--Men vreest in Italië het booze oog, dat onheil brengt over

dengene op wien het zich vestigt. Wel--ook mijn Angelo was _jettatore_:

maar in omgekeerden zin. Het =goede= oog was hem geschonken. De toerist

die hem tot leidsman had, trof overal mooi weer, koelen wijn en

vriendelijke gezichten.

* * * * *

Wij waren, mijn Angelo en ik, op den bedoelden ochtend uit hengelen

getogen in de kleine bocht bij Torbole, La Valle geheeten, en vermaard

om haren vischrijkdom en om het overheerlijke kleurenspel van haar

water--een grondeloos lazuur in het midden, het klaarste smaragdgroen

langs het boord, waar eene kleine kiezellaag den ondiepen bodem vormt.

Bij het krieken van den dag al uitgeroeid, hadden wij ons verfrischt

met een bad, en zaten nu, tegen de zon nog beschut door het oostelijke

gebergte, in alle gemoedelijkheid de sardienen te belagen, wier

bewegingen rondom het aas wij in de blauwe diepte met volmaakte

duidelijkheid konden waarnemen. Het vlugge goedje scheen hongerig: ten

minste, de vangst was gezegend boven verwachting: slag op slag haalden

wij een rampzalig zilveren diertje uit zijn koel paradijs,--»_hinauf in

Todesgluth_", zooals Goethe zegt. Ha! den _todesgluth_ zou Angelo hun

bereiden, wanneer hij hen straks in olie bakken zou, hemzelven en mij

tot het smakelijkste ontbijt.

Mijn Angelo (moet ik nog zeggen) hield er, bij zijne vele goede en

weinige kwade eigenschappen, een lijf- of stopwoord op na: »_Va

bene!_"--»'t gaat goed"; soms, in oogenblikken van de hoogste

voldoening, afgewisseld met: »_Va benissimo!_"--»'t gaat best!"--Dit

woord was zoo volslagen de uitdrukking van des jongelings karakter

en levensbeschouwing, het strookte zoo volmaakt met den glanzenden

krullebol, de stralende oogen, het rimpellooze voorhoofd en den

vergenoegden grijns van het baardige kereltje, dat het nooit te onpas

scheen te komen uit zijnen mond. 't Mocht loopen hoe het wilde: de zon

mocht onder het roeien u het merg uit de beenderen stoven, of de dolle

wind u het zeil aan flarden blazen; het bergpad mocht uitermate steil

en steenig wezen, of het geschubde watervee tot aanbijten uitermate

onwillig: steeds, als ge op het punt waart in verzuchtingen of

verwenschingen los te breken, en uit te roepen dat het nu eens

verduiveld =slecht= ging, was Angelo u vóór met zijn blijmoedig en

trouwhartig: »_Va bene! Si si, va bene!_"----Aandoenlijk optimisme! Hij

vertsaagde niet, noch wanhoopte hij ooit. In zijne tevredenheid over

den goeden God, de schoone wereld en zijn welgeschapen eigen-ik, meende

hij altoos maar dat alles goed ging. En als ge het hem met eene zoo

ongekunstelde overtuiging hoordet zeggen, dan dacht ge onwillekeurig:

Waarachtig, het manneken heeft het zoo mis niet! =Goed= gaat het wel

niet!--maar het kon toch nog eene heele portie =erger=!

»_Eh, Angelo!_" zeide ik, met eenen blik op het gespartel in ons

bunnetje: »_Va bene! eh?_"--en ik verwachtte van den knaap geen ander

bescheid, dan een hartgrondig: »_Si si, Signore, va benissimo!_"--Niet

gering was dus mijne verbazing, toen hij in stee daarvan heftig uitriep:

»_No no, va malo, va pessimo! Corpo della Madonna!_"

Ik keek hem ontsteld aan, vreezende of hij in de diepte temet den boozen

waterman gezien had, den Orco, die zich aan al te gelukkige visschers

soms met dreigende gebaren heet te vertoonen. Hij zat met de armen

over de borst gekruist, sloeg geene acht op zijne sim, die toch de

onmiskenbaarste teekenen van leven gaf, en staarde den oever aan met

eene uitdrukking van komieke neerslachtigheid op zijn gelaat.

»Angelo, mijn vriend!" riep ik: »in den naam van al uwe heiligen, wat

overkomt u?"

Hij bleef een oogenblik zwijgen. Vervolgens sloeg hij zijnen hengel

op, nam het vischje dat er aan spartelde van den haak, lachte weer, en

sprak: »_Scusi, Signore!_ ik vergat mijzelven.... _Ma questo sasso_--die

steen daar--_per Bacco!_ die maakt mij dol!"

Aan den oever hier, moet men weten, ligt een ontzaglijk blok

_nagelfluh_, dezelfde steensoort uit welke de Rigi-groep geformeerd

is. Hoe het daar verdwaald geraakte, mogen de geologen onder elkander

uitmaken. Het staat in de wandeling bekend als de Sasso dei Bimbi: steen

der poppetjes, of der kleine kindertjes. De merkwaardigheid er van is

namelijk, dat het in de Torboolsche kinderwereld dezelfde geheimzinnige

rol vervult als in de Haarlemsche de beroemde iepenboom te Kraantjelek:

uit zijne holen en gaten heeten de nieuwgebórene broertjes en zusjes te

voorschijn te komen.

»Die steen, Angelo? Wat legt die steen u in den weg?" vroeg ik.

»Kent Signore dien steen?"

»O ja! het is de Sasso dei Bimbi, wijd vermaard."

»En weet Signore waaróm hij zoo heet?"

»Omdat de moeders van Torbole er hare _bambinelli_ onder vandaan halen."

»Juist. En daarom, als er te Torbole een jong paar aan het vrijen raakt,

dan gaan ze samen naar den Sasso dei Bimbi, en zeggen tot hem: »Sasso,

o Sasso! wij zijn verloofd. Behoed ons!"--En als zij later getrouwd

zijn, en zij willen gaarne dat hun echt vruchtbaar zij, dan wandelen

zij wederom samen naar den Sasso dei Bimbi, en roepen: »Sasso, o Sasso!

wij zijn gehuwd. Zegen ons!"--En de jonge vrouw strooit maïskorrels in

de holten van den steen, terwijl de jonge man er een maatje wijn over

uitgiet. _Modo infallibile, Signore! Veramente, infallibile!_"

»Zoo zoo? Dat kan ik mij denken.... Maar ik begrijp nog niet, Angelo,

hoe dit alles voor u eene reden kan zijn om tegen dien braven steen zoo

uit te varen."

»Ah Signore--als ik dien _sasso_ zie, dan denk ik aan kleine kinderen.

En als ik aan kleine kinderen denk--"

»Dan denkt ge misschien aan het eene of andere =groote= kind--is het

niet, Angelo?"

Geen antwoord. Maar opeens keek hij mij aan met eenen blik en een

lachje, die ik duivelachtig zou willen noemen, indien zij niet tevens

zoo onbeschrijfelijk guitig waren geweest.--»_Con permesso_", riep hij:

»Heeft Signore in Holland veel mooie meisjes?"----

De vraag was eenigszins zonderling gesteld, en bovendien van zóó

teederen aard, dat ik mijn gesternte dankte toen juist ter snede een

toebijtend sardientje mij helpen kwam om den blos van verlegenheid te

verbergen, die mijne kaken in klaprozen begon te herscheppen.

»In Holland," antwoordde ik zoo ernstig mogelijk, terwijl ik het

opgewipte vischje loshaakte: »In Holland, Angelo, zijn =alle= meisjes

mooi."

»Alle zonder onderscheid?" vroeg hij, met een zweempje van naïeven

twijfelzucht.

»Alle zonder onderscheid", herhaalde ik.

»Ook die welke ongetrouwd blijven?"

»Die inzonderheid, Angelo. Want die zijn zóó schoon, dat geen jonkman

ze anders dan uit de verte durft te aanbidden."

»_Madre santissima!_ welk een gezegend land!... Maar dan geven de

Hollanders ook zeker niet veel om mooie vrouwen? Want overvloed baart

onverschilligheid!"

»Toch niet, mijn vriend, toch niet. Aan het waarlijk schoone verzadigt

de mensch zich nooit. Wij houden, Angelo, van =alles= wat waarlijk

schoon is!"

»_Ebbene!_ dán moet mijnheer eens naar Tremosine, ginds op den berg.

Dáár zijn de mooiste meisjes van gansch Italië. Een heel dorp vol. Ah!"

riep hij, terwijl hij eenen vurigen handkus naar het zuidwesten wierp:

»_gentile, graziose, adorabile, le più belle del mondo!_"----

Zijne geestdrift was inderdaad aanstekelijk; en daar ik niet inzie

waarom een reiziger niet met even ongeduldige belangstelling eene

collectie schoone vrouwen zou mogen bezoeken, als een museum van muffe

oudheden, zoo besloot ik dan ook zonder tijdverlies den door Angelo

met zulk eene bijzondere warmte aanbevolen uitstap te gaan ondernemen.

Zoodra het ontbijt genuttigd, en de voormiddagwind, de Sovére, die uit

den Alpen blaast, met genoegzame kracht doorgezet was, heesch Angelo

zijn zeil.

»_Evviva!_" riep hij, toen het doek zich sierlijk bolde, en onze sloep,

voor den wind zich neigende, als eene meeuw over het water begon te

scheren: »_Evviva la vita!_"--leve het leven!--

Ik heb dien juichtoon, of iets wat er naar zweemde, ook bij ons in het

Noorden wel vernomen. Maar altoos was er dan toch iets gedrukts, iets

twijfelends in, alsof hij maar half gemeend ware--iets als stond er een

mol-teeken voor.

Ik geloof, om hem zóó te kunnen uiten als mijn Angelo, zoo van ganscher

harte, zoo recht en vol in den majeur, moet men een schippertje op het

Garda-meer wezen, dat zijn dartel scheepje henenstuurt door louter blauw

en zonneglans--met een ontbijt van gebakken sardienen achter den steven,

en een dorp vol mooie meisjes voor den boeg. _Evviva la vita!_

* * * * *

Tremosine ligt daar op zijne rots als een arendsnest; en inderdaad

schijnt het van den waterkant slechts voor arenden bereikbaar. Toch zou

het voetpad, dat zich tegen den roodgrijzen kalkwand een achthonderd

voet naar boven kronkelt, u wezenlijk meevallen. Steil is het,

ontegenzeggelijk; maar het opwekkende gezelschap van eenen schoonen

waterval, die u telkens bij eene wending te gemoet of voorbij

galoppeert, laat u dit nauwelijks bemerken. Ook verrast het u, langs

uwen weg een blad te kunnen plukken van eenen afgedoolden citroenboom,

of de hand te kunnen uitstrekken naar de stekels van eenen in het wild

groeienden aloë. En bovendien, zoo het stijgen u te streng wordt--wie

belet u telke vijf minuten even stil te staan, en naar omlaag te turen

over het blauwe meer, welks aanblik al vreemder en ontzaggelijker wordt

naar mate gij u hooger er boven verheft?--Zie, hoe het daar gespreid

ligt tusschen zijne bergen, gelijk een hemelveld tusschen donkere

wolken. Een smetteloos ultramarijn, glanzend en onafzienbaar. Links van

u, naar het noorden, het donzige loofwoud van Riva's Campagna, met haren

achtergrond van al hooger zich opstapelende alpgevaarten, boven welke

in het verste verschiet de ijshelmen schemeren van Brenta en Adamello.

Tegenover u, langs génen oever, de machtige, met sneeuw gekroonde Monte

Baldo, aan wiens voet de witte huisjes der dorpen verstrooid liggen

tusschen het groen. En zuidwaarts heen, waar de schouderen der bergen

den plas niet meer knellen, verliest hij zich, breed als eene zee, in

eenen wazigen horizon van sidderend goud.

* * * * *

Was dan de weg er heen verrukkelijk--het plaatsje zelf, Tremosine, vond

ik een treurig nest, ontieg en bouwvallig als het inwendige van alle

Italiaansche dorpen, wier lachend uiterlijk op eenen afstand doorgaans

niet minder bedriegelijk is dan de muzikale welluidendheid van hunne

namen. Daar ik echter niet gekomen was om de vuile straat en de

havelooze huizen van het vlek, maar om de beminnelijke bewoonsters er

van, zoo deerde mij dit luttel.

Nu, ik wil bekennen dat ik naar deze laatsten knap nieuwsgierig was,

en dat ik rechts en links uitkeek wat ik kijken kon. Ik gluurde eenige

winkeltjes binnen, en sloeg onderzoekende blikken omhoog naar de

getraliede vensterholten; doch wat ik ook ontdekte, geen vrouwelijk

schoon. Ten leste ongeduldig geworden, hield in mijnen gids en

schildknaap (die, wat mij bevreemdde, mijnen kijklust volstrekt niet

scheen te deelen, doch met zekere haast al verder liep) op gebiedende

wijze staande:

»Wel, Angelo, waar draaft gij heen? Waar zitten nu uwe Tremosijnsche

Venussen?--Is dit er temet eene?" vroeg ik, naar eene afgrijselijke

tooverkol wijzende, die voor hare huisdeur eene lompige mansbroek zat te

verstellen.

»Al verder, Signore!" sprak Angelo, met zijn oolijkst lachje: »Hier nog

niet!"

»Halt, neen!" riep ik: »geen stap meer. Eerst zult ge mij minstens een

half dozijn schoonheden van den eersten rang voor den dag halen!"

»Hier nog niet, Signore. Al verder!"--

Ik was zoo goed niet, of ik moest al verder. Onder het gaan bespeurde

ik een drietal hupsche neusjes en een paar of wat mooie oogen--maar

overigens niets dan de inheemsche goorheid van tint en magerheid van

ledematen.

»Angelo! gij bedriegt, gij besteelt, gij verraadt me! Aan welken

Aballino gaat ge mij overleveren, o schavuit?"

»Moge de Madonna mij met blindheid treffen, als Uwe Excellentie zoo

aanstonds niet tevreden zal zijn!" hernam hij. »Al verder nog, _Signore

mio!_ al verder nog!"----

Dit eeuwige »al verder" bleek te eindigen op eenen afstand van zes of

acht minuten buiten het dorp, waar, schier onmiddellijk aan den rand van

den in het meer zich stortenden afgrond, eene kleine herberg staat, met

hare helder witte muren en haar donker bosschage voor een dorstig

creatuur verkwikkelijk om te aanschouwen.

»Dáár! We zijn er!" fluisterde Angelo mij toe. »_Zitto!_ Wij moeten haar

verrassen: want zij is zoo schuw als eene forel!"--Meteen wipte hij

zijwaarts een plantsoen van olijven binnen, tusschen wier stammen door

hij als een roofdier het witte huisje begon te besluipen. Ik volgde

hem zoo gluipend als mij mogelijk was, niet weinig benieuwd naar het

eigenlijke doelwit van dit avontuur. Opeens stond hij stil, vestigde op

mij eenen vragenden, weifelenden blik, bedacht zich even, legde zacht

zijne hand op mijne mouw, en richtte op gedempten toon het woord tot

mij.

»Signore", sprak hij: »ik geloof niet dat gij Katholiek zijt."

»Inderdaad, Angelo"--stamelde ik.

»Maar", voer hij voort, zonder mijn antwoord af te wachten--»toch geloof

ik dat ge een goed mensch zijt, die gaarne aan eenen armen drommel eenen

dienst bewijst."--Hier aarzelde hij en keek van den grond op, om de

uitdrukking op mijn gelaat te lezen, die, gis ik, niet bemoedigend was.

Voor het eerst toch begon ik den knaap een weinig te wantrouwen.

»Signore", hernam hij: »ik heb u bedrogen. Ja, bedrogen--en toch ook

=niet= bedrogen. Want toen ik u zeide dat hier een dorp vol mooie

meisjes was, toen loog ik. Maar als ik u nú zeg dat er hier ééne is,

ééne--ah Signore! die mooi genoeg is voor zes-en-twintig dorpen--dan

spreek ik waarheid.... Die ééne woont dáár. Haar naam is Giulietta. En

=ik= ben op haar verliefd!--_Innamorato! oh! appasionatamente!_"----

Het is altoos moeilijk, op eene dergelijke confidentie iets snedigs te

antwoorden: men weet toch niet of men den patiënt geluk wenschen, dan

of men hem zijn rouwbeklag bieden moet. Ik liet dus, zonder iets in het

midden te brengen, Angelo maar voortrammelen.

»Verliefd! ja Signore. En nu zou ze mij wel willen, als"----

»Als?"

»Als haar vader mij maar wou."

»En haar vader?"

»Ja--haar vader zou mij wel willen, als ik maar een middel wist te

vinden om hem geld te helpen verdienen. Want op geld is hij als een

bedelmonnik op eene eierstruif. _Si si!_ En daarom"----

»Nu, Angelo?"

»Als Signore zoo _amabile_ wilde wezen----dan kon Signore"----

»Wel?"

»Dan kon Signore hier blijven eten en overnachten, en eene goede flesch

wijn hier drinken; en dan kon Signore den _padrone_ beloven----hij

behoeft het niet te doen, maar hij kon het licht beloven--dat hij iets

in de krant zal schrijven, om andere Signori uit Holland hier te

Tremosine bij den _padrone_ te doen aanlanden; en op die

manier------Ahi! Stil!--daar is zij!"----

* * * * *

Daar was zij, Giulietta. Verstoken achter de grauwe stammen van twee

eeuwenoude olijfboomen, sloegen wij haar ademloos gade. Zij was uit de

achterdeur van het witte huisje getrippeld, met een mandje in de ééne,

een mes in de andere hand. Nu knielde zij tusschen de groenten in den

kleinen tuin, dien vijgeboomen belommerden, en begon kropsla te snijden.

Haar lief profiel teekende zich fijn en zacht tegen het donkere groen

van een myrtenhaagje. Eene zware haarvlecht, glimmend zwart, slipte

haar over den schouder tot op den grond;--met een enkel bevallig

hoofdschudden wierp zij zich die weerbarstige weder over den rug. Toen,

onbespied als zij zich waande, stak zij een voor een hare ronde, bruine

armen uit, om de korte bovenmouwtjes op te stroopen tot onder de

oksels: want het was zeer warm. En bij die forsche beweging geraakte

aan den hals haar kleedje los, zoodat daar zichtbaar werd wat het oog

aanschouwt, wanneer eene blanke vrucht al zwellend haren bolster heeft

doen bersten. Een merel, fluitend in eenen boomtop, deed haar het kopje

zijlings omhoog wenden: en ik zag hoe hare oogen, twee morgensterren,

van vroolijkheid blonken, hoe hare lippen glimlachten bij den helderen

vogeltoon. Maar het korfje was inmiddels met goudgele kroppen gevuld.

»Giulietta!" riep eene mansstem uit het huisje.

»_Adesso! adesso!_"----en reeds was zij opgesprongen en verdwenen, niet

wetende hoe ledig zij den moestuin liet voor een paar opgetogen

toeschouwers.

* * * * *

»_Madre santissima!_" barstte Angelo los. »Is zij niet hemelsch? Wat

zegt Signore dan nu?"

»Ik zeg, Angelo, dat deze landstreek mij wèl toelacht, en dat ik wèl

kans zie, mij hier een etmaal den tijd te verdrijven. Maar--wat voor een

leger zal ik hier vinden?"

»Het zal proper zijn: Giulietta zal het u spreiden."

»En wat voor eten zal men mij hier voorzetten?"

»Het zal lekker zijn. Giulietta zal het u klaarmaken."

»Dan, mijn vriend--laat haar vooral de kropsla er niet bij vergeten!"

* * * * *

Ik had goênacht gewenscht, en zat, in het hokje dat mij tot slaapkamer

dienen moest, bij het getraliede vensterken. Het was een duistere avond

geworden. Geene maan, geene starren. Het zwerk, van glanzen moe, had al

zijne oogen geloken--om morgen weer des te stralender neer te blikken

op de frisch bedauwde aarde. Alles lag ter ruste; geen lichtje te

bespeuren, dan de groenachtig gloeiende stippen der glimwormen in het

ras, en ver in de diepte, op het watervlak, de fakkel van eenen

visscher.

Maar dit belette den myrten het geuren niet, den matten nachtwind niet

te suiselen in de kruinen der olijven, of met flauwen zucht een blad te

doen ritselen aan dien anderen boom, uit wiens loover eertijds een

menschenpaar zich schorten vlocht.

Menschenpaar, menschenpaar! dat was eene harde beproeving, van alle

vrucht te mogen eten, behalve van die ééne, die schoonste en zoetste en

saprijkste in den hof!--Menschenpaar, o menschenpaar!----kon het wezen

dat mijne oogen goed zagen in het donker?--Waart gij daar weer gezeten,

als na uwen val--hand in hand, oog in oog--om met wat liefde elkaar te

troosten over het verlorene paradijs?--

Ik hoorde een warmer zuchten, dan dat van den zephyr tusschen de

twijgen--een luider lispelen, dan dat van het eene blaadje tegen het

andere.

Toen kronkelde de slang der afgunst zich om mijne borst. Want ik ben,

zooals de dichter zingt--'k ben maar een mensch van vleesch en bloed--en

ik zou liegen als ik zei dat ik den schelm niet benijdde, die daar

Giulietta zat te kussen onder den vijgeboom.

»_Ohé_, Angelo!" riep ik: »_Va bene?_"

Ik schrok van mijn eigen geluid. Het klonk zoo satanisch.

Even bleef het stil. Toen vernam ik onder mijn venster de stem van eenen

gelukkige, die mij toefluisterde: »_Ah Signore, mille, grazie! Va bene,

si si! Va benissimo, Signore! va benissimo!_"

Eene min in den mist.

_Doch auch des Abgrunds Nacht,

Den öden Wasserraum, des Sumpflands feuchten Nebel

Machst Du zum Eden mir!_

»Je bent dus recht gelukkig?" vroeg ik.

»Indien het den Hemel niet verzoeken is, op die vraag bevestigend te

antwoorden--dan zeg ik volmondig: ja!"

»Wacht! daar komt toch even de oude fatalistische Adam weer om den hoek

gluren! Den Hemel verzoeken door dankbaar zijne zegeningen te erkennen,

terwijl men nooit vreest den Duivel te verzoeken door onredelijk

gejammer over ongeluk! Welk een duister wangeloof!.... Maar, ronduit

gezegd--het is méér dan ik ooit voor je durfde hopen."

»Wat?"

»Alles. Vooreerst je metamorphose: van damp tot vleesch, van larve tot

mensch, zou ik meenen. En dan, met veel meer reden nog, je echtelijk

geluk."

»Ja ja!" lachte hij: »het kan je alles niet méér bevreemden, dan het

mijzelven doet!----O man, met Tannhäuser kan ik uitroepen: »_Ein Wunder

war's, ein unbegreiflich hohes Wunder!_""

»Dan laat ik er met Elisabeth op volgen: »_Gepriesen sei dies Wunder,

aus meines Herzens Tiefe!_".... Maar mag men het vernemen, dit mirakel?"

»Zeker, zeker! Ge waart zoo dikwijls de geduldige aanhoorder van mijne

jeremiaden: ge zult het ook wezen van mijn hooglied!--Suzette is eene

vriendin gaan bezoeken. Daarmee is een goed uur gemoeid. We hebben dus

mooi den tijd. Stop eene versche pijp, en hoor toe."

* * * * *

Dit gesprek had plaats op eenen winterschen namiddag, in eene gezellige

achterkamer, tusschen mijnen vriend Herman Heise en mij. Ik had hem, een

jaar of twaalf geleden, te Delft verlaten als het rampzaligste lid van

het gansche studentenkorps: een jongen van geest en aanleg, maar die

jammerlijk èn met zijn eigen groote lichaam èn met zijnen _weltschmerz_

in de war zat--eene soort van sentimenteelen Roodhuid--mager,

menschenschuw en miserabel. Ik vond hem terug als een welbeklant civiel

ingenieur, eenen flinken kerel, een practisch man, een nuttig burger,

een gelukkig echtgenoot--wijs, wakker en welgedaan.

En nu zou hij, terwijl zijne vrouw hare vriendin bezocht, mij vertellen

hoe dit zoo gekomen was.

* * * * *

Een wonder noemde ik het (zoo begon hij), dat er, gelijk ge het zoo

vleiend verkoost uit te drukken, van damp nog vleesch, van eene larve

nog een mensch uit mij geworden is niet alleen, maar dat ten overvloede

ik, in mijnen tijd de vrouwenschuwste aller jongelingen, thans binnen de

landpalen met een lantarentje den man zou mogen gaan zoeken, die uit de

huwelijks-loterij eenen kostelijker prijs trok. Wel--het wonder zit hem

hierin, dat het niet alles, in stee van zoo bijzonder goed, reddeloos

verkeerd liep, gelijk het immers, volgens de geijkte maatschappelijke

opvatting, had =moeten= doen. Want kijk--het =begin= van mijn geluk

was niet in den haak! zoo zouden onze moeders en schoonmoeders en

behuwdzusters verklaard hebben; en de éénige reden waarom zij het

=niet= verklaarden, was (tusschen twee haakjes) dat zij _in casu_

niet bestonden:--wij waren beiden weezen toen we trouwden, en zonder

familie:--onder ons gezegd, eene der eerste en zeldzaamste voorwaarden

tot huwelijksheil. Maar alevel, ik moet zelf erkennen dat het begin uit

de verkeerde wereld was. Eigenlijk, moet ge weten, heb niet ik Suzette,

maar heeft Suzette mij gevraagd!

* * * * *

Hoe zal ik die lange geschiedenis kort maken? eene geschiedenis,

bovendien, die, als alle liefdeshistories, zoo bitter weinig om het lijf

heeft voor alle menschen behalve twee?....

Het was op eenen somberen namiddag in November van het jaar 1865....

Neen, dat riekt te sterk naar eenen roman van Bulwer!....

Eenzaam dolend langs den Delftschen buitensingel.... Bah! dat wordt weer

te tragikomisch!....

Komaan, om er dan eenen slag in te slaan:--het was de mist die het deed!

Ja, niemand dan de mist was het!

Niet lang na uw vertrek naar Java, wandelde ik op zekeren namiddag te

Delft mijn singeltje om: de Haagpoort uit, de Rotterdamsche poort weer

in--zooals wij te voren honderdmaal zamen deden. Het was een van die

dagen gelijk ik ze in November even gaarne mag, als zonnegloed in Juli:

een kille, grauwe, mistige druiler, een dag zonder ochtend en zonder

avond, een dof geschemer tusschen twee nachten. Ik verbeeld mij wel eens

dat het klimaat van dit land veranderd is in de laatste jaren: dat het

er niet meer als voorheen zoo vriest en zoo sneeuwt in den winter, zoo

stormt en zoo hagelt in het voorjaar, zoo stooft en zoo onweert in den

zomer. Dit is natuurlijk louter eene poets die mijn geheugen mij speelt.

Maar wat het =misten= betreft--dáárop zou ik durven zweren: er was in

die dagen méér mist dan tegenwoordig. Zoo'n mist ten minste als er

=toen= hing--op dien November-middag, bedoel ik,--neen, zóó eenen heb

ik er in mijn later leven nooit weer bijgewoond--of het moest te Londen

geweest zijn. Men kon feitelijk geenen boomstam op twintig passen vóór

zich onderscheiden.

Gij weet--dat was destijds een weertje naar mijn hart. De mist van

buiten stemde zoo juist overeen met den mist van binnen. Behoef ik ú,

mijn waarde--den éénige die mijne schuwheid wist te bezweren en mijn

gemoed uit zijne schulp te doen kruipen--behoef ik ú te herinneren welk

een rampzalig, eenzelvig wezen ik was: hoe afkeerig van menschen, hoe

verlegen met mijzelven tusschen al die andere jongelieden, die zich

(naar het mij toescheen) zoo benijdenswaardig vlug en gemakkelijk,

of althans zelfgenoegzaam en vrijpostig, in de vormen des gezelligen

levens bewogen?--Gij schreeft het toe aan eene ziekelijke

prikkelbaarheid van mijn temperament, en aan de dompigheid van mijne

opleiding. Zeer juist; eene ouderlooze en vreugdelooze jeugd ten huize

van een orthodox predikant in een zeurig landstadje kon tot eene gezonde

ontwikkeling van mijne levensgeesten niet bevorderlijk zijn geweest.

Maar er was toch nog eene meer rechtstreeksche oorzaak bij in het

spel, die ik zelfs voor ú getracht heb verborgen te houden, omdat ik

meende--zeer dwaselijk--dat haar te bekennen, hetzelfde zou wezen als

haar te verergeren. Ik leed namelijk (en gij moet het vaak genoeg hebben

opgemerkt) in de ergste mate aan eene ziekte, die voor eenen student

ellendiger om te dragen is dan een bochel of een vuurroode haarbos:--de

=bloosziekte=. Mijn hart werkte als eene pneumatische pomp. De nietigste

aandoening dreef mij het snel verschietende bloed golfsgewijze naar hals

en wangen en slapen. Het was al genoeg, bij voorbeeld, dat ik op straat

iemand te groeten had; dat een vreemdeling mij naar den weg vroeg;

dat eene jonge vrouw mij voorbijging, wanneer ik wist dat anderen

mij gadesloegen. Beging iemand in gezelschap eenen flater of eene

onkieschheid, meestal was hij het niet, die kleurde, maar ik. Richtte

men in eenen kring het woord tot mij, en diende ik eenigszins omslachtig

bescheid te geven--het geschiedde niet zonder het rijzen van eenen

donkeren blos. Onder kornuiten zelfs was het terloops vermelden van deze

of gene, vaak mij geheel onbekende vrouw al voldoende om mij zoo rood te

doen worden als een kostschoolnufje bij het hooren noemen van den naam

haars heimelijk bewonderden luitenants.

Gij kunt niet beseffen--neen, zelfs gij kunt dat niet--wat ik onder

die kwaal geleden heb: hoe zij mijne gansche jeugd bedorven en

verlamd, hoe zij geheel mijne toekomst bedreigd heeft met zedelijken

en maatschappelijken ondergang. Ik heb later in Darwin's boek over de

gemoedsaandoeningen eene treffend juiste beschrijving en verklaring van

de bloosziekte gevonden. De groote natuurvorscher zoekt hare oorzaak,

kort gezegd, in eene overspannen oplettendheid op onszelven, samengaande

met een gevoelig hechten aan de meening van anderen, bijzonder met

betrekking tot ons persoonlijk voorkomen. Hadde ik dit hoofdstuk, waarin

ik mijzelven terugvond, vroeger gelezen (met de mededeeling er bij, dat

het verschijnsel lang zoo zeldzaam niet is), ik zou misschien in die

wetenschappelijke openbaring den moed, en in den moed ook de middelen

gevonden hebben, om het zwak te bestrijden. Maar nu----och och! het was

een deerlijk martelaarschap! Ik verbeeldde mij dat ik de éénige lijder

was aan deze kwaal. Ik hield haar voor ongeneeslijk. Al mijne pogingen

om haar te verbergen, verergerden haar slechts. Innerlijk dorstend naar

sympathie, had ik aan vriendschap, aan gezelligheid behoefte. Van nature

tuk op onderscheiding en genot, zou ik mij hals over kop hebben willen

neerstorten in den vroolijken maalstroom der jeugd. Maar die ellendige

hebbelijkheid sneed mij af van alles wat ik anders begeerig gezocht zou

hebben. Want de menschen, allerminst de jongen, hebben geen mededoogen

met zulk een zwak; integendeel, zij vermaken zich er mee en zoeken het

nog te verergeren, hetzij om zich te goed te doen aan het besef van

hunne eigene superioriteit, hetzij uit loutere plaagzucht. En zoo deed

deze bezoeking mij alle gezelligheid vermijden, deed mij elke aanraking

met flinke mannen en eerbare vrouwen ontvluchten, deed mij een huwelijk

als iets onmogelijks, eenen eervollen werkkring als iets onbereikbaars

voor mijzelven beschouwen, en liet mij geene uitkomst blikken, dan als

landmeter naar de Kaap te trekken, ten einde mij daar te verschuilen

onder Boeren en Hottentotten. Zij deed mij gluipend het zonlicht

schuwen, omdat de duisternis mijn ongeluk verheelde. Soms wilde ik haar

trotseeren--maar dan juist scheen er een springvloed te loopen door

mijne aderen; en was eenmaal de roode golf gerezen, dan stond ik onder

de menschen als een slungel, met den mond vol tanden, met al mijne

ledematen verkeerd, haast met tranen van spijt en schaamte in mijne

oogen, wenschende dat ik in den grond verzinken mocht:--ik, een Delftsch

student, eene lange, knokige kerel, met de beginselen van eenen knevel

al onder den neus, daar blozend en stotterend als een schoolmeisje dat

betrapt werd op het kapen van een pruimentaartje!--Mijn potig uiterlijk,

dat mijne zotte ziekte des te meer deed uitkomen, behoedde mij aan den

anderen kant voor den smaad van hardop uitgelachen te worden; maar het

sluiksche gegichel der ommestanders ontsnapte mij niet. Dikwijls jeukten

mij de knuisten; slechts de gedachte, dat ik door spektakel mijzelven

nog te belachelijker maken zou, weerhield mij om te beproeven of er

op de gezichten dier ginnegappers toch niet door middel van eenige

welaangebrachte muilperen wat kleur te krijgen ware. Voor gewelddadige

experimenten op mijzelven echter deinsde ik niet terug. Nu eens stelde

ik mijn aangezicht uren lang bloot aan de werking der zonnestralen,

opdat onder de geblakerde huid het opwellen van het fatale rood niet

zichtbaar wezen zou. Vaak ook dronk ik mij eene halve roes aan, die

mij ten minste gedurende een uur of wat onbedeesdheid en kleurvastheid

verzekerde. Om mij te verzetten, zocht ik ruwe, eenzame vermaken; om mij

te harden tegen mijne =valsche= schaamte, gaf ik mij af met schepsels

die alle =eerlijke= schaamte hadden uitgeschud. Ik was op weg, in alle

stilte een lap en een lichtmis te worden. Eenige malen zelfs stond ik

aan den rand van zelfmoord. Eerst schafte ik mij eene revolver aan;

later weifelde ik tusschen cyankalium en morphine!--Nu, er zijn wel

gekken geweest, die om minder zaaks hun pakje zich van den hals hebben

geschoven! Gelukkig voor mij, dat ik mijzelven zoo telkens weer uitstel

van executie verleende. Wat al goede dingen zou ik anders misgeloopen

zijn!

* * * * *

Gelijk gezegd--uit den mist zou er redding voor mij dagen.

Het was op de hoogte van den Constructie-winkel, dicht bij het buitentje

dat »_de Groene Haven_" heet. De tot vocht gestolde nevel drupte in

dikke droppels uit de boomen; ik had dus mijne paraplu opgestoken,

en slenterde, het hoofd vervuld met mijmeringen, die ongeveer zoo

vroolijk waren als de natuur om mij heen, langzaam den eenzamen weg af.

Opeens--ik zeide u al dat men slechts weinige schreden voor zich uit kon

zien--opeens bespeurde ik dat ik op het punt stond in botsing te geraken

met een medemensch, en wel, naar de kleeding te oordeelen, met eene van

het vrouwelijk geslacht. Eene fladderende grijze regenmantel, óók onder

eene paraplu (die hoofd en bovenlijf der gedaante voor mij verborgen

hield), was snel uit den grauwen damp komen aanzweven, en het bleek

dat wij elkander niet hadden opgemerkt vóór wij als boeg tegen boeg

laveerden. Zonder op te zien, week ik rechtsaf uit; doch daar de

tegenpartij links uitweek, bleef onze positie onveranderd. Nu stapte ik

links af:--de gemantelde echter stapte rechts. Zij weer links, en ik

weer rechts; en toen, voor de vierde maal, nógeens zij weer rechts en

ik weer links!.... Het was bespottelijk! Zulk een mispas kan het best

gemanierde paar voetgangers overkomen; maar in dit geval was hij méér

dan zot, doordien onze regenschermen telkens tegen elkander aanbotsten

en elkaar met groote veerkracht terugstieten.... Dat ik eene gloeiende

kleur kreeg, behoeft wel geene verzekering. Want bij den tweeden zijstap

had ik mijne tegenstandster aangekeken, en, ofschoon ik de oogen

onmiddellijk weer neersloeg, met dien enkelen schichtigen blik even veel

gezien als met eenen halven dag starens.

Het is curieus, amice, en ik denk dat het ook ú wel eens opgevallen moet

zijn, hoe men soms uren lang tegenover eene dame kan gezeten hebben,

zonder daarna te kunnen zeggen of hare oogen blauw dan grijs waren, of

het tipje van haren neus naar den hemel dan naar de aarde wees, en of

zij al dan niet eene moedervlek op de rechter wang had--terwijl een

ander maal het gansche beeld eener vrouw ons met eenen enkelen, vliegend

snellen oogopslag, onuitwischbaar in het geheugen staat geëtst........

Met dien éénen blik had ik gezien dat het jonge meisje daar tegenover

mij rijzig en krachtig gebouwd was--haast even lang als ikzelf: dat zij

een prachtig _buste_, eene matte, doch gezonde tint, een kuiltje in de

blanke kin, en regelmatige, hoewel ietwat forsch gesneden trekken had;

dat zij bruin van oogen en blond van haar was, en dat zij bloedkoralen

oorbellen droeg. Eene blondine met bruine oogen----mijn ideaal, moet ge

weten! Zuidelijk vuur bij Germaansche zachtheid!----ofschoon, op dat

moment--neen waarlijk, zachtheid sprak er toch niet uit dat wezen, en

vuur al evenmin! Norsch en koel vonkten die donkere oogen mij tegen; de

vleugels van den fraaien neus spanden zich, als van toorn; de frissche

lippen presten zich dreigend samen.... Vanwaar, dacht ik bij den derden

zijstap, vanwaar deze verstoorde uitdrukking op dit eêl gelaat?... Toen

schoot mij plotseling te binnen: o Hemel! als zij eens meende dat gij 't

er om deedt, dat ge een vlegel waart, die haar den pas wou afsnijden om

haar te beleedigen!... Mijn blos werd scharlaken. Wanhopig, om haar toch

mijnen goeden wil en de eerlijkheid mijner bedoelingen te toonen, maakte

ik mijnen vierden noodsprong. Doch ik vrees, er zou er nog wel een

vijfde en een zesde hebben moeten volgen, indien de schoone zelve niet

beter raad uit deze verlegenheid geweten had, dan mijn lummelig ik.

Opnieuw haar aankijken, durfde ik niet. Maar ik hoorde haar spottend

lachen, en uitroepen: »Och meneer, als u even stil wou staan, dan zou de

weg breed genoeg zijn voor ons beiden!"...... Nu stond ik als een paal.

Ik voelde dat zij mij voorbijglipte. Ik waagde het òm te kijken. Met

vluggen, elastischen tred zag ik haar in den dikken mist verdwijnen.

Tien, twaalf schreden----ik was weer alleen--de aarde was woest en

ledig, en duisternis rondom mij zweefde over de weilanden.

In de onzaligste stemming wandelde ik verder. Komaan! Een nieuw

meesterstuk toegevoegd aan het lange, lange register van mijne

pummelarijen. Hoe onbeholpen had ik mij daar weer aangesteld! Geen woord

van ontschuldiging jegens het hupsche kind had mijne tong weten te

vinden. Geen wóord, geen groet, geene buiging. Gebloosd slechts had ik,

altijd maar weer gebloosd. O bloed, bloed, sarrend bloed! Een oog dat

ons ergert, kunnen wij uitrukken en vàn ons werpen; maar tegen bloed dat

ons plaagt, staat er in den ganschen bijbel geen recept!... Wat echter

kon het mij ditmaal schelen! Niemand was ditmaal immers getuige geweest

van mijne beschaming!.... Toch, niemand?--En zij dan?... Het vlijmde mij

door de borst. Brandender schaamtegevoel had mij niet kunnen pijnigen,

indien de spottende blikken van honderd makkers op mij gericht waren

geweest. Het meisje was mij wildvreemd. Ik kende haar evenmin als zij

vermoedelijk mij. Maar dat juist zij mij had moeten aanschouwen in al

mijne onredzaamheid, dat krenkte mijn zelfgevoel dieper, dan al wat ik

ooit nog van dien aard had te verkroppen gehad. Zeer beslist vestigde ik

mijne keus nu op cyankalium.

Middelerwijl was ik, na nog eenen kleinen omweg gemaakt te hebben, langs

het Oude Delft in de stad teruggekeerd. De torenklokken sloegen half

vier; het weinigje daglicht begon al te zinken; in enkele huizen liet

men de gordijnen reeds vallen, en stak de lichten aan.

Ik woonde toen aan de Hippolytus-buurt; doch de kamer beviel mij niet,

of de huisploert maakte het mij lastig--kortom, ik had mijne huur

opgezegd, en moest met den laatsten der maand (dat was binnen twee of

drie dagen) verkassen. Nog wist ik niet waarheen.

Terwijl ik nu, om den gang langs het Academie-gebouw en de luidruchtige

schaar van de daaromtrent lanterfantende jongelingschap te vermijden,

de Korte Breedsteeg insloeg, zag ik aan eene woning in die uitgestorven

zijstraat een bordje uitsteken, houdende mededeeling, dat aldaar eene

gemeubileerde kamer te huur was. Mij docht, die stand kon mij wel

passen: er was er geen stillere in gansch Delft, en aan de overzijde

had men, over eenen muur heen, uitzicht op den tuin achter een deftig

heerehuis. Op de deur las ik eenen mij niet onbekenden naam: »Holwerd,

muziekmeester en stadsklokkenist." Ik stapte achterwaarts, om de woning

eens op te nemen; vrijmoedig, in de meening dat niemand mij opmerkte,

hef ik den blik naar de eerste verdieping----en, verbeeld u, het eerste

wat ik zie, is zij--het meisje van daareven, dicht bij het raam over een

naaiwerk gebogen!

Ik verstijfde--ditmaal niet blozend, maar bleek wordend tot in de

wortels van mijne haren.... Ook zij had mij gezien, en terstond den rug

naar het venster gekeerd. Onnoodig! Want sneller dan zij zich wenden

kon, was ik op de stoep gesprongen om mij voor haar te verbergen--en

tevens, vóór ik het zelf recht wist, had ik mijne hand aan de schelknop.

Wat ging ik doen?--Daar aanbellen?--Nooit!... Maar toch, ja--ik moest

wel--ik kon niet meer terug! Zij kon in den spion mijne beweging hebben

opgemerkt--het zou kwajongensachtig zijn, indien ik nu wegliep. Ook

was er iets in mij dat mij dwong, dat mij den wil ontnam. Ik durfde

niet--maar ik =moest=. Het koperen knopje zat mij tusschen de vingers

als vastgeklemd: mijn arm behoorde mijzelven niet meer toe: een

galvanische stroom voer mij uit den schouder er door heen.... Daar

volgde een zachte ruk--en de bel ging over.... Bij haar klingelen was

het mij of ik eenen moord begaan had, en of ik het armezondaarsklokje

reeds mijne uitvaart hoorde luiden.

Men liet mij vrij lang wachten op de stoep. Ik hoorde eene mansstem,

die nijdig riep: »Suzette! kan je niet open doen?"--Eindelijk ontsloot

zich de deur, en de heer Holwerd zelf, gemuild en gemutst, stond in het

portaal en vroeg mij naar mijn believen. Zijn knorrig gelaat helderde

op toen ik hem verzocht mij de kamer te laten zien; het straalde van

genoegen toen ik haar tegen eenen niet zeer billijken prijs inhuurde.

Drie dagen daarna had ik bij den klokkenist mijnen intrek genomen. De

heer Holwerd heette mij met zekere beschonken plechtigheid welkom onder

zijn dak. Een halfwas stuk van een dienstmeisje bracht mij het theewater

en ruimde mijne kamer. Maar des klokkenisten dochter hield zich

onzichtbaar.

* * * * *

Veroorloof mij thans, vóór ik verder ga, eens even aan te pijpen en

de sherry-karaf voor den dag te halen. Deze oude herinneringen wekken

in mijnen boezem emoties, die mij dorstig maken naar wijn en naar

tabaksrook. Wijn die het hart verheugt, en tabaksrook die de zinnen

stemt tot kalmte.

* * * * *

Ik geef u mijn woord--zoo vervolgde mijn vriend Herman--dat ik

aanvankelijk bij mijzelven geen spoor ontdekken kon van verliefdheid

op Suzette, en dat ik (afgezien van dien geheimzinnigen drang tot

aanschellen, dien ik mij nog maar niet verklaren kon) eerlijk meende

overtuigd te zijn van niet om harentwille, doch om den wille van

mijzelven haar vaders rustige en welgelegene voorkamer betrokken te

hebben. Wel bleef haar beeld mij met zeldzame klaarheid voor de oogen

zweven; wel betrapte ik mijzelven op droomen waarin zij eene rol

speelde, en vaak ook op een heimelijk verlangen om, zelf ongezien,

haar op hare gangen eens te mogen bespieden. Maar tusschen dit en

verliefdheid lag toch nog een gansche oceaan, meende ik. Bovendien had

ik het denkbeeld van ooit met mijne onbeminnelijke persoonlijkheid eene

jonge vrouw te kunnen bekoren, het denkbeeld van ooit met een werkelijk

mooi meisje eene geregelde vrijage te kunnen aanknoopen, steeds zóó

verre vàn mij geschoven, dat het ook thans in ernst geen oogenblik bij

mij ingang wilde vinden.

Al spoedig echter, naarmate ik het karakter van het meisje en de

omstandigheden waarin zij leefde eenigszins nader leerde kennen, zou

hierin eene merkbare verandering ontstaan. Deze kennis gaarde ik

grootendeels uit den mond haars vaders, die zich geroepen scheen te

voelen, de stuursche teruggetrokkenheid van zijne dochter te mijnen

opzichte zooveel mogelijk te vergoeden door bij mij op de kamer praatjes

te komen maken, waarbij hij dan, met eene vaak naar alcohol riekende

gemoedelijkheid, zijne persoonlijke gevoelens omtrent verschillende

huislijke en maatschappelijke aangelegenheden onbewimpeld voor mij

uitstortte.

De heer Holwerd was geen ondegelijk musicus; maar indien hij van zijne

pianolessen had moeten leven, dan zou hij (volgens zijne eigene manier

van spreken) zijne keel wel aan den kapstok hebben mogen hangen. Ik

geloof dat hem van zijne eertijds bloeiende praktijk nog slechts een

viertal uren 's weeks waren overgebleven: twee aan de dochter van eenen

rijken kroeghouder, en twee aan eene alleenlevende dame van verdachte

zeden. Daar hij echter als stads-carillonist en dirigent van een paar

liedertafels een redelijk inkomen genoot, terwijl zijne dochter door

handenarbeid goeddeels in haar eigen onderhoud voorzag, zoo hadde hij

bij eene matige levenswijze niet noodig gehad eene kamer te verhuren.

Ongelukkig was zijne levenswijs het tegendeel van matig. De goede man

dronk een weinig; dat is: hij dronk wat veel. Strikt genomen, trof men

hem zelden in eenen staat van onbeneveldheid: nooit rechtuit dronken,

maar geregeld van 's namiddags twee uur af in meerderen of minderen

graad aangeschoten. Om nu deze liefhebberij met een gerust geweten te

kunnen bevredigen, behoefde hij méér geld dan hij met zijne muzikale

kunstvaardigheden op den beganen bodem en in de hoogere luchtlagen

verdienen kon. Vandaar de kamer verhuurderij. En vandaar ook eene

voortdurende spanning tusschen hem en zijne dochter. Want Suzette,

die niet te trotsch was om zich eene mate van onafhankelijkheid te

verzekeren door het bedrijf van hoedenmaakster te beoefenen, droeg het

hart veel te hoog om de bel na te loopen en zich de impertinenties te

getroosten van eenen »heer op kamers", student of luitenant; en zeer

kwalijk duidde zij het haren vader, dat hij geheel onnoodig, louter om

zijnen dronkenmansdorst ruimer te kunnen laven, zichzelven en haar deze

vernedering aandeed, haar de vrijheid in huis ontnam, het beste vertrek

ontroofde, en--wat het ergste was--haar prijs gaf aan de kans van onder

haar eigen dak bloot te staan aan de kwetsende vervolgingen, waarvan

zij, eene burgerdochter, onbeschermd en zonder stand, op de straat reeds

méér dan genoeg te lijden had. Ik kon dit alles opmaken uit eene

ontboezeming van den ouden heer zelven.

»Ja, ja!" sprak hij op zekeren namiddag tot mij, terwijl hij dapper

van mijnen portwijn proefde: »Trots is goed en wel! Trots is best in

een mensch: want zonder trots houdt een mensch zijn hoofd niet uit de

modder. Ikzelf ben óók trotsch: op mijnen onbezoedelden naam, op mijne

muzikale talenten, op mijne knappe dochter, op mijn dochters pianospel,

dat zij van niemand anders dan mij heeft geleerd----"

»Zoo zoo?" viel ik hem in de rede: »Is dat mejuffrouw uwe dochter, die

ik 's avonds in de achterkamer wel eens hoor spelen? Ik meende, mijnheer

Holwerd, dat u het zelf waart."

»Ik zelf? Papperlepap, meneer!--Neen, mijne eigen vingers hebben met dat

getrommel daar boven in den toren al lang hunne _geläufigkeit_ verloren.

Mijne dochter is 't, die u hoort. De sonaten van Beethoven, het _Rondo

capriccioso_ van Mendelssohn, het _Blumenstück_ van Schumann--als

gesneden koek, zeg ik u! Netjes en met gevoel, glad en _con brio_!--Had

ze mijnen zin gevolgd, dan was ze pianojuffrouw geworden: en dan was

haar kost gekocht geweest. Maar zij beweert dat ze niet uit het hout

gesneden is om allerlei apen zonder ooren en kippen zonder kop de

gamma's en den eersten Czerny in te stampen; en daarin heeft ze wel

gelijk, geloof ik: want tot martelaarster is mijn Suzètje ook al niet

in de wieg gelegd; eer, vrees ik, zou ze eene pil innemen of uit het

zolderraam springen, als men haar het leven te spaansch maakte.... Eene

superbe meid, meneer! Je kent haar toch? Eene meid om eenen paal mee in

den grond te slaan. Oók trotsch, jawel!--Een juffertje, dat er uitziet

als zij, heeft natuurlijk wel eens aanstoot van de heertjes. Dat kan

niet anders; bloed is geen karnemelk, en wij zijn allemaal jong

geweest;--maar ik beloof je dat zij de snuiters die haar te na komen op

de kneukels weet te tikken! Eene kranige meid, hoor, waarop een vader

trotsch mag zijn!.... Maar kijk, zoo kom ik nu vanzelf weer op mijn

chapiter terug. Trots, zeide ik, is heel goed. Alleen, men kan ook de

beste dingen bij den verkeerden kant aanpakken. Een burgermeisje, zeg

ik maar, dat nu eenmaal geen fortuin heeft, moet niet te trotsch wezen

om haren vader op eene fatsoenlijke manier zijne middelen van bestaan

te helpen verbeteren. Wel, meneer--zelfs professors en dominees verhuren

kamers aan jongelui! Waarom dan geen arme oude muzikant?--En wanneer

men eenmaal kamers verhuurt, dan moet men niet te trotsch wezen om zelf

eens een kopje of een glaasje binnen te brengen. En heeft een meisje

in zoo'n positie het voorrecht, dat ze er goed uitziet, dan mag zij

in alle eer en deugd bedacht zijn op een goed huwelijk, dat haar eene

toekomst verzekert; en dan behoeft zij niet met hare zure gezichten elk

jongmensch, die misschien met de nobelste bedoelingen met haar in kennis

zoekt te geraken, en die daartoe geen geschikter middel weet, dan bij

haren vader in huis behoorlijk eene kamer te betrekken----"

Op dit oogenblik werd er driftig tegen de kamerdeur geklopt, en

Suzette's stem, in welke eene trilling van toorn niet te miskennen

viel, riep van buiten: »Vader, het eten staat op tafel! Zult u haast

komen?"..... Had zij iets van zijne luide redeneering opgevangen, en op

deze kort aangebonden manier zijn gesnap willen afbreken?... »Ik kom,

ik kom!" schreeuwde Holwerd, zichtbaar verward: »Tot weerziens, meneer

Heise! Excuseer mijne rondborstigheid! We praten wel eens nader, hoop

ik!"--En hij dribbelde snel de kamer uit.

Neen oude! met mij zoudt ge niet veel nader meer praten--ten minste

over uwe dochter niet. Ik verachtte den vent na dit gesprek: en toch was

ik hem voor zijne borrelpraat half dankbaar. Want nu eerst werd alles

mij duidelijk. Nu eerst begreep ik de krenkende positie van het meisje

in dit huis:--eene schoone dochter, fier en rein--een veile dronkaard

van eenen vader. Nu ook besefte ik in welk eene valsche stelling ik

mijzelven tegenover haar geplaatst had. Hoe kon het anders, of zij

moest meenen dat ik haar gevolgd was en beloerd had na die ontmoeting

op den singel? dat ook ik een dier sujetten was, die zich in hare

woning waren komen nestelen om haar strikken te spannen?--Ik begreep

hare schuwheid, haren onwil om zich te vertoonen--alles!... Wat moest ik

doen?--Heengaan? Maar dat zou op den aftocht van eenen verslagen vijand

gelijken. Neen! blijven wilde ik. Ik wilde haar bewijzen, door mijn

eerbiedig gedrag, door mijne ingetogenheid, dat zij zich in mij dan toch

vergist had. Blijven dus--al ware het slechts om door mijne aanwezigheid

de kapers van de kust te houden.

Van toen af kon ik het voor mijzelven niet meer verhelen, dat er voor

Suzette iets in mij groeide, wat ik (hoe vaak ook vroeger op deze of

gene deerne heimelijk verzot) voor geene andere vrouw ooit gevoeld had.

Eerst hield ik het nog voor eene soort van medelijden, gepaard aan een

ridderlijk verlangen om haar te beschermen. Zij immers moest, evenals ik

zelf, zich eenzaam en ongelukkig voelen in de wereld; en hoewel ik zeer

goed wist dat twee gekken nooit éénen wijze maken, noch twee lafaards

éénen held, zoo waren mij toch wel gevallen bekend, waarin twee

eenzaamheden de som hadden opgeleverd van ééne volmaakte gezelligheid,

en twee ongelukkigheden die van één onmetelijk geluk. Maar straks

geraakte ik tot het bewustzijn, dat de zaak te ernstig werd voor

woordspelingen, en dat het eene wonderlijke soort van medelijden is,

waaruit een razende drang ontstaat om voor het voorwerp er van op de

knieën te vallen en het de voeten te kussen.

Mijn vriend--ik was verliefd! Dat is, verliefd zooals ik met =mijn=

karakter het wezen moest: verliefd met eene verholene intensiteit,

die weldra mijn geheele =zijn= doordringen zou: met eenen stillen,

innerlijken gloed, die langzaam voort zou smeulen tot hij mij gansch

zou hebben verteerd. Ik sidderde bij het uitzicht: want het beloofde

mij niets dan marteling. En toch deed deze nieuwe pijn mij tintelen van

eene ongekende vreugd, van eene vage zaligheid, doelloos, redeloos,

hopeloos--en nochtans zoo zalig.... Wel, amice--gij zelf waart

indertijd niet van marmer. Gij weet dus alles.... Ik was verliefd!

* * * * *

Drie weken na mijne intrede in meester Holwerd's huis zag ik Suzette

voor het eerst terug. Het was op de stoep, terwijl ik tegen het

middaguur iets vroeger dan gewoonlijk thuiskwam, en zij juist uit

wilde gaan. Mijnen beleefden, diep blozenden groet beantwoordde zij

nauwelijks met eene lichte hoofdbeweging. Mijn God! hoe streng die fijne

wenkbrauwen, dat blanke voorhoofd zich konden fronsen over die trotsche

bruine oogen! Hoe verachtend die neusvleugels trillen, die lippen zich

krullen konden!.... Wat zal ik u zeggen?--Ik vond er haar slechts te

schooner, te edeler, te begeerlijker om!...... Mijn vriend--ik was

verliefd!

En, bij mijnen baard, dat ben ik----ja, 't is zeldzaam wanneer men

reeds aan zijne koperen bruiloft denkt----dat ben ik thans nóg!....

Nu echter niet meer als de smachtende slungel op de ongenaakbare nimf

zijner droomen--maar als de op zijne beurt trotsche man op de milde,

in wedermin bloeiende gade. Nu niet meer in de magerheid van mijn

verlangen--maar in de volheid van mijn bezit. Nu niet meer, zooals Jan

Luyken zingt--Jan Luyken, die, zoo'n kwast als hij was, toch wel een

paar geestige minnedeuntjes uit zijne lier getokkeld heeft--, nu niet

meer in »_onzalige eenzaamheyt, vol quijnende ongenuchten_"--maar

_In den blijden staat

Van hem wien 't is gegeven

Door 't soet gelaat

Van zijn beminde nooyt te zijn verzaat!_

Zóó ver echter waren wij toen in lang nog niet.

Maanden verliepen er, zonder wezenlijke verandering in onze verhouding.

Alleen scheen Suzette mij niet meer zoo opzettelijk uit den weg te gaan,

en, als zij mij toevallig ontmoette, niet meer zoo voorbedachtelijk, zoo

bestudeerd afstootend tegen mij. Drie dingen moeten, geloof ik, in mijn

voordeel bij haar gepleit hebben, althans hare zwarte vermoedens omtrent

mijne bedoelingen te haren opzichte in slaap hebben gesust. Vooreerst

mijne altoos bloode, maar toch niet onridderlijke hoffelijkheid; ten

tweede, dat ik zooveel mogelijk alle verdere vertrouwelijke gesprekken

vermeed met haren vader; en eindelijk mijne eenzame, geregelde

levenswijze;--ik had mijne vroegere losheden geheel afgezworen; ik zat

meest elken avond tehuis, en werkte vlijtig. Soms, bij onze vluchtige

ontmoetingen, wilde het mij lijken of er in de wijze waarop zij mij

aanzag eene mengeling van bevreemding en medelijden, iets zelfs van

belangstelling lag. Dat zij mij nu nog voor eenen vermomden Don Juan,

voor eenen huichelenden belager van hare eer verslijten zou, was

onmogelijk. Toch bleef zij, koel en streng, elke nadering ontwijken.

Slechts bij hooge uitzondering, wanneer het dienstmeisje uit was,

bracht zij mij iets op mijne kamer; ik had mij trouwens aangewend

zooveel doenlijk mijzelven te helpen. Eéns maar had ik bij zulk eene

gelegenheid de vermetelheid bijeengeraapt om haar te zeggen--stamelend

en met eenen purperen blos--hoeveel genoegen zij mij des avonds, terwijl

ik studeerde, verschafte met haar piano-spel. Sedert merkte ik op dat

zij vaker en langer speelde dan te voren.

Een andere verliefde, bedeeld met een weinigje meer zelfvertrouwen,

zou allicht uit dit laatste trekje vooral zich wat goeds hebben durven

beloven; één punt van sympathische aanraking is immers reeds veel,

en de taal der tonen (ook ik speelde klavier) heeft al méér jonge

harten tot elkander gebracht, dan die van den mond. Doch ik, met mijne

bloosziekte en menschenvrees, met mijne ingewortelde begrippen omtrent

de onaantrekkelijkheid van mijnen persoon, met mijne vooropgestelde

overtuiging dat ik als vrijer van een jong en aanlokkelijk meisje eene

onmogelijkheid was--wat had =ik= mij te beloven?--Ik kon niet inzien,

en ik dacht er ook liefst niet aan, wat er uit mijnen hartstocht worden

moest. Vrijen en trouwen leek mij meer dan ooit eene voor mij ondenkbare

onderneming. Bovendien, ik was innerlijk toch ook veel te fier om door

de vrouw die ik liefhad te willen aangenomen worden enkel uit genade,

of omdat ik goed genoeg zou zijn om (zooals vader Holwerd zeide) haar

eene toekomst te verzekeren; bij al mijne geringschatting van mijne

uiterlijke waarde, zou ik van de vrouw die ik huwde toch wedermin

gevergd hebben als eene _conditio sine qua non_. Mij bleef dus niets

over, dan, naar het voorbeeld van mijnen beminden Don Quixote, van

Amadis en Fiérabras en honderd andere edele ridderzielen, genoeg te

hebben aan mijne eigene liefde _pure et simple_, in haar te leven om

haarzelve, zonder hoop op, ja, kon het wezen, zonder verlangen zelfs

naar bevrediging.

Meen niet dat mij dit licht viel!--Ik had goed mij verdiepen in

Cervantes--nooit liet zich onder het lezen de nevengedachte weren, dat

Don Quixote en Amadis en Fiérabras altegaar maar zielen van papier, maar

ridders van stroo en blik waren. Ik had mooi idealiseeren, dagelijks

herinnerde mij de natuur met felle nepen, dat de min iets is van vleesch

en bloed. Dan was ik bij vlagen den waanzin nabij! Dan wilde ik mij

aan Suzette's voeten gaan storten, en haar smeeken zich over mij te

erbarmen!.... Maar tijdig nog dook voor mij het schrikbeeld op, dat zij

mij uitlachen en wegstooten zou, en dat ik dan zou moeten vertrekken uit

de woning waar ik ten minste een wrang genot vond in het bewustzijn van

hare nabijheid. Of die andere voorstelling, belachelijk nog in hare

pijnlijkheid: hoe vader Holwerd zijne dochter misschien overreden zou

mij als kostwinner en bezorger toch maar te aanvaarden: hoe hij met

beschonken zalving zijne handen zegenend zou uitstrekken boven onze

hoofden: en hoe ik dan 's zondags met Suzette uit wandelen zou moeten

langs de Delftsche grachten, blos op blos, linkschheid op linkschheid

stapelend--ten spot van heel de straat, en allermeest van mijne

beminde!.... Ik blikte dan naar de kast waar ik nog altoos mijne

vergiften geborgen hield. Maar de moed tot sterven ontbrak mij zoowel

als de moed tot leven. Radeloos liet ik mij op de sofa vallen, en brak

los in snikken.

Onder eene van die buien verraste mij Suzette zelve. Zij kwam,

daar er niemand anders tehuis was, mij eenen zoo pas bezorgden brief

overhandigen. Ik moest haar tikken niet gehoord hebben. Toen zij den

brief vóór mij op de tafel legde, hief ik mijn hoofd uit mijne handen,

en staarde met mijne betraande oogen verwilderd tot haar op. Zij keek

mij lang en sterk aan, met eenen zonderlingen blik.--»Scheelt er iets

aan, meneer Heise?" vroeg zij zacht.... Ik bracht de hand aan mijne

keel, die mij als toegenepen zat. Ik kon niet antwoorden, maar ik

schudde ontkennend het hoofd.... »U zit, geloof ik, te veel op uwe

kamer", hernam zij: »u moest wat meer uitgaan, en wat verzet nemen,

zooals de andere jongelui".... Hare altstem trilde een weinig; zij

kleurde even terwijl zij het zeide: zij was verrukkelijk schoon....

»Suzette!" riep ik toonloos.... Maar zij was de kamer al uit.

* * * * *

De zomer vlood voorbij. In de vacantie maakte ik, naar gewoonte, eene

voetreis van een paar weken in Duitschland. Doch het eenzaam dolen in

den vreemde, vroeger mij zoo lief, kon mij niet meer bekoren; ik had

aan mijzelven en de natuur niet genoeg meer; of liever, beurtelings

te veel en te weinig had ik aan beiden; en er was een tweede noodig

geworden om het =te veel= te ontladen, het =te weinig= aan te vullen.

Met andere woorden: Suzette's beeld vergezelde mij bij regen en bij

zonneschijn--onafscheidelijker dus dan mijne schaduw. Reeds een veertien

dagen vóór het hervatten der lessen, zat ik alweer op mijne kamer aan

de Korte Breedsteeg te turen naar het gezwatel der lindebladers aan de

overzij. Suzette (ik vernam het niet zonder eenen steek van jaloersche

bezorgdheid) was uit logeeren bij eene nicht te Amsterdam. Haar vader

ontving mij zeer opgewonden. Ik bespeurde dat hij zijn bitter-uurtje

weer wat vervroegd had, zoodat hij voortaan reeds omstreeks de

middagstonde in eenen kennelijk spiritueusen toestand verkeerde. Zijne

vier laatste piano-lessen had men hem opgezegd, en ik meende te bemerken

dat zijn Wilhelmus-gebeier uit den toren niet meer zoo energisch klonk

als voordezen.

In het begin van September kwam Suzette uit Amsterdam terug. Zij zag

er opgeruimder uit dan te voren: bloeiender dus ook: meer dan ooit een

toonbeeld van kloeke, trotsche schoonheid. Bij het wederzien reikte zij

mij de hand, en vroeg mij hartelijk naar mijne gezondheid. Ik vatte

daaruit moed om haar een fraai châlet met speelwerk aan te bieden, dat

ik uit het Schwarzwald voor haar had meegebracht. Zij keek donker,

trok de lippen samen, bedacht zich even--maar eindigde toch met het

glimlachend aan te nemen. Ik voelde, het was eene groote gunst die zij

mij bewees--doch aanmoedigends (dit zeide mij haar fronsen) mocht er

voor mij niets in gelegen zijn.

Daarna keerde alles weer in de oude voegen terug. De studiën werden

hervat; de dagen slonken; de October-regens plasten neder. Suzette

werkte harder dan voorheen. Zij liet zich weer uiterst zelden zien, en

was dan in haar spreken, hoewel niet onvriendelijk, weer koel en kort.

Ik vond haar bleeker, haar wezen gedrukter: een gevolg, vermoedelijk,

van ergernis en zorg over haar vaders toenemende dronkenschap en

onbekwaamheid tot zijn beroep. Wat mijzelven betreft--haar leed

wakkerde mijnen hartstocht slechts aan, zonder evenwel mijnen moed te

stalen. De uitkomst voor ons beiden, zoo eenvoudig toch, bleef voor

mij verholen in ondoordringbare nevelen. Met een brandend hart en een

troebel brein ging ik in den winter--voor mij den laatsten te Delft,

indien het eind-examen slaagde--te gemoet.

* * * * *

Herfstdag na herfstdag sleepte zich traag daarhenen--met storm, met

regen, met droef gesluierde luchten, of met weemoedigen zonneschijn.

Straks alweer November; en mèt haar de mist weer, de eeuwige mist. Ik

weet niet hoe het kwam, maar ik haalde mij in het hoofd dat er ook

ditmaal uit dien mist iets avontuurlijks, iets beslissends voor mij

moest opdoemen--eene lotswending tot een nieuw leven, óf tot den dood.

Moet ik zeggen dat die _ahnung_ mij niet bedroog?--Zeker is het, dat

November's mistigheid het hare bijdroeg om mij te wikkelen in een

avontuur, welks afloop mij aanmerkelijk deed stijgen, zoo niet in

Suzette's, dan toch in mijne eigene schatting.

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 21 / 24 题