X.

Aan elke historie pleegt een slot te zijn. Hoe, indien wij déze eens

zónder lieten? Indien wij onzen held en onze heldin, lang vóór wij hen

per huwelijksboot goed en wel hadden in het ruime sop doen stevenen,

eens in het middernachtelijk uur onder den blooten hemel aan hun lot

overlieten, te midden van de waarlijk niet arcadische omgeving der

Rotterdamsche Sint-Laurens-kerk?

Doch dit zou wreed wezen. Het is al erg genoeg, dat wij hen zonder

geleide hunnen weg terug laten vinden naar Hillegersberg, om daar den

orkaan te gaan tarten, die er hen van wege hun nachtelijk avontuur

verbeidde. Dit, meen ik, is al kwaad; en ik, als hun geschiedschrijver,

heb dáárvoor reeds te vreezen dat zij morgen vóór mij zullen staan, om

mij verwijtend af te vragen wáármede zij dit aan mij verdiend hebben.

Want ziet! er is alle kans, dat dit waarachtig verhaal ook hun onder de

oogen kome. Justus en Marieken immers leven nog. En zij zijn werkelijk

een paar geworden.

Maar niet zoo overhaast als het gewoonlijk in vertellingen toegaat. Niet

alvorens de heer Pieter van Meppen, als de uitzondering die den regel

staaft, in betrekkelijk vroegen ouderdom het tijdelijke gezegend had.

Niet alvorens Marieken geraakt was tot het inzicht, hoe uit het veld

geslagen jongelingen maar niet zoo dadelijk (gelijk zij duchtte) zich

gaan verdrinken, al is er nóg zooveel water in de zee; en hoe het in

geen geval pas heeft voor een meisje, over radelooze ondermeesters

bij hunne nachtelijke omdolingen door de straten van Rotterdam den

beschermengel te spelen. Niet ook alvorens Justus zelf door harde en

lange ervaring in de wereld der werkelijkheid geleerd had, dat er voor

eenen man nog iets anders te doen valt dan droomen en dwepen; dat niet

géniën, maar menschen deze aarde bevolken; dat poëzie niet de arbeid

zelf is, maar de geest die den arbeid opheft en adelt, die hem zijne

wijding geeft en vruchtbaar en duurzaam maakt. Toen het alles zóó ver

gekomen was (er verliepen ettelijke jaren mee: jaren van inspanning en

ontzegging), toen was Justus man, en Marieken was vrouw geworden. En

op zekeren dag, als hij haar na eene vrij lange afwezigheid terugzag,

voelde hij plotseling dat hij haar nog om iets anders dan hare deugden

liefhad. Het is wonderlijk, hoe sommige vrouwen eensklaps schoon worden;

of wel, hoe sommigen mannen opeens voor hare schoonheid de oogen

opengaan.

* * * * *

Justus en Marieken houden in zeker vriendelijk Geldersch dorp

eene bloeiende kostschool. Nog altoos doordrongen van den adem der

Germaansche sage, prediken zij daar samen, met woord en voorbeeld, aan

een dertigtal gelukkige knapen het evangelium der frischheid. Gezonde

studie, meer in de natuur dan in de school, is het geestelijke voedsel

van die kleine keurbende. Volop wandelen en gymnastiek voor het lichaam;

volop verzen en sproken voor gemoed en verbeelding. Strenge tucht--maar

geene roede dan het eigen eergevoel. Vrome aanbidding--maar geen

priester dan de eigene geestdrift. De lijfspreuk der Duitsche

turners--»_frisch, from, fröhlich, frei!_"--is ook de lijfspreuk van

meester Justus Eykendaal en zijne leerlingen.

* * * * *

Van tijd tot tijd bezoeken de meester en zijne vrouw Rotterdam. Zij

verzuimen dan niet, eenen achtermiddag te besteden aan eene wandeling

naar het naburige dorpje--eene bedevaart naar het plekje waar zij hunnen

heiligen eed zwoeren tusschen de graven: naar den heuvel van de lange

Hildegarde, de jonkvrouw van Hillegersberg.

=Harmonia.=

_Eenen groenen boom gelijk, die eene bron

beschaduwt te midden eener brandende vlakte._

Het is verscheidene jaren geleden, dat ik op het kerkhof van een

Hollandsch stadje achter de baar trad van eenen man, die mij zeer lief

en eerwaardig was. Ik wil hem Werner noemen. De oude veste, zijne

geboorteplaats, buiten wier wallen hij sluimert onder de groene zoden,

heete Vreeburg.

* * * * *

Van beroep was hij musicus; van beroep, en van roeping--wat lang niet

hetzelfde is. Het spijt mij, dat ik een uitheemsch woord moet bezigen

om een juist denkbeeld te geven van 's mans werkzaamheid hier op aarde.

Werner kon zich voor virtuoos niet doen verslijten; op beteekenis als

componist mocht hij niet bogen. Maar hij had meer dan één instrument

terdege in zijne macht; hij stond met recht bekend als voortreffelijk

muziekonderwijzer en volleerd organist; en voor het dirigentschap was

hij al geboren. Ik weet dit alles niet beter saam te vatten, dan met

het woord =musicus=. Wil men liever dat ik =toonkunstenaar= zegge, mij

is het wèl, ofschoon ik vrees dat deze lange en deftige term nooit het

burgerrecht verkrijgen zal in onze van deftigheid zoo schuwe spreektaal.

* * * * *

Toen ik een jongeling was, en met zekeren trots mij telde onder zijne

leerlingen, had Werner de zeventig al achter den rug. Maar het kostte

moeite dit te gelooven, als men hem gadesloeg in zijn doen. Hoe menige

levenszatte snuiter van even dertig had van =hem= nog kunnen afzien wat

jeugd is: jeugd van het lichaam en jeugd van den geest. Hoe frisch en

groen was hij nog in zijne grijsheid, gelijk een eeuwenoude eik, die in

de lente zich uitdost met nieuwe loovers. Ik heb den man nooit jong

gekend, en toch, in den gewonen zin van =oud= kan ik hem mij niet

voorstellen.

Wanneer ik mij hem recht levendig voor den geest wil halen, dan sla ik

niet mijn album open en tuur op zijne beeltenis--maar dan denk ik aan de

kostelijke uren die ik met hem sleet, van mijn veertiende tot mijn

een-en-twintigste jaar, elken zaterdag-avond vast.

Wij maakten viool-duetten van Spohr, Hauptmann, Viotti; of keur van

sonaten voor piano en viool; later, met twee andere liefhebbers,

strijkquartetten. Een wonderlijk saamgebracht gezelschap, die eerste

quatuor waarvan ik lid was! Achter de twee violen een grijsaard en een

knaap; achter de alt een geneesheer, een man van rijpe, veelzijdige

ervaring en ietwat cynische gemoedsstemming; achter de cello een dikke

jonge pater, die te lui, en ik geloof ook te onverschillig was, om

het in zijne Kerk ooit verder te brengen dan tot kapelaan. »De vier

jaargetijden", zoo placht Werner het vierspan te noemen. Zichzelven zag

hij daarbij voor den winter aan--hoewel er zeker in hem nog méér fleur

en zonnigheid van de lente staken, dan in al de drie overigen te zamen.

Het voorjaar was ik--versch uit den grond als eene paardebloem in April.

Zijn weleerwaarde met de blozende ronde konen vertegenwoordigde den

zomer; Esculapius den herfst. Die twee laatsten nu konden duchtig van

leer trekken, zoo tusschen eene _finale_ van Haydn en een _allegro_ van

Mozart. 't Was hak om hak--en raak óók, naar ik u verzeker. De medicus

haalde papen en nonnen over den hekel; de priester veegde dokters en

apothekers den mantel uit. Met bijtende scherts gingen zij dan elkander

te lijf, de pater bij Molière, de arts bij Rabelais in den zadel;--een

kruisvuur van geestige, maar toch goedige kwinkslagen--totdat Werner

lachend tusschenbeide kwam met een: »Komaan heeren! gunt elkander den

kost voor 't eten, en bederft elkaar de praktijk toch niet! Aan den

slag! _Andante con espressione!_ Als broeders er op losgestreken!"....

Inderdaad, wanneer zij weer speelden, was het enkel harmonie tusschen

hen. In den grond mochten zij elkander ook hartelijk lijden, geloofden

zij beiden in denzelfden God, en zouden zij pest en dood voor elkaar

getrotseerd hebben--de dokter om des paters lichaam, de pater om des

dokters ziel te behouden.

Het liefst echter musiceerde ik met mijnen braven meester alleen: want

dan eerst was het musiceeren, en niets dan musiceeren, wat wij deden.

Die man electriseerde mij. Hij had over de snaren eenen streek, waardoor

ik mee =moest= als _secondo_, fluks over de lastigste passages heen, die

ik bij het instudeeren vergeefs getracht had onder den duim te krijgen.

Hij had op de toetsen eene voordracht, die mijn eigen spel mee bezielde

en ophief, zoodat ik soms zelf (ja, 't klinkt zot!) wel _bravissimo!_

had willen roepen over het vloeiende van mijnen eigen toon. Spelen,

spelen, naar onzer harten lust! en als er onder het rusten even

gesproken werd, 't was over niets dan muziek en musici.--»Jongen!" begon

hij dan, met eenen glanzenden blik naar de boven het klavier prijkende

borstbeelden van zijne drie hoogst gevierde meesters--Haydn, tot

wien hij nooit anders dan kortweg »vader" zei--Mozart, dien hij

liefhad boven allen, en Phoebus Apollo noemde--en Beethoven, dien

hij vreesde en aanriep als den dondergod, den Jupiter Tonans onder

de componisten:--»Jongen!" begon hij, »wat waren ze toch machtig en

groot! Hoe hadden ze toch alles, wat de goede God eenen kunstenaar maar

schenken kan: wetenschap, vorm, melodie, hartstocht, teederheid, humor,

vroomheid, gloed! En hoe gelukkig zijn =wij= toch, dat we nà hen kwamen,

om te mogen spelen wat zij voor ons schreven! En, jongenlief, wat arme

zielen, wat beklagenswaardige stumpers zijn het toch, die =dit= niet

mee aanhooren, niet mee begrijpen en genieten kunnen!"----Daarop volgde

meestal de eene of andere anecdote, allersmakelijkst opgedischt; want

van muzikale herinneringen, vroolijk en aandoenlijk, was hij vol--eene

wandelende verzameling. Al spoedig echter brak hij zijn vertellen af,

draaide zich om op zijne tabouret, greep in de toetsen, preludeerde,

en riep: »Pak aan, amice, pak aan! We verbabbelen weer onzen kostbaren

tijd. Dit goddelijke _adagio_ herhalen we nog eens! Breed, hoor! en pas

op het _crescendo_, dat je ziel er uit zingt tot je Schepper!"

Halverwege den avond, tusschen klokke negen en tien, placht zijne goede

vrouw boven te komen, met een paar glazen warmen drank voor de spelers.

Zij zette zich in eenen der ouderwetsche stoelen bij het haardvuur, om

te luisteren naar een nummer--te luisteren, als de erntfeste koppen aan

den wand. »Wel, moedertje?" vroeg Werner haar, als het uit was, terwijl

hij haar vriendelijk toeknikte: »Ken je 't nog?--We loopen op een eind,

mijn kind! Maar hoe ouder wij worden, des te jonger klinkt mij deze

muziek!"

En eens (ik mag het nú wel verklappen)--eens legde hij mij eene gavotte

van Bach voor, en zei: »Jongenlief, strijk er eens op los!" Daarna trad

hij op zijn oudje toe maakte voor haar eene klassieke buiging, nam haar

bij de hand, en leidde haar ten dans met eene sierlijkheid, die menige

achttiend'eeuwsche saletjonker hem niet verbeterd zou hebben. Zag ik

wèl, dan hebben bij dit tooneel uit hunne jonkheid al de gepruikte

portretten en busten hunne hoofden bewogen op de maat. Bach en Händel

kropten hunne onderkinnen op. Phoebus Apollo schoot rondweg in eenen

lach. Vader Haydn blies zich de magere wangen bol. Zelfs Beethoven's

leeuwekop bleef niet rustig op zijn voetstuk. Om den strengen mond des

machtigen viel eene plooi vol goedheid en humor. Als een vader op zijn

spelend kroost, zóó blikte Jupiter Tonans welgevallig neder op dit paar

huppelende grijze kinderen.

* * * * *

Beminnenswaardige figuur, die ik daar uit het verleden weer verrijzen

deed! Hoe echt als kunstenaar, hoe edel als mensch!

Vraagt gij naar het geheim van dit blijmoedig en bescheiden wezen, dan

wijs ik u op de geschiedenis zijner jeugd, en op de kunst zijner jeugd.

* * * * *

Het was een vreeselijke tijd, toen hij geboren werd; en ook jaren daarnà

nog, terwijl hij opgroeide tot man. Met bloed werd de aarde gedrenkt;

roode nevelen hingen over Europa, die geen licht schier doorlieten,

dan de bliksems van het kanon en het flikkeren der zwaarden. Wie kon er

denken aan de kunst der harmonie, daar de natiën elkander als wolven bij

de keel hielden gevat? Wie kon er luisteren naar muziek, daar men steeds

eenen roffel in het ééne oor had, en den donder van het geschut in het

andere?

Toch zijn er geene jaren vruchtbaarder geweest voor de heilige Musica,

dan juist deze twee of drie schrikkelijke decenniën, die de vorige

eeuw sloten en de huidige openden. Het was of de poëzie, des Eeuwigen

openbaring, juist dit tijdstip, waarop zij in ellende versmoord scheen,

had uitverkoren om hare almacht te doen blijken ter vertroosting. Mozart

was al dood; maar zijne hemelsche zangen, voor zijne tijdgenooten te

hoog, begonnen te trillen door gansch Europa. En Beethoven schiep uit

zijne jonge kracht. Vader Haydn kon zelf nog naar zijne _Schöpfung_ gaan

luisteren. Méhul en Cherubini wrochten onvergankelijks. Spohr verrukte

de wereld met zijne tooverviool en zijn edel romantisme. Weber zette

zich tot zijne _Freischütz_. Schubert dichtte lied op lied. En straks

zou de ster verrijzen van nog een ander die het menschdom verheugen en

stichten zou met zijnen citherslag: Felix Mendelssohn Bartholdy. Ja! er

waren er velen in die sombere dagen, die als machtige geesten op wolken

wandelden, hoog boven 's werelds strijdrumoer--maar menschen toch, en

weldoeners der menschen. Het waren dagen vol hartstocht en woede en

smart--dagen vol jammer en vertwijfeling--maar zoo vol stout genot, zoo

vol koene belofte toch!

En toen eindelijk de worsteling bij Waterloo beslecht had tusschen recht

en roof, toen brak er voor het afgebeulde Europa een lange rusttijd aan,

en voor de muziek een tijdperk, dat ik, in zeker opzicht, hare gouden

eeuw durf noemen, omdat zij toen was wat zij tegenwoordig =niet= meer

is: eene kunst der huislijkheid en eene kunst des vredes. Dit was de

bloeitijd van het strijkquartet, van de gezellige huismuziek. De

burgers hadden ook toen hunne zorgen en hun krakeel; maar éénmaal

's weeks schuddeden zij alle leed en leelijks af, wanneer zij te

avond bijeenkwamen, en vriendschappelijk hun trio of hunnen quatuor

vedelden, tot hunne zielen gelijk hunne snaren samenklonken in harmonie.

Haydn en Mozart heerschten, met eene schaar van jongeren uit hunne

school: en húnne kunst, wij weten 't, had het knarsetanden zich nog niet

aangewend, het wroeten in raadselen, het vuistenballen tegen den hemel

en tegen de menschheid en tegen zichzelve. Húnne kunst zocht en vond nog

hare =ware= bestemming: den horizon van 's menschen gemoed te =louteren=

van nevel--niet hem nog dichter te doen bestormen van jagende buien en

dwarrelenden mist. Húnne kunst mocht in waarheid nog eene kunst heeten

des vredes en des lichts.

Hij nu, mijn grijze meester--warm van gemoed, levendig van geest,

ontvankelijk voor koene indrukken--hij had in den volsten zin al die

machtige aandoeningen gedeeld, die wisselingen mee doorleefd. Hij had

meegeleden van het lijden, meegegloeid voor de grootheid van zijnen

jongen tijd. Zelfkennis had die harde en rijke ervaring hem geleerd.

Vandaar zijne bescheidenheid. De jaren zijner jeugd waren te zorgelijk

geweest voor ijdelheid: te vol van daden, ook op het gebied der kunst,

dan dat er veel plaats in zou gebleven zijn voor louter waan. Hij had

zóóveel groots om zich heen niet zien opkomen en ondergaan, zonder te

=moeten= geraken tot het besef van zijne eigene kleinheid. Hij =moest=

van zichzelven wel weten dat hij geen genie was: dat zijn aanleg

meer tot waardeeren en bewonderen, dan tot voortbrengen--meer tot

het weerkaatsen van anderer licht, dan tot het uitstralen van eigen

schijnsel hem bestemde. Ha! want =genieën=--hij had ze immers gekend! De

heroën, die ónze tijd als halfgoden vereert, tot welken de hedendaagsche

componisten terugblikken met een gevoel van half aanbiddende, half

benijdende onmacht--=hij= had ze in hunne vlucht aanschouwd--als

adelaars hen zien zweven boven de Alpen. Kon hij hen in het luchtruim

niet volgen, hij wijdde hun den eeredienst van eene kunstenaarsziel; hij

had hen lief met volle geestdrift, met innigen ernst; en zijn levenswerk

was, die geestdrift en dien ernst mee te deelen aan anderen. Zóó was hij

musicus. Zóó bleef het vuur van jongen ijver glimmende in zijne oogen,

en spreidde zich over zijne kruin het zilver, als een weerglans uit den

hooge van de glorie der goede geniën die hij diende. Zóó was hij

priester.

Maar als een braaf priester, boog hij dan ook, oud geworden, de knie

niet voor andere, nieuwere goden. Hij bleef zeer beslist, ietwat

uitsluitend zelfs, een vereerder der klassieken. Schumann trok hem

nog slechts ten halve aan; over de modernen schudde hij bedenkelijk

het hoofd; zelfs tegen de allerlaatste gewrochten van Beethoven

koesterde hij, bij alle bewondering, eenen heimelijken weerzin. Want

juist omdat hij zooveel kamp en troebelheid gekend had in het leven,

was hij zoo beducht voor kamp en troebelheid in de kunst. Die oude

kunst des vredes en des lichts, die voortkwam uit eene godsdienstige

wereldbeschouwing--van die kunst en haren geest was de oude Werner als

doortrokken. Vandaar zijne blijmoedigheid, zijne zielekalmte, zijne

vroomheid. Muziek moest =hem= eene openbaring blijven--niet van twijfel

en _weltschmerz_, maar van geloof en hoop; niet van den mensch in zijnen

waan, maar van den Schepper in zijne goedheid. Hij wilde dus bij muziek

eenen traan en eenen glimlach, geen wenkbrauw-fronsen, geen oogen-rollen

zien. Daarom had hij het ouderwetsche huisquartet zoo lief. Voor hem

geene muziek zoo echt, zoo verkwikkelijk, als die daar gemaakt werdt

door vier bevriende menschen in de stille binnenkamer--de lampen

brandende op de tafel, het wintervuur flikkerende in den haard, en in

eenen kring de huisgenooten, luisterend naar het onaanmatigend spel. Dan

gloorde er avondlicht in zijn gemoed. »Harmonia", fluisterde hij: »Gods

liefste engel--Harmonia is in ons midden!"

* * * * *

Ons eerste strijkquartet, waarin de dokter en de pater zaten, was na

een jaar of vier uiteengespat. De dood had er eene bom in geworpen, die

den braven medicus sneven deed; en de goede, dikke kapelaan--misschien

opdat hij wat minder de violoncel en wat meer het misboek aan zijne

borst drukken mocht--was door zijnen bisschop verplaatst naar een ander

kerspel. Wij twee overgeblevenen echter hadden vergoeding gevonden in

eene aanwinst, die Werner bijzonder lief moet zijn geweest. Zijne éénige

dochter namelijk, weduwe geworden, kwam met hare drie kinderen, twee

zoons en een meisje, metterwoon zich vestigen in de aanzienlijke

provinciale hoofdstad, waar haar vader het kapelmeesterschap bekleedde.

De beide jongelingen hanteerden niet onverdienstelijk de cello en de

alt, terwijl hunne zuster eene degelijke klavierschool had doorloopen.

Fluks was dus het nieuwe viermanschap saamgeklonken. De zaterdag-avonden

werden hervat, en gewoonlijk hadden wij nu--dank zij het talent der

jonge dame--bij onze twee of drie strijkquartetten een pianoquintet als

middenstuk of als toegift.

Ik heb geene aanleiding om de persoonlijkheid van Werner's kleinkinderen

hier breeder uiteen te zetten, dan noodig is tot het begrijpelijk maken

van hetgeen er volgt in mijn verhaal. Gisela was een meisje met meer

gevoel dan schoonheid; doch ook haar gevoel zat diep verholen, en scheen

dán eerst mild naar het daglicht te wellen, wanneer zij muziek maakte,

of als het er op aankwam een blijk te geven van hare innige zusterlijke

gehechtheid aan beide hare broeders. Walter en Hugo waren een

tweelingpaar--een merkwaardig menschelijk duplicaat. Ik zou nooit,

vóór ik hen kende, hebben willen gelooven dat onder de vijftienhonderd

millioenen bewoners van onzen aardbol er twee elkander zóó gelijk konden

wezen, als dit broederspan. Niet zoozeer wat hun uiterlijk betrof: men

kon hen met eenen oogopslag van elkander onderscheiden; maar wegens

hunne neigingen, hun gemoed en hunne gaven. Geen hunner, voorwaar, had

een karakter om ooit den ander naar den mond te praten; flink stond elk

op eigen beenen, en oordeelde met eigen brein. En toch sloegen zij op

elkander als de twee oogen in één hoofd. Wat de een schoon of leelijk

vond, dat bewonderde of verfoeide ook de ander; wat Walter trof, dat

roerde ook Hugo. In studie, in muziek, in lichaamsoefening--in alle

dingen werkten zij tegen elkander op, volmaakt alsof het zoo afgesproken

ware, eene stilzwijgende overeenkomst om elkaar de loef niet af te

steken. Nochtans was het zuiver natuur. En het »gelijk besnaard" gold

evenzeer van hunne diepere inborst. Bij beiden dezelfde geslotenheid,

voor allen--behalve voor elkander, en voor hunne zuster misschien.

Maar onder die schijnbaar koele en onbewogene oppervlakte smeulde eene

hartstochtelijkheid, wier plotseling opvlammen mij soms angstig maakte

voor hen. Met beiden ging ik om, als quartet- en als academie-makker.

Ik wist hoe zij elkander liefhadden, al zag ik hen nooit daarvan eene

vertooning maken. Tevens echter kon ik enkele malen opmerken hoe fel

en onbuigzaam zij ook krakeelen konden, wanneer de een door den ander

zich meende tekortgedaan in zijn recht. Anders altoos onafscheidelijk,

plachten zij dan dagen lang elkander uit den weg te treden--Hugo in

zijne eenzaamheid even ongelukkig als Walter--maar Walter ook even

onwillig als Hugo om den eersten stap te doen tot verzoening. Het

scheen of juist het besef van de zeldzame gelijkheid hunner krachten en

vermogens hen over en weer naijverig maakte op het geringste overwicht,

dat de een op den ander mocht behalen. Gewoonlijk, na zulk eene

vredebreuk, was het hunne zuster, die hun de handen weer in elkander

lei--tot onuitsprekelijke vreugde van zuster en broeders alle drie.

Ziedaar den kleinen kring, in welken ik de liefelijkste avonden mijner

jongelingschap heb mogen doorbrengen. Echte kunstmin riep hem samen

en wijdde hem; een eerwaardig grijsaard was de ziel er van; jeugd en

vriendschap verlevendigden hem met haren gloed en humor; en het bijzijn

van eene beschaafde jonge vrouw deed met zachten dwang den toon der

gezelligheid, onder enkel mannen zoo licht óverbruisend, binnen de

perken blijven van wat rein en voegzaam is. Och! dat ook hij moest aan

stukken vallen--en zoo spoedig reeds--gelijk alle bonden door menschen

gesmeed: bonden van koningen, bonden van natiën, bonden bedoeld voor

de eeuwigheid!--Slechts één bond is er, dat eenen menschenleeftijd

trotseeren kan, en méér: het bond van twee die onder lijden elkander

liefhebben. Maar zóó hoog reikt zelfs een strijkquartet niet.

* * * * *

Wij jongelieden moesten na volbrachte studie de wereld in. Wij wisten

dat het oogenblik van scheiden komen moest. Wij zagen het naderen--en

weldra klopte het aan.

Onze laatste bijeenkomst stemde ons allen weemoedig;--er is zoo

iets bitter droevigs in dat korte, onverbiddelijke vonnis: »voor 't

laatst"--zelfs als het geveld wordt over tamelijk onbeduidende zaken;

hoeveel te meer dan waar het eenen vriendenkring uiteenscheurt, en

eene onzer liefste levensvreugden verbant naar het schimmenrijk der

herinnering. Wij spraken weinig. Vergeefs poogde Werner onder een

opbeurend woord zijne aandoening te verbergen. Nadat wij wat gespeeld

hadden, en terwijl de glazen tot afscheid werden volgeschonken, zette

onze oude meester voor ons vieren een beschreven muziekblad op de

lessenaars.

»Zietdaar!" riep hij: »dit tot slotstuk. 't Is een liedeken van

Chamisso, dat ik sinds vele jaren al zoo waar bevonden heb als eene

evangeliespreuk--een beproefd recept,--en dat ik voor u op muziek heb

gezet, voor eene zangstem met begeleiding--: ziet ge, zoo tot een

aandenken van onze schoone avondjes--om te spelen als ge samen

zijt, en als de oude man....... Nu dan, laat eens hooren! Gisela,

vrienden--_andante_ maar--zoo kalm en stillekens maar _andante_!"

Het bleek eene melodie van wonderlijke bekoring--voor ons althans, op

dat oogenblik. Zij werd ingeleid met eene zacht golvende piano-figuur,

boven welke straks de zangstem zich verhief, op de woorden van het

eerste couplet:

»_Hab' oft im Kreise der Lieben

In duftigem Grase geruht,

Und mir ein Liedlein gesungen,

Und alles war hübsch und gut_"

Bij het tweede vers kwam de viool, eerst klagend, dan opgewekt, de

zangstem omspelen:

»_Hab' einsam auch mich gehärmet,

In bangem, düsterem Muth,

Und habe wieder gesungen,

Und alles war wieder gut._"

Zij voegde zich ook bij het klavier in het ietwat breed uitgewerkte

tusschenspel, dat op elke volgende strophe den overgang vormde.

Alt en viool te samen wierpen op de melodie eene diepere schakeering bij

het derde couplet:

»_Und manches, was ich erfahren,

Verkocht' ich in stiller Wuth;

Und kam ich wieder zu singen,

War alles auch wieder gut._"

En eindelijk hief ook de cello aan, met zijne ernstige stem kracht en

volheid bijzettende aan den breederen accoordenstroom, die het slotvers

omgolfde en met eenen jubelzang van al het snarentuig besloot:

»_Sollst nicht uns lange klagen

Was alles dir wehe thut;

Nur frisch, nur frisch gesungen!

Und alles wird wieder gut._"

Er sprak uit dit bagatel zóóveel innigheid en frischheid van geest, zulk

een weemoed, en toch ook weer zulk eene blijmoedigheid, dat ik niet

beter weet te zeggen dan: geheel de maker sprak er uit: geheel de man

zooals hij was en voelde.

Hij had er bij gestaan, en meegeneuried met trillende stem. »Kinderen",

zeide hij, toen het uit was: »wij gaan uit elkaar--, en 't is

twijfelachtig, althans wat =mij= betreft, of we ooit weer zoo met ons

vijven muziek zullen maken. Belooft mij nu één ding: dat ge telkens, als

ge later weer samenkomt, en als ik er misschien niet meer bij ben, dit

lied zult spelen te mijner gedachtenis. Ook tusschen u zou er wel eens

iets kunnen rijzen, dat den onderlingen vrede en de goede harmonie

verstoorde. Denkt dan aan onze schoone avonden, aan Haydn en Mozart, en

aan je ouden _violino primo_. Grijpt dan in de toetsen en in de snaren,

dat het weer samenklinkt als uit één gemoed. Niet gemokt en gewrokt!

Harmonia, kinderen--laat Harmonia in uw midden blijven! Samen een

quartet gemaakt, samen een lied aangeheven--

_Nur frisch, nur frisch gesungen!

Und alles wird wieder gut._"

Dat de oude man eene bijzondere reden had voor deze dichterlijk

ingekleede vermaning tot broederzin, dit wist ik toen nog niet.

* * * * *

In twee jaren zag of hoorde ik van Werner en zijne kleinkinderen niets.

Ik kwam in het vaderland terug, en--daar was een wervelwind heengevaren

over des grijsaards hoofd. Eerst had hij zijn ontslag genomen uit het

kapelmeesterschap; vervolgens had de dood zijne dochter weggerukt, de

moeder van het drietal; en eindelijk, nadat hij zich metterwoon te

Vreeburg gevestigd had, was ook zijne trouwe gade hem ontvallen.

Ik zeide dat hij zijn ontslag =genomen= had. Eigenlijk =kreeg= hij

het--in zóóverre, dat de heeren hem op uiterst kiesche maar toch zeer

duidelijke wijze in bedenking gaven, of de dirigeerstok niet wat zwaar

voor hem werd, en of wat rust hem op zijnen leeftijd niet toekwam. De

waarheid was, dat een jonger geslacht eene andere kunstrichting inwilde:

eene richting, aan welke Werner in geenen deele haren naloop misgunde,

doch bij welke hij zich evenmin meer had kunnen of willen aansluiten,

als dat hij eenen ommekeer had kunnen of willen brengen in heel zijne

denkwijze omtrent den aard en de roeping der toonkunst. Hij besefte het,

en ging heen--met geschenken overladen--wel gekrenkt een weinig, maar

toch niet wrevelig--neen, in zeker opzicht getroost veeleer. Want nu

immers kon hij eenen stillen hartewensch bevredigen. Nu kon hij den

avond zijns levens gaan slijten in het oord, waar hij jong was geweest,

waar zijn ouderlijk huis nog stond, waar hij zijne kunst had leeren

lief krijgen, waar hij zijne vrouw gevonden had. Zoo riep hij der

groote stad vaarwel toe, en ging in zijne geboorteplaats wonen. Juist

was de betrekking van organist aan de kerk daar open. Zijn vader had

haar bekleed indertijd; des te gretiger dus nam hij op zich haar te

vervullen. Als grijsaard voor het orgel te mogen zitten op den stoel

zijns vaders, vrome zangen te ontlokken aan diezelfde toetsen, waarover

vóór zeventig jaren de oude man met het staartpruikje hem de vingers had

leeren spannen,--welk eene liefelijke gedachte voor hem!--Als organist

was hij begonnen: als organist zou hij eindigen:--voorspel en naspel van

zijne loopbaan zouden sluiten op elkander. Met _andante_ ving zij aan,

overgaande, steeds _crescendo_ en _accelerando_, in een lang en woelig

_allegro_, waarbij het _forte_ niet was gespaard. Met _larghetto_ zou

zij sluiten, _sempre diminuendo_--tot in een fluisterend _pianissimo_ de

schoone symphonie zijns levens verstierf.

Het zij mij vergund, den lezer getuige te doen zijn van mijne laatste

ontmoeting met den man.

* * * * *

Vreeburg, moet men weten, is een dier weinige gelukkige stadjes in

Nederland, welke nog verstoken bleven van de zegeningen eener directe

spoorwegverbinding. De woningen en het vleesch zijn er dus nog goedkoop,

de menschen gemoedelijk. Dit lokt er een aantal kleine renteniers en

gepensioneerden heen: vreedzame, gezellige lieden, die er eenen

beschaafden toon doen heerschen en er in hunne tuintjes macht van lieve

bloemen en fijne vruchten kweeken. Men rookt er nog lange pijpen, kolft

er nog, en leeft er zonder hurrie en hoofdpijn, niet jagend van den

eenen dag op den anderen--niet luierend toch ook, maar voor alle

dingen zich den tijd gunnend die er voor staat. Alles een gevolg der

niet-aanwezigheid van den ijzeren weg. Ik durf zelfs op rekening van

die afwezigheid het feit brengen, dat rondom Vreeburg nog niet al de

buitenplaatsen gesloopt en al de bosschages gerooid zijn, om ruimte te

maken voor de vetweiderijen van den onverzadelijken Engelschman.

Zóó, in eene houtrijke streek gelegen, met zijne tuinen en landhuizen

buiten, zijne heldere, schilderachtig gegevelde straten binnen den

hoogen groenen wal, heeft Vreeburg zoowel uitwendig als inwendig een

aangenaam, ja, om der zeldzaamheid wille, een haast romanesk voorkomen.

En als om aan die landelijk steedsche liefelijkheid eenen achtergrond

bij te zetten van het eerbiedwekkende--zie! daar is het waarlijk

grootsche kerkgebouw, de pronk en de trots van het stedeken--het fier en

sprekend overblijfsel van zijne vervlogene grootheid. Hoog en machtig

verheft zich boven den dichten looverkrans der lindenrijen op den wal

de afgeknotte toren, van den adem der eeuwen grauw verweerd, als een

strenge, eenzame wachter uren wijd heenblikkend over de groene beemden,

en over de gele duinen in het verschiet, en over de verre, glinsterende

zee daar achter. De kerk staat op eene kleine verhevenheid, eene terp

vermoedelijk uit overoude dagen, toen de zilte golven hier soms nog

eenen inval deden. Om haar henen schaart zich een dubbele kring van

populieren. Slentert gij onder hun lispelen mijmerend voort, dan zult

gij hier en daar den voet zetten op zerken, in welke gij de namen zult

gegrift vinden van menschen, die----och! die misschien in hunnen tijd

het _Iö vivat_ hebben meegezongen met uwen eigen grootvader.

Dit is het bedehuis waarin Werner's vader organist was--en waarin hij

zelf thans, haast een tachtiger, dag aan dag voor de registers zat, om

de harmonieën te doen ruischen, van welke zijne ziel nog altoos vol was.

* * * * *

Dicht bij de donkere poort uit de trekschuit gestapt--die mij,

wel niet vliegend, maar toch snel genoeg, en inderdaad met

eene allergenoegelijkste kalmte, naar de veste Vreeburg had

heengebracht--liet ik mij door des schippers knecht de woning wijzen

van mijnen vriend. Zij lag een groot kwartier verwijderd--een minzaam

buitentje, aan eenen zwaar belommerden straatweg.

Ik schelde en gaf mijn kaartje over. Mijnheer werkte op zijn moesland,

zeide men mij. Men zou hem onmiddellijk roepen. Onderwijl liet men mij

in zijn studeervertrek. Ik zou daar wel even willen wachten.

Het was eene tuinkamer, die al bij den eersten aanblik mij bekoorde door

hare lachende gezelligheid, haren zonnigen, rustigen eenvoud. Bij het

eene venster stond een korf vol fijne bloemen; bij het andere een

aquarium met goudvischjes, door welks helder vocht juist een zonnestraal

met tintelenden, veelkleurigen glans zich henenboog. Een concertvleugel

en eenige viool-dozen, eene cello in eenen hoek, eene antieke

boekenkast, een quartet-lessenaar, een fraai ouderwetsch uurwerk en

vroolijke ornamenten op den schoorsteenmantel, eene groote, met

bladen en partituren bedekte tafel en een half dozijn geriefelijke

stoelen--ziedaar wat het vertrek nagenoeg vulde. Aan de wanden hingen de

oude prenten: droomgezichten van Beethoven en Weber, papa Haydn op zee,

Mozart, op het klavier zijnen _Don Juan_ voordragende; voorts portretten

van meesters en virtuozen groot en klein--en, smaakvol gerangschikt,

eene gansche tropee van gedenkstukken. Hier was zijn eerste lauwerkrans;

en daar was zijn laatste. Den laatsten kreeg hij bij zijn afscheid van

den kapelmeesters-staf; den eersten bij zijne aanstelling, nu zestig

jaren geleden. Dezen zilveren penning won hij als knaap, bij een examen,

na voor 't eerst in het openbaar gespeeld te hebben. Hoe trotsch hij er

op was! Zijne goede moeder had hem uitgelachen, omdat hij haar verzocht

had het groote ronde ding op zijn buisje te hechten, bij wijze van

ridderteeken!--Dit vergulde harpje was zijn insigne als eerelid van

de dilettanten-vereeniging, op wier gezellige avondjes hij =haar=

ontmoette: zijn mooi meisje en lieve vrouw. En hier was de met zilver

ingelegde dirigeerstok, dien eenige vrienden hem schonken nadat hij voor

het eerst in de stad eene symphonie van Beethoven had doen uitvoeren.

Het was de _Eroïca_ geweest. Hemel, welk eene geestdrift! En hoe gloeide

hemzelven het hoofd dien avond, in eene roes van opgewondenheid!.... Ook

kostbaarder geschenken bezat hij--dat is, die meer geld gekost hadden;

maar dááraan, ik wist het, hechtte hij niet; hij hield ze weggeborgen.

Aan deze voddekens hechtte hij, die voor hem levendig waren van droevig

zoete herinneringen. Och! wij allen garen van die nesterijen op, zonder

er veel naar om te zien, zoolang we 't goed en gezellig hebben. Wij

weten nog niet hoe dierbaar zij ons kunnen worden, als wij oud en

eenzaam geworden zijn, en de trouwe handen, uit welke wij ze vóór jaren

ontvingen, de onze niet meer drukken kunnen.

Terwijl ik zoo rondkeek over al dit oude gedoe, van vroeger mij zoo

welbekend, hoorde ik in de gang zijne stem. De deur ging open--en

handschuddend stonden wij tegenover elkander.

»Wel!" riep hij: »dáár doe je goed aan, jongenlief, dat je nog eens naar

den ouden man komt omzien vóór hij het kaarsje uitblaast! Dáár doe je

braaf aan!--'t Is leeg om mij heen geworden, mijn jongen! Ze hebben mij

hier deerlijk in mijn eentje gelaten!--Om je de waarheid te zeggen",

liet hij er na eene korte pauze op volgen: »om je de waarheid te

zeggen--ik had óók maar liever mee gewild!"

Ik vond hem erg verouderd. Versuft of vervallen nog geenszins. Nog blonk

er wakkerheid in zijn donker oog; nog droeg hij recht den kop, en was

zijn handdruk krachtig; nog kon hij de lange, zilverwitte haren zich

achter de ooren werpen met diezelfde schuddende hoofdbeweging, die ook

zijnen allereersten zwaai met den dirigeerstok begeleid mag hebben. Maar

toch, de smart over zijne dooden, méér dan de tijd, had zichtbaar zijn

lichaam gesloopt. Ook meende ik onder het praten op te merken, dat hij

stiller was dan voorheen, en dat hij dikwijls, als hij iets gezegd of

gevraagd had, het antwoord niet scheen te hooren, maar staroogend in

zichzelven zat gekeerd. In hartelijkheid evenwel was hij dezelfde

gebleven, en aan het oprechte genoegen, dat ik met mijn bezoek hem

deed, liet hij mij geen oogenblik twijfelen.

Ik vroeg hem naar Gisela en de tweelingen. Daar betrok weder zijn

gelaat. »O!" zeide hij, »die maken 't goed--gezond ten minste. Gisela

is bij hare zieke tante in huis, die haar in haar testament wel niet

onbedacht zal laten. Wat de jongens betreft"----Hij hield zich in, en

schudde het hoofd.

»Nu, de jongens?"

»Ja, nu--gezond en wel, zooals ik je zei--en redelijk goed geplaatst,

de een bij de spoorwegen, de ander bij den waterstaat. Heb je ze al

ontmoet, sedert ge in het land terug zijt?"

»Nog niet. Ik denk hen in de volgende week eens op te zoeken. Ze komen

hier zeker druk?"

»Hier?--O ja! druk, erg druk!.... 't Zal nu wel haast een jaar geleden

zijn, dat ik ze een van beiden gezien heb!"

»Een jaar?--een van beiden?--Is er dan--"

»Maar heb je dan van niets geweten?" viel hij mij levendig in de rede.

»Niets bemerkt, in de laatste weken vóór je vertrek?"

Ik verklaarde in de verte niet te kunnen gissen wat hij bedoelde.

»Ja ja!" prevelde hij: »het waren een paar gesloten boeken, behalve voor

hun zusje--, en die had voor =mij= weer geen geheimen...... Maar vertel

mij eerst eens: heb je dat lied nog bewaard--dat liedje van Chamisso,

dat we speelden bij ons afscheid?"

»Of ik het nog bewaard heb?--Hoe kunt ge 't vragen? Het zit ingebonden

bij mijne lijfstukken."

»Zoo? Braaf!--Dan wil ik je zeggen, dat ik het niet zoo maar voor de

aardigheid, niet zonder een ernstig opzet schreef. Ik wist wat er

broeide--en ik hoopte--ik dwaas! ik hoopte het te keeren met een

notenblad!"

Hierop begon hij mij mee te deelen hoe, reeds in het laatste van

hunnen studietijd, de twee broeders, als altoos één van zin, verzot

waren geraakt op eene zelfde jonge dame; hoe zij beiden haar met

gelijken ijver het hof hadden gemaakt, beiden haar met gelijke

hartstochtelijkheid hunne eerste liefde hadden voor de voeten gelegd--en

beiden met een gelijkluidend schrijven van het dametje den zak hadden

gekregen. Er was tusschen hen een hevig tooneel voorgevallen, waarbij

de een den ander in woedende verwijtingen niets gewonnen gaf. »En nu",

vervolgde Werner, »nu haten zij elkander onverzoenlijk. In geen

anderhalf jaar hebben zij elkaar willen zien. Hunne schoone Helena

(onder ons gezegd, een nestig nufje) is onderwijl getrouwd met eenen

rijken ouden paai; maar niettemin zijn alle pogingen van hunne zuster

en mij, om het geschil bij te leggen, vruchteloos gebleven. Gisela

trekt het zich deerlijk aan. En ik, die niemand anders meer op de

wereld bezit--ik, die mijn leven lang harmonie gezocht heb en harmonie

gepreekt--voor mij is het een nagel aan mijne doodkist, dat ik in mijnen

hoogen ouderdom nog haat en woede moet zien heerschen tusschen de

kinderen van mijn éénig kind.... Harmonia! och, Harmonia!--op mijnen

ouden dag heeft zij mij begeven! Geen quartet meer, geen orkest meer,

geen gezin meer, geene eendracht meer onder mijne kinderen!... Ik heb

mijn laatste liedje vergeefs gezongen, amice!--ik heb mijn laatste

liedje vergeefs gezongen!"

Zóó klaagde hij. Het ging mij aan het hart, méér dan ik zeggen kon, hem

zoo eenzaam en treurig terug te vinden. Ik beloofde (hoewel met weinig

hoop op slagen) mede mijn best te zullen doen om eene verzoening

tusschen Walter en Hugo te bewerken. Verder werd er over dit pijnlijke

onderwerp niet meer gesproken.

Al koutende over andere dingen, herwon mijn gastheer ook weder een goed

deel van zijne vroegere levendigheid. Bijzonder op te wekken scheen hem

het uitzicht, dat hij mij straks zijn orgel zou doen hooren, zijn éénig

heul en liefsten trooster in zijne muzikale ballingschap. Zoodra wij het

middagmaal gebruikt hadden, richtten wij dus naar het Vreeburgsche

bedehuis onze schreden.

* * * * *

Het moet, daar wij om den stadswal heen tamelijk geslenterd hadden, al

goed naar klokke zeven geloopen hebben, toen wij door de kleine zijdeur

naast den toren het huis des Heeren binnentraden. Buiten spreidde de

ter kimme neigende Augustus-zon haren luister nog over het houtrijke

landschap. Een koeltje, aangestreken over de frissche zee, stoeide met

de ranke populieren; hoog rondom den torentop zwierden al krassend de

huiswaarts gekeerde kouwen; en op de weiden in de verte loeiden de brave

koeien elkander hare ontboezemingen toe--arcadisch bazuingeschal. Daar

binnen echter--o heilige stilte! o plechtige schemering!--In half-donker

lag reeds het geheele beneden-gedeelte van de eenzame ruimte. Doch

hoogerop kleurde het zonlicht, heenbrekend door de beschilderde

vensterruiten, pilaren en bogen met phantastische pracht--eenen

weergloed van de diepe, rijke verven, die er gloeiden op het glas.

De grijze zandsteen geleek opaal. Zacht bewogen zich, wuivend als

vredepalmen, de schaduwen der popel-twijgen over deze wonderbaar bonte

schijnselen. Eene mystische tinten-mengeling:--duisternis

omlaag--hemelsche lichtgestalten in den hooge.

Pas had ik mij in eene der banken tegenover het orgel neergezet,

of de tonen van Schumann's _Abendlied_ golfden door den tempel. De

dichterlijke grijsaard! Dat hij zoo de stemming voelde van het

oogenblik! dat hij, terwijl de kleuren van den avond mijne zinnen

omstrikten met rust en glans, niet terstond mij overstelpte met eene

wilde _toccata_, maar sussend ook het oor mij streelde als met een

avondrood van tonen.

Het orgel zweeg, als om mij tijd te gunnen nog eenen afscheidsblik te

doen dwalen over de ras verbleekende kleurvisioenen. Daar preludeerde

de speler weder. Hij was een meester in het phantaseeren op bekende

koralen. Ditmaal begon hij met nog eenen anderen vromen avondzang:

»_Nun ruhen alle Wälder,

Die Menschen, Städt' und Felder,

Es schläft die ganze Welt.

Ihr aber, meine Sinnen,

Auf, auf! ihr sollt beginnen

Was eurem Schöpfer wohlgefällt._"

En zoo, met schoone wendingen en kunstig registreeren zijn speeltuig

leidende van melodie op melodie, vlocht hij eenen krans tesaam uit die

aloude hymnen vol godsvrucht en kinderlijk vertrouwen, die ons allen

gesticht en vertroost hebben, wanneer wij ze meezongen met kinderlijken

zin.

De schemering sloop hooger langs de pilaren; het begon somber te worden

tusschen die holle muren. Maar wat deerde het hem, die daar speelde--wat

deerde het mij, die daar luisterde, toen straks het koraal van Luther

dreunde--

»_Ein' feste Burg ist unser Gott,

ein' gute Wehr und Waffen_"--

zwellend al breeder en machtiger, als om voor zich heen te jagen

de duisternis en hare verschrikkingen!

Wederom eene pauze. Ik hoorde de torenklok acht slaan. Achter de

beschilderde vensters, tusschen de popels door, glom nog het ambergeel

van den westelijken hemel; diep gloorden nog de purperen gewaden der

evangelisten, de gulden stralenkransen om hunne hoofden. Maar in de

kerk zelve had het duister alle kleuren en lijnen uitgewischt. Nissen

en bogen verloren zich in nachtelijk grauw. Alleen van achter het orgel

schoot een enkele straal te voorschijn: het licht van de lamp bij welke

Werner speelde.

»Zal ik eindigen?" riep hij mij toe.

»Nog niet, nog niet, bid ik u! Eén nummer nog!"

Het was eene orgel-sonate van Sebastiaan Bach.

Eerst een _adagio_, kalm en breed--=wee=moedig, =blij=moedig--zang

van herinnering en dankbaarheid en hoop--zielszang van het gemoed dat

terugblikt over het leven, en opwaarts blikt naar de eeuwigheid.......

En terwijl ik luisterde, enkel aandacht, daar in het donker niets anders

dan deze muziek mijne zinnen beroerde--zoo was het mij of ik den ouden

man voor zijn orgel zag zitten in hemelschen lichtglans--mensch niet

langer, maar verheerlijkt al. Hij tuurde omhoog. Gelijk eene wolk in

het luchtruim, zoo trok zijn gansche verleden hem voorbij: de honderden

menschen die hij kende en zag heengaan, de duizenden melodieën welke hij

hoorde en zong, zijne jeugd, zijn arbeid, zijne grijsheid, al wat hij

hoopte en bereikte, liefhad en leed. Tevreden sloot hij de oogen--een

zalige glimlach spreidde zich over zijn gelaat--op de laatste tonen van

zijn spel was zijne ziel ontvloden.... Harmonia!

Maar plotseling .... neen! Hij leefde nog wel.... Halleluja! brak het

speeltuig los. God is kracht--en hij wil dat ook wij krachtig zijn....

Er daverde een storm door de orgelpijpen. Geweldig rolden de golven der

fuga op mij los. Ik voelde huiverend ze henengaan over mijn hoofd. Eener

wild bewogene zee gelijk, die aanbeukt tegen rotsen, zóó liepen zij

op tegen de trillende zuilen, en sloegen zij samen in de ronding der

verwulven.... En de tempelruimte werd haar te eng: in de hoogte baanden

zij zich eenen uitweg. Daar openden zich de steenen bogen: sterren

flonkerden mij toe: de hemelen lagen bloot boven mij. En de fuga-tonen,

steeds voortjagend achter elkander, werden als het geraas van eenen

grooten veldslag, met geschetter en gedreun en de kreten van

strijdenden. Een woest gewemel trok voorbij:--groepen van antieke

en middeneeuwsche gestalten, profeten en heiligen, martelaren en

hervormers, wanhopig zich werend tegen eenen drom van duivelen.

Vreeselijk was de slachting; ik kon ze niet tellen, de edelen die er

bezweken voor de overmacht.... Maar toen de kamp op het heetst was, en

de legioenen der hel overal dreigden te zegevieren, toen trad de bleeke

Nazarener voorwaarts op de wolken, met het kruis over den schouder, de

doornenkroon op het hoofd. En de duivelen namen gillend de vlucht--en al

de gevallenen herrezen--en met een _gloria! gloria!_ begroetten

duizendstemmig hem allen. _Gloria! Hosannah in excelsis!_

* * * * *

Het majestueuse slot-accoord stierf weg. Nog luisterde ik naar den

nagalm er van, die mij scheen door te dringen tot in des hemels hoogste,

tot in der aarde kern. Nog zat ik verslagen en verplet--toen ik Werner's

vingerdruk op mijnen arm voelde en zijn vriendelijk aangezicht vóór mij

zag, blakend van voldoening, bij het licht van eene lantaarn in zijne

hand.

»Wel?" sprak hij: »nog niet in slaap?--Kom, vriendlief, kom! we zouden

er nachtwerk van gaan maken!----Maar wat zegt ge? Stroomt er nog vuur

door mijne stramme kneukels? Heb ik je hart nog kunnen warmen, je ziel

nog kunnen verheffen--zooals vroeger, amice, zooals vroeger?----Niet

waar? hier is Harmonia nog machtig!--Och! had ik mijne jongens eens

hier! Ik zou er hunne harten wel zóó week orgelen, dat ze weer

aanéénsmolten als was!"

* * * * *

Zes weken na dien dag moest ik hem in de aarde helpen leggen.

Ik kwam te Vreeburg des namiddags vóór de begrafenis. In het sterfhuis

trof ik niemand dan Gisela en de beide broeders--de laatsten nog altoos

even hardnekkig op elkander gebeten. Somber gingen zij elkaar uit

den weg; geen woord werd er tusschen hen gewisseld; zelfs van een

vertrouwelijk gesprek met het zusje scheen elk hunner zich weerhouden

te voelen door eene mengeling van schaamte en trots. Het was pijnlijk

om te zien--te pijnlijker wanneer men den doode herdacht, die over dezen

onzinnigen wrok nog getobd had, wiens dagen er nog door verkort waren,

misschien. Zoo ooit, dan was nú het oogenblik aangebroken om tusschen de

tweelingen vrede te stichten.

Doch hoe dit aangevangen, zonder eene losbarsting uit te lokken, wier

heftigheid wellicht van kwaad tot erger voeren zou?

De broeders zwierven eenzaam door den tuin, angstvallig elkanders pad

vermijdend. Dik gestrooid lagen onder hunne voetstappen de dorre bladers

van October.

Ik wendde mij tot Walter met mijne bemiddeling.--»Laat blijven! laat

blijven!" kreeg ik ten antwoord: »De schuld is aan =hem=. Die vrouw

was nevenzaak, begrijpt ge? Maar ik kwam het eerst. En overigens--laat

ongelijk bekennen wie lust heeft, =mij= wil het nu eenmaal niet over de

lippen!"

Ik sprak Hugo aan--al met geen beter gevolg.--»Bemoei je er niet mee!"

klonk zijn bescheid: »Het was niet zoozeer om het meisje, ziet ge? maar

om het recht van 't spel. Vóór hem kwam ik. En ook al ware dit =niet=

zoo--de minste zijn =kan= ik nu eenmaal niet!"

Mij bleek dus klaar, dat elk der twee zijn =recht= wel wou gewonnen

geven, mits zijn =trots= maar schampvrij liep. Met trots nu is het veel

moeilijker onderhandelen, dan met recht. Hadde ik hen naar elkaar kunnen

toetrekken, ik zou tot hen gezegd hebben: »Beste vrienden! Geen van u

beiden was ooit den anderen eene seconde vóór. Gij kwaamt te gelijk in

de wereld; zoogt te gelijk aan de moederborst; leerdet te gelijk den

strijkstok hanteeren; bestudeerdet te gelijk de vervoeging van het

werkwoord _amare_; voeldet te gelijk uw hart ontvlammen; verklaardet te

gelijk uwe passie, en liept te gelijk een blauwtje. Kunt ge nu ook niet

te gelijk elkaar bekennen dat ge een paar dwazen zijt geweest, en dat

eene zotte minnegril niet waard is dat twee edele harten er elkaar om

kwellen?"----Dit alles zou ik tot hen gezegd hebben, indien ik hen

bijeen had kunnen krijgen. Maar juist hen bijeen te krijgen, was de

kunst.

Ontmoedigd zette ik mij naast Gisela, die op eene bank voor het huis

zat. Haar vertelde ik uitvoerig van mijn laatste samenzijn met Werner.

Toen ik ook kwam op hetgeen hij gezegd had van zijn lied, dat hij het

vergeefs had geschreven voor deze vijandige broeders--toen wischte zij

hare tranen weg, keek mij aan met eenen zonderlingen blik, en stond

plotseling op. »Help mij!" fluisterde zij mij toe--en zij verdween in

het huis.

* * * * *

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 20 / 24 题