Eerst, na den schok van het ongeluk, de verdooving die maar half beseft.
Dan het volle bewustzijn van wat er gebeurde: de pijn, het deerlijke
medelijden met zichzelven--de tranenvloed. Vervolgens de terugsprong van
het geplette weerstands-vermogen: de wrok, de toorn, de lust tot verzet,
de dorst naar vergelding. Eindelijk het ergste van alles: het
cynisme--het zelfbedrog.
* * * * *
Justus Eykendaal's gemoedsstemming verkeerde in de derde van die drie
stadiën, terwijl hij het dorp den rug toewendde en snel den weg
stadwaarts insloeg.
Waar wilde hij heen? Wat ging hij doen?--Hij wist het niet. Het raakte
hem niet. Mits hij maar voort was van deze plek zijner vernedering, waar
de lucht hem als pestdamp, zijn hemel hem eene hel geworden was.
Woedende gedachten doorjoegen zijn brein. Gelijk de schandletters in
het voorhoofd van den boef, zoo stonden hem in het hart gebrand al de
smalende woorden, door =haar=, door zijne Mary hem toegedacht. Ha, zoo!
Was hij een schoolvos zonder school, een onbeschaamde vlegel! Verveelde
hij haar zoo gruwelijk met zijn klarinetspel, waarnaar zij toch zoo vaak
en zoo lang met schijnbaar genoegen had zitten luisteren--de heks, de
slang, de....
Stil! neen!--=schelden= kon hij haar toch niet, die hij pas een uur
tevoren nog aangebeden had. En wilde zij hem nu beleedigen--zóó
beleedigen, dat hij zijne oogen niet meer zou durven opslaan tot
haar?.... O! maar dat behoefde immers niet meer! Dat had zij immers al
gedaan, grievender dan zij het ooit bedoeld kon hebben!.... Dit echter,
dit was niets. Smaad had hij van haar kunnen dulden. Als zij maar
zichzelve niet zoo had gesmaad en beleedigd en verlaagd!--Hadde zij hem
weggestooten met haren voet, het zou zijnen hartstocht voor haar slechts
opgezweept hebben. Fier mocht, fier moest de jonkvrouw zich gedragen,
die zijner ridderlijke min waardig zou wezen. Doch deze valschheid, dit
kleine, lage, platte gemoed, vreemd aan alle begrip van geestdrift,
aan alle mededoogen, aan alle vrouwelijk eergevoel zelfs.... o foei!
foei!--Hij kon haar nog begeeren, dat schoone schepsel:--ja, wonderlijk!
het begeeren, waaraan hij tot heden nooit rechtstreeks had durven
denken, was opeens sterk geworden over hem. Maar zijne teedere achting,
zijnen innigen eerbied voor haar--als twee lentebloemen had haar giftig
spotten ze gedood.
Onder zulke overpeinzingen valt den wandelaar het loopen niet lang.
Leed is een even knappe weg-bekorter als vreugde.
Justus kwam voorbij _Vrouw Romein_, waar hij op dien achtermiddag,
verleden zomer, toen zijne ziel nog kalm was als gindsche plas onder den
avondnevel, het roeibootje gehuurd had met Marieken. Arm, lief, heilig
kind! Hij dacht aan haar. Hij dacht aan dat laatste woord van haar tot
hem: »heb =ik= je dan niet lief?"--en zijn hart verweet hem bitter dat
hij haar alleen en ongetroost had laten staan daar op het kerkhof. Ja!
déze had hem waarlijk lief!... Maar juist dáárom immers was het voor
haar ook beter, dat hij heenging en haar nooit terugzag. Hij zou haar
immers nooit hare liefde kunnen vergelden.
Een kwartier verder--daar lag _Pax Intrantibus_ aan den weg, destijds
het Tivoli der gegoede Rotterdammenaren--later.... O _Pax! Pax
Intrantibus!_ wat is er van u geworden!--_Hic jacet gloria mundi!_ zou
meester Van Meppen thans u toeroepen, ware hij nog onder de levenden om
Latijn te radbraken.... Oude heeren zaten in het duister lange pijpen te
smoken achter hunne flesschen wijn. Paartjes kuierden fluisterend door
de lanen. De schommels kraakten onder de vrachten van gillende jonge
maagden.... Justus grijnslachte. Hoevele Mary's waren er onder die
engelen van melk en bloed?--
Voorwaarts!--Straks was de stad bereikt.
Hier, te midden van het gewoel der duizenden, die elk hun eigen pak van
zorg en leed te dragen hadden, ademde de vluchteling vrijer. Hier voor
't minst kende hem niemand, en zou niemand hem op het gelaat lezen wat
razernij er ziedde in zijn binnenste.
Hij liep straat in, straat uit. Het drokke gewemel en de lichtglans der
winkels deden hem goed; zij verstrooiden hem, meende hij; althans zij
hielpen hem in eene soort van roes, in welke hij zichzelven en zijne
bitterheid minder voelde. Om zijnen dorst te lesschen, liep hij een
koffiehuis binnen, en dronk er een glas bier; en daar het bier hem
smaakte, zoo ledigde hij er een tweede. Eene behaaglijke warmte begon
hem te doortintelen. Zijne matheid verdween. Half met weerzin, half
met genot, voelde hij eenen lust in zich opkomen om te lachen. Ha ha
ha!--zulk een lach klonk schor en wrang--maar beter toch nog zulk een
lach, zoo maakte hij zichzelven wijs, dan het hopelooze, vruchtelooze
tandenknarsen van daareven. Wat zou hij voor =haar=, voor die
onwaardige, zich zijn jonge leven tot eene foltering maken? de hand
aan zichzelven slaan misschien? Zou hij haar =die= voldoening nog
gunnen?.... Hij zag de deernen aan, die er zwierden langs het
trottoir:--en hij zag dat er mooie onder waren--even mooi haast als
Mary!
Al dolende, onverschillig waarheen, belandde hij in den omtrek van de
St. Laurens-kerk bij een gebouw, waaruit het tjingelen van eene piano en
eene gillende vrouwestem naar buiten drongen. Hij kende die inrichting,
al was ze pas jong te Rotterdam; want vrienden hadden hem van haar
verteld. Het was een der eerste _cafés-chantants_ in ons vaderland:
een der eerste van die, sedert zoo snel in bloei en aantal toegenomen
tempelen Babylon's, waar men te gelijk met den mensch ook nog de kunst
en de taal prostitueert. Holen, in welke onze Hollandsche jongelingen,
ja al meer en meer ook onze Hollandsche werklui, hunne vrije avonden
zijn gaan slijten, om er gezellig, onder eene sigaar en een grogje,
zich hart en verbeelding te zitten bevuilen met het aanhooren van
liederlijkheden in de drie moderne talen.
Gisteren nog zou Justus er eer aan gedacht hebben zich in eene kroeg
te gaan bedrinken aan jenever, dan hier binnen te treden. Maar wat was
gisteren voor hem! Aan gisteren bond hem immers niets meer! Met gisteren
had hij voor altoos immers afgedaan!--En heden wilde hij óók eens zien
wat zoovele anderen zagen, die er toch niets minder om geacht werden in
de wereld! Bah! wat had zijne ingetogenheid, wat hadden zijne brave en
reine beginselen hem gebaat!--Deugd, poëzie?--valsche droombeelden, die
u eeuwig lieten grijpen in het ledige! Genot alléén was tastbaar en
loonde wie het zochten!.... Om kort te gaan, hij rukte de deur open, en
was er binnen vóór hij het eigenlijk wist.
* * * * *
In hetzelfde oogenblik voelde een diender, die daar op en neer drentelde
voor de deur, zich schuchter bij de mouw getrokken.
»Meneer", fluisterde eene donkere gestalte hem toe: »wat is dat daar
voor een huis?"
De man keek de verschijning gramstorig aan: hij scheen eerst te
vermoeden dat er eene hem wat voor het lapje wou houden. Maar het
»meneer" had hem in zijn zwak getast, en aan stem en kleeding merkte hij
wel dat de vraag te goeder trouw moest wezen.
»Dat", zeide hij--»wel, dat is zoo'n gelegenheid waar ze muziek maken.
Niet veel bijzonders, voor de rest, dat vrouwvolk dat daar zingt!"
»Zou ik er binnen kunnen gaan?" vroeg weer de gemantelde.
»Kwalijk alléén, hoor juffrouwtje--kwalijk alléén, als je een
fatsoenlijk mans kind wilt heeten. Wat zou je er ook doen?--Ah maar,
temet zit er een kennis van je verzeild?--Nu, die komt er wel weer uit.
En wie daar hun plezier zoeken, die zijn meest toch ook niet waard dat
je ze naloopt. Kom", vermaande de man, »ik ging naar huis als ik u was.
Warempel, als ik u was, dan ging ik stil naar huis."
't Was een gemoedelijke diender, naar men ziet. Och, zoo loopen er mee
al onder den hoop door.
* * * * *
Eene duffe, heete lucht sloeg Justus in het gelaat. Hij zag, door den
tabakswalm heen, vele gasvlammen, vele tafeltjes met rookende en
lachende gasten, en aan het einde van de smalle, lage zaal een half
dozijn zwierig gekleede vrouwen op een klein tooneel gezeten.
Een oogenblik stond hij bedremmeld:--hij vreesde dat al die menschen
zouden omzien, en met een honend lachje hem als toeroepen zouden: »Zoo,
Eykendaal, brave jongen! kom je óók eens naar de dames kijken?"--Doch
niemand wijdde hem de geringste aandacht. Aller blikken waren op het
tooneel gericht, waar juist, terwijl de pianist een vroolijk ritornel
oprammelde, eene der vrouwen van haren stoel rees, voor het klappende en
trappelende publiek zich lachend neeg, en met eene brutale, hoewel nog
frissche en zuivere altstem eenen deun aanhief van het allerlichtste
allooi.
Justus moest zich vastgrijpen aan eenen stoel.... Was dit tooverij? Had
de Booze hem nú reeds in zijne netten verstrikt?.... Mary! Mary stond
daar!--Dat was Mary, die daar zong! Mary in al hare valsche, duivelsche
schoonheid!
Neen. Mary uit Hillegersberg was dit wel niet; =die= zat op dit tijdstip
eerbaar onder de vleugelen van papa en mama te giggelen met haren neef
Edmund. Maar gewis, voor een ietwat beneveld oog mocht de gelijkenis
treffend schijnen tusschen de jonge dame en die mamsel daar. Dezelfde
rijzige en weelderige bouw; dezelfde blonde krullen; dezelfde lokkende
oogopslag; dezelfde wufte lach om de volle, half geopende lippen. Alleen
verving op de wangen van déze hier een verfje den voor goed gevloden
blos, en was in hare bruine oogen het fonkelen van behaagzucht al lang
geweken voor den phosphor-glans der schaamteloosheid. Doch dat deze
vrouw eenmaal als Mary geweest was, en dat Mary eenmaal als deze vrouw
zou kunnen worden--dit was wel zeker.
Middelerwijl was Justus, bleek van ontroering, onafgebroken starend naar
die vrouw die daar zong, tot vlak onder het tooneel gedrongen, en
had hij, zonder het zich recht bewust te zijn, plaats genomen op eene
bank in het voorste gelid. Het lied was uit; het ruwe refrein en het
handgeklap verstomden; de zangster zat weer op haren stoel. Daar trof
haar blik des jongelings gretig oog--en aan het purper dat zijne wangen
overgoot, erkende zij terstond de prooi op welke deze harpijen bij
voorkeur zich werpen. Zij glimlachte hem toe.... Wee hem! Had ook Mary
niet zóó hem toegelachen, dienzelfden namiddag, toen zij opblikte naar
het kerkorgel!
Van nu af was hij in hare macht. Hij voelde het!--maar bovenal, hij
=wilde= het!--Onder den invloed van den drank dien hij dronk, van de
wulpsche muziek die hij hoorde, van de blikken en de lonken dier vrouw,
begon eene brandende drift zich van hem meester te maken--half begeerte,
half wraakzucht. Het scheen hem dat hij zich aan Mary wreken zou, door
naar zijn welgevallen te doen met dit haar vernederd evenbeeld. Gene had
hem verachtelijk weggestooten--déze hier boeleerde om zijne gunst....
Geld zou zij eischen. Welnu, geld =had= hij, méér misschien dan één
der heertjes die er brasten om hem heen. De arme ondermeester was rijk
dien avond. Want het toeval wilde, dat hij de som bij zich droeg,
die hij sinds een jaar opgespaard had, gulden bij gulden, om er eene
Sint-Nikolaas verrassing mee te koopen voor =haar=. Dat geld nu--het
denkbeeld prikkelde hem nog te meer--dat geld zou voor =haar= niet
wezen, maar voor deze andere, die even bekoorlijk, en stellig niet zoo
valsch en koud en hardvochtig was als zij. Ging Magdalena de zondares
niet boven Herodias?--Hij dacht aan Maria Stuart: hoe zwak zij was en
hoe teeder. Hij dacht aan koningin Elisabeth: hoe kuisch zij was en hoe
wreed. Al de schoone gestalten uit zijne sprookjeswereld, vroeger hem
zoo engelrein: de burchtvrouwen met sleepend gewaad, de nixen met gouden
tressen, de peri's en hoeri's met lokkenmantels en gazelle-oogen--zij
verrezen voor zijne koortsige verbeelding als losbandige sirenen.
»Geniet!" fluisterden zij hem toe: »Doe als wij allen--geniet! Alle
ontzegging is nuttelooze pijniging! Geniet!"
Ja! Eén nacht van wilden zwijmel! Eén nacht van gloeienden lust!--En dan
een schip gezocht! Gevlucht! De wijde wereld voor het enge schoolhok!...
Ha! er was water genoeg in de zee, om de smet van dien éénen nacht af
te wasschen!
* * * * *
Het had middernacht geslagen van den grijzen Sint-Laurens-toren, die
statig het hoofd gericht houdt naar de sterren, onbewogen om al wat er
struikelt en zondigt aan zijnen voet--als wist hij wel dat alles omlaag
voorbijgaat, en dat het oordeel aan God is in den hooge.
De zaal die wij kennen was ontruimd. Twee personen slechts, behalve de
stommelende bedienden, toefden er nog bij het licht van de reeds half
neergedraaide gasvlammen. Straks traden ook die twee laatsten naar
buiten:--Justus Eykendaal en de blonde deerne, Mary's evenbeeld.
Driest stak zij haren arm onder den zijnen. »_Dépêchons-nous! J'ai
faim!_"--
En inderdaad, zij talmden geen van beiden.
Maar tegelijk haast voelde de jonge man zich bij den anderen arm gevat
door eene andere hand, wier vingers hem nepen als veeren van staal.
Den rotting vaster gegrepen--het hoofd omgewend, met eenen vloek op de
lippen.... Slaan echter behoefde hij niet, en het booze woord bestierf
hem op de tong.
»Marieken!" stamelde hij.
Ja waarlijk, daar naast hem stond, als ware zij uit den bodem opgerezen,
de dochter van den schoolmeester. Met haren blik doorboorde zij hem. Hij
bleef als versteend.
»_Eh bien!_" schreeuwde de vrouw aan zijnen rechter kant: »_Que nous
veut-elle, cette gaillarde?_"
De ondermeester wilde zich losrukken uit den greep van het dorpsmeisje.
»Laat mij!" riep hij. En tevens maakte hij zich vrij van den arm
waarmede die andere nog steeds hem vasthield. Want er was opeens, als
een stortbad van ijskoud water, eene schaamte over hem gekomen, een
gevoel van onteering en onredbaarheid.... »Laat mij!" herhaalde hij met
heesch geluid.
Doch wie hem liet, niet Marieken.
»Justus!" sprak zij hem toe, met iets wonderlijk plechtigs in hare stem:
»De beurt is aan mij!"
»Wat wil je van me?" hijgde hij.
»Ik wil dat je mij woord houdt. =Hildegarde=! zeg ik. Ga met mij mee,
Justus!"
Hij keek haar aan alsof hij haar niet begreep. »Ik kan niet!" sprak hij:
»Laat me aan mijn lot over!"
»_Est-ce que ça va durer? Viens-tu?_" riep de Fransche vrouw.
»Justus!" hernam Marieken: »Ga met mij mee! Gedenk je eed! Gedenk al wat
je eenmaal lief en heilig was. Het parool is: =Hildegarde=!"--
Hij hief het hoofd op, streek zich boven de oogen, als iemand die tot
bezinning komt, hapte naar adem, en stamelde toonloos: »Hildegarde, zeg
je?... Ja Marieken, 't is waar!... ik kom!"--En hij liet zich door haar
wegleiden als een kind.
»_Ah ça, mon beau villageois! Voilà donc ta paysanne qui te
rattrape!_"--
Maar Justus lette niet op den schorren lach, waarmede de ongelukkige om
den hoek der straat verdween. »Hildegarde!" prevelde hij: »Hildegarde,
zegt ze.... Ja kind, je hebt gelijk, ik kom!... Ik wist niet wat ik
deed, Marieken. Ik geloof dat ik krankzinnig ben!".... Mèt gaf een
krampachtig schreien aan zijne geweldig overspannen zenuwen lucht. »O!"
kermde hij: »nu is =alles= verloren!"
»Wel neen!" sprak Marieken, thans weer met haar welluidend stemmetje
als vanouds: »Nu is alles behouden. Want nu, Justus, zijn wij =beiden=
gehoorzaam geweest aan het parool. Nu staat er niemand meer tusschen
ons. Na déze beproeving kan niets ons meer vervreemden."