IX.

Eerst, na den schok van het ongeluk, de verdooving die maar half beseft.

Dan het volle bewustzijn van wat er gebeurde: de pijn, het deerlijke

medelijden met zichzelven--de tranenvloed. Vervolgens de terugsprong van

het geplette weerstands-vermogen: de wrok, de toorn, de lust tot verzet,

de dorst naar vergelding. Eindelijk het ergste van alles: het

cynisme--het zelfbedrog.

* * * * *

Justus Eykendaal's gemoedsstemming verkeerde in de derde van die drie

stadiën, terwijl hij het dorp den rug toewendde en snel den weg

stadwaarts insloeg.

Waar wilde hij heen? Wat ging hij doen?--Hij wist het niet. Het raakte

hem niet. Mits hij maar voort was van deze plek zijner vernedering, waar

de lucht hem als pestdamp, zijn hemel hem eene hel geworden was.

Woedende gedachten doorjoegen zijn brein. Gelijk de schandletters in

het voorhoofd van den boef, zoo stonden hem in het hart gebrand al de

smalende woorden, door =haar=, door zijne Mary hem toegedacht. Ha, zoo!

Was hij een schoolvos zonder school, een onbeschaamde vlegel! Verveelde

hij haar zoo gruwelijk met zijn klarinetspel, waarnaar zij toch zoo vaak

en zoo lang met schijnbaar genoegen had zitten luisteren--de heks, de

slang, de....

Stil! neen!--=schelden= kon hij haar toch niet, die hij pas een uur

tevoren nog aangebeden had. En wilde zij hem nu beleedigen--zóó

beleedigen, dat hij zijne oogen niet meer zou durven opslaan tot

haar?.... O! maar dat behoefde immers niet meer! Dat had zij immers al

gedaan, grievender dan zij het ooit bedoeld kon hebben!.... Dit echter,

dit was niets. Smaad had hij van haar kunnen dulden. Als zij maar

zichzelve niet zoo had gesmaad en beleedigd en verlaagd!--Hadde zij hem

weggestooten met haren voet, het zou zijnen hartstocht voor haar slechts

opgezweept hebben. Fier mocht, fier moest de jonkvrouw zich gedragen,

die zijner ridderlijke min waardig zou wezen. Doch deze valschheid, dit

kleine, lage, platte gemoed, vreemd aan alle begrip van geestdrift,

aan alle mededoogen, aan alle vrouwelijk eergevoel zelfs.... o foei!

foei!--Hij kon haar nog begeeren, dat schoone schepsel:--ja, wonderlijk!

het begeeren, waaraan hij tot heden nooit rechtstreeks had durven

denken, was opeens sterk geworden over hem. Maar zijne teedere achting,

zijnen innigen eerbied voor haar--als twee lentebloemen had haar giftig

spotten ze gedood.

Onder zulke overpeinzingen valt den wandelaar het loopen niet lang.

Leed is een even knappe weg-bekorter als vreugde.

Justus kwam voorbij _Vrouw Romein_, waar hij op dien achtermiddag,

verleden zomer, toen zijne ziel nog kalm was als gindsche plas onder den

avondnevel, het roeibootje gehuurd had met Marieken. Arm, lief, heilig

kind! Hij dacht aan haar. Hij dacht aan dat laatste woord van haar tot

hem: »heb =ik= je dan niet lief?"--en zijn hart verweet hem bitter dat

hij haar alleen en ongetroost had laten staan daar op het kerkhof. Ja!

déze had hem waarlijk lief!... Maar juist dáárom immers was het voor

haar ook beter, dat hij heenging en haar nooit terugzag. Hij zou haar

immers nooit hare liefde kunnen vergelden.

Een kwartier verder--daar lag _Pax Intrantibus_ aan den weg, destijds

het Tivoli der gegoede Rotterdammenaren--later.... O _Pax! Pax

Intrantibus!_ wat is er van u geworden!--_Hic jacet gloria mundi!_ zou

meester Van Meppen thans u toeroepen, ware hij nog onder de levenden om

Latijn te radbraken.... Oude heeren zaten in het duister lange pijpen te

smoken achter hunne flesschen wijn. Paartjes kuierden fluisterend door

de lanen. De schommels kraakten onder de vrachten van gillende jonge

maagden.... Justus grijnslachte. Hoevele Mary's waren er onder die

engelen van melk en bloed?--

Voorwaarts!--Straks was de stad bereikt.

Hier, te midden van het gewoel der duizenden, die elk hun eigen pak van

zorg en leed te dragen hadden, ademde de vluchteling vrijer. Hier voor

't minst kende hem niemand, en zou niemand hem op het gelaat lezen wat

razernij er ziedde in zijn binnenste.

Hij liep straat in, straat uit. Het drokke gewemel en de lichtglans der

winkels deden hem goed; zij verstrooiden hem, meende hij; althans zij

hielpen hem in eene soort van roes, in welke hij zichzelven en zijne

bitterheid minder voelde. Om zijnen dorst te lesschen, liep hij een

koffiehuis binnen, en dronk er een glas bier; en daar het bier hem

smaakte, zoo ledigde hij er een tweede. Eene behaaglijke warmte begon

hem te doortintelen. Zijne matheid verdween. Half met weerzin, half

met genot, voelde hij eenen lust in zich opkomen om te lachen. Ha ha

ha!--zulk een lach klonk schor en wrang--maar beter toch nog zulk een

lach, zoo maakte hij zichzelven wijs, dan het hopelooze, vruchtelooze

tandenknarsen van daareven. Wat zou hij voor =haar=, voor die

onwaardige, zich zijn jonge leven tot eene foltering maken? de hand

aan zichzelven slaan misschien? Zou hij haar =die= voldoening nog

gunnen?.... Hij zag de deernen aan, die er zwierden langs het

trottoir:--en hij zag dat er mooie onder waren--even mooi haast als

Mary!

Al dolende, onverschillig waarheen, belandde hij in den omtrek van de

St. Laurens-kerk bij een gebouw, waaruit het tjingelen van eene piano en

eene gillende vrouwestem naar buiten drongen. Hij kende die inrichting,

al was ze pas jong te Rotterdam; want vrienden hadden hem van haar

verteld. Het was een der eerste _cafés-chantants_ in ons vaderland:

een der eerste van die, sedert zoo snel in bloei en aantal toegenomen

tempelen Babylon's, waar men te gelijk met den mensch ook nog de kunst

en de taal prostitueert. Holen, in welke onze Hollandsche jongelingen,

ja al meer en meer ook onze Hollandsche werklui, hunne vrije avonden

zijn gaan slijten, om er gezellig, onder eene sigaar en een grogje,

zich hart en verbeelding te zitten bevuilen met het aanhooren van

liederlijkheden in de drie moderne talen.

Gisteren nog zou Justus er eer aan gedacht hebben zich in eene kroeg

te gaan bedrinken aan jenever, dan hier binnen te treden. Maar wat was

gisteren voor hem! Aan gisteren bond hem immers niets meer! Met gisteren

had hij voor altoos immers afgedaan!--En heden wilde hij óók eens zien

wat zoovele anderen zagen, die er toch niets minder om geacht werden in

de wereld! Bah! wat had zijne ingetogenheid, wat hadden zijne brave en

reine beginselen hem gebaat!--Deugd, poëzie?--valsche droombeelden, die

u eeuwig lieten grijpen in het ledige! Genot alléén was tastbaar en

loonde wie het zochten!.... Om kort te gaan, hij rukte de deur open, en

was er binnen vóór hij het eigenlijk wist.

* * * * *

In hetzelfde oogenblik voelde een diender, die daar op en neer drentelde

voor de deur, zich schuchter bij de mouw getrokken.

»Meneer", fluisterde eene donkere gestalte hem toe: »wat is dat daar

voor een huis?"

De man keek de verschijning gramstorig aan: hij scheen eerst te

vermoeden dat er eene hem wat voor het lapje wou houden. Maar het

»meneer" had hem in zijn zwak getast, en aan stem en kleeding merkte hij

wel dat de vraag te goeder trouw moest wezen.

»Dat", zeide hij--»wel, dat is zoo'n gelegenheid waar ze muziek maken.

Niet veel bijzonders, voor de rest, dat vrouwvolk dat daar zingt!"

»Zou ik er binnen kunnen gaan?" vroeg weer de gemantelde.

»Kwalijk alléén, hoor juffrouwtje--kwalijk alléén, als je een

fatsoenlijk mans kind wilt heeten. Wat zou je er ook doen?--Ah maar,

temet zit er een kennis van je verzeild?--Nu, die komt er wel weer uit.

En wie daar hun plezier zoeken, die zijn meest toch ook niet waard dat

je ze naloopt. Kom", vermaande de man, »ik ging naar huis als ik u was.

Warempel, als ik u was, dan ging ik stil naar huis."

't Was een gemoedelijke diender, naar men ziet. Och, zoo loopen er mee

al onder den hoop door.

* * * * *

Eene duffe, heete lucht sloeg Justus in het gelaat. Hij zag, door den

tabakswalm heen, vele gasvlammen, vele tafeltjes met rookende en

lachende gasten, en aan het einde van de smalle, lage zaal een half

dozijn zwierig gekleede vrouwen op een klein tooneel gezeten.

Een oogenblik stond hij bedremmeld:--hij vreesde dat al die menschen

zouden omzien, en met een honend lachje hem als toeroepen zouden: »Zoo,

Eykendaal, brave jongen! kom je óók eens naar de dames kijken?"--Doch

niemand wijdde hem de geringste aandacht. Aller blikken waren op het

tooneel gericht, waar juist, terwijl de pianist een vroolijk ritornel

oprammelde, eene der vrouwen van haren stoel rees, voor het klappende en

trappelende publiek zich lachend neeg, en met eene brutale, hoewel nog

frissche en zuivere altstem eenen deun aanhief van het allerlichtste

allooi.

Justus moest zich vastgrijpen aan eenen stoel.... Was dit tooverij? Had

de Booze hem nú reeds in zijne netten verstrikt?.... Mary! Mary stond

daar!--Dat was Mary, die daar zong! Mary in al hare valsche, duivelsche

schoonheid!

Neen. Mary uit Hillegersberg was dit wel niet; =die= zat op dit tijdstip

eerbaar onder de vleugelen van papa en mama te giggelen met haren neef

Edmund. Maar gewis, voor een ietwat beneveld oog mocht de gelijkenis

treffend schijnen tusschen de jonge dame en die mamsel daar. Dezelfde

rijzige en weelderige bouw; dezelfde blonde krullen; dezelfde lokkende

oogopslag; dezelfde wufte lach om de volle, half geopende lippen. Alleen

verving op de wangen van déze hier een verfje den voor goed gevloden

blos, en was in hare bruine oogen het fonkelen van behaagzucht al lang

geweken voor den phosphor-glans der schaamteloosheid. Doch dat deze

vrouw eenmaal als Mary geweest was, en dat Mary eenmaal als deze vrouw

zou kunnen worden--dit was wel zeker.

Middelerwijl was Justus, bleek van ontroering, onafgebroken starend naar

die vrouw die daar zong, tot vlak onder het tooneel gedrongen, en

had hij, zonder het zich recht bewust te zijn, plaats genomen op eene

bank in het voorste gelid. Het lied was uit; het ruwe refrein en het

handgeklap verstomden; de zangster zat weer op haren stoel. Daar trof

haar blik des jongelings gretig oog--en aan het purper dat zijne wangen

overgoot, erkende zij terstond de prooi op welke deze harpijen bij

voorkeur zich werpen. Zij glimlachte hem toe.... Wee hem! Had ook Mary

niet zóó hem toegelachen, dienzelfden namiddag, toen zij opblikte naar

het kerkorgel!

Van nu af was hij in hare macht. Hij voelde het!--maar bovenal, hij

=wilde= het!--Onder den invloed van den drank dien hij dronk, van de

wulpsche muziek die hij hoorde, van de blikken en de lonken dier vrouw,

begon eene brandende drift zich van hem meester te maken--half begeerte,

half wraakzucht. Het scheen hem dat hij zich aan Mary wreken zou, door

naar zijn welgevallen te doen met dit haar vernederd evenbeeld. Gene had

hem verachtelijk weggestooten--déze hier boeleerde om zijne gunst....

Geld zou zij eischen. Welnu, geld =had= hij, méér misschien dan één

der heertjes die er brasten om hem heen. De arme ondermeester was rijk

dien avond. Want het toeval wilde, dat hij de som bij zich droeg,

die hij sinds een jaar opgespaard had, gulden bij gulden, om er eene

Sint-Nikolaas verrassing mee te koopen voor =haar=. Dat geld nu--het

denkbeeld prikkelde hem nog te meer--dat geld zou voor =haar= niet

wezen, maar voor deze andere, die even bekoorlijk, en stellig niet zoo

valsch en koud en hardvochtig was als zij. Ging Magdalena de zondares

niet boven Herodias?--Hij dacht aan Maria Stuart: hoe zwak zij was en

hoe teeder. Hij dacht aan koningin Elisabeth: hoe kuisch zij was en hoe

wreed. Al de schoone gestalten uit zijne sprookjeswereld, vroeger hem

zoo engelrein: de burchtvrouwen met sleepend gewaad, de nixen met gouden

tressen, de peri's en hoeri's met lokkenmantels en gazelle-oogen--zij

verrezen voor zijne koortsige verbeelding als losbandige sirenen.

»Geniet!" fluisterden zij hem toe: »Doe als wij allen--geniet! Alle

ontzegging is nuttelooze pijniging! Geniet!"

Ja! Eén nacht van wilden zwijmel! Eén nacht van gloeienden lust!--En dan

een schip gezocht! Gevlucht! De wijde wereld voor het enge schoolhok!...

Ha! er was water genoeg in de zee, om de smet van dien éénen nacht af

te wasschen!

* * * * *

Het had middernacht geslagen van den grijzen Sint-Laurens-toren, die

statig het hoofd gericht houdt naar de sterren, onbewogen om al wat er

struikelt en zondigt aan zijnen voet--als wist hij wel dat alles omlaag

voorbijgaat, en dat het oordeel aan God is in den hooge.

De zaal die wij kennen was ontruimd. Twee personen slechts, behalve de

stommelende bedienden, toefden er nog bij het licht van de reeds half

neergedraaide gasvlammen. Straks traden ook die twee laatsten naar

buiten:--Justus Eykendaal en de blonde deerne, Mary's evenbeeld.

Driest stak zij haren arm onder den zijnen. »_Dépêchons-nous! J'ai

faim!_"--

En inderdaad, zij talmden geen van beiden.

Maar tegelijk haast voelde de jonge man zich bij den anderen arm gevat

door eene andere hand, wier vingers hem nepen als veeren van staal.

Den rotting vaster gegrepen--het hoofd omgewend, met eenen vloek op de

lippen.... Slaan echter behoefde hij niet, en het booze woord bestierf

hem op de tong.

»Marieken!" stamelde hij.

Ja waarlijk, daar naast hem stond, als ware zij uit den bodem opgerezen,

de dochter van den schoolmeester. Met haren blik doorboorde zij hem. Hij

bleef als versteend.

»_Eh bien!_" schreeuwde de vrouw aan zijnen rechter kant: »_Que nous

veut-elle, cette gaillarde?_"

De ondermeester wilde zich losrukken uit den greep van het dorpsmeisje.

»Laat mij!" riep hij. En tevens maakte hij zich vrij van den arm

waarmede die andere nog steeds hem vasthield. Want er was opeens, als

een stortbad van ijskoud water, eene schaamte over hem gekomen, een

gevoel van onteering en onredbaarheid.... »Laat mij!" herhaalde hij met

heesch geluid.

Doch wie hem liet, niet Marieken.

»Justus!" sprak zij hem toe, met iets wonderlijk plechtigs in hare stem:

»De beurt is aan mij!"

»Wat wil je van me?" hijgde hij.

»Ik wil dat je mij woord houdt. =Hildegarde=! zeg ik. Ga met mij mee,

Justus!"

Hij keek haar aan alsof hij haar niet begreep. »Ik kan niet!" sprak hij:

»Laat me aan mijn lot over!"

»_Est-ce que ça va durer? Viens-tu?_" riep de Fransche vrouw.

»Justus!" hernam Marieken: »Ga met mij mee! Gedenk je eed! Gedenk al wat

je eenmaal lief en heilig was. Het parool is: =Hildegarde=!"--

Hij hief het hoofd op, streek zich boven de oogen, als iemand die tot

bezinning komt, hapte naar adem, en stamelde toonloos: »Hildegarde, zeg

je?... Ja Marieken, 't is waar!... ik kom!"--En hij liet zich door haar

wegleiden als een kind.

»_Ah ça, mon beau villageois! Voilà donc ta paysanne qui te

rattrape!_"--

Maar Justus lette niet op den schorren lach, waarmede de ongelukkige om

den hoek der straat verdween. »Hildegarde!" prevelde hij: »Hildegarde,

zegt ze.... Ja kind, je hebt gelijk, ik kom!... Ik wist niet wat ik

deed, Marieken. Ik geloof dat ik krankzinnig ben!".... Mèt gaf een

krampachtig schreien aan zijne geweldig overspannen zenuwen lucht. »O!"

kermde hij: »nu is =alles= verloren!"

»Wel neen!" sprak Marieken, thans weer met haar welluidend stemmetje

als vanouds: »Nu is alles behouden. Want nu, Justus, zijn wij =beiden=

gehoorzaam geweest aan het parool. Nu staat er niemand meer tusschen

ons. Na déze beproeving kan niets ons meer vervreemden."

Chiaroscuro: Vertellingen tusschen licht en donker · 第 19 / 24 题