Alvorens met de geschiedenis van dezen onstuimigst bewogenen zondag in
de jeugd van Justus Eykendaal voort te gaan, moet ik met juistheid het
tijdstip bepalen, waartoe wij thans gevorderd zijn. De tweelingwijzer
van de Hillegersbergsche torenklok hield ongeveer het midden tusschen
de cijfers zeven en acht. Op die avondure pleegt het in het begin van
September niet meer licht te zijn, maar ook nog niet donker.
Terwijl dan onze jongeling daar zoo stond, zijne zaligheid
toefluisterend aan de verweerde baksteenen, hoorde hij van de andere
zijde van den lagen muur, die de begraafplaats omsingelt, een helder
lachen klinken. Hij spitste de ooren als een schichtig paard. Want die
lach--hij droomde het niet--was Mary's lach!--Eer zou een kapelmeester
zich vergist hebben in den klank van de trombone en van de dwarsfluit,
eer zou de tortel het krassen van de schorre kraai gehouden hebben voor
de roepstem van zijn gaaiken, dan dat Justus dien lach verward had met
den lach van éénig ander schepsel op aarde. Zóó immers kon slechts Mary
lachen. Welluidender muziek kende Justus niet--neen! niet onder al wat
er gecomponeerd was voor het orgel en voor de klarinet. Toch was het op
dit oogenblik--hij kon zich geene rekenschap geven waaróm--of dat lachen
hem meer pijnlijk aandeed dan liefelijk.
Hij sloop zachtkens naar den muur, om te zien. Pas echter had hij het
eerste woord vernomen, dat vrij luide gesproken werd, of hij bleef
als aan den grond genageld--om te luisteren. Justus Eykendaal was de
ridderlijkheid in persoon;--toch kuchte hij niet, noch snoot hij zijnen
neus. Er zijn van die gelegenheden, bij welke een ridder precies doet
als een lakei. Bayard zelfs zou zijn oor niet hebben teruggetrokken van
een sleutelgat, wanneer hij er door had opgevangen hoe de dame van zijn
hart bezig was critiek te leveren op eenen minnebrief van hem.
* * * * *
»Eene declaratie, jawel!" zeide de jonge dame: »_In optima forma_,
hoor!"
»Wat je zegt!" antwoordde de tweede stem, die Justus mede herkende. Zij
behoorde namelijk aan eenen neef van juffrouw Mary, den zoon van een
Rotterdamsch wijnhandelaar. Men had Justus vroeger eens verzekerd dat
de dochter van den notaris en dit vaalkleurige individu wel een paar
zouden worden; doch de zeldzaamheid van 's heertjes bezoeken en zijne
onverschillige houding tegenover het meisje hadden spoedig alle
bezorgdheid op dit stuk uit het gemoed van den ondermeester verdreven.
»Wat je zegt!" riep het fatje: »En van een schoolvos?"
»Een schoolvos zonder school, wel te verstaan!--Een stuk van een
kweekeling, moet je begrijpen, bij dat oude monster van een Van Meppen!"
»Onbetaalbaar!--Op schrift, hoop ik?"
»Op rozerood postpapier, en in een pootje of het gedrukt was!.... Als je
niet zoo'n onbarmhartige spotvogel waart, neef Edmund, dan zou ik haast
lust hebben het document je voor te lezen."
»O toe! ik bid je! Lees op! Dát zal me nu eens een waar feest zijn!"
»Nu dan", hernam het meisje. »Maar stil eens .... kan geen mensch ons
hier beluisteren?"
»De heeren en dames dáár misschien!" grinnikte de snaak, met een
handgebaar naar het kerkhof. »Haha! Die zullen er toch niet veel van
navertellen!"--
Justus hoorde het frommelen van papier, en daarop Mary met koddige
deftigheid lezende als volgt:
_Mejuffrouw!_
_Sinds ruim een jaar leefde er op twintig passen afstand van uwe woning
een mensch, wiens zoetste lust het geweest is de lucht in te ademen,
die hem kwam toegewaaid uit uwe nabijheid._
»Goed! waarachtig goed!" verklaarde de heer Edmund: »_A propos_, waar
woont het ventje?"
»Wel, vlak naast ons, rechts", antwoordde Mary. »Zoo is 't gekomen,
begrijp je? Hij kon uit zijn raampje precies in onzen tuin kijken; en
van die gelegenheid schijnt hij méér gebruik te hebben gemaakt, dan wel
te pas kwam. Onder ons gezegd, Edmund, hij moet me nog al eens _en
négligé_ hebben gezien, als ik zoo 's ochtends de eenden voederde--"
»De gelukkige!"
»En 's avonds verveelde hij me gruwelijk met zijne klarinet. Lieve
hemel! die klarinet heeft me wat dikwijls zenuwachtig gemaakt. De
zeurigste, lamentabelste deunen.... Maar hoor verder":
_Zijn naam werd misschien nooit genoemd in uwe tegenwoordigheid; want
hij behoort niet tot diegenen die van zich spreken doen in de wereld.
Maar zijn kunstloos klarinetspel, zoo durft hij zich vleien, was
menigmaal uw oor niet ongevallig--_
»Nota bene! Azor de hond sloeg er soms van aan het janken!"
»Haha!"
_--en méér dan eens, als gij minzaam zijnen bescheiden groet
beantwoorddet, bescheen de glans van uwe oogen zijn aangezicht, gelijk
een vluchtige zonnestraal heenglijdt over donkere wateren._
»Bravo! Maar dat is waarachtig een poëet, die knul!" riep de heer
Edmund.
Mary vervolgde:
_Dit u te herinneren, mag u onkiesch dunken--_
»Wel een beetje!"
_--Zoo ja, vergeef het mijnen hartstocht. Want o, mejuffrouw...._
»Nu zal je 't hebben!"
»Stil toch!"
_--Want o, mejuffrouw--ik bemin u!_
»We zijn er, komaan!"
_--Sedert veertien maanden bemin en aanbid ik u, zooals nog nooit op
aarde eene vrouw door eenen man bemind en aangebeden werd._
»Ah bah!" critiseerde weer de neef van Mary: »Neen! die is oudbakken!
Die moet hij uit _De volleerde briefschrijver_ gestolen hebben!--Lees
voort, schoone nicht!"
_Hoe ik den moed vind om u dit te schrijven--Amor alleen weet het, die
helden maakt uit lammeren._
»Uit kalveren! had er moeten staan."
_Want wie ben ik?_
»Een verliefde ezel!"
_--Een arme ondermeester. Wat kan ik u bieden?--_
»Eene plak en een dozijn griffels."
_Niets immers; terwijl gij, met alles toegerust: met alle deugden die
een hart versieren kunnen, met lieftalligheid zonder weerga, met eene
schoonheid, eene schoonheid .... o, mejuffrouw! Mary! indien gij wist
hoe schoon gij zijt!--_
»Nu wordt hij al familiaar ook! Maar dàt moet ik zeggen, het kereltje
heeft eenen goeden smaak. Want mooi ben je, nichtje!--zóó mooi, dat ik
haast niet laten kan...."
»Malle kwibus!" riep Mary; en Justus hoorde hoe zij hem eenen tik gaf op
zijne hand.--»Wil je me nu laten uitlezen?--Waar bleef ik ook
weer--ahem--"
_Doch ja! uit mijnen hartstocht, uit mijne maatlooze liefde voor u put
ik mijnen moed. Mary! ik ben arm, ik ben niets nog--het is waar. Maar
door u begunstigd, met het uitzicht op uwe wederliefde als mijne
rijzende morgenzon in het verschiet--_
»Alle duivels! wat neemt hij me daar eene vaart!"
_--kan ik alles nog worden. Ik kan werken, door bergen heen._
»Van rijstebrij!"
_Ik kan wachten, langen tijd, zoo noodig. Geen zwoegen zal mij
verdrieten. Geene jaren zullen den gloed doen bekoelen, waarmede--of gij
hem tot u opheft, of dat gij hem vàn u stoot, Mary!--eeuwig trouw u aan
zal hangen, hij die zich teekent_
_Uw dienaar tot in den dood,_
_=JUSTUS EYKENDAAL.=_
»Bravissimo!" schreeuwde de zoon van den wijnhandelaar. »Ik maak je mijn
compliment, nichtje! Zoo'n partij doet zich niet alle dagen voor!--Ik
begrijp dan ook levendig, dat voor mij, rampzalige, de kans nu wel
verkeken zal zijn!"
»St!" riep Mary: »Ik ben er nog niet. Er is nog een postscriptum":--
_Indien mijne stoutheid u niet vertoornt; indien mijne overmoedige
liefde eenen kleinen, kleinen weerklank gevonden heeft in uw hart--zie
dan morgen, wanneer gij ter kerk komt, na afloop van het eerste gezang
even op naar het orgel, en breng uw kerkboekje even aan uwe lippen. Aan
dien blik, aan dat gebaar hangt mijne zaligheid._
»Je moet namelijk weten", voegde de lieve lezeres er toelichtend bij,
»dat hij wel eens voor Van Meppen het orgel bespeelt onder kerktijd."
De heer Edmund hinnikte het uit van plezier, en sloeg op zijne dij dat
het klapte. »Heb ik ooit van mijn leven! Zoo'n romaneske aap!--En jij,
nichtje, wat heb je wel gedaan?--Natuurlijk de kerk aan de boeren
overgelaten?"
»Integendeel", antwoordde Mary, met schampere waardigheid: »Ik heb
den vlegel voor zijne onbeschaamdheid willen straffen. Daarom ben ik
behoorlijk mijn preekje gaan knappen. En toen het eerste gezang uit was,
heb ik heel betooverend opgekeken naar de orgelpijpen, en mijn nieuw
testamentje heel vurig gekust. Durft hij nu van avond of morgen mij
nabij te komen, dan zal ik hem zóó zijn vet geven, dat hij er ineens
genoeg van heeft!"
»Kostelijk! hihihi!" kraaide de andere. »O! maar hij is
onbetaalbaar!--Mary! ik moet je verklaren dat ik je admireer. Je hebt
een tact over je, een _savoir faire_, die op mijn woord van eer niet van
de poes zijn. Dat mag ik graag in eene vrouw. Ja waarachtig! als we onze
oudjes nu nog dat groote pleizier doen, en onze duitjes bij elkaar
leggen, en samen er mee in het bootje stappen--ik aan het roer, en jij
op de riemen...."
* * * * *
Wat het heertje verder snapte, ging voor den luisteraar verloren, daar
het tweetal langs den muur zich verwijderde. Justus had echter, ook
zonder dit, volop genoeg gehoord. Geen woord te weinig. Misschien ook
geen woord te veel.
Eene pooslang zat hij roerloos, als wezenloos, op eene grafzerk. Daarna
rees hij op, en waggelde naar de ruïne, tegen welke hij kreunend zich
aanleunde.
Toen legde zich eene hand op zijnen schouder; en er klonk eene stem in
zijn oor, zoo zacht, zoo hemelsch na het schaterlachen van die twee
demonen:--»Justus, heb ik je dan niet lief?"
Zijne zenuwen ontspanden zich; zijne oogen schoten vol; in heftig
snikken brak hij los. Maar opeens hield hij zich in bedwang.--»'t Is
niets, Marieken!" stootte hij uit: »Breek je om mij het hoofd niet,
kind!--Vaarwel! Vergeet mij!..... Er is goddank nog water in de zee!"
Met dien uitroep drukte hij zich de vuisten tegen het gelaat--en weg was
hij: het hek uit, den heuvel af, den kant op naar de stad.