Ik wil niemand vervelen (allerminst mijzelven) met een relaas van al
het hopen en vertwijfelen, al de verzuchtingen en versmachtingen eens
tot over de ooren verliefden ondermeesters. Ik moet de gebeurtenissen
samenvatten. Snel als de veldslagen van den grooten Napoleon volgden zij
van nu af elkander op den voet.
* * * * *
Ruim een jaar was er vervlogen sedert de ure van den grooten eed, den
heiligen eed van bondgenootschap, dien Justus en Marieken elkander
zwoeren tusschen de graven, onder het schijnsel van de volle Juni-maan.
September had hare intree gehouden met eenen snikheeten dag: eenen
kostelijken dag voor den Hillegersbergschen theetuin;--want in eenen
theetuin moet het tropisch wezen, anders vlot maar half het kozen in
priëeltjes, het dolle gestoei der jeugd, het welbehaaglijke suffen van
den ouderdom. Eerst de avond schonk wat verademing, zoodat, terwijl
de schemering daalde, alle dorpelingen in hunne tuintjes of op hunne
stoepen al koutend en rookend zich zaten te laven aan de verkwikkelijke
koelte. Dit was eene heerlijkheid! En wie er eene frissche teug wijn
bij bekostigen kon, die vergat zorgen en muggen tegader.
Ook Marieken was voor de deur van de schoolmeesterswoning aan het
scheppen van wat koele lucht. Maar geen gezellig woord, noch huiselijk
gerinkel van theegoed, noch gemoedelijk smakken aan eene goudsche pijp
deed zich naast haar vernemen;--zoo levendig het daar beneden onder de
pretmakers toeging, zoo stil was het hier op het bergje van de dooden.
Zij zat alleen, gebogen over een handwerk. Nu en dan sloeg zij de oogen
peinzend op. Het laatste avondgloren achter de twee Delftsche torens
legde over hare wangen zijnen weerglans van karmijn.
Opeens hoorde zij eenen voetstap naderen. Een jonge man trad behoedzaam
om den hoek van den kerkhofmuur heen. Justus Eykendaal stond vóór haar.
Wanneer men eenzaam zit, en een goed oud vriend....
Maar hoe nu! Wat deed er Marieken zoo van kleur verschieten? Wat zette
er haar hartje zoo aan het bonzen, dat zij hare hand zich in de zijde
moest drukken?.... Was Justus Eykendaal temet haar goede vriend niet
langer? Kon hij haar vreemd geworden zijn, wellicht?--
Vreemd?--ja en neen. Vreemd van aangezicht, neen: want dagelijks nog zag
zij hem komen en gaan. Maar vreemd van hart, ja. Hij had haar ontweken,
sinds maanden al. Hij had vermeden wat hij vroeger zocht: zamen met haar
te zijn, haar zijn gemoed te openen, met haar te praten over alles wat
hem lief was of verdroot. En waaróm dit?--Wist zij het niet? Ha! van den
beginne af had zij het geweten. Eer ontgaat den diamantklover een smetje
in eenen kostbaren steen, dan dat de vrouw eene vreemde minne niet
speurt in het hart van den man dien zij liefheeft.
Thans dus--nu hij voor het eerst sedert lang haar opzocht terwijl zij
alleen was--thans, Marieken voelde het, moest hij haar wel iets zeer
gewichtigs te zeggen hebben. Het kon haar niets nieuws wezen. Toch
beefde zij om het te hooren.
»Is je vader uit?" fluisterde Justus; en hij blikte daarbij zóó
geheimzinnig rond, dat het meisje van ontsteldheid geen geluid kon
geven.
Zij knikte slechts bevestigend.
»Kom mee dan!" hernam de ondermeester, haast gebiedend.
Zwijgend rees zij van haren stoel. Justus liep haastig vooruit, het
kerkhof op, en verdween achter de ruïne. Marieken achter hem, wat
langzamer. Eerst toen hij bij den hoogen grafsteen was--den bewusten,
met het bronzen geslachtswapen er op--hield hij stil.
»Marieken!" sprak hij gejaagd, en hij greep wild haar bij de hand: »ben
je mijne zus nog? mijne vriendin?"
»Zeker, Justus. Ik .... ik ben nooit anders geweest."
»Kan ik nog altijd op je rekenen?"
»Dat weet je wel."
»Ook als ik .... Marieken--ik mag geene geheimen voor je hebben. Ik
ben.... Er is eene jonge dame, aan wie ik iets te schrijven heb: iets
dat mijn levensgeluk betreft, mijne dierbaarste wenschen. Wil je dezen
brief voor mij bezorgen, aan .... aan het adres?"--Hij hield haar een
met lak verzegeld briefje voor, en zij las.
Had zij uit tienduizend moeten raden, zij zou geen ommezien in
onzekerheid verkeerd hebben of =die= naam, en geen andere, moest er
geschreven staan op het couvert van dien brief. Toch werd zij gloeiend
rood, en terstond daarop doodelijk wit. Hare anders zoo zachte oogen
bliksemden.
»Neen!" riep zij, en op de zerk stampend, die hol klonk onder haren
voet: »neen, Justus! dát doe ik niet!"
»Waarom niet?"
»Omdat .... omdat ik weet wat er staat in dien brief."
»Dát is licht te gissen, na hetgeen ik je gezegd heb."
»En omdat ik niet wil meehelpen om je ongelukkig te maken!"
»Ongelukkig? .... ik? .... met die engel, die .... ken je haar dan?"
»Ongelukkig, zeg ik. Ik ken die vrouw, ja. Die vrouw heeft je niet
lief."
Nu was het =zijne= beurt om met den voet op de zerk te stampen. »Dit is
te gek!" riep hij. »Hoe zou jij dat weten!"..... Inderdaad, wèl mocht
Justus het vragen: Hoe zou Marieken nu kunnen weten wie er Justus
liefhad, en wie niet!--
»Ik heb haar waargenomen al sinds maanden--sinds ik merkte dat je hart
aan haar hing", voer het meisje voort: »Zij is coquet en valsch. Zij
spot maar wat met je."
»Spotten!--Maar ik zeg je dat ze mij toegelachen heeft, dat ik in hare
oogen gelezen heb wat ze voor mij voelt! En ik zeg je dat die oogen niet
=kunnen= liegen, en dat er geen reiner engel leeft op heel Gods
aardbodem!"
Zij glimlachte pijnlijk. Zij voelde dat zij niets te antwoorden had.
Justus zou er haar trouwens den tijd niet toe hebben gelaten.
»Kom", zoo draafde hij door: »al dat kibbelen dient tot niets.
Marieken--ik heb haar zóó lief, zóó lief, dat ik dol zal worden als ik
het haar langer verzwijgen moet.
Ik kan niet zonder haar leven!--en ik sterf, ik maak me van kant, als
ik het haar niet zeggen mag. O, kind! je kunt niet begrijpen wat dát is,
zóó'n liefde, zóó'n liefde----neen! van zóó eene liefde kun je niets
begrijpen!--En als jij nu dien brief niet bezorgen wilt .... kijk!
hem zelf haar geven, kan ik niet; ik durf niet--ik heb haar nog nooit
aangesproken--ik ben zoo bang haar te beleedigen. Met de post gaat het
óók niet: want vooreerst kent Jaap de bode mijn schrift; en bovendien,
wat per post komt, blijft geen geheim. Jij, Marieken, jij bent de éénige
die ik met den brief belasten kan: de éénige die hem zóó haar in de hand
kan stoppen, dat niemand er iets van merkt. Toe! pak hem aan, en breng
hem haar! Marieken, ik zou voor jou door het vuur loopen!--en weiger jij
me nu zoo'n kleinigheid?--Toe! doe het toch! Ik smeek het je!"--
Zijne spanning, zijn hartstocht roerden haar. Zij beet zich op de
lip--maar zij stak de vingers niet uit om den brief te nemen. »Ik mag
niet, Justus!" sprak zij stellig: »ik houd te veel .... ik denk te goed
over je, om je zóó'n slechten dienst te willen bewijzen. Ik mag niet!"
»Maar je moet!" riep hij, eensklaps veranderd van houding en toon.
Weer plooide die smartelijke glimlach hare wangen. »Ik moet?--Ben ik dan
je dienstmaagd temet?"
»Je moet, ja!--Je hebt het gezworen."
Zij verbleekte.
»Hier, hier op deze eigen plek heb je het gezworen, dat je mij helpen
zoudt als ik het noodig had--levenslang, al liepen onze wegen nóg zoo
ver uiteen. Bij al wat ons lief en heilig was, heb je mij dat gezworen,
Marieken!--Is het niet?"
Zonder te antwoorden, staarde zij strak op den grond.
»En ons parool zou wezen: =Hildegarde=. Zou het niet?"
Zij knikte met het hoofd, nog altoos bleek en stom.
»Welnu dan--eenen eed breekt men niet. Dit is het oogenblik!--Ik zeg:
=Hildegarde=, Marieken!--Bij Hildegarde vraag ik je: wil je mij
helpen?"--
Nu eerst hief zij de oogen op. Zij zag hem aan met eenen blik vol
fierheid en vol smart.--»Geef den brief maar hier, Justus," sprak zij
kalm: »Van avond nog zal juffrouw Mary hem lezen."
Daarop, zonder groet, wendde zij zich om en ging heen. Maar zij had
geen zes stappen gedaan, of zij keerde zich nogmaals tot hem, en met
fonkelenden blik en opgeheven arm, in eenen stand en op eenen toon die
men veeleer van eene Ristori verwacht zou hebben dan van een eenvoudig
schoolmeesterskind, riep zij den verbaasden jongeling toe:
»=Hildegarde=, Justus!--Denk er aan, als de beurt aan mij komt: het
parool is =Hildegarde=!"
* * * * *
De volgende dag was een zondag. Meester Van Meppen had zich de
ontspanning veroorloofd van een bezoek bij _Sa Majesté son très-cher
frère_ den schoolmonarch van Berkel en Rodenrijs. Bij gevolg was Justus
Eykendaal de aangewezen persoon om bij ochtend- en middagbeurt in de
kerk het orgel te bedienen.
Altoos was hij trotsch geweest op het vervullen van die taak. Hij
speelde gaarne; en algemeen zeide men immers dat hij veel mooier
preludeerde en wel tweemaal meer tonen uit het oude instrument wist te
halen, dan zijn superieur. Maar ditmaal--ha! ditmaal zou hij voor de
mijnen van Golconda, voor den troon van den Beheerscher der Geloovigen
het baantje van vice-organist zich niet uit de handen hebben laten
nemen. Want men wete het, wijl het niet langer een geheim kan wezen: hij
had aan zijn schrijven aan mejuffrouw Mary een postscriptum toegevoegd,
waarin hij haar bad, of zij, ten teeken dat zij niet verstoord was
over zijnen brief--neen, dat zij hem wel een sprankje wilde geven van
hoop--den volgenden dag in de kerk wou komen, en dan, terstond nadat het
eerste gezang zou gezongen wezen, even wou opzien naar het orgel, en
even haar kerkboekje brengen aan haren mond. Zonder dit teeken zou voor
hem alles verloren zijn.
Men begrijpt dus: hadde Justus dien ochtend beide zijne beenen gebroken,
dan zou hij zich naar het orgel hebben doen =dragen=.
* * * * *
Bij den ochtenddienst evenwel, geene Mary;--en, wat iets werkelijk
ongehoords was: ook Marieken's stoel, vlak onder het bord met de tien
geboden, bleef ledig staan. Justus speelde dien morgen zóó lam en
lusteloos, dat de gemeente tot tweemaal toe van de wijs geraakte.
Hoe hij zich heensleepte door de uren tusschen ochtenddienst en
middagdienst, zou hij u zelf niet hebben kunnen zeggen. Eindelijk echter
had de schare het Hillegersbergsche bedehuis weder gevuld. De dominee
was al in den kansel, het gebed al uitgesproken--en nog, nog stonden er
twee plaatsen ledig: ééne onder het bord met de tien geboden, de andere
in het hoekje van de damesbank: Mary's hoekje!..... Maar of de noten
al schemerden voor Justus' oogen, het opgegeven gezang moest gespeeld
worden. Voor de gemeente duurde het ongeveer zes minuten; voor den
organist hield het langer aan dan het duizendjarige _Miserere_ der
zielen in het vagevuur. Toch kwam er een einde aan. En als Justus nu
zijn groen gordijntje wilde dichtschuiven, om in het donker zijne
wanhoop uit te schreien .... o God! daar zat zij!--daar zag hij haar
vlak in het schuin opgeheven gelaat, vlak in de heerlijk opziende
oogen!--daar rees hare blanke hand zachtkens uit haren schoot!--daar
beroerden hare rozelippen als met eenen gloeienden kus haar kerkboekje
met de twee gouden sloten!..... Justus speelde dien namiddag zóó woest
en wereldsch, dat de vromen meenden, de baarlijke duivel voer door de
pijpen; en dat de dominee 's avonds bij Van Meppen klaagde: hij vreesde
dat de kwâjongen zoowaar vóór kerktijd een bittertje gedronken had!
Maar Justus--, wat deerden hem orgelpijpen en vromen en dominees en
bovenmeesters!--Hij stoof naar buiten, zoekende wáár zich te verbergen,
zich en zijn geluk. Hij had het willen uitschreeuwen: »Mary! Mary!
Zij gaf mij het teeken! Zij geeft mij te hopen! Zij mint mij, mint
mij weer!"..... Op eenen draf liep hij een paar polders om. Maar de
eenzaamste paden waren hem nog te bevolkt: want hadden niet alle boomen
en vogelen en bloemen en golfjes, hadden zij niet allen stemmen, die hem
jubelend toezongen: Zij mint u, zij mint u weer!..... Hij liep en liep,
zorgvuldig den straatweg vermijdend: want hij voelde wel, als hij haar
ontmoet had, dan zou hij zich niet hebben kunnen intoomen: dan zou hij
haar te voet gevallen zijn, om haar te danken voor hare genade. Hij
liep en hij liep--tot de schemering daalde. Toen, vreezend dat de
menschen zijn zalig geheim hem lezen zouden op het gelaat, sloop hij
als een dief naar het dorp terug, om Marieken op te zoeken, Marieken te
verpletteren onder zijnen triomf--zij, die getwijfeld had aan het hart
van zijne engel!--
Marieken echter was nergens te vinden. Marieken .... het leek wel of zij
pruilde. Zou zij .... voor het eerst vloog het Justus door zijn brein
... zou zij jaloersch wezen bij geval?... Och wat! zij was immers zijn
zusje!...
Doch ook daaraan dacht Justus niet lang. Hij dacht aan dat ééne slechts:
aan zijn geluk. Hij was er vol van: hij meende dat het zijne slagaderen
zou doen springen, zijn hoofd zou doen uiteenbarsten. En daar hij het
voor de levenden niet uitstorten mocht, zoo wilde hij het toevertrouwen
aan de dooden. Hij trad het kerkhof binnen, en koelde zich de bonzende
slapen aan het gesteente van de oude ruïne. Tegen het muurbrok, geplant
in eenen grond die doorweekt is met tranen, tegen het eeuwenheugende
muurbrok had nooit tevoren misschien de wild jagende polsslag geklopt
van menschelijke blijdschap.